Het politieke en het persoonlijke

woensdag 4 augustus, 2021

1. De eyeopeners
De tweede feministische golf rolde over Nederland. Het begon met de oprichting van Man Vrouw Maatschappij MVM in 1968 door Joke Smit en Hedy d’Ancona een klein jaar nadat Joke met haar artikel “Het onbehagen van de vrouw” de steen in de vijver had geholpen en al meteen forse rimpels in die vijver  veroorzaakte.

Mijn toenmalige vriendin kende Joke van haar werk en zo hoorde ik van het bestaan van MVM en we werden beiden lid en bezochten samenkomsten.
Waarom werd ik lid? Het is me toen nooit gevraagd voor zover ik me herinner. Maar Ik denk dat het voor mij een voor de hand liggende reactie was om als links mens alles te steunen  wat tegen ongelijkheid was. Maar ik denk dat het feit dat ook de man in de naam van de beweging werd genoemd een rol speelde.
Het kwam er zelfs van dat er, aangemoedigd door de twee oprichtsters van MVM, een groepje werd opgericht, bestaande uit de twee toenmalige echtgenoten van Joke en Hedy, iemand waarvan ik de naam vergeten ben en schrijver dezes om over onze rol te praten. wat niet lukte.

Wat mijn toenmalige indruk van MVM was, was dat bij de leden D’66 oververtegenwoordigd was. De partij die zich toen misschien nog niet, maar later in elk geval wel letterlijk als ‘het redelijk alternatief’ omschreef.
Ik zelf had toen al een actie verleden en vond dat redelijkheid niet het meest effectieve antwoord op onbehagen was.
D’66 riep bij mij een beeld op van pijprokende mannen die in plusfours gekleed naar Dixieland muziek luisterden en deftig over wijn praten en elkaar met ‘Beste Kerel’ aanspraken. En hoewel ik ze nooit zo in het wild heb aangetroffen, bleef dat beeld bij me opkomen.
Sorry, beste kerels.

Het was daarom logisch dat Dolle Mina mij onmiddellijk aansprak.
De dynamiek, de creativiteit, geen gedoe met commissies, de straat op, wat wel en niet werkt merk je wel. Heerlijk.
Maar er was meer. Er ontstonden middelen, antwoorden, er werd kennis verzameld, verwerkt en gedeeld, en er kwamen dingen overwaaien uit de Verenigde Staten waar de Women’s Liberation Movement al iets eerder gestart was.

Er kwam daardoor een stroom van publicaties deze kant op. En de Atheneum Boekhandel op het Spui in Amsterdam en niet te vergeten Boekhandel van Gennep op de Nes waren altijd goed gesorteerd in dat soort geschriften.
Een van die publicaties was Notes from the Second Year.
Omdat ik destijds al mijn documenten uit die tijd aan het Internationaal Vrouwen Archief heb geschonken heb ik geen exemplaar meer, maar alleen een PDF van de scan van een gelezen exemplaar waarvan ik de index pagina hier reconstrueer

I. Women’s Experience: 

The Bitch Manifesto – Joreen
Woman and Her Mind: The Story of Everyday Life – Meredith Tax
Love – Shulamith Firestone
The Politics of Housework – Pat Mainardi
A Female Junkie Speaks – Interview by Lucille Iverson

II. Theories of Radical Feminism:

The Myth of the Vaginal Orgasm – Anne Koedt
The Institution of Sexual Intercourse – Ti-Grace Atkinson
Female Liberation as the Basis for Social Revolution – Roxanne Dunbar

III. Founding a Radical Feminist Movement:

Issues: The Left Debate

Women and The Left – Ellen Willis
Sequel: Letter to a Critic – Ellen Willis
Hard Knocks Working in a Mixed (Male-Female) Movement Group – Carol Hanisch
Them and Me Anonymous
The Economic Function of the Oppression of Women – Stale Olah
“Consumerism” and Women – Ellen Willis

Issues: Consciousness-Raising

The Personal is Political – Carol Hanisch
A Program for Feminist “Consciousness Raising” – Kathie Sarachild
Resistances to Consciousness – Irene Peslikis
False Consciousness – Jennifer Gardner
Man-Hating – Pamela Kearon

Issues: Organizing

A Critique of the Miss America Protest – Carol Hanisch
On Abortion and Abortion Law – Lucinda Cisler
An Abortion Testimonial — Barbara Susan
A Report from the Law School, 1968-69 – Marion Davidson
What Women Want. For Starters. – Congress to Unite Women
The “New Feminist Analysis” – Bonnie Kreps / 98
The Founding of the New Feminist Theatre – Anselma dell’ Olio
On Class Structure Within the Women’s Movement – Barbara Mehrhof
Power as a Function of the Group – Pamela Kearon
Sexual Politics: A Manifesto for Revolution – Kate Millet
Redstockings Manifesto
The Feminists; A Political Oiganization to Annihilate Sex Roles
Organizing Principles of the New York Radical Feminists
Politics of the Ego: A Manifesto for N.Y. Radical Feminists

Van de hierin genoemde issues had dat over Consciousness-Raising de grootste invloed op mijn ontwikkeling.

Ik was onder de indruk van het effect wat de vrouwenpraatgroepen op de deelneemsters had en mijn nieuwsgierigheid wat hier zich voor een krachtig veranderingsmechanisme in werking was, interesseerde me niet alleen als actievoerder maar steeds meer ook als persoon en met name als mannelijk persoon.
Over die Werdegang als man heb ik uitgebreid geschreven in “De komende en de gaande man, Vrolijke en lastige kanten van de mannenemancipatie”.
Maar waar ik nu weer vruchtbaar gebruik van maak is het verhaal van Carol Hanisch getiteld “The Personal is Political”

En waarom die volgorde in mijn titel omgekeerd is zal hoop ik in dit opstel duidelijk worden.

Maar eerst:

2. Het onbehagen van mijn moeder
In 1935, het jaar dat ik geboren werd, werd mijn vader werkeloos.
Mijn vader was een gediplomeerd drogist, Hij had de opleiding voor het vakdiploma met goed gevolg in de avonduren gevolgd en kon daarom in een van de drie drogisterijen werken die een aangetrouwde oom gekocht had.
Mijn oom was twee keer als koloniaal naar het toenmalige Nederlandsch Indië getrokken.
Wat hij daar deed weet ik niet, maar hij kwam terug met veel geld en een alcoholprobleem.
Hij kocht drie drogisterijen die alle drie Het Oliepakhuis heetten en mijn vader werkte in het filiaal in de Nieuwe Leliestraat in Amsterdam.

Omdat mijn oom regelmatig de kas leeghaalde om zijn consumpties te betalen, kon mijn vader steeds vaker de leveranciers niet betalen en dus ging het filiaal failliet en mijn vader stond op straat.
Zo belandden wij in het steun of de steun zoals de voorloper van de bijstand toen genoemd werd, en mijn vader in de werkverschaffing.
Dat leverde 14 gulden per week op.
Mijn moeder verdeelde dat geld per week voor de vaste lasten. Ik herinner me het bodenblikje, waar het geld voor de huur, het ziekenfonds en voor de Algemene Friese (zoals de uitvaartverzekering discreet werd aangeduid) apart werd gehouden.
We waren intussen naar de Indische Buurt verhuisd, waar veel leegstand was en je de eerste twee weken geen huur hoefde te betalen en nieuw behang kreeg als je een woning huurde.
Het huis is afgebroken, en de straat ook.

Werklozen kregen op verschillende manieren hulp. Zo werden zij vrijgesteld van rijwielbelasting. Maar het belastingplaatje dat aan je fiets bevestigd werd van een ponsgat voorzien waardoor je als werkloze geïdentificeerd kon worden. Als je kleren nodig had dan moest je daar een aanvraag voor indienen en dan kwam een inspecteur thuis je linnenkast inspecteren om te zien of het wel nodig was.
Mijn moeder schaamde zich dan voor de meermalen verstelde kleren en vond het ook gênant dat een man haar ondergoed zag.
Zelf herinnerde ik me dat ik mee ging naar een magazijn in ik meen de Valkenburgerstraat voor een paar schoen van het steun. Ook daaraan waren de steuntrekkers te herkennen. En als de meisjes op school gymnastiek moesten doen waren ze ook aan een stempel op hun ondergoed als steunkinderen te herkennen.
Er werd dus heel lang versteld voor je nieuwe kleding aanvroeg. Gebreide kleren werden uitgehaald en de wol werd nat tussen twee haken gespannen en gedroogd zodat de krul er uit ging en daar mee werd iets nieuws gebreid.
We gingen goed voorbereid de oorlog in, mag je wel zeggen.
Gelukkig ontsnapte mijn vader aan de Arbeitseinsatz door dat hij net op tijd door een andere oom aan een baan bij de Amsterdamse Chininefabriek (ACF) op de De Wittenkade in Amsterdam geholpen werd.

3. De moeizame relatie tussen probleem en oplossing
Dingen kunnen problemen veroorzaken.
Keuzes kunnen tot problemen leiden.
Sociale situaties kunnen het ontstaan van problemen in de hand werken.
Maar alleen personen ervaren de problemen.
Een ervaren en betrokken persoon kan de aard en de oorzaak van een persoonlijk probleem identificeren en misschien zelfs een oplossing vinden, maar degene die het probleem ervaart is de enige die ten volle ondergaat in welke mate het probleem de kwaliteit van haar of zijn leven aantast.

Het vervelende nu, is dat oplossingen van problemen vrijwel nooit persoonlijk zijn als die oplossingen bedacht en/of uitgevoerd worden door een instantie.
En dan bedoel ik instantie in de ruimste zin van het woord.

Problemen zijn dus persoonlijk.
De oplossingen zijn onpersoonlijk,
en daardoor onvoldoende effectief
.

De recente kinderopvangtoeslag affaire toont aan dat oplossingen zelfs nog erger kunnen zijn dan het probleem.
De achtergrond van van ons probleem met het oplossen van maatschappelijke problemen is de schaal waarop we onze maatschappij hebben georganiseerd en bedienen.
Schaal gaat over afstand, en afstand leidt zonder wijsheid tot vervreemding.
En of het nu gaat over onderwijs, zorg of inkomenspolitiek de oplossingen die bedacht worden zijn altijd globaal.
Het gaat over profielen waar we mensen in schoffelen, profielen op basis van statistieken en sociologische veronderstellingen.

En wanneer de oplossing in de uitvoeringsfase gaat, kan het, dat als het om overlappende profielen gaat, de beslissing wordt gedelegeerd aan een algoritme.
Over algoritmes gesproken: Norbert Wiener schreef in 1950 een boek getiteld: “The human use of human beings”
Wiener wordt beschouwd als de grondlegger van de cybernetica, wat je zou kunnen vertalen als stuurkunde.
Op de Wikipediapagina gewijd aan Wiener staat het zo omschreven: Wiener is considered the originator of cybernetics, the science of communication as it relates to living things and machines.
Valt je iets op?

Levende dingen? Het gebruik van mensen?
Hier praat de oertechnocraat over mensen

Zijn manier van denken heeft gevolgen gehad voor de inrichting van de maatschappij. En de  opvatting die vervolgens ontstond, dat al het intelligente gedrag het resultaat zou zijn van terugkoppelingsmechanismen zou weer  bijdragen aan de ontwikkeling van het geloof aan zoiets als kunstmatige intelligentie.

Een andere filosoof, Immanuel Kant dacht anders over ‘the human use of human beings’ :
De gulden gedragsregel is volgens hem de ‘categorische imperatief’, d.’w.z. de opperste ethische gedragsregel. Die wordt in Wikipedia als volgt weergegeven:
De categorische imperatief is op een aantal manieren geformuleerd. Twee ervan zijn dat men alleen moet handelen volgens die maxime waarvan men tegelijkertijd kan willen dat ze een algemene wet wordt. Dit betekent niet dat je moet handelen op de manier waarvan je zou willen dat iedereen zo zou handelen. Het gaat er hier namelijk om of er een logische contradictie ontstaat wanneer jouw handelen geüniversaliseerd wordt. Een andere formulering is dat men zelf of via anderen de mensheid nooit slechts als middel maar tegelijkertijd altijd als doel moet beschouwen. Volgens Kant komen deze twee imperatieven op hetzelfde neer, de uitkomst van beide imperatieven is hetzelfde.

4. Wat dan wel?
Is maatwerk mogelijk in de maatschappij waarin wij nu leven?
Met deze cultuur?
met deze regering?
met deze generatie die zich gedepriveerd voelt omdat er al anderhalve jaar geen festivals zijn geweest?
Niet echt.
Maar je zou wel beter werk kunnen leveren, door (op kleinere schaal om te beginnen) te laten zien dat voor bepaalde kanten van het bestaan, het kleine beter werkt dan het massale.
Maar het basisprincipe moet dan zijn dat het probleem de mal is waarin- en waaruit in eerste instantie het beeld ontstaat van de oplossing.
Dat betekent dat de persoon met het probleem bij het ontwerp van de oplossing betrokken wordt.
Direct als mede ontwerper of indirect als hij gekend wordt.

Nu kan dit nooit de globale oplossing zijn natuurlijk.
We kunnen niet een fors deel van de beroepsbevolking omscholen tot persoonlijk probleemoplosser.
Maar wat we wel kunnen is

  • in onze gekende omgeving de problemen opzoeken
  • ze beter leren kennen
  • ze tot ons probleem maken en
  • ze politiseren.

De inzichten die in de bewustwordingsgroepen van de tweede golf kunnen we echter niet 1 op 1 toepassen, omdat we hier vanuit de andere kant, vanuit de kant van het politieke, naar het probleem kijken.
Het probleem waar we het over hebben is dat de beleidsmakers en de uitvoerende instanties er niet in slagen maatschappelijke problemen op te lossen.
En dat op een paar uitzonderingen na de volksvertegenwoordigers en de politieke partijen daar niet een goed antwoord hebben omdat ze te ver van de slachtoffers ervan af staan.

In  haar artikel The personal is the political schrijft Carol Hanisch “One of the first things we discover in these groups is that personal problems are political problems. There are no personal solutions at this time.”

Wij, de maatschappijveranderaars in spe, moeten leren ons te realiseren dat wat wij op grote schaal regelen of trachten te regelen op persoonlijk niveau repercussies heeft.
Let wel op persoonlijk niveau mogelijk problemen veroorzaakt die geen persoonlijke problemen zijn in de zin als voortkomend uit de persoonlijkheid maar wel de persoonlijke omstandigheden behoorlijk kunnen verzieken.

En hiermee zijn we beland bij de reden van de volgorde in de titel van dit stuk.
We moeten de slogan The personal is political kunnen uitvouwen voor mensen die de maatschappij beter willen inrichten moeten ombuigen tot:

Omdat het persoonlijke ook politiek is,
hoort het politieke altijd persoonlijk gericht te zijn.

Dus altijd  denken zoals Oom Immanuel ons voorhoudt; Dat we het over mensen hebben, en niet over profielen, categorieën, het electoraat, of het maatschappelijk draagvlak.
Laat staan over de output van een algoritme

5. Een actiepartij?
Wat moet de partij waar ik lid van ben hier nu mee.
Wie al eerder in dit weblog heeft gelezen zal het geen verrassing zijn dat dat de Partij van de Arbeid is.
En toen ik op de eerste ledenvergadering van de afdeling Vaals werd voorgesteld introduceerde ik me met de woorden: “Je moet mij maar zien als een te laat geboren SDAP-er.”
En het is dat heimwee naar iets wat ik nooit heb meegemaakt, wat maakt dat ik niet helemaal tevreden ben met mijn partij, waar op ik toch zal blijven stemmen.
Is dat nostalgie?
Moet ik toegeven.
Maar een andere vorm van nostalgie dan het heimwee van rechtse populisten  naar een verleden wat nooit bestaan heeft in de romantische vorm die zij zich voorstellen.
De partij van het klassenbewustzijn en het verheffingsideaal bestond wel degelijk en functioneerde ook.

Maar wat is er dan tussen die SDAP van mijn perceptie en die van de PvdA gekomen?
Afstand denk ik. En daardoor vervreemding.

Is daar een recept tegen?
Tegen die afstand niet, denk ik, want al heten we Partij van de Arbeid, een partij van of voor de arbeiders zijn we niet al lang niet meer.
Alleen al omdat er geen arbeiders meer zijn.
Er zijn werknemers of nog neutraler gezegd medewerkers die een team versterken.
Zelfs de gastarbeiders willen we niet langer beledigen door ze arbeider te noemen.
Al die eufemistische termen zijn echter even absurd als denigrerend.

De  werknemer bijvoorbeeld is degene die het werk levert en de en de werkgever degene die slechts een deel van de waarde van dat werk uit aan de ondernomene uitkeert.
Van dat stelsel lijken we voorlopig nog niet af te zijn, al is het goed begin dat we de multinationals belasting laten betalen.

Waar wél een een recept voor is,
is voor de bestrijding van vervreemding.
Het heet contact,
en je kunt het zelf maken.

De PvdA is geen actiepartij, zoals de SP dat in zekere mate is. En ik moet bekennen dat ik ook wel eens op Agnes Kant heb gestemd.

Dat neemt niet weg dat je als je (nog) geen actiepartij bent, je wel een actie kan starten, omdat dat ook een hele bruikbare manier is om verandering na te streven, naast het indienen van moties, amendementen en initiatiefwetten waarvan je maar moet afwachten of ze aangenomen en daar na ook uitgevoerd worden.
Op landelijke schaal is denk ik een meldpunt de eenvoudigste manier. Maar ook hier blijft de afstand groot.

In “De demokratisering van het geluk” (1973, vandaar die K in de de democratisering) heb ik mechanismen beschreven hoe de solidariteit ontstond in actiegroepen en die het voortbestaan en de inzetbaarheid van zo’n groep bevorderde.
Nu moet ik hier wel een kanttekening bij maken: In die tijd waren demonstraties strikter aan een vergunning gebonden dan nu. En onaangekondigde bijeenkomsten als happenings sit-ins en sit-downs konden op pittige reacties rekenen zowel van de politie als van politieke tegenstanders. Die dreiging en de vermoeidheid bij bijvoorbeeld een nachtwake versterkten de solidariteit aanzienlijk.

Op het moment dat ik dit schreef en nog niet had bedacht of- en hoe dit ligt in het hier en nu van de praktijk om sociale misstanden te bestrijden kwam ik een recensie tegen van “Doen wat goed is. Pleidooi voor praktische wijsheid in het sociale domein” van Sophie Albers en Albert Jan Kruiter, uitgegeven door van Gennep, Amsterdam2020.
Meteen gekocht en gelezen. En ik raad iedereen die dit leest aan om hetzelfde te doen.
Want aan bedreiging van je functioneren als creatieve probleemoplosser is er geen gebrek in het sociale domein, al is het nu niet de ME, maar de regeldruk, de bureaucratie en de computer.

Ik neem graag de term praktische wijsheid van de auteurs over.
Dus wat is praktische wijsheid voor een onze partij?
Ik zou zeggen zoek die creatieve veldwerkers op. Geef ze rugdekking, vraag waar zij belemmerd worden  in de regelgeving of door de bewakers van die regelgeving. Wat zij missen en waar zelf iets aan zouden willen doen, maar waar ze geen tijd of ruimte voor hebben en wij misschien iets zouden kunnen bedenken en doen.
En bij dit alles: doe dit niet vanuit het motief van de aanstaande gemeenteraadsverkiezingen.
Want de mensen waartoe de PvdA op aarde is zijn niet het middel, maar het doel.

 

 

 

 

Een verdwenen klasse of een verdwenen klassenbewustzijn?

zaterdag 20 februari, 2021

 

Wat ontbreekt er aan het volgende rijtje:

  • Upper class
  • Middle class
  • ???????????

Precies, lower class. Der onderklasse, het proletariaat. De klasse die niets anders bezat dan hun proles kinderen. De arbeidersklasse zoals we het prettiger formuleerden. In vertaling van Henriette Roland Holst van de internationale ook aangeduid als verworpenen der aarde of slaafgeboor’nen.

In de recente verkiezingsstrijd in de Verenigde Staten werd regelmatige naar die middle class verwezen als doelgroep naast andere doelgroepen die onderscheiden werden naar geslacht, etniciteit, opleiding, woonomgeving of kleur van hun boord, maar over een lower class werd niet gesproken.
OK de Democraten waren ook geen sociaaldemocraten.

Maar hier hoor je die woorden ook niet meer.
Bestaat die klasse niet meer? Dan zou er ook geen middenklasse meer bestaan, want een midden hoort per definitie ergens tussen te zitten, toch?
Of is het zo dat die klasse wel degelijk bestaat maar niet langer herkend of erkend wordt?
Of nog anders, hij bestaat wel, maar de mensen die er toebehoren zien zichzelf liever als lower middle class. En definiëren zij als hún onderklasse de restgroep; de daklozen, de Oost-Europese lieden die zich hier al dan niet legaal ophouden en de groep immigranten zonder verblijfsvergunning en de ongedocumenteerden zoals wij de mensen noemden die we vroeger illegalen noemden.

Waarom is dit belangrijk?
Omdat ik denk dat we hier te maken hebben met een maatschappelijk verschijnsel met politieke consequenties. Waarvan voor ons het belangrijkste is de krimp van links. En mijn stelling is dat die voor een belangrijk deel veroorzaakt wordt door het verdwijnen van het klassenbewustzijn en de daardoor verminderen van solidariteit.

Er zijn, denk ik, meerdere processen die hebben bijgedragen dat het klassenbewustzijn afnam, en uiteindelijk nagenoeg verdween althans bij de autochtone bevolking van Nederland.

Allereerst hebben we te maken met wat sociologen ‘dalend cultuurgoed’ noemen.
Het verschijnsel dat mensen gewoonten en attributen van de iets hogere klasse overnemen of imiteren.
Dat is niet alleen maar een spontaan proces maar er kan ook op ingespeeld worden door de markt.

 Voorbeelden hiervan zijn de aanmoediging van Miss Blanche aan vrouwen om ook sigaretten te  gaan roken. Waarbij een chique geklede dame als rolmodel wordt gebruikt.

Een ander voorbeeld is hoe Ahold wijn in het dagelijkse boodschappen pakket positioneerde.
Door een landwijnachtig product te verpakken in kartonnen dozen van het type waar we nu nog steeds melk in krijgen aangeboden, met de productnaam Pinard.

Daarbij voorbijgaand aan de slogan van de drankbestijders: “Niet het eerste, maar het laatste glas, bracht menigeen in het moeras.”
De volgende stap was goedkope sherry, die zat al in een fles.
Nog steeds wordt het merendeel van de wijn in Nederland gekocht in de supermarkt.
Bron: De wijnmarkt in Nederland: trends en cijfers, kansen voor de horeca – Insights (abnamro.nl)
Nog bedankt Albert.



Er is ook zoiets als stijgend cultuurgoed, en dat is ook ontdekt door de markt.
Ik herinner me uit de zeventiger jaren de lange meerlagige Mexicaanse jurken die door hippe vrouwen geadopteerd werden en vervolgens ook in de etalages van de Bijenkorf verschenen net als de Afghaanse jassen. (De laatsten waarschijnlijk in een minder geurende versie daarvan).

Een positieve benadering van het dalende cultuurgoed was de inspanning van de SDAP en daaraan verwante instellingen om ‘den arbeider te verheffen’. In deze podcast van de NRC wordt onderscheid gemaakt tussen gebieden waarop je links/progressief kunt zijn, waaronder economisch en cultureel en er wordt ook gesproken over een onmaterialistische revolutie die er na de oorlog zou hebben plaats gevonden. (Over het laatste heb ik m’n twijfels volgens mij zijn wij door alle lagen heen alleen maar materialistischer geworden.
Het is duidelijker dat de interventies van de markt economisch gemotiveerd waren en die van de SDAP cultureel. Je kan immers van een andere klasse zowel de geneugten als de Bildung van de bourgeoisie overnemen. En de inspanningen van de SDAP waren duidelijk op de Bildung gericht.

Maar dat tijdperk is helaas voorbij, En in de jaren na de wederopbouw toen de bestedingsbeperking van 1951 voorbij was en er in 1963 zelfs van een loonexplosie sprake was, nam de welvaart van de arbeiders in loondienst toe en kon het bestedingsgedrag van de middenstand overgenomen en hier en daar zelfs overtroffen worden. Arbeiders werden medewerker en klasse was werd meer en meer gezien en gevoeld als een historisch begrip, en daarmee verdween ook de solidariteit die vanuit een klassenbewustzijn gevoed wordt of in ieder geval gevoed kan worden.

Wat dit proces van desolidarisering ongetwijfeld versterkt heeft is de ontzuiling.
Wie te jong is om dit proces persoonlijk meegemaakt te hebben, zou misschien deze geschiedenis nog maar eens moeten doorvorsen vanuit het perspectief wat zo’n doorbraak voor gevolgen heeft voor de duurzaamheid van een achterban. Ik kom daar later op terug wanneer het gaat over de rol die onze partij daar in gespeeld heeft.
In zekere zin kan je de ontzuiling ook beschrijven als een proces van ont-binding.
Wat er in mijn beleving nog een schepje bovenop gegooid  heeft is de identiteitscultus die eind zestiger- begin zeventiger jaren ontstaan is. Door de HP ooit omschreven als het Ik-tijdperk. (Volgens mij vrees ik iets meer dan een tijdperk).

Beiden hebben de solidariteit met lotgenoten geen goed gedaan. Om nog maar te zwijgen over de solidariteit met minder bedeelden.

Waar nu heeft links, of om het dichter bij huis te houden onze partij nu de boot gemist?

Ik stel hierbij een aantal door mij als keerpunten ervaren gebeurtenissen ter  discussie.

  1. Het besluit om een brede(re) volkspartij te worden. Ongetwijfelde heeft de ‘doorbraak’ door de daaropvolgende overtrokken reactie van de bisschoppen in 1954 de partij geen windeieren gelegd. Maar het zal eerder zo zijn dat katholieke leden van het NVV de kerk vaarwel zegden, dan dat zij de kerk de rug toekeerden om lid van het NVV te worden.
    Los daarvan kan je je afvragen of een brede volkspartij het meest bruikbare vehikel is om brede maatschappelijke hervormingen te veroorzaken.
    In elk geval is het niet zo dat die breedheid er toe geleid heeft om de inkomende stroom van ‘gastarbeiders’ te identificeren als een verbreding van onze historische doelgroep het proletariaat. Weliswaar stemden die aanvankelijk trouw PvdA, maar ik heb de indruk dat de liefde voornamelijk van één kant kwam.
    Hier zou het verheffingsideaal een riante werkgelegenheid hebben gevonden, maar helaas.

  2. December 1995 gooide Wim Kok er nog een schepje bovenop door in zijn Den Uyllezing te stellen “Het afschudden van ideologische veren is voor een politieke partij als de onze niet alleen een probleem, het is in bepaalde opzichten ook een bevrijdende ervaring”.
    Een tekst overigens die herschreven was door Bram Peper die daar op zijn bekende fijnzinnige manier over verhaalt in dit artikel in Trouw’.
    Citaat:
    “Ik kreeg dat concept in handen, en wat ik las was absoluut bagger. To put it mildly. Het was ondenkbaar dat je dat iemand zou laten uitspreken.”
    In het artikel in Trouw wordt de foto van Peper ondertiteld met “Bram Peper, oud-politicus en oud-burgemeester van Rotterdam.”
    Deze functie omschrijving vind ik uitermate correct, to put it mildly.

    Ik herinner me dat toen D’66 werd opgericht met ‘pragmatisme’ als leidraad in plaats van ideologie ik moest denken aan Menno ter Braak die zichzelf omschreef als ‘politicus zonder partij’.
    Wel nu hier hadden we dan een partij zonder politiek.

  3. Na de pass van de doorbraak en de voorzet van Kok, was het inkoppertje voor Wouter Bos om van de zijlijn toegejuicht door Tony Blair een convenant met de onzichtbare hand van de markt aan te kondigen.

Wat moeten we hier nu mee? Hoe ver moeten we terug om het pad vooruit terug te vinden.
Maatschappelijk gegroeide situaties en opvattingen kan je niet met campagne materiaal veranderen. Maar de belangrijkste tijd voor een partij is echter de partij tussen de campagnes.
Hoe kunnen we onze doelgroep definiëren.
Via welke issues vinden we de weg naar hun hart?

De droom

donderdag 6 augustus, 2020

Het is me al meerdere malen opgevallen dat ik een tekst tegenkwam die ik tientallen jaren geleden geschreven had en daar nu ineens de volledige betekenis van ervoer.
Ik kon dat nooit verklaren, en ik heb ook nooit gehoord of gelezen dat andere mensen die ervaring ook hadden gehad..
Maar ik vind dat soort ontdekkingen best aangenaam.
Zou er er zoiets als een onvolgroeid weten bestaan. dat in je woont als een vruchtbeginsel wat pas door ervaringen, liefdevolle inspiratie of noest denkwerk rijpt?
Of is het zo dat het woord of begrip waarmee je toen de betekenis kenschetste nu een andere inhoud heeft gekregen.

Misschien maakt dit verhaal het (zowel voor jou als voor mij) wat duidelijker wanneer ik het opschrijf.
Het was een droom die een andere betekenis kreeg…

Ik woonde in die tijd op het eiland San Miguel de la Palma, een van de Canarische Eilanden, dat toen nog een oase was.
Ik landde er op 20 maart 1976 en kreeg het gevoel dat het daar nog pas 1952 was.
Ik was toen 41 jaar en was mijn geboortestad Amsterdam ontvlucht.
Ik had daar in de vrolijke creatieve jaren genoten van de veranderingen, maar zag dat vuur langzaam doven en was niet gelukkig met de geleidelijke radicalisering en de korst van toeristische outlets die zich steeds meer over voorheen leuke straatjes uitbreidde.
Ik kreeg genoeg van mijn oppervlakkige contacten. En dat kwam er ook nog bij, een belangrijke relatie liep stuk, en dat was niet de eerste keer dat dat gebeurde, dus ik begon mij af te vragen, of ik niet zelf de storende constante in die reeks was.
Nu ik dit opschrijf besef ik met enige verlegenheid dat dit onthutsend veel op de beschrijving van een midlifecrisis lijkt. Nou daar was ik dan vroeg me, want ik ben intussen al meer dan twee keer zo oud.

La Palma werkte direct genezend, nou ja, in eerste instantie bedwelmend, op momenten zo verrassend dat het leek of je ogen gewassen waren.
Ik kon daar zonder een grote kans op werk neerstrijken omdat ik voor mijn vertrek mijn flat in Amsterdam Noord had weten te verkopen en daar hield ik na aflossing van de hypotheek 8000 of 6000 gulden, weet ik niet meer precies, aan over.
Bovendien raakte de eerste bijdruk van “De komende en de gaande man” uitverkocht en zou een tweede druk uitkomen, waar ik op La Palma een naschrift zou schrijven. En dat zo dan ook weer een tijdje nog wat royalty’s opleveren.

Waarom dat naschrift?
Ik was me in de twee jaar na het uitkomen van dit boek over mannenemancipatie bewust geworden dat het verhaal nog niet af was. Misschien ook wel vooral waar het de persoon van de schrijver zelf betrof.
Wat ging er mis in mijn relaties.
Waarom droomde ik van een dochter?

De droom waarover dit verhaal gaat bezocht me in een gehucht in het noorden van het eiland toen ik overnachtte in een ruimte die leeg was en de muren wit gepleisterd waren, en die een weldadige rust in mij teweeg bracht.

ik bevind me aan de rand van een baai onder mij waar de hoofdstad van het eiland lijkt te liggen. De stad licht op in de duisternis. De contouren van heuvels steken af tegen de sterrenhemel.
Er klinkt een onaards mooi koor zonder woorden.
Dan dalen er wezens neer. Het lijken vrouwen maar het kunnen ook vogels zijn met lange in kleuren oplichtende veren.
Zijn het paradijsvogels?
Dan ben ik beneden, op een groot plein. Op de achtergrond zijn er lichten en mensen.
Ik zie dat er klein gebouwtje op het plein staat.
Als ik dichterbij ben lijkt het een zeshoekige kiosk, die aan alle kanten vensters heeft.
In het midden op een verhoging troont het Kind.
Het Kind kijkt mij aan en er gebeurt iets met me:
Ik wordt verbonden.

Was dit de aankondiging van het kind waar in naar verlangde?
Nu meer dan veertig jaar later denk ik dat er meer aan de hand was.
In 1972 of 73 schreef ik voor Opzij, waarvan ik toen nog redactielid was, een artikel getiteld Baarmoedernijd. In dat artikel vergrootte ik de persoonlijke jaloezie uit die ik voelde op het vermogen van een vrouw om een kind te dragen.
In dat licht had ik kunnen begrijpen dat wat ik in die droom voelde een virtuele navelstreng was.
Niet vrouw baart zoon, maar man baart dochter.
De rollen waren verwisseld.

In het meest gelezen boek ter wereld komt een beeldspraak voor van een licht dat in de duisternis scheen en dat door die duisternis niet begrepen werd.

Misschien was het ook wel een hint, een signaal vanuit dat onvolgroeide weten waar ik het in het begin over had.
In elk geval schreef ik in dat naschrift dat je wel een strategie kunt bedenken voor de bevrijding , maar niet een strategie voor de vrijheid.
Dat je voor de ontsnapping uit een gevangenis de muren van je gevangenis moet doorgronden, maar dat je die gevangenis niet de rest van je leven moet laten bepalen.
Rolverwisseling is geen antwoord op de emancipatie opgave, Er moet gestreefd worden na een volledige ontrolling!
Grappig is dat ontrolling de letterlijke vertaling is van desarollo, het Spaanse woord voor ontwikkeling.

Dat naschrift heb ik elders in dit weblog herdrukt. (https://gerardvb.com/2018/11/17/terug-naar-de-komende-en-de-gaande-man/ )

Nu heb ik de chronologie niet helemaal meer in m’n hoofd, dus weet ik niet of ik dat naschrift voor of na de droom geschreven heb, en of de droom het inzicht of het inzicht de droom getriggerd heeft, maar de metafoor van de navelstreng drong pas in 2020 tot me door.

The light of understanding (heb je Han Shan weer) had nog niet in álle hoeken geschenen blijkbaar.
De duisternis in casu zijn de schrale velden van het nog sluimerend bewustzijn.
Of moet ik zeggen onontgonnen bewustzijn.

Ik kijk uit na de volgende verrassingen.

Gelukkig in Holset XIII: The spotless mind

zondag 19 juli, 2020

voor Stéphanie

Toen ik met een huisgenote langs de DVD collectie liep pikte ze er en passant twee titels uit waar het woord ‘sunshine’ in voorkwam.
Een daarvan was Eternal Sunshine On The Spotless Mind.
Toen we later op die dag verder praatten zei ik op dat de Spotless Mind een Zen begrip was.
Nu had ik die DVD  nooit bekeken en ik vond het vreemd dat die titel me niet opgevallen was, toen ik de collectie aan het catalogiseren was, want het boeddhisme interesseert me wel.
Maar toen ik de titel opzocht in de International Movie Database bleek waarom, de film is een Amerikaanse comedy, een genre wat me meestal niet aanspreekt.
De titel is een citaat dat een van de personen in de film in een discussie gebruikt.

Ik bleef echter nieuwsgierig naar de betekenis van dat citaat en zocht verder.
Het is een regel uit een gedicht van Alexander Pope over een historisch paar uit de Middeleeuwen: Abélard en Héloïse. De eerste een filosoof en Héloïse een jonge vrouw, volgens veel teksten een tiener, die hij moest onderwijzen in godsdienst en filosofie maar en passant verleidde en in een klooster liet verdwijnen nadat ze bevallen was van het kind dat hij verwekt had, en Abélard zich naar mijn mening ook verder gedroeg als een zak.
Niks Zen.

Maar hoe kwam ik daar dan op?
Waarschijnlijk door twee teksten:
In de eerste plaats door de slotregel van een gedicht van (daar heb je hem weer) Han Shan.
Only when the mind is free of care,
Can the light of understanding shine in every corner.

De andere tekst heb ik niet op schrift maar ging naar ik me herinner over een vrouw die getroffen wordt door de weerspiegeling van de maan in het water in de put.
Ze schept zorgvuldig een emmer met de spiegeling uit de put om die mee naar huis te nemen…

Door al dat gelees is spiegel voor mij een metafoor geworden voor onze ”mind” (Bewustzijn? geest? ik weet er geen goed Nederlands woord voor).
En hiermee zitten we midden in de filosofische vraag die in alle tijden, culturen en religies terug komt:
Wat is de relatie tussen onze waarneming en interpretatie daarvan en de werkelijkheid?

Je vind het in Plato’s grot metafoor, bij Paulus in 1 Korinthe 13:9 tot 13:12 en in 2 Korinthe 3:18.
Wat me waarschijnlijk ook op het verkeerde been heeft gezet is dat Ingmar Bergman’s film “Såsom i en spegel” (Als in een spiegel) In Nederland uitgebracht werd als “In een donkere spiegel“. Terwijl Bergman hier duidelijk Paulus citeert en daar staat, althans in de Statenvertaling: Want wij zien nu door een spiegel in een duistere rede.
De spiegel is dus niet donker maar het ervaren beeld is niet helder. Op dat onderscheid kom ik verderop terug.

Enfin, die DVD ga ik waarschijnlijk niet bekijken.
Maar een Spotless Mind, als dat zou kunnen…
Want het blijft toch een aandoenlijke trek van de Homo min of meer Sapiens om met behulp van de rede te trachten de mate van onvolkomenheid van de rede vast te stellen.

Brecht zegt het in Das Lied von der Unzulänglichkeit menschlichen Strebens wat plat, maar ja hij komt ook uit de school van het historisch (en bijwijlen enigszins hysterisch) materialisme.

Der Mensch lebt durch den Kopf,
der Kopf reicht ihm nicht aus.
Versuch es nur; von deinem Kopf
lebt höchstens eine Laus.
Denn für dieses Leben
ist der Mensch nicht schlau genug.
Niemals merkt er eben
jeden Lug und Trug.

het volgende couplet eindigt hij met:

Denn für dieses Leben
ist der Mensch nicht schlecht genug,
doch sein höh’res Streben
ist ein schöner Zug.
Kale troost, Bertold.
maar we blijven het proberen.
De vraag is, wat mankeert er aan onze spiegel?
De metafoor klopt eigenlijk niet.
De spiegel neemt niet waar.
De spiegel en de receptoren in ons netvlies zijn media.
En hun data worden vervolgens door een andere faculteit van ons van een betekenis voorzien.
En hier gaat er het een en ander mis, denk ik.
Bij de verwerking benoemen we onze waarnemingen. Filteren we ze op relevantie. Noemen we sommige signalen informatie en andere signalen ruis.
Informatieverwerking is onbedoeld informatiebewerking!
Wat ons hier bij dwarsboomt is namelijk dat wij bewust of onbewust al uitmaken wat we als informatie beschouwen en wat als ruis.
Wat we herkennen is potentiele informatie, waarvan we dan vervolgens kunnen bepalen of het nuttige informatie is, of op zijn minst stof is dieinteressant genoeg is om later eens na te kijken of dat het irrelevante data zijn.
Maar het sleutel woord is het herkennen. We herkennen iets wat we al kenden iets waar al een betekenis aan gehecht is. Door ons zelf of door een bron die wij als betrouwbaar ervaren.
Zo verzamelen we kennis op basis van een begrippencatalogus.
Maar wat gebeurt er met de omgevingsfactoren die wij zelfs niet eens waarnemen, maar wel degelijk deek uitmaken van de werkelijkheid ?
Thomas Nagel heeft dit probleem inzichtelijk gemaakt door ons te vraag voor te leggen hoe het is om een vleermuis te zijn, zij hebben een zintuig dat wij niet hebben, namelijk om door het interpreteren van echo’s een “beeld” te krijgen van de omgeving.
Laten we ons proberen voor te stellen wat je ervoer in de eerste uren van je leven.
Waarschijnlijk een overvloed aan gewaarwordingen sommige daarvan met directe lichamelijke reacties, maar geen herkenning, geen begrip, geen betekenis.
Geleidelijk begint  er echter in de maanden daarna iets te gloeien: The Light of Understanding!
Er ontstaat een een weldadigheid die verbonden is aan een klank.
Mamma, mamma.
Langzamerhand ontstaat jouw werkelijkheid. De begrepen wereld.
Daar zitten we dan in ons groeiende universum van gelabelde dingen gevoelens en abstracties.
Er kan ook een gevoel van ongemak blijven bestaan.
In het fysieke kan je hierbij denken aan de ervaring als je ergens gehurkt naar een plantje zit te kijken op een verlaten plek en dan aan de rand van je blikveld een beweging ziet.
Gevaar?
Maar er is ook een abstracter ongemak:
Ons onbeholpen weten.
Kan je hier iets aan doen?
Is er een manier om een systeem te doorgronden als je zelf onderdeel van het systeem bent.
Ik ben geneigd om (op niet helemaal verdedigbare logisch aanvoelende gronden) te zeggen: Nee.
Is er een techniek te bedenken om niet benoemend te aanschouwen.
Ik lees wel eens iets over dingen die in die richting wijzen, en vele daarvan zeggen dan dat je moet beginnen je geest leeg te maken. maar ik heb geen idee hoe je dat zou moeten doen.
En eigenlijk weet ik ook niet zeker of ik dat wil. Wie er dan nog aanwezig is om de luiken weer open te zetten?
Anderen hebben het weer juist over mindfulness.

Wat mewel redelijk lukt is de staat te bereiken dat “the mind is free of care”.
Met muziek bijvoorbeeld.
Maar dan verlies ik me in iets. En dat gaat zonder dat mijn interpretatiemechanisme iets hoeft te doen.
Het is een soort infuus. Het stroomt binnen zonder dat ik zelfs hoef te slikken.
Maar ben ik dan dichter bij de werkelijkheid, het al onder de hemel zoals ze dat verderop noemen?
Toch is er iets dat toeneemt.
Geluk, om maar iets te noemen wat niet onbelangrijk is.

Er is wel verschil tussen de kunstvormen die dat effect veroorzaken.
Bij muziek is de invloed tijdgebonden.
Een boek of een andere verhalende kunstvorm kan lang nawerken.
Het kan een gevoelslaag triggeren die je nog niet bij je zelf herkend had.
Sommige verhalen kun zelfs je leven in een bepaald gebied een andere richting geven.

En is dan niet je werkelijkheid verruimd?

Gelukkig in Holset XII: Into each life….

vrijdag 26 juni, 2020

In een vroegere woonplaats kwam ik op weg naar bebouwde kom met een café en een postkantoor door een streek die Valparaiso heette, het paradijselijke dal.
Her paradijs op aarde was daar niet gevestigd, maar je zag onmiddellijk hoe ze op die naam gekomen waren.

Maar ook iemand die in voor en tegenspoed het geluk zoekt en weet te vinden, moet toegeven dat The Ink Spots niet helemaal ongelijk hadden wanneer ze zongen ‘Into each life some rain must fall’.
En dus kan het ook voorkomen dat de weg naar het geluk in Holset tijdelijk geblokkeerd kan worden.

Maar zoals de Ink Spots in het tweede couplet zongen ‘Some folks can lose the blues in their hearts’ en ook daar hebben ze hebben ze helemaal gelijk in.
Wat mij daarbij helpt is een gedicht van Han Shan,
Niet het gedicht dat ik hier al meerdere malen heb aangehaald. maar een kort achtregelig gedicht waarvan ik twee vertalingen ken, een in het Nederlands en een in het Engels.

De Nederlandse vertaling van W.L. Idema komt uit de bundel ‘Gedichten van de Koude Berg’ die werd uitgegeven door de Arbeiderspers, maar niet meer leverbaar is. Maar een tweedehands exemplaar is vast te vinden. (De site boekwinkeltjes.nl heeft voor mij al een paar keer wonderen verricht).

Degene die zijn medemens bedriegt,
Lijkt water te gaan halen in een korf:
Al ren je in één adem weer naar huis.
Wat blijft er in zo’n korf dan daarvan over?
Degene die door een ander wordt bedrogen,
Die lijkt op de sjalotten in mijn tuin:
Daar wordt wel elke dag wat afgesneden,
Maar desondanks gaat er de groei nooit uit!

Heet zelfde gedicht is ook vertaald in het Engels door Burton Wilson in de bundel Cold Mountain uitgegeven door de Columbia University Press:

When I see a fellow abusing others,
I think of a man with a basketful of water.

As fast as he can, he runs with it home,
But when he gets there, what’s left in the basket?
Whwn I see a man beibg abused by others,
I think of the leek growing in the garden.
Day after day men pull of the leaves,
But the heart it was born with stays the same

Dit gedicht van Han Shan troost me, sterkt me en maakt mij immuun voor the slings and arrows of outrageous fortune.

In de loop van mijn leven zijn er, hoewel ik geen fervent gedichtenlezer ben, meerdere strofen mij bijgebleven die me ontroerden of op een andere manier betekenis of een andere waarde voor mij hadden en hebben.

Daarom ga ik (als andere bezigheden het toelaten, binnenkort) een pagina aanmaken met fragmenten uit gedichten met een verwijzing naar de volledige tekst, en met wellicht een verhaal waarom en hoe die tekst mij aansprak.

Naschrift augustus 2020

Het is inmiddels een apart weblog geworden: https://gerardvb.com/gedichten-die-werkten/

 

 

 


%d bloggers liken dit: