Waar de zwarte plooi der duinen…

Toelichting
Dit verhaal publiceerde ik in 1973. Het was een intermezzo bedoeld om de lezers van ‘De demokratisering van het geluk’ te belonen, dat ze het al zo ver hadden volgehouden. Toen ik het onlangs weer eens las, moest ik lachen om de gedateerdheid. Het is duidelijk dat ik toen nog nooit een computer in het echt had gezien, en ik denk dat nu ook nog maar weinig mensen snappen waar de speldenprik ‘Nieuw Links in DS’70’ op sloeg. Maar verder is er geen woord gelogen aan dit verhaal. Het is echt zo gegaan. Alleen weten wij dit niet omdat wij vandaag 10 september 2009 in een parallel universum zijn beland, omdat een stel mad scientists op de grens van voormalig Frankrijk en voormalig Zwitserland met elementaire deeltjes gingen knoeien…

Let man be free, but may not hemp your windpipe suffocate.
Shakespeare, Henry VIII.

Alfred Nussbaum stond met zijn rug tegen de deurpost geleund. De zon was allang weg uit de daktuin, maar de warmte was er nog achtergebleven. Als de planten water hadden gekregen, bleef er een geur achter van vochtige aarde, een spoor koemest en de groene lucht van duizenden klierhaartjes op de bladeren. Een lucht die hem altijd in een merkwaardige staat van opwinding bracht.
Op zulke momenten, als Alfred in een contemplatief evenwicht terecht kwam, was hij een totaal andere figuur dan de schichtige oude jongeman die lichtgebogen trappen op en af liep, mensen bezocht en weer verliet, zonder ooit veel indruk achter te laten.
Alfred was niet lelijk. Zijn zwarte krulhaar was zelfs aantrekkelijk te noemen; Maar de voortdurende geur van selfdefence die hij uitstraalde maakte het moeilijk tot hem door te dringen. En de warmte die hij geneerde doorliep een intern circuit.
Op momenten als nu, in de daktuin, was hij nog op zijn best. De confrontatie met de vruchtbaarheid, Alfreds grootste probleem, zette de zachte computer in volle werking. Maar de uitkomst, dat voelde hij, stond al vast. Creativiteit zou er wel weer uitkomen als baarmoedernijd.
De run werd deze keer niet afgemaakt. Een geblaf in de tuin beneden doorbrak de gedachtentrein van Alfred en hij belandde met zijn bewuste denken weer bij de planten die hij net water gegeven had. Officieel werden ze benoemd als Cannabis Sativa L puntje.
Dat laatste vanwege Linnaeus. Het tijdperk van de oogst begon te naderen, en Alfred vroeg zich af, hoe hij de mannelijke en vrouwelijke exemplaren van zijn gewas zou moeten onderscheiden. De hennepmythe wilde dat nu eenmaal, dat er verschil werd gemaakt.
Misschien, dacht hij, zou de Flora er iets over zeggen. Bij wijze van uitzondering voegde hij de daad maar eens bij de gedachte en zocht hij het meteen op.
Het bleek dat hennep erin stond, en het bleek ook dat deze plant een lid van de familie of het geslacht of hoe noem je zo iets der Urticaceeën was.
Op zichzelf is dat niets bijzonders. Maar als je dan leest dat die Urticaceeën verder onderdak bieden aan hop, glaskruid, moerbei, hennepnetel en grote en kleine brandnetel, dan begin je te denken, tenminste als je zo iemand als Alfred bent.
Alfred dácht dan ook. Maar hij verwierp het resultaat onmiddellijk. ‘Dat kan niet’, dacht hij. ‘Dat moet meer mensen opgevallen zijn. Nee, onzin.’
Maar de gedachte bleef doorzeuren. ‘Kijk’, dacht Alfred tot zichzelf, ‘velen zijn geroepen en weinigen uitverkoren; velen hebben gedacht, en maar weinigen gedaan, en het nieuwe ontstaat altijd door een kans te geven aan het onbekende’.
Het kwam erop neer dat Alfred enige dagen later gewapend met een grasschaar en een keukenhandschoen in de Amsterdamse natuur verdween en een paar uur later terugkwam met vier plastic zakjes vol plantendelen, bevattende ‘toppen van de bloeiende en/of vruchtdragende vrouwelijke en mannelijke planten van de grote en kleine brandnetel’.

Iris, die anders was dan haar naam doet vermoeden, kreeg een redelijk ontbijt van Alfred. Een samenloop van twee zeldzaamheden, want Alfred had niet zo vaak ontbijt in huis, en fris bleef niet zo vaak.
Ze had geen verplichtingen die ochtend en wilde daarom ook wel wat langer blijven zoals Alfred voorstelde. Alfred zelf had wel iets om half tien, waarvan bij dacht dat het nuttig was, en dus was zij nu alleen in huis.
Zij voelde zich wel gerechtigd wat rond te snuffelen. Papiertjes op een bureau, half afgemaakte brieven; de hele sedimentatie van ooit gebruikte en weer neergelegde voorwerpen vertellen meer van iemand dan de afgestemde mededelingen die zelfs in de meest vertrouwde communicatie worden uitgewisseld.
Wat Iris elke keer weer frappeerde, was de grote tegenstelling tussen Alfreds systematische monologen waarmee hij haar tegelijk boeide en verveelde, en de volstrekt chaotische environment waarin zijn fysieke bestaan zich afspeelde.
Tegen het eerste leek voorlopig geen kruid gewassen. Aan de omgeving viel iets te doen, althans tijdelijk. ‘Kom’, dacht Iris, ‘laten we eens ons best doen, dat is leuk voor zo’n jongen’.

Toen Alfred ‘s middags thuis kwam, was zijn vriendin verdwenen. Zijn kamer was nou ja niet onherkenbaar, maar wel duidelijk veranderd. Hoewel hij er zelf niet in slaagde de zaak op orde te houden, voelde hij zich wel duidelijk meer thuis in een cleane omgeving dan in een ordeloze troep. Het ontroerde Alfred dan ook zeer dat iemand anders bereid was datgene te doen waar hij zelf niet toe kon komen en hij was ook niet zo boos toen hij merkte dat Iris de vier zorgvuldig gescheiden varianten op het thema gedroogde brandnetel gezamenlijk in één chinees theeblikje had ondergebracht.

In het Groot Auditorium van het United States Data Processing Control Centre heerste een gespannen atmosfeer. Hoewel de testruns zonder moeilijkheden waren verlopen kon er toch altijd van alles misgaan bij zo’n uitgebreide schakeling.
Alle elektronische schakelingen richten nu eenmaal niets uit tegen een dragline die per abuis een transmissiekabel doorhapt. En iedereen in wetenschap kent het demonstratie-effect.

Zeker zes van de twintig aanwezige hoge militaire en industriële functionarissen wisten overigens welke vraag de President zou gaan stellen en het antwoord was al vele malen op de repetities gegeven. In geval van nood kon dus altijd een antwoord van de vorige keer uit het geheugen gehaald en uitgeprint worden.
De inleidende ceremonieel verliepen vlekkeloos en Mr. President liep vastberaden naar het toetsenbord en typte zijn vraag in. Op de nixie-tubes boven de desk van de President gloeide zijn vraag voor iedereen leesbaar op.

Q. WILL THERE BE A WAR.

Ondanks de waanzinnig hoge snelheden van de processing units, duurde de verwerking ruim 14 seconden. De transmissie tussen de computers die deel van het systeem uitmaakten en die in verschillende delen van de Verenigde Staten opgesteld waren, was relatief tijdrovend.
Toen, verscheen gelijk met het geratel van de printer het antwoord op het paneel:

A. BASED UPON DATA AVAILABLE 14H52'07" GMT *** YES *** PROBABILITY 97.2% *** CC ***

Er ging een gevoel van ongemak door de zaal. Hoe reageer je op zo’n moment?
De President van de Verenigde Staten is iemand die hoort te weten hoe je op dit soort momenten reageert. En hij aarzelde dan ook niet. Een zorgvuldig getimede pauze; na het binnenkomen van het antwoord draaide hij zijn stoel een halve slag naar het publiek.
Toen hij opstond was er een merkwaardige glans in zijn ogen.
Hij nam het woord:
‘Gentlemen, on this historical moment, I appreciate to declare, that as the President of the U…’
De rechterhand van de President graaide naar zijn vest en er kwam iets verbaasds in zijn blik. En terwijl hij een kwartslag naar rechts draaide, zakte hij in elkaar.

Toen het dode lichaam van de President over het toetsenbord zakte, duwde het een toets in die als opschrift RECHECK droeg. En dwars door de consternatie heen produceerden paneel en printer veertien seconden later het volgende bericht:

RECHECK Q. WILL THERE BE A WAR.
A.  BASED UPON DATA AVAILABLE 14H53'49" GMT *** NO PROBABILITY 68.2% *** CC ***

En zo kwam het dat er in Arkansas een fabrikant met een flinke voorraad onverkochte ontbladeringsmiddelen kwam te zitten.

Hoewel Alfred allang het geloof in zijn onderneming verloren had, besloot hij het experiment toch te volvoeren. Het wetenschappelijk deel van zijn persoonlijkheid vond dat je dit soort dingen af moet maken.
Hij bouwde een beschaafde stick van één vloeitje in de lengte en één dwars, en een vulling van halfzware met wat topjes uit het theeblikje.
De smaak was even wennen, maar aan de smerige smaak van tabak waren tenslotte ook een heleboel mensen gewend, dus dat zei niks.
Van een knal was echter nauwelijks sprake. Alfred maakte na een tijdje nog een tweede. En een halve LP later begon hij iets te merken. Eerst op een zacht pitje, maar er zat een stijgende lijn in.
En een uur later zweefde de geest van Alfred Nussbaum op allerplezierigste wijze boven deze snelveranderende maatschappij.

Toen Alfred de volgende dag zijn eerste experiment evalueerde, kwam hij tot de conclusie, dat zijn ontdekking een maatschappelijk effect zou hebben wat in de orde van grootte lag van de impact van het vuur en het wiel op onze samenleving.
Het leek hem dan ook beter om de ontdekking voor zichzelf te houden. En dus vertelde hij het alleen maar aan zijn allerbeste vrienden, die het ook alleen aan hún beste vrienden vertelden, en het duurde wel twee maanden voor de hele Amsterdamse scene op de hoogte was.
Het sonore geknip van heggescharen dat op zomeravonden uit de AmsterdamSe parken en plantsoenen opsteeg, kon niet onopgemerkt blijven. In het Gooi werden er al ras matrassen mee gevuld, Utrecht en Groningen vielen na drie weken en de rest volgde een dag of tien later. Alleen Zuid~Limburg bleef aan de pep.
Toen kwam het ook dr. Kruisinga ter ore.

Dr. Kruisinga, begonnen als neusarts, en via verkeersdeskundige opgeklommen tot Minister van Zieleheil, zag snel in dat er iets gebeuren moest. Toenemend brandnetelgebruik zou de geestelijke weerbaarheid van het Nederlandse volk ongetwijfeld ernstig aantasten. Maar het probleem was al zo uitgegroeid, dat het te zwaar leek om er één zetel mee te belasten. Zeker als dit de zetel was waarop hij nog jaren zou moeten doorbrengen voor hij hoofd van de WHO werd. En dus riep de minister het kabinet bijeen.
Dit kabinet deelde de bezorgdheid van de minister en besefte dat het probleem ook al te ver uitgegroeid was om het op eng-nationale schaal te behandelen en via Luns bracht men de zaak in de aandacht van de NAVO-raad.
De NAVO-raad deelde op zijn beurt de bezorgdheid van Nederland, concludeerde dat de vrijheid van het Westen uitgehold werd en adviseerde Nederland de brandnetel uit te roeien.
Formeel kon de delegatie natuurlijk niet voor honderd procent toezeggen dat dit zou gebeuren, maar praktisch stond wel vast dat het advies zou worden uitgevoerd. En nog tijdens de zitting van de Raad zorgde het uitstekende verbindingsapparaat van het militair-industrieel complex ervoor dat de Nederlandse regering offerte kreeg van een voordelige aanbieding ontbladeringsmiddelen van een fabriek in Arkansas — die als de regering snel besloot, tegen een geringe bijbetaling zelfs direkt te leveren zou zijn.

Na goedkeuring door het parlement van het Brandnetelbesluit, was het snel bekeken. De VS leverden behalve de defolianten ook wat helikopters aan de luchtmacht en na elf dagen sproeien was het gebeurd.
Omdat brandnetels praktisch overal groeien had men geen plekje overgeslagen en na enkele dagen begonnen de planten te vergelen.
De regering was erg verrast toen de eerste berichten binnenkwamen dat ook de rest van Neerlands vegetatie begonnen te verdwijnen.
Oorspronkelijk zag niemand veel bezwaren. Mansholt, de voorman van Nieuw Links in DS’70, had tenslotte al jaren geroepen dat die boeren eens op moesten houden. Maar de agrarische bonden hadden dit tot nu toe weten te voorkomen door Biesheuvel maandelijks een boerenroman toe te sturen.
Uit Amsterdam kwam nog enig verzet. Voor duur geld had men daar jaren in het westelijke havengebied kunstmatige kale grond aangelegd, en de waarde hiervan was nu in één klap gekelderd.

Het zou allemaal nog wel gegaan zijn, als het niet zo ontzettend was gaan stuiven.
Natuurlijk waren er onmiddellijk actiegroepen die hiertegen protesteerden, maar men wist dit na jaren protest tegen vliegtuiglawaai e.d. best op te vangen. Pas toen de gezamenlijke keel- neus- en oorartsen zich verontrust tot oud-collega Kruisinga wendden nam de regering maatregelen.
Een studiecommissie brak een snelheidsrecord door binnen een maand te rapporteren en als uitvloeisel van dit rapport werd Alkmaar’s burgemeester Roei de Wit, voordien wethouder van Publieke Werken in Amsterdam, naar Den Haag geroepen en geïnstalleerd tot minister van Bestratingen.
Het werden mooie tijden voor De Wit. Zijn oude droom – Nederland geheel te asfalteren – kon nu in vervulling gaan.

Het karwei nam acht maanden. En het resultaat was indrukwekkend. Consequentheid heeft een zekere esthetische kwaliteit, en de enige variatie die erover gebleven was – het hoogteverschil – won hierdoor aan dramatiek.
De zwarte bergen van de Utrechtse heuvelrug waren vooral bij zonsondergang van een adembenemende schoonheid.
Maar er ontstond een nieuw probleem.
Het eerste weekend dat de Nederlandse vlakte geopend was, kostte het verkeer enige honderden mensenlevens. Want ook al had men trouwhartig witte strepen over het asfalt getrokken van Amsterdam naar Utrecht en vandaar weer naar Arnhem en zo, de automobilisten trokken zich er niets van aan. Zodra ze die enorme asfaltvlakte voor hun neus zagen werden ze volslagen stoned en gingen ze proberen af te snijden.
De automobilistenreflex blijkt echter alleen te reageren op evenwijdige en loodrecht kruisende bewegingen en het aantal botsingen was catastrofaal.
Geschrokken stelde het kabinet een autostop buiten de bebouwde kom in. De situatie was moeilijk. De spoorwegen waren er niet op berekend alle vracht en personenvervoer van de weg over te nemen.
Maar het was minister Klompé die een oplossing vond.
Ze herinnerde zich dat vroeger ooit een Simon Stevin met een zeilwagen langs de Hollandse stranden gereden had. En dat bleek de oplossing te zijn.
Zeilers zijn gewend ook in andere hoeken dan 90° te denken, en het varen paste ook wel in de Nederlandse traditie.

De vinding van Stevin werd geperfectioneerd met alle middelen die de twintigste eeuw kent. Uitstekend gelagerde wielen, vering, verlichting en elektronische navigatiemiddelen maakten de landschepen tot betrouwbare en comfortabele voertuigen.
Desondanks bleven ze echter in zoverre wisselvallig, dat ze van de wind afhankelijk waren. Vooral als de wind draaide kon je veel tijd verliezen met kruisen en de vrachtvaarders hadden dan ook veel belang bij long term weervoorspellingen om hun routes uit te zetten.
De officiële meteorologie kon hier slechts ten dele aan voldoen, omdat er sinds de asfaltering veel meer hogedrukgebieden boven Nederland gemeten werden dan vroeger en het hele veranderingspatroon van weertypen nog niet bekend was. De electrische stormen rond het IJsselmeer waren bijvoorbeeld nog volstrekt onberekenbaar.
De volksmeteorologie kwam weer in zwang. En er waren heel wat oude boeren en vissers die in de kroegjes rond de rederskantoren opereerden en daar een flinke cent bijverdienden. Maar ook het beste orakel kon een windstilte alleen maar voorspellen en niet voorkomen.
Niet zelden bleef men een of twee dagen voor Zutphen liggen of moest men ergens midden op de vlakte voor zuignap gaan.
De meeste reizigers trok dit niet aan, en men zag het personenvervoer dan ook geleidelijk steeds meer inkrimpen.
De spoorwegen, die afgeschaft waren omdat de bovenleidingen een belemmering vormden voor de masten van de zeilwagens konden het personenvervoer niet meer overnemen en de geografische mobiliteit van de Nederlanders begon steeds meer af te nemen.

Het thuisblijven bracht een duidelijke verandering in de gewoonten van de mensen. Door het geringe contact tussen de woonkernen werd het gedrag niet meer doorlopend vergeleken, en zag men in diverse delen van het land verschillende culturen ontstaan. De geringere mobiliteit maakte ook dat men de huiselijke genoegens weer ging ontdekken en gezelschapsspelen en handenarbeid beleefden een nieuwe bloei.
De plaatselijke culturen gaven een folkloristische kleur aan deze uitingen en omdat de auto als statusobject verdwenen was, werd nu de plaatselijke handelsvloot het praalobject bij uitstek. Zeilen werden in de kleuren van de stad getaand en de rompen en wielen boden plaats aan fantastische drakenkoppen, rozetten en ander houtsnijwerk.
Het was een indrukwekkend gezicht om deze Fellini-achtige bouwsels met hoge snelheden over de asfaltvlakte te zien jagen. En het begon ook eigenlijk best gezellig in Nederland te worden.

Tot Alfred Nussbaum op een dag ontdekte, dat als je asfalt nu maar op de juiste manier prepareerde…

mailtobutton

Advertenties

Eén reactie to “Waar de zwarte plooi der duinen…”

  1. Rietje Scholten Says:

    Gerard wat een leuk verhaal en zo herkenbaar, ik moest lachen en lachen en dat nb na die vreselijke boodschap die ik kreeg vanmiddag. Dank je wel dus!

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s


%d bloggers liken dit: