Hoe kom je op het idee te ontsnappen als je niet weet dat je gevangen bent?

zondag 18 september, 2022

De meest waarschijnlijke reactie op deze vraag is een wedervraag “Hoezo, komt het dan voor dat mensen gevangen zitten zonder dat ze dat weten?”

Ja zeker, dat komt voor, en het meest voorkomende voorbeeld hiervan is rolgedrag. Want hoewel we rolgedrag wel herkennen, lukt dat voornamelijk als het over rolgedrag van anderen gaat.|
En we kunnen dan ook een groot deel van ons leven doorbrengen in de veronderstelling dat we volkomen vrij zijn van welke serieuze vorm van rolgedrag ook.

Ik kwam daar zelf achter toen een feministische vriendin tegen me zei dat op verkeersborden geen vrouwen voorkomen.
Mijn eerste reactie was dat dat wel erg ver ging. Maar toen ik daar langer over nadacht drong het tot me door dat het verontrustende was, dat het mij nooit opgevallen was, dat in logo’s en symbolen een mens steevast als een mannetjesmens werd voorgesteld terwijl ik toch dacht een verlicht mens te zijn met een scherp oog voor onvolkomenheden en absurditeiten.

Het was het begin van een bewustwordingsproces dat ik hoewel niemand ooit mij me ooit van macho gedrag zou beschuldigen en ik zelf daar ook nooit enige behoefte aan gevoeld had toch een soort mannelijke blindheid had vertoond.

Anders zou ik dit verkeersbord wel  als een waarschuwingsbord voor kinderlokkers hebben ervaren, want in de tijd dat mijn bewustwording begon was het voornamelijk moeder die met de kinderen wandelde, en was vader op zijn werk.

Maar wat is rolgedrag, waar komt het vandaan, zijner soorten in, en is het erg?
Ik ben geen socioloog en was in de tijd dat ik dat ontdekte ook nog niet bezig met het ontwikkelen van een filosofische blik op de mens, maar leerde in die tijd wel dat rolgedrag een product is van de in jouw samenleving dominante cultuur.

Als je opgroeit in een cultuur en je bent geen geboren dwarsdenker is wat er om je heen het meeste voorkomt het normale gedrag en dat gedrag wordt je als je ouders hebt die ook geen dwarsdenker zijn dan ook aangeleerd.

Maar gelukkig zijn er af en toe wel dwarsdenkers die anderen weten wakker te schudden en heb je het geluk zo iemand tegen te komen of haar of zijn werk te lezen dan leer je stukje bij beetje ook zelf dwarser te denken.

Zo kan het gebeuren dat je ontdekt dat wij massaal verslaafd zijn.
Niet aan in de eerste plaats aan drugs maar aan dingen.

Is dat niet wat overdreven?
Nee, want als je een verslaving ziet als een permanente behoefte aan iets die als die bevredigd wordt toch blijft bestaan, en zo sterk is dat je er andere behoeften voor onderdrukt, dan is er duidelijk sprake van verslavingsgedrag.

Nu zijn er verschillende vormen van verslaving.
Een verslaving die je op een bepaald moment in je leven oploopt door nieuwsgierigheid, of door een oorzaak buiten jouw wil als het gebruik van medicijnen, maar het kan ook dat je verslaafd wordt opgevoed omdat iedereen verslaafd is en dat is het geval bij de verslaving die ons gedrag als consument in wezen is.

We zijn namelijk niet altijd consumenten geweest. De beginnende mens was zelfvoorzienend. En in stamverband kon door delen en ruilen en zekere taakverdeling en specialisatie ontstaan, waardoor de individu weliswaar niet, maar het zelfde individu als stamlid wel zelfvoorzienend was.

Later konden er zelfvoorzienende dorpen ontstaan en later kon het gebruik van geld als een intermediair ruilmiddel het verkeer van goederen gemakkelijker maken.
Ons consumptieniveau werd nog voornamelijk bepaald door primaire levensbehoeften:
Voedsel, schoon water, schone lucht en afhankelijk van klimaat kleding en onderdak.
Vuur en kennis van heelkunde verlengden ons leven aanzienlijk.

Wanneer zijn we dan consumenten geworden?
Met de opkomst van de mechanisatie, industrialiseren en de daarmee samenhangende opkomst van het kapitalisme grootschalige handel en kolonisatie.
De industriële productie van goederen vergt nu eenmaal grote investeringen en die moeten in de eerste plaats terugverdiend worden, maar daarna ook rendement blijven opleveren.

Stel je bent een rijke ondernemer en je bouwt een fabriek om kinderwagens te maken, want dat is een natuurlijke groeimarkt, denk je.
Dan ontwerp je een comfortabele licht lopende kinderwagen die loopt (excuus) als een trein.
Maar op een bepaalt moment heeft elk ouderpaar dat zich het kon veroorloven jouw kinderwagen.
En daar stoppen ze ook de volgende borelingen in. De markt raakt verzadigd.

Wat te doen. Export? Dat helpt een tijdje tot je zo ver moet uitvoeren dat het transport je winst op eet.
Briljant idee: Je ontwerpt een NIEUW MODEL !
Met luxe vering en een kap tegen de zon en de regen.

Dat werkt, en je besluit om de twee of drie jaar een nieuw model te lanceren.
Je stelt een lijst van verbeterings- of uitbreidingsopties, maar bent zo slim om die niet allemaal tegelijk te realiseren, er moet een stijgende lijn zijn in toenemende kwaliteit, zodat de klant vertrouwen in jouw merk krijgt.

Zeker voor dit product is dat een succesvol model. Immers als de ouders van het eerste kind niet zelf al voor het beste gaan, want dat wil je tenslotte voor jouw kindje, dan willen de grootouders als de middelen er voor ontbreken daar wel aan meehelpen in de meeste gevallen.

Hosanna! De fabriek is een blijvend winstgevend object geworden de economische groei blijft gaande en homo sapiens ook wel bekend als homo ludens is geëvalueerd tot homo consumens.

Verzin ik dit nu allemaal maar om dat ik niet zo van het kapitalisme houd?
Nee, ondernemers geven dit zelf toe met als excuus dat dit allemaal leidt tot groeiende welvaart en dus vooruitgang en succes in ‘het najagen van geluk’. Een van de drie onvervreemdbare rechten waarmee volgens de Onafhankelijkheidsverklaring van de Verenigde Staten de mens door de Schepper zou zijn uitgerust. De andere twee waren het leven en vrijheid.

Maar ook de kritiek is niet nieuw. Vance Packard schreef in The Waste Makers (1960) al over de ingebouwde ‘geplande veroudering’ die in de producten is ingeprogrammeerd. En hij maakt daarbij onderscheid in fysieke slijtage, maar daarnaast ook een ‘verouderd raken in de geest van de consument, zelfs voor dat de componenten die worden gebruikt om het product te maken zullen falen’.
En de term homo consumens neem ik over van Erich Fromm die hem in 1965 muntte.

Om deze paternosterlift met een stijgende verbeterde versie aan de zichtbare passagiers kant en minder zichtbare afdankertjes aan de achterkant gaande te houden was legioen van propagandisten nodig die een arsenaal van middelen ontwikkelden om onze begeerte brandend te houden.
Sommigen waren daar heel openhartig over:

Zo schreef Edward Bernays in 1928 al in zijn boek Propaganda:
Massaproductie is alleen winstgevend als het ritme ervan kan worden gehandhaafd – dat wil zeggen als het zijn product in gestage of toenemende hoeveelheid kan blijven verkopen. Vandaag moet het aanbod actief proberen de overeenkomstige vraag te creëren … [en] het zich niet kan veroorloven om te wachten tot het publiek om zijn product vraagt; het moet voortdurend contact houden, door middel van reclame en propaganda … om zich te verzekeren van de voortdurende vraag die alleen haar kostbare fabriek winstgevend zal maken.

 Dit citaat ontleen ik aan een heldere uiteenzetting van het MIT: A Brief History of Consumer Culture

En inmiddels wordt dat advies uitbundig opgevolgd.

Ook als je het geluid eventjes uitzet tijdens het reclameblok wordt je dagelijks overspoeld door reclame uitingen op straat en bij het uitpakken van je levensmiddelen. Boodschappen waar maar weinig controle op is. Omdat op den duur toch wel er opvallend werd dat de afbeelding op de verpakking weinig leek op wat je binnenin aantrof staat er tegenwoordig in kleine lettertjes bij ‘serveertip’ maar dan heeft het beeld al zijn werk al gedaan.

 

Consuminder
En geniet van je vrijheid

Willen we hier aan ontsnappen?

Vraag 1. Waarom zou je het niet willen?
Om dat je gehecht bent aan de spullen die je om je heen hebt verzameld?
Dat zal heel goed kunnen. Aan sommige dingen ben je gehecht omdat het een geschenk is en dat de persoon die het je schonk blijkbaar met heel veel aandacht juist dat ding gekozen heeft met de  gedachte dat dat is nu net iets voor jou is.
Of omdat het een perfect ontworpen ding is wat je elke keer met plezier gebruikt.
Dat is puur geluk, koester het.

Vraag 2. Waarom zou je het wel willen?

Daar zijn een heel aantal redenen voor op te noemen:

  1. Door te consuminderen houd je een hoop geld over en daar kan je veel leuke dingen mee doen, zoals weggeven, of er iets nuttigs mee te doen. En wat jij nuttig vind kan je zelf bepalen, (geniet van je vrijheid).
  2. Je spaart het milieu, op termijn als andere mensen ook af te zien van serie-kopen, en direct al omdat je de afvalberg niet verder vergroot. Dat kopen zonder een noodzakelijktekort wordt je verkocht als funshoppen.
  3. Door minder te kopen wordt er op den duur ook minder geproduceerd en bestrijden we de gas&oliegarchen.
  4. Hoe minder spullen je hebt, hoe meer ruimte je om je heen hebt.
    Ruimte die je kunt ervaren as such,
    ruimte die je kan vullen met dromen of plannen,
    ruimte die je kan benutten voor bezigheden waarvoor eerst geen ruimte was.
    Ruimte ook die je kunt delen.
  5. Je bent je aan het bevrijden. Jij bepaalt. Je bent immuun aan het worden voor aanbiedingen, verbeterde samentelling, 20% extra, tweede voor de halve prijs en spaarzegels voor luxe wijnglazen of pannen van ‘edelstaal’.

Hegel helpt met punt 5. een zijpad dat ik niet kan weerstaan :

In mijn jongere jaren, toen ik nog geen vegetariër was bezocht ik in de DDR een Bierkeller omdat ik wel eens Sauerkraut mit Eisbein wilde proeven. Ik was gekleed in een wit spijkerpak en had lang haar en waarschijnlijk een baard dus ik viel daar nogal op.
Wat ik niet verwacht had was, dat er na enige tijd een gast in het uniform van de VOPO (Volkspolizei) opstond naar mijn tafel toe liep en beleefd vroeg of ik goed vond als hij aan mijn tafel kwam zitten.

Dat vond ik goed en na een inleidende vraag waar ik vandaan kwam en ik vertelde dat dat uit Amsterdam was begon hij vragen te stellen over Provo en wat die mensen eigenlijk wilden.

Provo was destijds internationaal nieuws dat blijkbaar zelfs achter de muur ook doorsijpelde, en ik had al eerder gemerkt dat die Marxisten daar gebiologeerd waren door het feit dat er een ontwikkeling was die revolutionaire kenmerken had maar waar onbegrijpelijkerwijs geen ideologie aan ten grondslag lag.

Ik vond het wel pikant om met een Vopo in gesprek te zijn die blijkbaar niet verplicht aan het evangeliseren was maar iets wilde begrijpen. Dus toen ik in mijn uitleg van Provo een aantal keren het woord ‘vrijheid’ gebruikte vroeg hij wat mijn definitie van vrijheid was.
Zoals al vermeld was ik in die tijd nog niet filosofisch angehaucht dus ik moest ter plekke een definitie van vrijheid formuleren.

Ik weet niet meer precies wat ik toen gezegd heb, maar mijn tafelgenoot was er niet tevreden mee. Je kon in de definitie van een begrip niet zelfde begrip als term gebruiken.
Oef, mijn opponent was blijkbaar geschoold. Ik vroeg daar om maar wat dan zíjn definitie van vrijheid was.

Freiheit ist Insicht in die Notwendigkeit, zie hij prompt.

(Ik heb me die tekst een tijd lang verkeerd herinnerd als ‘Freiheit ist Erkentniss der Notwendigkeit’ en dat ook verkeerd geïnterpreteerd als de onontkoombaarheid van de revolutie).

Maar een dag na dat gesprek zag ik in de etalage van een boekhandel een boekje liggen met de titel Klein Marxistisches Wörterbuch. Ik dus die winkel en bladeren in dat boekje naar Freiheit en ja hoor, Insicht in die Notwendigkeit stond er achter met een * voor Notwendigkeit, wat betekende dat je Notwendigkeit ook kon vinden in het boekje. Dat laatste besloot voor de terugreis te bewaren en ik kocht het boekje.

Als ik nu een en ander opzoek begrijp ik dat Hegel het niet precies zo gezegd heeft, maar het wel bedoelde.
Hoe dan ook, ik kan het wel gebruiken in mijn betoog. Want als je je beperkt tot het noodzakelijke ontstaat er een ongekende ruimte in je omgeving en de mogelijkheid om die te gebruiken voor die dingen die jou of anderen kunnen bezielen. En dat lijkt mij een verrijkende vorm van vrijheid.

Van de nood een deugd maken is mooi
Van de nood een vreugd maken is nóg mooier

Hoe pak je zoiets nu aan?
Maak er een spel of liever nog een feestje van.

  1.  Omdat de energietransitie wordt geholpen door de explosie van de brandstofprijzen, verdeel je je huis in verwarmde en onverwarmde zones.|
    Afgezien van de milieuwinst (nou ja als je eerlijk bent, is het geen winst maar verminderde schade) spaart dit geld en beknot je de mogelijkheden van Poetin. Een verassend bijeffect: Als je uit de onverwarmde zone de verwarmde betreedt onderga je een weldadige omhelzing van 18 graden. |
    Als de temperatuur buiten ’s avonds gaat dalen zet je de thermostaat op 16 en schakel je een oliegevulde radiator in. Dan spaar je nog meer. Zeker als je zonnepanelen hebt. Gordijnen dicht rolluiken naar beneden. En de radiator tussen twee gemakkelijke stoelen. Eventueel een dekentje over de knieën. Tijd voor een verhaal.
  1. Een reis door de kamer.
    In je kamer staan spullen, als je er lang woont tamelijk veel spullen. Spullen die je gekocht hebt, spullen die je gekregen hebt, spullen die jen geërfd hebt, spullen die iemand vergeten is, spullen die je zolang geleden van iemand geleend hebt, dat je ze niet meer terug durft te brengen. Kortom veel van die dingen hebben een verhaal. Sterker nog alle dingen hebben een verhaal, ze zijn ooit uitgevonden, ergens gemaakt, hebben misschien wel een lange reis gemaakt om in jouw kamer in de verwarmde zone terecht te komen. Een deel van dat verhaal ken je niet, maar je eventuele medebewoner weet er misschien meer van. Als dat niet zo is zit er niets anders op dan het ontbrekende verhaal te verzinner.Voor je het zelf in de gaten hebt begin je te veranderen in een verhalenverteller.
    En verhalen zijn de milieuvriendelijkste manieren om een ruimte mee te verrijken.

 

  1. Een reis door je kasten en laden, Een spel dat over verandering gaat, voor 1 of 2 personen.

    Begin maar met een la, dat is eenvoudiger.
    Wat je daar allemaal tegen kunt komen zal meestal een mix zijn van gebruiksartikelen, dingen van emotionele waarde zoals brieven en foto’s, en bewijsmateriaal zoals bonnetjes garantiebewijzen en dergelijke die eigenlijk beter in een map zouden horen te wonen.Waar we ons op richten zijn de gebruiksartikelen.
    Pak ze en voor een er uit en ga na wanneer je dit ding of deze dingen voor het latst gebruikt hebt. Als dat lang geleden is, bedenk je hoe groot de kans is dat je dit nog wel eens zal gáán gebruiken.|
    Als de uitkomst van deze tweestappentest is dat je dit artikel eigenlijk niet nodig hebt is de conclusie dat er geen enkel nut of noodzaak is dat je het toch hebt.|
    De volgende stap zou dan logischerwijs kunnen (of misschien wel moeten zijn) dat je dit artikel uit je bezit kan verwijderen.
    Je zou dus een verhuisdoos kunnen neerzetten die je bevordert tot hebikeigenlijknietnodig doos.
    Aangemoedigd door de ontdekkingen die je in deze laden doet, zal zich een gevoel van bevrijding ontwikkelen, maar tegelijk ontstaat er een nieuw probleem: Wat moet je met die spullen? Bij het grof vuil? In de bak voor het restafval. Weggeven? Naar de kringloopwinkel?Recyclen?
    Het hangt van het artikel af? Kan het echt nuttig zijn voor iemand, dan geef je het weg natuurlijk. Maar wat doe je met een oude leesbril bijvoorbeeld? Is daar een inzamelpunt voor?Ik weet het antwoord daar ook vaak nog niet op.
  2. Maak zelf iets wat je tot nu toe altijd gekocht hebt.
    Maakt niet uit wat het kan een maaltijd zijn waarvoor je eerst een pakket ingrediënten kocht, ben je goedkoper uit en kan je ook het recept aan jouw voorkeur of portiegrootte aanpassen.Bak een brood. Nee niet met een broodbakmachine en ook niet met een mix. Gewoon met volkorenmeel water en gist. Vergeet al die pitten en zaden en zeker meelverbeteraars  gemaakt van gemalen kippenveren. Recepten te over op het internet. Het zal de eerste keer misschien niet helemaal zijn zo als je gehoopt had, maar de geur en de voldoening zal je je verlijden dit vaker te doen en voor je het weet, eet je niets anders.
  3. Gebruik je warmte.Als je het geluk hebt dat je je leven, tafel en bed deelt met een geliefde kan je over wegen om op koude dagen eerder naar bed te gaan dan je lief.
    Maar in plaats van op je eigen helft onder dekens te kruipen doe je dat op de andere helft. Je rolt je op in het dek alsof je een zijderups bent en als je warm bent spreid je het dek uit over de hele helft (van je wedehelft).Wat je doet is dat je de ruimte vult met warmte. Je de ruimte vult met jouw warmte. Dat is te gek, want het gebeurt zonder enig inspanning !
    Wu wei noemden ze dat geloof ik in China, doen door niet te doen.Deze ontdekking van een nieuwe manier om de warmte van je relatie te onderhouden brengt je op inzichten over de relatie tussen geluk en delen.|
    Dat het najagen van geluk niet de handigste manier is om gelukkiger te worden. Dat geluk niet veroverd moet worden maar ontdekt, dat het net zo iets is als schoonheid, waarvan gezegd wordt dat die woont in het oog van de waarnemer.

Ik zou zeggen doen, als het een knorrige oude man lukt, lukt het jouw zeker.

Gelukkig in Holset XV: Wat is geluk eigenlijk, en waar komt het vandaan?

donderdag 8 september, 2022

 

Geluk is een vrolijk en prettig ongrijpbaar onderwerp.

Waarom het een vrolijk onderwerp is behoeft geen uitleg.
Waarom het ongrijpbaar is zal hier worden uitgelegd en waarom iets prettig is als het ongrijpbaar of onbegrijpelijk is, is omdat je prikkelt om te zeggen “Hoezo ongrijpbaar? Misschien zoeken we wel op de verkeerde plaats.”
En over dat laatste vermoeden gaat het hier verder.

Vooraf is het goed om  zoals Engelstaligen doen verschil te maken tussen fortune en happiness.  
In het Nederlands gebruiken we het zelfde woord geluk  echter voor deze twee geheel verschillende dingen:
Voor een meevaller in uitdrukkingen als ‘een geluk bij een ongeluk’ of in het commentaar ‘nou dan heb je geluk gehad’ als je vertelt dat je onderuitging met je fiets en een auto nog net kon stoppen. Van dit ‘geluk’ een gelukkige wending die niet uit je eigen handelen voortkomt werd in de oudheid gedacht dat dit al dan niet aan je werd uitgedeeld door een godin, Fortuna geheten.
Maar afgezien van gelukzoekers die loten kopen en casino’s bezoeken  gelooft geen verstandig mens daarin, anders zou Fortuna Sittard wel een keer landskampioen worden.

Maar waar hebben we het hier dan wel over als we het hebben over geluk?

Het gaat over een ervaring of een gemoedstoestand die de het begrip tevredenheid overschrijdt.

Een tevredenheidsmoment kan veroorzaakt worden door een gebeurtenis die je zelf geheel of samen met anderen hebt veroorzaakt.
Als je taartbodem ongeschonden uit de bakvorm komt, of de motie waarvoor je op een partijcongres voor was met een glanzende meerderheid aangenomen wordt, denk je al gauw “gelukt!”.

Die momenten kunnen mede veroorzaakt worden door een gebeurtenis of een situatie en dat zou de indruk kunnen wekken dat geluk van externe factoren afhangt. Maar dat hoeft niet het geval te zijn, al was het alleen al omdat je zelf aan die gebeurtenis of die situatie bijgedragen kunt hebben.
En het hoeft niet eens een gebeurtenis te zijn, het kan ook een gedachte zijn.
Denk maar aan het moment dat je ineens de oplossing ziet voor een lastig probleem waar je al dagen lang mee rondloopt.
Komen die momenten of situaties met een bepaalde regelmatigheid in je leven voor dan kan of zal je jezelf op een bepaald moment omschrijven als een tevreden mens.

Carmiggelt liet een van de oude mannetjes die hij aan de lopende band verzon ooit zeggen ‘Er is een hoop ellende in de wereld meneer. Maar je moet er oog voor hebben.’
Er is echter meer voor te zeggen dat er een hoop geluksmomenten in de wereld op ontdekking liggen te wachten, maar je er wel oog voor moet hebben.
Die rol van het oog doet denken aan de veel bekendere uitspraak “Beauty is in the eye of the beholder” Afkomstig uit een boek van de Ierse schrijfster Margaret Hungerford uit 1878 getiteld Molly Bawn en de volledig zin luidt daar:
“It is an old axiom, and well said, that “Beauty is in the eye of the beholder”.
Hungerford geeft daarbij aan dat deze constatering al eerder is gemaakt, maar zij weet het zo kernachtig te formuleren dat wij het haar tot het einde der dagen in haar woorden zullen nazeggen. Chapeau.
Want waar hebben ogen voor? Om te kijken.
Maar wáár we naar kijken dat is aan ieder om zelf te bepalen.
En die keuzes kunnen we in een bepaalde richting cultiveren.
We kunnen focussen op zaken die ons die beleving van schoonheid bij een eerdere gelegenheid hebben opgeleverd. En wanneer we dat langere tijd doen kan het gebeuren dat we daarbij een groeiende gevoeligheid ontwikkelen. Dat we details ontdekken die we eerder niet zagen die op zichzelf ook een zekere vorm van schoonheidsgewaarwording opleveren. Of alleen al de belofte van schoonheid.
Zoals je die kunt ontdekken in de ontwikkeling van jouw kind.

Wanneer je dit hebt ontdekt wordt je door steeds meer schoonheid omringt.
Hoe zei die andere filosoof het ook al weer? “Je begrijpt het pas als je het ziet”, of was het “Je ziet het pas als je het begrijpt.”
Het is allebei waar.

Waarom nu dit verhaal?  Omdat het ervaren van schoonheid een van de velen gewaarwordingen is die een geluksgevoel opleveren en je dus je met het ontwikkelen van aandacht en herkenning van schoonheid een van de wegen naar geluk hebt gevonden.
Namelijk een weg naar bronnen van geluk die buiten ons zelf liggen.  
Maar laten we terug gaan naar onze oorspronkelijke omschrijving van geluk als een verhoogde staat van tevredenheid, dan hebben we over ‘ergens vrede mee hebben’, een gevoel dat iets goed is zo.
En als dat vaak genoeg hebben kan dat leiden tot de constatering dat je eigenlijk wel behoorlijk blij bent dat je bestaat, en dat al die ontmoetingen die daar voor nodig zijn geweest sinds de tijd dat we net geen primaten meer waren hebben plaats gevonden en vrucht hebben gedragen.
Wat een overrompelende gedachte is, als je dit voor de eerste keer beseft.  

In het poesiealbum van mijn zuster, die nog ouder is dan ik stond een rijmpje dat begon met de regels “Ik wens je een ventje/ met een mooi traktementje.”
Zo werd gedacht over het geluk van de vrouw in die dagen. Maar dat het geluk met een grote G van je leven van een ander moet komen leeft  nog steeds bij velen, al zal niemand daar nog hardop dat traktementje bij noemen.
Een vermelding van geluk waar men in de Verenigde Staten nog steeds bijzonder trots op is, is de vermelding in de onafhankelijkheidsverklaring.
Hierin wordt verklaard dat de mens door diens schepper is toegerust met bepaalde  onvervreemdbare rechten waaronder Leven, Vrijheid en het Najagen van Geluk. (the Pursuit of Happiness).
Pursuit kan veel betekenen van werken aan tot achtervolgen. Maar de keuze van juist die term pursuit suggereert dat geluk iets is dat buiten je zelf ligt en je moet zien te veroveren. En een verwijzing naar de factoren binnen je zelf , zoals het je openstellen voor en je gevoeligheid verhogen voor geluk geen rol lijken te spelen.
Want we kunnen Hungerford parafraseren Happiness is in the mind of the observer.
Geluk woont in de ziel van degene die het ervaart, of sterker nog: Geluk ontstaat in de ziel die zich er voor openstelt.

Het sleutelbegrip: aandacht

Aandacht is het begin van verbinding. Aandacht kan ontstaan doordat je aandacht getrokken wordt door iets of iemand, maar je kunt met die impuls wel of niet iets doen.
Als je uitgerust bent  met een onstilbare nieuwsgierigheid ben je een bofkont want dan kan je enorm veel dingen ontdekken waar je vrolijk tot gelukkig van wordt.
Wordt je nieuwsgierigheid echter belemmert door een utiliteitsbeginsel (ik ben niet geïnteresseerd in oninteressante dingen) dan ga je niet alleen praktisch, maar ook logisch in de fout. Want er bestaan geen dingen die interessant of oninteressant zijn, maar alleen maar dingen die interessant of oninteressant gevonden worden door iemand.
En die iemand zou dus eerst aandacht moeten schenken om uit te vinden of iets misschien toch niet helemaal oninteressant is als je er beter naar keek of er meer over wist of luisterde naar iemand die het wel interessant vindt.

Hoe komt het dat je zo vaak mensen hoort zeggen ‘dat boeit me niet’?
Waarom je eindexamens gevierd ziet worden met een boekentas aan de vlaggenstok. Hoera, nou hoef ik nooit meer een boek te lezen.

Een van de oorzaken zal zijn dat wij als kind minder vaak onderzoekend kijken.
In de tijd dat kinderen nog op straat speelden ontdekte je de mogelijkheden van de straat met het instinct dat je als nakomeling van jagers-verzamelaar had de mogelijkheden en gevaren van de bestrating.
Een lager liggende tegel kon je gebruiken als knikkerputje, de putten langs het trottoir leverde een gevaar op voor je tol.
Op het platteland waren het andere dingen.
Door die verkennende manier van kijken en de beperkte hoeveelheid middelen groeide je improvisatievermogen en kon je met een stok meer doen dan slaan, maar ook graven en en passant ontdek je dan ook het principe van de hefboom.
Wat het grote voordeel van het begin van de vorige eeuw was,  was de afwezigheid van visuele media. Die je alles al in een reproductie lieten zien waardoor je dingen nooit  in hun overweldigende veelheid van zintuiglijkheid voor het eerst kon ervaren.

Probeer je maar eens de indrukken voor te stellen die je ondergaan zou hebben als je voor het eerst in een bos kwam zonder daar ooit document) toen ik zeven jaar was.

Die geur, de gladheid van dennennaalden, de dikte van de boom waar je armen te kort voor waren, de enorme hoeveelheid varens met die mysterieuze bruine doosjes op de onderkant van de bladeren, de denappels die mee naar huis gingen om als het winter werd de kachel mee aan te maken.
Daar kan toch geen BBC documentaire tegenop?|
Ik denk dat daar mijn liefde voor de natuur is ontstaan.
Voor de beeldschermkinderen van nu is het voorgoed onmogelijk om die betovering van de eerste ontmoeting met de wereld te ervaren.
De producten van de entertainment industrie (vaak gepresenteerd als informatie) vernietigen onze kans op ontdekken, geboeid raken en verbonden te raken met de onbewerkte en niet-geëxploiteerde werkelijkheid van de natuur, wat een enorm verlies voor ons welzijn is.

Ik zelf beschouw dit als een van de vele vormen van de vervreemding.
Vervreemding als de tegenpool van verbinding.
De vervreemding die in het als welvarend beschouwde deel van de wereld een ziekte is waarvan we de symptomen maar zelden voelen om dat we de vergelijking met de verbonden manier van leven niet goed kunnen maken.
Maar,  als we ons dat op een helder moment wel bewust worden, kunnen we ons afvragen of we hier iets aan kunnen doen?
Op grote schaal stuit je dan op praktische bezwaren (en vaak ook wetten die in de weg staan) . Want je zou eerst een eind aan het kapitalisme moeten maken, en aan de industrialisatie, de globalisering en nog wat van die dingen.
Maar in je persoonlijke leven ligt dat anders.

Ho, wacht even is dat geen escapisme, dagdromerij, vage praat et cetera?

Nee, je kunt best actief zijn tegen uitwassen van onze consumptiecultuur, discriminatie en ander onheil, maar daarbij zorgen dat je dat doet vanuit een state of mind die minder bevattelijk is voor wanhoop en dan is het aantrekkelijk om na te gaan wat wegen zijn om jouw vervreemding te verminderen door je kans op momenten van verbinding te vergroten.

Hoe help je het geluk?

Als mijn stelling “Geluk woont in de ziel van degene die het ervaart, of sterker nog: Geluk ontstaat in de ziel die zich er voor openstelt” waar is, dan zullen de wegen naar geluk ook per persoon heel verschillend kunnen zijn.
Maar er lijkt wel iets te zeggen over de stappen waarin aandacht zich kan ontwikkelen tot een verbinding die geluk oplevert.
Wanneer het gaat om aandacht voor een levensvorm dan is een mogelijke vorm van escalatie:

aandacht > interesse > betrokkenheid > empathie > verbinding > verbondenheid > geluk

Als het gaat om aandacht voor een zaak kan het langs deze weg verlopen:

aandacht > interesse > nieuwsgierigheid > onderzoek > begrip > voldoening > geluk

En wanneer we dan die verbinding en verbondenheid ervaren dan is het niet te vermijden dat we een vorm van liefde hebben ontdekt waarvan moeilijk is vast te stellen of het nu liefde is die wij geven of ontvangen of dat dit misschien bij dit soort liefde hetzelfde is.
Dat is een vraag waarop ik graag reacties zou willen krijgen.

Hoewel de beschreven en mogelijke andere  routes door iedereen zelf gezocht moeten worden is er wel iets bekend over patronen die bij veel mensen helpen.
Een daarvan is het volgen van rituelen.
Ik had de illusie dat zelf uitgevonden te hebben toen ik met mijn gezin de vakantie doorbracht in zo’n bungalow park waar wel een open haard was maar geen afwasmachine.
Toen ik me realiseerde dat ik eigenlijk met een reinigingsritueel was in plaats van een corvee werd het ineens zinvolle prettige bezigheid die ik voor de mensen waarmee ik de maaltijd deelde uitvoerde en ervoer ik en passant dat dat warme water best prettig aan mijn handen was.

Bestaande rituelen zeiden mij niets maar persoonlijke rituelen waren zinvol en maken nu een vast onderdeel van mijn innerlijke gereedschapskist uit, bijvoorbeeld op de twee dagen per week dat ik het ik voordeeg maak en bij het bakken van die broden op de twee dagen daarna.
Maar tijdens het schrijven van dit essay stuitte ik op een artikel op de Amerikaanse website Vox, getiteld: Why we need rituals, not routines; How rituals can help you approach basic tasks more mindfully. door Terry Nguyen’.

How rituals encourage mindful living – Vox

Zelf wist ik 19 jaar werkzaam te zijn in een bureaucratie zonder depressief te worden door me te focussen op de behoeften van de mensen die met mijn product (applicaties) moesten werken en dat dat product daarom perfect moest zijn en lukte het mij vrijwel altijd om buiten de managementlagen boven mij om in samenspraak met de gebruikers vast te stellen wat zij er graag in wilden hebben.
Het is jammer dat dit voor veel ambtenaren niet mogelijk is omdat ze voor gebruikers buiten de organisatie werken. Want er zijn echt genoeg ambtenaren die zich zelf zien als civil servant.

Een andere ‘techniek’ die voor mij werkt is om niet alleen de schepsels maar ook de dingen waarmee ik contact heb te voorzien van een denkbeeldige ziel.
Niet dat zij daar iets van merken, maar het zet mij automatisch in een houding van op zijn minst respect, en het maakt die contacten daardoor ook meteen interessant en waardevol.
Ook het ogenschijnlijk meest stomme ding in je huis is gemaakt door een mens, of door tussenkomst van een mens, of ontstaan door de natuur, met alle verhalen die daar aan vast zitten.

Refrein  

Een groot deel van ons bewustzijn begint met waarneming.|
Waarneming die kan leiden tot aandacht.
Aandacht die kan leiden tot betrokkenheid.|
Betrokkenheid die kan leiden tot empathie.
Empathie die kan leiden tot liefde.

En liefde is misschien wel een ander woord voor geluk.
En als dat zo is dan kan er dus niet zoiets bestaan als een ongelukkige liefde.

Het idee van een ongelukkige liefde bestaat alleen maar als je liefde voor iets of iemand ziet als iets dat beantwoord dient zijn door een gelijke liefde voor jou.
In zo’n geval is er eerder sprake van een onvervuld verlangen, of zoals Stefan Zweig zo mooi zegt, Ungeduld des Herzens.

In ons door consumptiedrang vervulde tijdperk wordt liefde in de eerste plaats geassocieerd  met wederzijdse liefde, maar er zijn tal van vormen waarin wij liefde beleven die niet beantwoord wordt. In rouw bijvoorbeeld, in liefde voor een dier, voor het landschap, voor een romanfiguur.

Geluk is (net zoals dat andere product van de geest, informatie) iets dat meer wordt door het te delen en bevrijd is van alle materialistische behoudwetten.

Roland Holst dichtte het al voor het monument op de Dam.

Nimmer, van Erts tot Arend, was enig schepsel vrij onder de zon, noch de zon zelve, noch de gesternten. Maar Geest brak Wet en stelde op de geslagen bres de Mens.

 

Gelukkig in Holset XIV: Het mannelijk tekort?

vrijdag 17 december, 2021

De reden dat er een vraagteken achter ‘Het mannelijk tekort’ staat is dat ik er niet tevreden over ben.
Waarom ik hem dan gebruik?
Dat zit zo.
In 1933 verscheen een boek van André Malraux getiteld ‘La condition humaine’ wat bekroond werd met de prestigieuze Prix Goncourt.
Het werd in meerdere talen vertaald, in Nederland door niemand minder dan E. du Perron, onder de titel ‘Het menselijk tekort’.
Dat is nogal een vrije vertaling vind ik. Maar omdat du Perron bevriend was met Malraux, zoals blijkt uit du Perron’s roman ‘Het land van herkomst’ waarin Malraux als Héverlé voorkomt, zal die vertaling wel de zegen van de auteur hebben gehad. Maar zou een onbeschreven Nederlandse lezer in de boekhandel door deze titel op de zelfde manier geprikkeld zijn als wanneer er had gestaan had ‘Het menselijk bestaan’?

Maar terug naar mijn titel. Als ik een Fransman was geweest zou ik eerder gekozen hebben voor ‘La condition masculine’ dan voor Le déficit masculin? omdat condition behalve gesteldheid ook gerelateerd is aan conditionering en de conditionering van mensen tot ‘mannelijke’ en ‘vrouwelijke’ personen het onderwerp is waarover het in dit opstel zal gaan.
Directe aanleiding was een recente artikel in De Correspondent, getiteld “Wat we van jagers en verzamelaars over mannelijkheid en vrouwelijkheid kunnen leren”.
Wat ik van dit artikel opstak dat volgens een boek van Charles Eisenstein (The Ascent of Humanity) mannen- en vrouwenrollen pas ontstaan lijken te zijn toen de landbouw werd uitgevonden. En dat zou een bewijs zijn dat er al eerder een vorm van samenleven heeft bestaan waarin dit functioneerde.
Minder verhelderend vond ik in dat artikel de beschouwingen over de zich uitbreidende reeks LHBT waarin gender en seksuele voorkeur op voor mij niet duidelijke manier als gezamenlijke categorie besproken worden.
Met die genderkwalificatie heb ik al langer moeite omdat er te veel elkaar tegengestelde ideologische opvattingen aan gekoppeld worden.
Het begrip gender komt op mij over als gebaseerd op een gevoel van individuele mensen over of visie op zich zelf dat beïnvloed wordt door:

a) hun geslacht in biologische zin,
b) de begrippen die de in hun omgeving dominante cultuur aan dat gegeven koppelt en
c) hoe hun persoonlijke gevoelens en opvattingen zich tot a) en b) verhouden.

En dat laatste is in mijn visie iets wat veel te maken heeft met het voor mij al even mistige begrip identiteit.
Bijgevolg zijn mannelijkheid en vrouwelijkheid dan ook lege begrippen en spelen ze dan ook geen enkele rol in mijn beleving, mijn gedrag en mijn keuzes.

Ja, ik draag herenkleding en als ik in het midden oosten zou wonen zou ik dragen wat daar als zodanig door mannen gedragen wordt, ook al omdat ik kleding beschouw als een functionele bescherming tegen klimaat en blikken en niet als uitdrukking van mijn aard of status.

Rolgedrag is lijkt me één van de verschijningsvormen van het verschil tussen naam en inhoud die in onze cultuur leidt tot een vorm van kennis die de beleving van de inhoud ernstig kan belemmeren. Die vorm van kennis beschouwen we als objectief, maar schept de de afstand tot- en de vervreemding van de wereld waarin we bestaan.
In het hiervoor genoemde boek wordt dit benoemd als een manier van denken en voelen die we lang geleden hebben aangenomen waardoor we ons zijn beschouwen als iets wat los stond van de natuur.

Oké, maar wat het heeft dit nu van doen met het mannelijk tekort en dat vraagteken er achter?
Gaat dat omdat ontbrekende pootje aan het Y chromosoom dat  mannen als hekkensluiter hebben?

Inderdaad leidt dat er toe dat mannen nooit een kind zullen dragen baren of zogen.
En daar kan je op verschillende manier op reageren, je zou dit onvermogen als een tekort kunnen ervaren.
Waarop je koel kunt reageren door te zeggen nou mannen en vrouwen kunnen allebei niet vliegen maar dat is toch ook niet een tekort? Maar dat gaat voorbij  aan het feit dat het dragen van een kind een vorm van intimiteit is die mannen op die manier nooit kunnen beleven en waar ze zich alleen maar een voorstelling van kunnen proberen te maken.
En zoiets kan leiden tot jaloezie.
En er schuilt wel iets waars in de Duitse verzuchting: Eifersucht is eine Leidenschaft die mit Eifer sucht was Leiden schaft.

Jaloezie draagt niet bij tot iets van waarde lijkt het.
Wat dan wel?

Intimiteit is de beleving van een bepaalde omstandigheid en je kunt zeggen dat de intensiteit van die beleving bepaald wordt door de aard van de omstandigheid maar ook door het vermogen om te beleven.
Intimiteit is ook een  vorm van betrokkenheid. En die betrokkenheid is een wederzijdse vorm van betrokkenheid.
Het zorg instinct is de basis van de mogelijkheid tot betrokkenheid, en de kunst om ons leven waardevol te maken ligt in het ontwikkelen van die kiem van menselijkheid die we in ons dragen.
Ik zie geen enkele reden te  veronderstellen dat mannen door de natuur daartoe minder begiftigd zijn dan vrouwen, maar  wel dat begrippen als zoiets als het bestaan van mannelijkheid niet hebben bijgedragen tot het aanmoedigen van ons vermogen tot zorg en betrokkenheid. Laatste ook wel bekend onder de naam liefde.
Ons zorginstinct zal dus tot expressie gebracht moeten worden en ontwikkeld moeten worden.
Wat daarbij helpt is dat zorg twee kanten op helpt; zowel de zorgontvanger als de zorgverlener worden er gelukkiger van.

Waarom dat zo werkt? Daar heb ik een theorie over.
Die houdt in dat de evolutie, of zo u wil de schepping een proces is wat nog steeds gaande is, en dat de fase van de menswording daarin vanaf de oerknal gerekend en zeer recente ontwikkeling is, maar dat de menswording zelf zich nog maar in het prille beginstadium bevindt.
Ik heb daar geen bewijs voor, dat wil zeggen dat we er nog maar heel kort zijn blijkt uit de kosmische kalender maar dat de mens nog niet af is iets waar verschillend over gedacht wordt.
Er zijn een paar overwegingen en gevoelens die mij doen denken dat er wel sprake is van een evolutie mogelijk is naar een sociale mensheid.

Ten eerste de ontwikkeling die zich in elk afzonderlijk mensenleven voordoet. Dat is niet alleen maar een biologische ontwikkeling maar ook een proces van groeiende kennis ervaring inzicht en soms ook wijsheid. Er kan ook een ontwikkeling van een ethisch bewustzijn plaatsvinden en als dat gebeurt dan hebben sociale contacten dialoog en studie daar meestal bij geholpen.
We zien ook dat in de loop van de geschiedenis er pogingen zijn tot een internationale rechtsorde. En er sprake is van universele mensenrechten. Dus het begrip is er.

Wat ook een rol speelt is dat het hebben van hoop een virtuele belofte aan jou en ons geeft, die de moed en de wil geeft om door te gaan.
Hierbij worden we geholpen door het onstoffelijke deel van ons bestaan dat in verschillende vormen in ons leven meespeelt en vaak ons handelen richting geeft.
Je kan het bewustzijn, karakter, geweten, geest, ziel of wat dan ook noemen, maar het is een patroon wat per persoon verschilt maar bij veel mensen in de loop van hun leven kan veranderen.

Waar we elkaar iets geven en dat kan van alles zijn aandacht, troost, een compliment, een aai, een ding, een bericht of een gedicht, een glimlach, een raad, een oplossing, of gewoon iemand met rust laten als dat beter is, dragen we bij  aan een netwerk dat uiteindelijk een humane mensheid mogelijk kan maken.

 

Het politieke en het persoonlijke

woensdag 4 augustus, 2021

1. De eyeopeners
De tweede feministische golf rolde over Nederland. Het begon met de oprichting van Man Vrouw Maatschappij MVM in 1968 door Joke Smit en Hedy d’Ancona een klein jaar nadat Joke met haar artikel “Het onbehagen van de vrouw” de steen in de vijver had geholpen en al meteen forse rimpels in die vijver  veroorzaakte.

Mijn toenmalige vriendin kende Joke van haar werk en zo hoorde ik van het bestaan van MVM en we werden beiden lid en bezochten samenkomsten.
Waarom werd ik lid? Het is me toen nooit gevraagd voor zover ik me herinner. Maar Ik denk dat het voor mij een voor de hand liggende reactie was om als links mens alles te steunen  wat tegen ongelijkheid was. Maar ik denk dat het feit dat ook de man in de naam van de beweging werd genoemd een rol speelde.
Het kwam er zelfs van dat er, aangemoedigd door de twee oprichtsters van MVM, een groepje werd opgericht, bestaande uit de twee toenmalige echtgenoten van Joke en Hedy, iemand waarvan ik de naam vergeten ben en schrijver dezes om over onze rol te praten. wat niet lukte.

Wat mijn toenmalige indruk van MVM was, was dat bij de leden D’66 oververtegenwoordigd was. De partij die zich toen misschien nog niet, maar later in elk geval wel letterlijk als ‘het redelijk alternatief’ omschreef.
Ik zelf had toen al een actie verleden en vond dat redelijkheid niet het meest effectieve antwoord op onbehagen was.
D’66 riep bij mij een beeld op van pijprokende mannen die in plusfours gekleed naar Dixieland muziek luisterden en deftig over wijn praten en elkaar met ‘Beste Kerel’ aanspraken. En hoewel ik ze nooit zo in het wild heb aangetroffen, bleef dat beeld bij me opkomen.
Sorry, beste kerels.

Het was daarom logisch dat Dolle Mina mij onmiddellijk aansprak.
De dynamiek, de creativiteit, geen gedoe met commissies, de straat op, wat wel en niet werkt merk je wel. Heerlijk.
Maar er was meer. Er ontstonden middelen, antwoorden, er werd kennis verzameld, verwerkt en gedeeld, en er kwamen dingen overwaaien uit de Verenigde Staten waar de Women’s Liberation Movement al iets eerder gestart was.

Er kwam daardoor een stroom van publicaties deze kant op. En de Atheneum Boekhandel op het Spui in Amsterdam en niet te vergeten Boekhandel van Gennep op de Nes waren altijd goed gesorteerd in dat soort geschriften.
Een van die publicaties was Notes from the Second Year.
Omdat ik destijds al mijn documenten uit die tijd aan het Internationaal Vrouwen Archief heb geschonken heb ik geen exemplaar meer, maar alleen een PDF van de scan van een gelezen exemplaar waarvan ik de index pagina hier reconstrueer

I. Women’s Experience: 

The Bitch Manifesto – Joreen
Woman and Her Mind: The Story of Everyday Life – Meredith Tax
Love – Shulamith Firestone
The Politics of Housework – Pat Mainardi
A Female Junkie Speaks – Interview by Lucille Iverson

II. Theories of Radical Feminism:

The Myth of the Vaginal Orgasm – Anne Koedt
The Institution of Sexual Intercourse – Ti-Grace Atkinson
Female Liberation as the Basis for Social Revolution – Roxanne Dunbar

III. Founding a Radical Feminist Movement:

Issues: The Left Debate

Women and The Left – Ellen Willis
Sequel: Letter to a Critic – Ellen Willis
Hard Knocks Working in a Mixed (Male-Female) Movement Group – Carol Hanisch
Them and Me Anonymous
The Economic Function of the Oppression of Women – Stale Olah
“Consumerism” and Women – Ellen Willis

Issues: Consciousness-Raising

The Personal is Political – Carol Hanisch
A Program for Feminist “Consciousness Raising” – Kathie Sarachild
Resistances to Consciousness – Irene Peslikis
False Consciousness – Jennifer Gardner
Man-Hating – Pamela Kearon

Issues: Organizing

A Critique of the Miss America Protest – Carol Hanisch
On Abortion and Abortion Law – Lucinda Cisler
An Abortion Testimonial — Barbara Susan
A Report from the Law School, 1968-69 – Marion Davidson
What Women Want. For Starters. – Congress to Unite Women
The “New Feminist Analysis” – Bonnie Kreps / 98
The Founding of the New Feminist Theatre – Anselma dell’ Olio
On Class Structure Within the Women’s Movement – Barbara Mehrhof
Power as a Function of the Group – Pamela Kearon
Sexual Politics: A Manifesto for Revolution – Kate Millet
Redstockings Manifesto
The Feminists; A Political Oiganization to Annihilate Sex Roles
Organizing Principles of the New York Radical Feminists
Politics of the Ego: A Manifesto for N.Y. Radical Feminists

Van de hierin genoemde issues had dat over Consciousness-Raising de grootste invloed op mijn ontwikkeling.

Ik was onder de indruk van het effect wat de vrouwenpraatgroepen op de deelneemsters had en mijn nieuwsgierigheid wat hier zich voor een krachtig veranderingsmechanisme in werking was, interesseerde me niet alleen als actievoerder maar steeds meer ook als persoon en met name als mannelijk persoon.
Over die Werdegang als man heb ik uitgebreid geschreven in “De komende en de gaande man, Vrolijke en lastige kanten van de mannenemancipatie”.
Maar waar ik nu weer vruchtbaar gebruik van maak is het verhaal van Carol Hanisch getiteld “The Personal is Political”

En waarom die volgorde in mijn titel omgekeerd is zal hoop ik in dit opstel duidelijk worden.

Maar eerst:

2. Het onbehagen van mijn moeder
In 1935, het jaar dat ik geboren werd, werd mijn vader werkeloos.
Mijn vader was een gediplomeerd drogist, Hij had de opleiding voor het vakdiploma met goed gevolg in de avonduren gevolgd en kon daarom in een van de drie drogisterijen werken die een aangetrouwde oom gekocht had.
Mijn oom was twee keer als koloniaal naar het toenmalige Nederlandsch Indië getrokken.
Wat hij daar deed weet ik niet, maar hij kwam terug met veel geld en een alcoholprobleem.
Hij kocht drie drogisterijen die alle drie Het Oliepakhuis heetten en mijn vader werkte in het filiaal in de Nieuwe Leliestraat in Amsterdam.

Omdat mijn oom regelmatig de kas leeghaalde om zijn consumpties te betalen, kon mijn vader steeds vaker de leveranciers niet betalen en dus ging het filiaal failliet en mijn vader stond op straat.
Zo belandden wij in het steun of de steun zoals de voorloper van de bijstand toen genoemd werd, en mijn vader in de werkverschaffing.
Dat leverde 14 gulden per week op.
Mijn moeder verdeelde dat geld per week voor de vaste lasten. Ik herinner me het bodenblikje, waar het geld voor de huur, het ziekenfonds en voor de Algemene Friese (zoals de uitvaartverzekering discreet werd aangeduid) apart werd gehouden.
We waren intussen naar de Indische Buurt verhuisd, waar veel leegstand was en je de eerste twee weken geen huur hoefde te betalen en nieuw behang kreeg als je een woning huurde.
Het huis is afgebroken, en de straat ook.

Werklozen kregen op verschillende manieren hulp. Zo werden zij vrijgesteld van rijwielbelasting. Maar het belastingplaatje dat aan je fiets bevestigd werd van een ponsgat voorzien waardoor je als werkloze geïdentificeerd kon worden. Als je kleren nodig had dan moest je daar een aanvraag voor indienen en dan kwam een inspecteur thuis je linnenkast inspecteren om te zien of het wel nodig was.
Mijn moeder schaamde zich dan voor de meermalen verstelde kleren en vond het ook gênant dat een man haar ondergoed zag.
Zelf herinnerde ik me dat ik mee ging naar een magazijn in ik meen de Valkenburgerstraat voor een paar schoen van het steun. Ook daaraan waren de steuntrekkers te herkennen. En als de meisjes op school gymnastiek moesten doen waren ze ook aan een stempel op hun ondergoed als steunkinderen te herkennen.
Er werd dus heel lang versteld voor je nieuwe kleding aanvroeg. Gebreide kleren werden uitgehaald en de wol werd nat tussen twee haken gespannen en gedroogd zodat de krul er uit ging en daar mee werd iets nieuws gebreid.
We gingen goed voorbereid de oorlog in, mag je wel zeggen.
Gelukkig ontsnapte mijn vader aan de Arbeitseinsatz door dat hij net op tijd door een andere oom aan een baan bij de Amsterdamse Chininefabriek (ACF) op de De Wittenkade in Amsterdam geholpen werd.

3. De moeizame relatie tussen probleem en oplossing
Dingen kunnen problemen veroorzaken.
Keuzes kunnen tot problemen leiden.
Sociale situaties kunnen het ontstaan van problemen in de hand werken.
Maar alleen personen ervaren de problemen.
Een ervaren en betrokken persoon kan de aard en de oorzaak van een persoonlijk probleem identificeren en misschien zelfs een oplossing vinden, maar degene die het probleem ervaart is de enige die ten volle ondergaat in welke mate het probleem de kwaliteit van haar of zijn leven aantast.

Het vervelende nu, is dat oplossingen van problemen vrijwel nooit persoonlijk zijn als die oplossingen bedacht en/of uitgevoerd worden door een instantie.
En dan bedoel ik instantie in de ruimste zin van het woord.

Problemen zijn dus persoonlijk.
De oplossingen zijn onpersoonlijk,
en daardoor onvoldoende effectief
.

De recente kinderopvangtoeslag affaire toont aan dat oplossingen zelfs nog erger kunnen zijn dan het probleem.
De achtergrond van van ons probleem met het oplossen van maatschappelijke problemen is de schaal waarop we onze maatschappij hebben georganiseerd en bedienen.
Schaal gaat over afstand, en afstand leidt zonder wijsheid tot vervreemding.
En of het nu gaat over onderwijs, zorg of inkomenspolitiek de oplossingen die bedacht worden zijn altijd globaal.
Het gaat over profielen waar we mensen in schoffelen, profielen op basis van statistieken en sociologische veronderstellingen.

En wanneer de oplossing in de uitvoeringsfase gaat, kan het, dat als het om overlappende profielen gaat, de beslissing wordt gedelegeerd aan een algoritme.
Over algoritmes gesproken: Norbert Wiener schreef in 1950 een boek getiteld: “The human use of human beings”
Wiener wordt beschouwd als de grondlegger van de cybernetica, wat je zou kunnen vertalen als stuurkunde.
Op de Wikipediapagina gewijd aan Wiener staat het zo omschreven: Wiener is considered the originator of cybernetics, the science of communication as it relates to living things and machines.
Valt je iets op?

Levende dingen? Het gebruik van mensen?
Hier praat de oertechnocraat over mensen

Zijn manier van denken heeft gevolgen gehad voor de inrichting van de maatschappij. En de  opvatting die vervolgens ontstond, dat al het intelligente gedrag het resultaat zou zijn van terugkoppelingsmechanismen zou weer  bijdragen aan de ontwikkeling van het geloof aan zoiets als kunstmatige intelligentie.

Een andere filosoof, Immanuel Kant dacht anders over ‘the human use of human beings’ :
De gulden gedragsregel is volgens hem de ‘categorische imperatief’, d.’w.z. de opperste ethische gedragsregel. Die wordt in Wikipedia als volgt weergegeven:
De categorische imperatief is op een aantal manieren geformuleerd. Twee ervan zijn dat men alleen moet handelen volgens die maxime waarvan men tegelijkertijd kan willen dat ze een algemene wet wordt. Dit betekent niet dat je moet handelen op de manier waarvan je zou willen dat iedereen zo zou handelen. Het gaat er hier namelijk om of er een logische contradictie ontstaat wanneer jouw handelen geüniversaliseerd wordt. Een andere formulering is dat men zelf of via anderen de mensheid nooit slechts als middel maar tegelijkertijd altijd als doel moet beschouwen. Volgens Kant komen deze twee imperatieven op hetzelfde neer, de uitkomst van beide imperatieven is hetzelfde.

4. Wat dan wel?
Is maatwerk mogelijk in de maatschappij waarin wij nu leven?
Met deze cultuur?
met deze regering?
met deze generatie die zich gedepriveerd voelt omdat er al anderhalve jaar geen festivals zijn geweest?
Niet echt.
Maar je zou wel beter werk kunnen leveren, door (op kleinere schaal om te beginnen) te laten zien dat voor bepaalde kanten van het bestaan, het kleine beter werkt dan het massale.
Maar het basisprincipe moet dan zijn dat het probleem de mal is waarin- en waaruit in eerste instantie het beeld ontstaat van de oplossing.
Dat betekent dat de persoon met het probleem bij het ontwerp van de oplossing betrokken wordt.
Direct als mede ontwerper of indirect als hij gekend wordt.

Nu kan dit nooit de globale oplossing zijn natuurlijk.
We kunnen niet een fors deel van de beroepsbevolking omscholen tot persoonlijk probleemoplosser.
Maar wat we wel kunnen is

  • in onze gekende omgeving de problemen opzoeken
  • ze beter leren kennen
  • ze tot ons probleem maken en
  • ze politiseren.

De inzichten die in de bewustwordingsgroepen van de tweede golf kunnen we echter niet 1 op 1 toepassen, omdat we hier vanuit de andere kant, vanuit de kant van het politieke, naar het probleem kijken.
Het probleem waar we het over hebben is dat de beleidsmakers en de uitvoerende instanties er niet in slagen maatschappelijke problemen op te lossen.
En dat op een paar uitzonderingen na de volksvertegenwoordigers en de politieke partijen daar niet een goed antwoord hebben omdat ze te ver van de slachtoffers ervan af staan.

In  haar artikel The personal is the political schrijft Carol Hanisch “One of the first things we discover in these groups is that personal problems are political problems. There are no personal solutions at this time.”

Wij, de maatschappijveranderaars in spe, moeten leren ons te realiseren dat wat wij op grote schaal regelen of trachten te regelen op persoonlijk niveau repercussies heeft.
Let wel op persoonlijk niveau mogelijk problemen veroorzaakt die geen persoonlijke problemen zijn in de zin als voortkomend uit de persoonlijkheid maar wel de persoonlijke omstandigheden behoorlijk kunnen verzieken.

En hiermee zijn we beland bij de reden van de volgorde in de titel van dit stuk.
We moeten de slogan The personal is political kunnen uitvouwen voor mensen die de maatschappij beter willen inrichten moeten ombuigen tot:

Omdat het persoonlijke ook politiek is,
hoort het politieke altijd persoonlijk gericht te zijn.

Dus altijd  denken zoals Oom Immanuel ons voorhoudt; Dat we het over mensen hebben, en niet over profielen, categorieën, het electoraat, of het maatschappelijk draagvlak.
Laat staan over de output van een algoritme

5. Een actiepartij?
Wat moet de partij waar ik lid van ben hier nu mee.
Wie al eerder in dit weblog heeft gelezen zal het geen verrassing zijn dat dat de Partij van de Arbeid is.
En toen ik op de eerste ledenvergadering van de afdeling Vaals werd voorgesteld introduceerde ik me met de woorden: “Je moet mij maar zien als een te laat geboren SDAP-er.”
En het is dat heimwee naar iets wat ik nooit heb meegemaakt, wat maakt dat ik niet helemaal tevreden ben met mijn partij, waar op ik toch zal blijven stemmen.
Is dat nostalgie?
Moet ik toegeven.
Maar een andere vorm van nostalgie dan het heimwee van rechtse populisten  naar een verleden wat nooit bestaan heeft in de romantische vorm die zij zich voorstellen.
De partij van het klassenbewustzijn en het verheffingsideaal bestond wel degelijk en functioneerde ook.

Maar wat is er dan tussen die SDAP van mijn perceptie en die van de PvdA gekomen?
Afstand denk ik. En daardoor vervreemding.

Is daar een recept tegen?
Tegen die afstand niet, denk ik, want al heten we Partij van de Arbeid, een partij van of voor de arbeiders zijn we niet al lang niet meer.
Alleen al omdat er geen arbeiders meer zijn.
Er zijn werknemers of nog neutraler gezegd medewerkers die een team versterken.
Zelfs de gastarbeiders willen we niet langer beledigen door ze arbeider te noemen.
Al die eufemistische termen zijn echter even absurd als denigrerend.

De  werknemer bijvoorbeeld is degene die het werk levert en de en de werkgever degene die slechts een deel van de waarde van dat werk uit aan de ondernomene uitkeert.
Van dat stelsel lijken we voorlopig nog niet af te zijn, al is het goed begin dat we de multinationals belasting laten betalen.

Waar wél een een recept voor is,
is voor de bestrijding van vervreemding.
Het heet contact,
en je kunt het zelf maken.

De PvdA is geen actiepartij, zoals de SP dat in zekere mate is. En ik moet bekennen dat ik ook wel eens op Agnes Kant heb gestemd.

Dat neemt niet weg dat je als je (nog) geen actiepartij bent, je wel een actie kan starten, omdat dat ook een hele bruikbare manier is om verandering na te streven, naast het indienen van moties, amendementen en initiatiefwetten waarvan je maar moet afwachten of ze aangenomen en daar na ook uitgevoerd worden.
Op landelijke schaal is denk ik een meldpunt de eenvoudigste manier. Maar ook hier blijft de afstand groot.

In “De demokratisering van het geluk” (1973, vandaar die K in de de democratisering) heb ik mechanismen beschreven hoe de solidariteit ontstond in actiegroepen en die het voortbestaan en de inzetbaarheid van zo’n groep bevorderde.
Nu moet ik hier wel een kanttekening bij maken: In die tijd waren demonstraties strikter aan een vergunning gebonden dan nu. En onaangekondigde bijeenkomsten als happenings sit-ins en sit-downs konden op pittige reacties rekenen zowel van de politie als van politieke tegenstanders. Die dreiging en de vermoeidheid bij bijvoorbeeld een nachtwake versterkten de solidariteit aanzienlijk.

Op het moment dat ik dit schreef en nog niet had bedacht of- en hoe dit ligt in het hier en nu van de praktijk om sociale misstanden te bestrijden kwam ik een recensie tegen van “Doen wat goed is. Pleidooi voor praktische wijsheid in het sociale domein” van Sophie Albers en Albert Jan Kruiter, uitgegeven door van Gennep, Amsterdam2020.
Meteen gekocht en gelezen. En ik raad iedereen die dit leest aan om hetzelfde te doen.
Want aan bedreiging van je functioneren als creatieve probleemoplosser is er geen gebrek in het sociale domein, al is het nu niet de ME, maar de regeldruk, de bureaucratie en de computer.

Ik neem graag de term praktische wijsheid van de auteurs over.
Dus wat is praktische wijsheid voor een onze partij?
Ik zou zeggen zoek die creatieve veldwerkers op. Geef ze rugdekking, vraag waar zij belemmerd worden  in de regelgeving of door de bewakers van die regelgeving. Wat zij missen en waar zelf iets aan zouden willen doen, maar waar ze geen tijd of ruimte voor hebben en wij misschien iets zouden kunnen bedenken en doen.
En bij dit alles: doe dit niet vanuit het motief van de aanstaande gemeenteraadsverkiezingen.
Want de mensen waartoe de PvdA op aarde is zijn niet het middel, maar het doel.

 

 

 

 

Een verdwenen klasse of een verdwenen klassenbewustzijn?

zaterdag 20 februari, 2021

 

Wat ontbreekt er aan het volgende rijtje:

  • Upper class
  • Middle class
  • ???????????

Precies, lower class. Der onderklasse, het proletariaat. De klasse die niets anders bezat dan hun proles kinderen. De arbeidersklasse zoals we het prettiger formuleerden. In vertaling van Henriette Roland Holst van de internationale ook aangeduid als verworpenen der aarde of slaafgeboor’nen.

In de recente verkiezingsstrijd in de Verenigde Staten werd regelmatige naar die middle class verwezen als doelgroep naast andere doelgroepen die onderscheiden werden naar geslacht, etniciteit, opleiding, woonomgeving of kleur van hun boord, maar over een lower class werd niet gesproken.
OK de Democraten waren ook geen sociaaldemocraten.

Maar hier hoor je die woorden ook niet meer.
Bestaat die klasse niet meer? Dan zou er ook geen middenklasse meer bestaan, want een midden hoort per definitie ergens tussen te zitten, toch?
Of is het zo dat die klasse wel degelijk bestaat maar niet langer herkend of erkend wordt?
Of nog anders, hij bestaat wel, maar de mensen die er toebehoren zien zichzelf liever als lower middle class. En definiëren zij als hún onderklasse de restgroep; de daklozen, de Oost-Europese lieden die zich hier al dan niet legaal ophouden en de groep immigranten zonder verblijfsvergunning en de ongedocumenteerden zoals wij de mensen noemden die we vroeger illegalen noemden.

Waarom is dit belangrijk?
Omdat ik denk dat we hier te maken hebben met een maatschappelijk verschijnsel met politieke consequenties. Waarvan voor ons het belangrijkste is de krimp van links. En mijn stelling is dat die voor een belangrijk deel veroorzaakt wordt door het verdwijnen van het klassenbewustzijn en de daardoor verminderen van solidariteit.

Er zijn, denk ik, meerdere processen die hebben bijgedragen dat het klassenbewustzijn afnam, en uiteindelijk nagenoeg verdween althans bij de autochtone bevolking van Nederland.

Allereerst hebben we te maken met wat sociologen ‘dalend cultuurgoed’ noemen.
Het verschijnsel dat mensen gewoonten en attributen van de iets hogere klasse overnemen of imiteren.
Dat is niet alleen maar een spontaan proces maar er kan ook op ingespeeld worden door de markt.

 Voorbeelden hiervan zijn de aanmoediging van Miss Blanche aan vrouwen om ook sigaretten te  gaan roken. Waarbij een chique geklede dame als rolmodel wordt gebruikt.

Een ander voorbeeld is hoe Ahold wijn in het dagelijkse boodschappen pakket positioneerde.
Door een landwijnachtig product te verpakken in kartonnen dozen van het type waar we nu nog steeds melk in krijgen aangeboden, met de productnaam Pinard.

Daarbij voorbijgaand aan de slogan van de drankbestijders: “Niet het eerste, maar het laatste glas, bracht menigeen in het moeras.”
De volgende stap was goedkope sherry, die zat al in een fles.
Nog steeds wordt het merendeel van de wijn in Nederland gekocht in de supermarkt.
Bron: De wijnmarkt in Nederland: trends en cijfers, kansen voor de horeca – Insights (abnamro.nl)
Nog bedankt Albert.



Er is ook zoiets als stijgend cultuurgoed, en dat is ook ontdekt door de markt.
Ik herinner me uit de zeventiger jaren de lange meerlagige Mexicaanse jurken die door hippe vrouwen geadopteerd werden en vervolgens ook in de etalages van de Bijenkorf verschenen net als de Afghaanse jassen. (De laatsten waarschijnlijk in een minder geurende versie daarvan).

Een positieve benadering van het dalende cultuurgoed was de inspanning van de SDAP en daaraan verwante instellingen om ‘den arbeider te verheffen’. In deze podcast van de NRC wordt onderscheid gemaakt tussen gebieden waarop je links/progressief kunt zijn, waaronder economisch en cultureel en er wordt ook gesproken over een onmaterialistische revolutie die er na de oorlog zou hebben plaats gevonden. (Over het laatste heb ik m’n twijfels volgens mij zijn wij door alle lagen heen alleen maar materialistischer geworden.
Het is duidelijker dat de interventies van de markt economisch gemotiveerd waren en die van de SDAP cultureel. Je kan immers van een andere klasse zowel de geneugten als de Bildung van de bourgeoisie overnemen. En de inspanningen van de SDAP waren duidelijk op de Bildung gericht.

Maar dat tijdperk is helaas voorbij, En in de jaren na de wederopbouw toen de bestedingsbeperking van 1951 voorbij was en er in 1963 zelfs van een loonexplosie sprake was, nam de welvaart van de arbeiders in loondienst toe en kon het bestedingsgedrag van de middenstand overgenomen en hier en daar zelfs overtroffen worden. Arbeiders werden medewerker en klasse was werd meer en meer gezien en gevoeld als een historisch begrip, en daarmee verdween ook de solidariteit die vanuit een klassenbewustzijn gevoed wordt of in ieder geval gevoed kan worden.

Wat dit proces van desolidarisering ongetwijfeld versterkt heeft is de ontzuiling.
Wie te jong is om dit proces persoonlijk meegemaakt te hebben, zou misschien deze geschiedenis nog maar eens moeten doorvorsen vanuit het perspectief wat zo’n doorbraak voor gevolgen heeft voor de duurzaamheid van een achterban. Ik kom daar later op terug wanneer het gaat over de rol die onze partij daar in gespeeld heeft.
In zekere zin kan je de ontzuiling ook beschrijven als een proces van ont-binding.
Wat er in mijn beleving nog een schepje bovenop gegooid  heeft is de identiteitscultus die eind zestiger- begin zeventiger jaren ontstaan is. Door de HP ooit omschreven als het Ik-tijdperk. (Volgens mij vrees ik iets meer dan een tijdperk).

Beiden hebben de solidariteit met lotgenoten geen goed gedaan. Om nog maar te zwijgen over de solidariteit met minder bedeelden.

Waar nu heeft links, of om het dichter bij huis te houden onze partij nu de boot gemist?

Ik stel hierbij een aantal door mij als keerpunten ervaren gebeurtenissen ter  discussie.

  1. Het besluit om een brede(re) volkspartij te worden. Ongetwijfelde heeft de ‘doorbraak’ door de daaropvolgende overtrokken reactie van de bisschoppen in 1954 de partij geen windeieren gelegd. Maar het zal eerder zo zijn dat katholieke leden van het NVV de kerk vaarwel zegden, dan dat zij de kerk de rug toekeerden om lid van het NVV te worden.
    Los daarvan kan je je afvragen of een brede volkspartij het meest bruikbare vehikel is om brede maatschappelijke hervormingen te veroorzaken.
    In elk geval is het niet zo dat die breedheid er toe geleid heeft om de inkomende stroom van ‘gastarbeiders’ te identificeren als een verbreding van onze historische doelgroep het proletariaat. Weliswaar stemden die aanvankelijk trouw PvdA, maar ik heb de indruk dat de liefde voornamelijk van één kant kwam.
    Hier zou het verheffingsideaal een riante werkgelegenheid hebben gevonden, maar helaas.

  2. December 1995 gooide Wim Kok er nog een schepje bovenop door in zijn Den Uyllezing te stellen “Het afschudden van ideologische veren is voor een politieke partij als de onze niet alleen een probleem, het is in bepaalde opzichten ook een bevrijdende ervaring”.
    Een tekst overigens die herschreven was door Bram Peper die daar op zijn bekende fijnzinnige manier over verhaalt in dit artikel in Trouw’.
    Citaat:
    “Ik kreeg dat concept in handen, en wat ik las was absoluut bagger. To put it mildly. Het was ondenkbaar dat je dat iemand zou laten uitspreken.”
    In het artikel in Trouw wordt de foto van Peper ondertiteld met “Bram Peper, oud-politicus en oud-burgemeester van Rotterdam.”
    Deze functie omschrijving vind ik uitermate correct, to put it mildly.

    Ik herinner me dat toen D’66 werd opgericht met ‘pragmatisme’ als leidraad in plaats van ideologie ik moest denken aan Menno ter Braak die zichzelf omschreef als ‘politicus zonder partij’.
    Wel nu hier hadden we dan een partij zonder politiek.

  3. Na de pass van de doorbraak en de voorzet van Kok, was het inkoppertje voor Wouter Bos om van de zijlijn toegejuicht door Tony Blair een convenant met de onzichtbare hand van de markt aan te kondigen.

Wat moeten we hier nu mee? Hoe ver moeten we terug om het pad vooruit terug te vinden.
Maatschappelijk gegroeide situaties en opvattingen kan je niet met campagne materiaal veranderen. Maar de belangrijkste tijd voor een partij is echter de partij tussen de campagnes.
Hoe kunnen we onze doelgroep definiëren.
Via welke issues vinden we de weg naar hun hart?


%d bloggers liken dit: