Gelukkig in Holset XII: Into each life….

vrijdag 26 juni, 2020

In een vroegere woonplaats kwam ik op weg naar bebouwde kom met een café en een postkantoor door een streek die Valparaiso heette, het paradijselijke dal.
Her paradijs op aarde was daar niet gevestigd, maar je zag onmiddellijk hoe ze op die naam gekomen waren.

Maar ook iemand die in voor en tegenspoed het geluk zoekt en weet te vinden, moet toegeven dat The Ink Spots niet helemaal ongelijk hadden wanneer ze zongen ‘Into each life some rain must fall’.
En dus kan het ook voorkomen dat de weg naar het geluk in Holset tijdelijk geblokkeerd kan worden.

Maar zoals de Ink Spots in het tweede couplet zongen ‘Some folks can lose the blues in their hearts’ en ook daar hebben ze hebben ze helemaal gelijk in.
Wat mij daarbij helpt is een gedicht van Han Shan,
Niet het gedicht dat ik hier al meerdere malen heb aangehaald. maar een kort achtregelig gedicht waarvan ik twee vertalingen ken, een in het Nederlands en een in het Engels.

De Nederlandse vertaling van W.L. Idema komt uit de bundel ‘Gedichten van de Koude Berg’ die werd uitgegeven door de Arbeiderspers, maar niet meer leverbaar is. Maar een tweedehands exemplaar is vast te vinden. (De site boekwinkeltjes.nl heeft voor mij al een paar keer wonderen verricht).

Degene die zijn medemens bedriegt,
Lijkt water te gaan halen in een korf:
Al ren je in één adem weer naar huis.
Wat blijft er in zo’n korf dan daarvan over?
Degene die door een ander wordt bedrogen,
Die lijkt op de sjalotten in mijn tuin:
Daar wordt wel elke dag wat afgesneden,
Maar desondanks gaat er de groei nooit uit!

Heet zelfde gedicht is ook vertaald in het Engels door Burton Wilson in de bundel Cold Mountain uitgegeven door de Columbia University Press:

When I see a fellow abusing others,
I think of a man with a basketful of water.

As fast as he can, he runs with it home,
But when he gets there, what’s left in the basket?
Whwn I see a man beibg abused by others,
I think of the leek growing in the garden.
Day after day men pull of the leaves,
But the heart it was born with stays the same

Dit gedicht van Han Shan troost me, sterkt me en maakt mij immuun voor the slings and arrows of outrageous fortune.

In de loop van mijn leven zijn er, hoewel ik geen fervent gedichtenlezer ben, meerdere strofen mij bijgebleven die me ontroerden of op een andere manier betekenis of een andere waarde voor mij hadden en hebben.

Daarom ga ik (als andere bezigheden het toelaten, binnenkort) een pagina aanmaken met fragmenten uit gedichten met een verwijzing naar de volledige tekst, en met wellicht een verhaal waarom en hoe die tekst mij aansprak.

De breuklijnen van het systeem

dinsdag 24 maart, 2020

Het is maart 2020 en steeds meer dingen die er normaal altijd waren zijn er nu ineens niet meer.

Voor mij geen nieuwe ervaring. Voor Amsterdammers hield de oorlog pas in mei 1945 op, en de strenge winter die daar aan vooraf ging is de geschiedenis ingegaan als de hongerwinter.
Niet alleen was er heel weinig voedsel, maar er was maar een uur per dag gas, de kolen waren op, elektriciteit was er niet meer dus trams reden ook niet meer, en na 8 uur ‘s avonds mocht je niet meer je huis uit.

Verschil was dat de vijand toen zichtbaar was en dat je, als je je niet verzette  niet omgebracht werd, tenminste als je als behorend tot de zelfde bevolkingsgroep als de vijand werd beschouwd.
Maar het belangrijkste verschil met nu is dat de tweede wereldoorlog voorbij is, en de COVID-19 pandemie alleen nog maar groeit.

Hoe lang dit nog duurt weten we niet, wat de naweeën zullen zijn weten we niet, of de wereld hierdoor blijvend zal veranderen weten we niet en ja, op individueel niveau weten we ook niet of wij bij degenen zullen horen die overblijven.

Maar een aantal dingen zijn inmiddels wel duidelijk geworden, en met elke nieuwe fase die we ingaan worden de breuklijnen in het systeem duidelijker.
Tot nu toe zie ik vijf kwetsbaarheden in onze westerse samenleving;

  1. De globalisering

Toen er in Nederland nog geen enkele besmetting was geconstateerd ontstonden er hier al problemen omdat bedrijven afhankelijk waren van onderdelen of producten die uit China moesten komen.
Na de oorlog zijn steeds meer maakindustrieën verdwenen en wordt de productie ondergebracht in lage lonen landen zonder lastige vakbonden en dure veiligheidsmaatregelen. Een corrupt of dictatoriaal systeem maakt de onderhandelingen daar ook een stuk eenvoudiger.
En nu zag een ondernemer die decoraties van kunstbloemen maakt zijn najaarscollectie de mist ingaan, want kunstbloemen komen nu eenmaal uit China.
Nu zal het Nederlandse volk niet hevig getraumatiseerd worden door de gestokte vernieuwing van het kunstbloemenaanbod, maar ernstiger wordt het als het merendeel van onze geneesmiddelen uit dat land komt. De bedrijven die ze ontwikkelen en verkopen (in enkele gevallen tegen obsceen hoge prijzen) zijn nog steeds Europees of Amerikaans maar de productie vindt plaats in India of China.

  1. Het toerisme

Het massatoerisme is de oorzaak dat een lokale ziekte uitbraak in korte tijd wereldwijd verspreid kon worden.
Hoewel veel mensen het een verworven recht vinden om buitenlandse vakanties te vieren is dit door de omvang die het heeft aangenomen een maatschappelijk probleem geworden.
Niet alleen is het toeristenverkeer verantwoordelijk voor 5% van de CO2 uitstoot en groeit het toerisme mondiaal met gemiddeld 3,3%.  Maar tast overmatig toerisme ook het oorspronkelijke karakter van de bezochte gebieden aan, veroorzaakt het overlast voor de plaatselijke bevolking, verhoogt de huizenprijzen en huren, en kan er een monocultuur in de werkgelegenheid ontstaan die de gebieden kwetsbaar maakt voor economische en andere crises.
Hoewel de machtige lobby’s van de toeristenindustrie tegenwoordige van vrijetijdseconomie spreken is het discutabel of er sprake is van het ontstaan van een goed of een meerwaarde.

Wat er (behalve de genoemde nadelen) gecreëerd wordt is werkgelegenheid van overwegend laag  niveau en een beleving.
Nu kan een beleving best heel waardevol zijn, maar over het algemeen kan die eerder geput worden uit een individuele reis dan uit een all inclusive aanbieding.

  1. De privatisering

De zorgplicht van de overheid is in de naoorlogse jaren een vergeten begrip geworden. Voor en kort na de oorlog waren de nutsbedrijven overheidsbedrijven het zij op gemeentelijk, hetzij op provinciaal of landelijk  niveau.

In Amsterdam herinner ik me uit mijn jeugd:

  • Gemeentelijk vervoerbedrijf
  • Gemeentelijk energiebedrijf
  • Gemeentelijke waterleiding
  • Stadsreiniging
  • Gemeentelijke gezondheidszorg
  • Gemeentelijke kraamkliniek
  • Gemeentelijke bad- en wasinrichtingen
  • Gemeentelijke weeshuizen
  • Gemeentelijke bejaardenhuizen
  • Gemeentelijke leenbank
  • Gemeentelijke onderwijsinstellingen van basisschool tot Universiteit
  • en zelfs een Gemeentegiro

Op landelijk niveau had je de PTT, Rijkspostspaarbank de Post Cheque en Girodienst en de Nederlandse Spoorwegen.
Toen ik in 1982 in dienst trad bij de gemeente Rotterdam was daar nog net een Gemeente Apotheek.
Van dat alles zijn alleen de GGD’s  en enkele universiteiten en hogescholen overgebleven.

Het resultaat is dat we nu van  geprivatiseerde instellingen afhankelijk zijn geworden. Instellingen met een winstoogmerk waar  geen invloed meer op  uitgeoefend kan worden door gekozen bestuursorganen.
Openbaar vervoer in dun bevolkte gebieden?
Niet commercieel interessant.
Het ontwikkelen van medicijnen voor zeldzame ziekten kunnen we dus wel vergeten.
Niet commercieel interessant.

Maar waarom is er dan geen rijks farmaceutisch bedrijf, kan je afvragen.
Zeker als je meeneemt dat er wel een centraal militair hospitaal is met alle specialiteiten die een streekziekenhuis biedt inclusief apotheek.
Blijkbaar is de overheid zich dus wel bewust van haar zorgplicht voor militairen maar niet voor haar burgers.

  1. De halvering van de gezinskoopkracht

Kon rond 1980 een gezin met één werkende partner met anderhalf modaal inkomen nog een hypotheek betalen en in de loop van 25 tot 30 jaar aflossen dan is dat nu niet meer mogelijk.
Voor een deel is dat te wijten aan de gestegen prijzen van zowel de huizen als brandstoffen verzekeringen  en levensonderhoud.
Maar ook door de onevenredige belastingdruk op kostwinnergezinnen waarin in Nederland alleen de ChristenUnie zich druk om lijkt te maken.
Dat begon allemaal met de benoeming van echtgenoten tot fiscale partners. Daarbij werd de belastingvrije voet van het gezinsinkomen in tweeën verdeeld. Bij gezinnen waar maar één persoon buitenshuis werkte kon dus maar de helft worden afgetrokken van het belastbare bedrag, maar de fiscus  maakte dit goed met een toeslag voor de niet buitenshuis werkende partner.

Mevrouw Halsema die ooit zei dat Groen Links in wezen een liberale partij was, noemde deze toeslag “aanrechtsubsidie”.
‘Framen’ heet dat in de schaduw  regionen van het politieke bedrijf. En in die kringen bestaat ook het begrip ‘reframen’.
Bijvoorbeeld door te zeggen dat Mw. Halsema voorstander was van de ‘opvoedbelasting’.

Hoe dan ook, het resultaat is dat in veel gevallen beide ouders in moeten werken om rond te komen.
En bij de sluiting van de school en de buitenschoolse opvang werd iedereen zich daar ineens bewust van.
En dan hebben we het nog niet op de milieuschade die de toename van het woon/werk verkeer die het twee-verdienen met zich mee brengt.

  1. Homo consumens

De heer Marx, (aan wie wij, volgens mij, meer te danken hebben dan wij soms denken) ging uit van het begrip homo faber latijn voor de werkende of de makende mens. Volgens de samenvatting van Wikipedia  houdt dat in dat “dat mensen wezens zijn met een aangeboren drang tot arbeid en creativiteit, met een aangeboren drang om werktuigen en techniek te ontwikkelen, gericht op het naar hun hand zetten van de eigen leefomgeving.”

Marx herdefinieerde ook het reeds bestaande begrip vervreemding. Wederom Wikipedia:

“Vervreemding was voor Marx een kenmerkend symptoom van het kapitalisme. Hij veranderde het van een filosofisch fenomeen, waar individuen direct invloed op hebben, in een sociaal fenomeen. Hij zag religieuze, politieke en economische vervreemding, waarbij de laatste voor hem het belangrijkste was. De mens was voor Marx een homo faber waarbij arbeid de belangrijkste vorm van zelfactualisering was. Door verregaande arbeidsdeling veranderde echter de aard van arbeid en werd het tegenovergestelde teweeggebracht met ontmenselijking tot gevolg. Vervreemding (Entfremdung of Entäußerung) treedt op wanneer het product van arbeid niet eigen is, in economische zin: arbeidskracht wordt in het kapitalisme verkocht als een waar, waarna het product wordt onteigend door de kapitaalbezitter, die de meerwaarde als winst incasseert of herinvesteert. Arbeid geeft dan geen bevrediging meer, geen idee van controle over de materie. De vervreemding uit zich in de aanbidding van een zelf geschapen macht buiten de mens, zij het in de vorm van religie, de opium van het volk of als warenfetisjisme. In latere jaren zou Marx kiezen voor preciezere en politiek effectievere termen als uitbuiting.”

De kritische theorie van de z.g. Frankfurter Schule, (waartoe denkers als Adorno, Habermas, Horkheimer en Marcuse behoorden) verdiepte en nuanceerde de uitgangspunten van Marx waardoor begrippen ontstonden als cultuurindustrie en repressieve tolerantie..
Wat je de sociaaldemocratie kunt verwijten is dat ze deze ideeën niet op waarde hebben geschat, het verdwijnen van het klassenbewustzijn hebben geaccepteerd en overgenomen en daarmee ook de uit het klassenbewustzijn voortkomende solidariteit hebben doen verdwijnen
En mede daardoor hebben zij de arbeidsmigrant en de politieke vluchteling niet herkend als het nieuwe proletariaat.

Volgens mij is de verburgerlijking van de arbeider een product van zowel de vervreemding als  van de cultuurindustrie.

De vervreemding die ontstaat door de atomisering van het productieproces waardoor we alleen nog maar bezig zijn met een tamelijk anoniem onderdeel van een product (ongeacht of dat een stoffelijk of een abstract product is) berooft ons van de vreugde van het met onze inspanning iets wezenlijks tot stand te brengen waar we een ander schepsel mee geholpen of blij gemaakt wordt.

De cultuurindustrie houdt niet op ons te voorzien van dingen en opvattingen die de leegte die ontstaan is door de vervreemding te vullen en ons gemis te camoufleren.

Hierdoor zijn wij allemaal verworden tot consumenten. Verslaafde consumenten zoals de Anti Rook Magiër Jasper Grootveld het in het begin van de Provotijd het noemde.
Bij consumenten moeten we niet alleen denken aan de dingen (verbruiksartikelen) die we kopen, maar ook aan de dingen die we lezen horen en zien, de woorden die we horen en zelf gaan gebruiken de ideeën die we ons eigen gemaakt hebben en die voor een belangrijk deel worden beïnvloed worden door informatie reclame propaganda en de meningen om ons heen.

De cultuurindustrie bestaat niet allen uit de marketing en reclame industrie, maar wordt ook gevoed door de omroep en de gedrukte media, de vermakelijkheidsindustrie, de designwereld, de mode industrie, de lobby’s, de toeristenindustrie, de influencers van de sociale media, de lifestyle glossy’s en de dieet-verzinners.

Veel hiervan is er op gericht om je de indruk te geven dat je bepaalde je bepaalde dingen, ideeën of houdingen nodig hebt om gelukkiger, completer, aantrekkelijker of belangrijker te worden.

Het is een doorlopend bombardement van prikkels die je verhinderen om je te concentreren op wat je hebt en wat je bent maar je vertellen wat er nog aan je ontbreekt om perfect te worden.

Hoeveel grondstoffen, tijd en creativiteit gaat er niet verloren aan ongelofelijke onzin.
En in dat verband is het massatoerisme wel een van de kostbaarste producten van de verstrooiingsindustrie.

Natuurlijk hebben mensen recht op vakantie en ontspanning,
Betaalde vakantie, daar hebben we voor gestreden zelfs. En het is natuurlijk leuk om dingen te doen waar je anders geen tijd voor hebt. En soms kan je die dingen alleen maar doen op een andere plekken doen dan in je woonplaats.
Maar moet je daarvoor zo ver weg?

Deze tijd van al dan niet vrijwillige quarantaine biedt alle gelegenheid om een ontdekkingsreis door je kamer of je huis te maken.
Stil te staan bij de dingen die je daar tegenkomt.
In te zoomen op hun herkomst.
De handen die het gemaakt hebben,
De weg die het afgelegd heeft, de gevoelens die het bij je oproept, of vroeger hebben opgeroepen.
Na te denken over wat er in de loop van de tijd aan of door veranderd is.
Je zult merken dat je huis een museum is.
Een kathedraal van geschiedenis. En als terug bent heb je wellicht meer gezien en beleefd dan op die City trip.

Je zult meer weten over jezelf en een scherper beeld hebben hoe het systeem waarin we leven niet bij onze fundamentele behoeften past.

En dan misschien…

En dan misschien zullen we gaan beseffen dat dat overweldigende aanbod aan dingen beleefmogelijkheden, verstrooiing en andere hebbedingen fungeert als een fonkelende sluier die ons verhinderd gewaar te worden wat ons onthouden wordt: de mogelijkheid te kiezen wat we zelf verlangen: de terugkeer van onze autonomie.
De mogelijkheid ons eigen leven vorm te geven in plaats van een keuze te moeten maken uit de menukaart van de kapitalistische economie.

Het is een voorbeeld van de repressieve tolerantie ten voeten uit:
De keuzevrijheid uit producten die je van een fundamentele vrijheid tot zelfschepping beroven.

Maar juist als consument hebben we een effectief instrument in handen:
Stoppen met consumeren.
Lastig?
Ja met roken schijnt het voor veel mensen lastig te zijn.
Begin dan met iets anders,
Met elke stap neemt je autonomie toe.

Maar behalve ergens mee te stoppen kan je ook ergens mee beginnen:
Beginnen met maken.
De homo faber in je zelf bevrijden.

Neem een volkstuin of promoveer je gazon tot voedingsbodem..
Tuinieren is de meest gezondheid producerende vorm van joggen.
Ontdek het geluk van brood bakken.
Deel of ruil je producten.
En ent al doende je kinderen en kleinkinderen in tegen de vervreemding

Stapje voor stapje heroveren we onze vrijheid.

De binnenkant en de buitenkant van cohesie

donderdag 17 oktober, 2019

De aanleiding
Het moment dat het deeg zich losmaakt van de kom van een keukenmachine is altijd weer spannend en geruststellend. Het wonderlijke proces heeft zich weer voltrokken. Uit drie grondstoffen, water meel en voordeeg heeft zich een nieuwe stof gevormd die met geen techniek ter wereld weer te reduceren is tot die drie grondstoffen.
Natuurkundig is het moment dat het deeg loslaat, het moment dat de cohesie (de samenbindende kracht) groter is dan de adhesie (de hechting aan de andere materie).
In ambachtelijke zin houdt het de bakker in kwestie bezig waarom dit moment de ene keer al in de vierde minuut van het kneden kan optreden en de andere keer pas in de laatste minuten van de acht waarop de keukenwekker is ingesteld.
De bakker streeft er na het proces zo goed mogelijk te beheersen, door de receptuur zo nauwkeurig mogelijk te volgen, maar de enige stap die niet volledig beheersbaar is, is de fermentatie van het voordeeg. Blijkbaar is die afhankelijk van de temperatuur en/of de vochtigheidsgraad in het huis in de dag en nacht die aan het kneden voorafgaan.
Maar omdat de bakker niet alleen brood maakt, maar ook een sociaal project uitvoert, namelijk voedsel te produceren tegen grondstofprijs en de arbeid te schenken is het niet verwonderlijk dat bij de confrontatie met een proces van toenemende adhesie ook vrijwel onmiddellijk gedachten opkomen over de maatschappelijke vormen van adhesie.
En inderdaad wordt  er door sociologen en politici gebruik gemaakt van de term ‘sociale cohesie’.
Onder sociologen is er verschil van mening wat die term precies omvat en waardoor sociale cohesie wordt veroorzaakt of juist wordt belemmerd. En politici verstaan onder sociale cohesie iets moois dat door hun voorstellen en/of maatregelen ontstaat of versterkt wordt.
Een interessant begrip dus, cohesie.

Meer of minder adhesie?
Zeker een interessant begrip als je je realiseert  dat waar de cohesie toeneemt in de regel toeneemt  adhesie (verbinding met het andere of de andere) afneemt. Dat is alleen daar niet het geval  waar oorspronkelijk geen enkele adhesie bestond.
Positieve effecten van sociale cohesie mogen dan zijn dat de onderlinge band en daarmee de onderlinge samenwerking en solidariteit verstrekt wordt, maar het negatieve aspect van dat onderlinge is dat het kan neigen tot exclusieve solidariteit en samenwerking. En in extreme gevallen tot uitsluiting van diegenen die niet tot ‘ons soort mensen’ gerekend worden.

Spontane adhesie of georganiseerde cohesie?
On na te gaan waar cohesie kan leiden tot isolationisme, lijkt het nuttig om onderscheid te maken tussen spontane cohesie en georganiseerde cohesie.
Spontane adhesie is een hechtingsproces dat ontstaat vanuit de wil en behoefte om dingen samen te doen of te blijven doen of samen te beleven. Dat kan veroorzaakt worden door wederzijdse aantrekking, uit een samen doorgemaakte ervaring, of door het ontstaan van een natuurlijke verantwoordelijkheidssituatie zoals die bestaat jegens je kinderen, ouders of andere naasten, of waar  iemand beroepsmatig of vrijwillig aan jouw zorgen, producten of diensten is toevertrouwd.
Georganiseerde cohesie daarentegen is gebaseerd begrippen die een (vaak exclusieve) eenheid suggereren waartoe bepaalde groepen mensen zouden behoren.
Stam, volk, ras, cultuur, klasse, geslacht, en geloofsgemeenschap zijn de bekendste begrippen die daarbij gehanteerd worden en die mensen er toe kunnen brengen te geloven dat zij daar toe behoren, er van nature mee verbonden zijn, en bepaalde eigenschappen aan ontlenen.

Hier lopen echter twee categorieën begrippen door elkaar, die beiden denkbeeldig zijn, aan elkaar tegenstrijdig zijn en om de irrationaliteit compleet te maken ook nog met elkaar vereenzelvigd worden: namelijk verband en individu. En verband wordt hier gebruikt als verzamelnaam voor de hierboven genoemde trits van stam, volk, ras enzovoort. En individu is hier gebruikt voor een stel begrippen als persoon, persoonlijkheid, en identiteit.

Dat die twee verschillende , en in menig opzicht aan elkaar tegengestelde begrippen toch met elkaar door elkaar worden gehaald blijkt bijvoorbeeld  uit het ’Koersdocument’ van een aantal gemeenten in Zuid-Limburg die op meerdere terreinen willen gaan samenwerken, en waarin gesproken wordt van hun ‘gezamenlijke identiteit’.
Terwijl je bij die zelfde gemeenten om de zoveel tijd terecht moet om je identiteitsbewijs te verlengen zodat je kunt bewijzen dat jij inderdaad Ben Burger bent geboren op die en die dag in die en die plaats en volstrekt iemand anders bent dan al die x miljard andere aardbewoners? Hoezo ‘gezamenlijke identiteit’.
Een marketing bureau spreekt in een advies aan een van die gemeenten zelfs over het DNA van die gemeente.

Wat is nu de aantrekkelijkheid van zo’n virtuele eenheid
Dat hangt er van af over wie we het hebben. Over degenen die zich tot een bepaalde groep te behoren, of over de bestuurders die uitgaan van het bestaan van zulke groepen, en ze zo nodig zelf in initialiseren.
Laten we het eerst hebben over de beweegredenen kunnen zijn voor mensen om zich als lid van een groep te zien en te voelen.
Het stamverband is waarschijnlijk de oudste vorm, en bood zeker vroeger veiligheid. Dat wil zeggen veiligheid naar binnen, maar tegelijk naar buiten toe ook een afhouden dat zich kan uiten in houding  van afstandelijkheid tot vijandigheid ten opzichte van de omringende stammen.
Zelfbehoud vereist stabiliteit en in de beginfase van een populatie ook groei en uitbreiding van de genenpool. Groei die zijn beurt weer leidde tot de behoefte aan gebiedsuitbreiding. Het begin van de geopolitiek dus eigenlijk.
In modernere tijden blijken er andere prikkels te zijn die mensen er toe kunnen bewegen om zich aan te sluiten bij- of onderdeel te voelen van een bepaalde groep.
Dat gebeurt als je  aan een bepaalde groep collectieve positieve eigenschappen toedicht.
Eigenschappen waar je trots op kunt zijn. En het mooie is dat je die eigenschappen daarvoor als individu helemaal niet hoeft te hebben meegekregen of door hard werken hoeft te hebben ontwikkeld. Je hoeft je alleen maar aan te sluiten bij een club die dat verkondigd of ze na te praten.
Zo was er een tijdje een partij van een VVD dissident die de naam droeg “Trots op Nederland”. Blijkbaar gebaseerd op het idee  dat trots het resultaat is van verdienste, en als je je dus lieerde aan die trots je vanzelf ook die verdienste verwierf. Maar dat is natuurlijk een ontzettend dom idee.
In de persoonlijke sfeer kan je daar nog wel een zeker begrip voor opbrengen
Opa heeft in zijn jonge jaren een aardig potje straatvoetbal gespeeld en als hij dan mag beleven dat zijn kleinzoon de jeugdopleiding van een profvoetbalclub weet te halen, denkt hij  (of zegt misschien wel eens hardop) ‘dat heeft ie van mij’. Maar de opa in kwestie denkt (en zegt al helemaal niet) hetzelfde als zijn kleinzoon opgepakt wordt voor een of ander misdrijf.

Dit verschijnsel nu, dat mensen  er toe verleid kunnen worden zich te identificeren met  een complex van eigenschappen dat toegedicht wordt aan een abstracte entiteit als volk en alle afleidingen daarvan is op kleinschalig niveau nog te beschouwen als een ietwat belachelijk doch onschuldig tijdverdrijf. Zo stond onlangs in een regionaal dagblad een bericht dat, oh grote schrik, het volkslied van de provinciehoofdstad plagiaat leek te zijn van het volkslied van een Midden-Europese natie!

Maar op grootschalig niveau waar het de vorm krijgt van nationalistische retoriek wordt het ronduit gevaarlijk.
De geschiedenis biedt genoeg voorbeelden waartoe een collectief ‘Volksempfinden’ kan leiden. Inclusief de massale verkiezing van een misdadiger tot Führer und Reichskanzler per referendum.
Het referendum dat tegenwoordig weer wordt aangeprezen als ultiem democratisch instrument.

Zuilen en bundels
Waarom wordt  dat denken in collectieven dan toch noch in een groot deel van het politieke spectrum druk beoefend?
Allereerst is het gemakkelijker om te denken aan een monolithische entiteit als ‘het volk’ dan als een samenleving van mensen met uiteenlopende talenten, bezigheden, belangen en idealen. Daarnaast is het bestaan van groepen die zich opwerpen als dragers van bepaalde waarden gemakkelijker voor bestuurders omdat die dan naar hen kunnen verwijzen als verschaffers van een legitimerend draagvlak.
In gebieden waar dat groepsgevoel nog een belangrijke rol speelt, wat men kan waarnemen door een sterk verenigingsleven en het in stand houden van oude tradities, scoren die conservatieve partijen het beste. Wat tot gevolg heeft dat, wanneer er impopulaire maatregelen getroffen moeten worden zo’n partij zich vaak bediend van de formule “mits haalbaar, betaalbaar en er voldoende draagvlak is”.
Zo is de steun bij de volgende verkiezingen in elk geval voor een deel verzekerd.[1]

Het onderscheid tussen spontane adhesie en georganiseerde adhesie is niet definitief. Het kan dat spontane belangengroepen zoals de gilden later geïnstitutionaliseerd worden in wat wij in de tweede helft van de vorige eeuw nog kenden als bedrijfschappen.
In de meest extreme vorm heeft dit geleid tot het besturen van het land via die afzonderlijke belangen groepen die ingeënt werden met één overheersend belang: de grootheid en superioriteit van de natie en daarmee van de onderdanen. In Italië vorm gegeven door het fascisme en in Duitsland ten tijde van het nationaalsocialisme. In Nederland werd het idee van de corporatieve staat met enige afstand toch niet helemaal onaantrekkelijk gevonden.
Dat is wel te begrijpen omdat de verzuiling in zekere zin een vorm van corporatisme light was.
Hier ontbrak gelukkig het element van een verbindende ideologie omdat elke zuil zijn eigen heiig ideaal had.
Bovendien was elke zuil gelieerd aan ten minste één politieke partij en was de landelijke politiek onderworpen aan een democratisch proces.
In de nadagen van het zuilenstelsel toen de bevolking na de bevrijding van de bezetter, eigenlijk ook wel van andere zaken af wilde, want ideaal waren de vooroorlogse dagen zeker niet werd op de doorbraak gedachte van links gereageerd met het Mandement van de Bisschoppen en was het hek van de dam.
Toch kon er na de ontzuiling toch nog goed samengewerkt worden tussen politieke vleugels en werden in de periode van de rooms-rode coalities belangrijke sociale hervormingen doorgevoerd zoals de algemene ouderdomswet en de algemene bijstandswet.
Volgens de oude bakker die dit verhaal begon zijn er na de oorlog twee ontwikkelingen geweest die een herwaardering verdienen: De ontzuiling en de (onvoltooide) emancipatie.

De ontzuiling omdat hier naar zijn mening met het wegwerpen van het badwater te weinig nagedacht is wat er vervolgens met het kind moest gebeuren,
De emancipatie omdat deze enerzijds onvolledig is geweest en anderzijds geleid heeft tot een overwaardering van het begrip identiteit.

Wat het laatste betreft is hier al eerder over geschreven en de vier artikelen over vrijheid in dit blog, over die emancipatie is al veel terug te vinden in https://gerardvb.com/2018/11/17/terug-naar-de-komende-en-de-gaande-man/

Helaas emancipeerden de ondernemers zich via de globalisering tot een macht waar lokale overheden geen grip meer op hadden daarbij gefaciliteerd  het inslaan van een ‘derde weg’ van sociaaldemocratische leiders, waarbij het woord doorbraak een geheel andere betekenis kreeg.

Hoe nu verder?
Inmiddels staan we voor een crisis die alleen maar op te lossen is als we het ongeschonden voortbestaan van de biosfeer als eerste prioriteit zien.
We kunnen dus niet doorgaan met  die dodelijke formule  van “haalbaar, betaalbaar en draagvlak” te herkauwen.
Want dat draagvlak zou wel eens net zo betrouwbaar kunnen zijn als de bodem van een overbelast rubberbootje op Middellandse Zee.
En laten we kritisch zijn ten aanzien van iedereen met termen als DNA en identiteit of zelfs gezamenlijke identiteit als het over mensen gaat.

______
[1]
By its very essence, politics induces those who work in it to focus their attention on short-term issues that have a direct bearing on the next elections instead of on what will happen a hundred years from now. It compels them to pursue group interests rather than the interests of the human community as a whole, to say things that please everyone and not those which people are not so happy to hear, to treat even truth itself with caution.

Fragment het voorwoord van Vaclav Havel in tot The Open Society and Its Enemies van Karl Popper, tijdens de uitreiking van een eredoctoraat mede n.a.v. het feit dat het vijftig jaar gleden (in 1945) verscheen.

Preface: ‘Karl Popper’s The Open Society and Its Enemies in the contemporary global world’ — Pagina xv

Van koelkast naar rijskast voor € 9,34

maandag 4 maart, 2019

Omdat mijn broden steeds meer liefhebbers moet ik meestal meer dan tien broden per week bakken.
Dat is geen probleem zolang het huis verwarmd wordt, maar over niet al te lange tijd is het stookseizoen voorbij en dan is het niet elke dag zonnig en warm, dus begon ik vooruit te denken hoe ik een rijskast zou kunnen maken.
En dan het liefst van materiaal wat al ergens ligt te wachten op een nieuwe bestemming.

Er was nog een verwarmingsplaatje waar ik een tijd zes potjes yoghurt op kon bereiden. Maar die yoghurt ging sneller op dan ik hem kon aanmaken, dus komt de yoghurt tegenwoordig uit de winkel. Maar dat plaatje gebruikte ik wel om te rijzen in de tijd dat ik alleen nog maar voor eigen consumptie bakte.
Een test van dit plaatje in een kartonnen doos leverde een prettige rijstemperatuur op, maar het was te betwijfelen of er voldoende calorieën mee gegenereerd zouden kunnen worden om vier bakvormen op ± 28º te krijgen.
Een tweede probleem was hoe ik een ruimte kon vinden die ik kon isoleren met piepschuim en waar vier vormen in konden. (De vormen zijn met en schotje in tweeën gedeeld en zo kan ik dus acht broodjes van ruim anderhalf pond te gelijk bakken).

Zo’n probleem zet ik doorgaans als ik niet direct een oplossing zie in de wacht. Dat wil zeggen dat ik over een ander interessante vraag ga nadenken. En na enige tijd duikt dan wel een andere (wel of niet bruikbare) oplossing op.
Merkwaardig genoeg vaak kort voor ik in slaap val.
De werkende oplossing voor de ruimtelijke ordening was in dit geval een niet gebruikte koelkast die ergens in ons huis alleen maar plaats innam.
Zo’n koelkast is van huis uit goed geïsoleerd door daar hoef je verder niets aan te doen. Maar de schappen in zo’n ding zijn glasplaten en die belemmeren dus dat je met een warmte bron onderin de hele kast kan verwarmen.
Een geschikt rooster had ik niet, maar dit probleem kon opgelost worden met metalen buizen van 19 mm die ik over had van een gesneuveld tomatenkasje.

Het yoghurt plaatje bleek echter te weinig capaciteit te hebben om hele koelkast (een tafelmodel) te verwarmen, dus moest er een andere warmtebron gezocht worden.
En de oplossing daarvan diende zich aan toen ik ineens bedacht hoe ze in stripverhalen aan geven hoe iemand ineens een idee krijgt. 💡
Natuurlijk, een gloeilamp!

Een bureaulampje met een klein bolletje waar niet op stond hoeveel Watt leverde niet voldoende warmte. Dus werd een lampje van 40 Watt aangeschaft à € 2,99. Maar dat leverde te veel warmte. Hoeveel weet ik niet want de thermometer ging maar tot 50º.
Dus kocht ik bij Hornbach een tussencontactdoos met een dimmer voor € 6,35 en bingo! dat was hem.

Mijn broodjes van vandaag zagen er heel tevreden uit toen ze de kast kwamen en worden terwijl ik dit schrijf gebakken.
Nu alles blijkt te werken gaan we dit netjes afwerken.


Multi-gaatjes-in-je-brood-prikker by Wortel Design© 

 

 

Gelukkig in Holset XI; Brood en bestemming

zondag 10 februari, 2019

Terwijl we door Maastricht manoeuvreerden wees de deken van Vijlen, Holset en Lemiers me op verschillende kerkgebouwen die we passeerden en vertelde hij het bijbehorende stukje kerk(gebouw)geschiedenis.
Ik kom zelf niet uit een katholiek nest, maar reisde mee om geïnstrueerd te worden in het bijhouden van de website van de drie parochies. Iets wat ik graag doe omdat ik verknocht ben geraakt aan het dorp dat inmiddels mij nieuwe Heimat is geworden.
Op de terug weg vertelde ik dat ik het altijd zo’n bemoedigende boodschap vond van de navigator in onze auto als die zei: “U hebt uw bestemming bereikt”.
De pastoor schoot in de lach en zei: “Oh, die kan ik wel eens gebruiken”.

Ik heb in dit weblog het woord bestemming al vaker gebruikt. Met name in het stuk waarin ik als niet-gelovige probeer een antwoord te geven op de vraag uit de catechismus, ‘waartoe is de mens op aarde’.
Want je mag toch wel aannemen dat die vraag ook voor een niet-gelovige relevant is.

Maar als je de vraag waartoe stelt, impliceert dat dat je aanneemt dat er ook een dáártoe bestaat, en dat doet een vermoeden rijzen van het bestaan van een (wellicht vooraf al bestaande) bestemming, En dat weer wijst in de richting van determinisme. Twee vooronderstellingen die indruisen tegen mijn intuïtieve overtuiging van het beschikken over een zekere hoeveelheid vrije wil.

Een paar dagen voor ik aan dit verhaal begon te schrijven viel ik op de tv in een documentaire over een klooster in Frankrijk, waarin een zuster grote indruk op mij maakte door haar uitstraling en haar wijze woorden.
Ik voelde een zekere jaloezie naar zo’n omgeving en leefwijze en kon mij voorstellen dat ik als ik wel gelovig was geweest en ongebonden op rijpere leeftijd zeker  wel eens zou kunnen overwegen in te treden in zo’n omgeving waar ik me kon laven aan de rust en stilte en de aanwezigheid van zo veel bronnen van waarheids- en wijsbegeerte om me heen.

Maar toen ik er later over nadacht begon ik dat te betwijfelen. Om alleen maar gelukkig te worden door wat je vindt en krijgt is toch in wezen leven als consument.
En ik voel me er beter bij als ik iets doorgrond heb, of bewerkt heb tot iets wat bruikbaarder of begrijpelijker lijkt, ik dat graag wil delen of mededelen, al was het alleen maar om mijn werk ter toetsing voor te leggen aan anderen.

Wat heeft dit nu met brood te maken?

Vrij veel, in mijn geval.
Mijn belangstelling voor brood begon toen ik zag hoe brood geboren wordt. Op de middelbare school raakte ik bevriend met een bakkerszoon. Ik kwam wel eens in de bakkerij als daar gewerkt werd en vond het een zelfde soort magische plaats als een smederij.
Toen ik na school in een tweedehands boekhandel werkte kwam ik daar een boek tegen dat Zesduizend jaren brood heette. De ondertitel luidde: De geschiedenis van ons dagelijks brood van de Egyptenaren tot in de twintigste eeuw.
Intussen weten we dat er al 14.000 jaar geleden door jager/verzamelaars in Jordanië brood werd gebakken van wilde tarwe en gerst en gemalen plantenwortels.
Via een andere schoolvriend ontdekte ik het volkorenbrood van Bakker Hartog toen nog in de Amsterdamse Ruyschstraat hoek Wibautstraat. Ik schrijf hier niet voor niets bakker met een hoofdletter.
Toen ik zelf ging bakken (ergens rond 1970 schat ik) was dat brood het voorbeeld dat ik in de verste verte niet benaderde.

Later toen ik als freelancer werkte mocht ik een hele katern over brood schrijven voor het maandblad Mensen van Nu (al kan het dat het blad toen al Mensen heette) en had ik het genoegen Bakker Hartog zelf te mogen interviewen.
Toen ons gezin steeds verder in Limburg met vakantie ging ontdekten we bij een bakker in Gulpen mijn nieuwe referentiebrood: Sterrenbrood .
Later bleek dat brood ook  bij een supermarkt keten te koop was en uit de verpakking bleek dat het een brood was waar tarwe, rogge, zuurdesem en gist aan te pas kwam. Pas jaren later kon ik de receptuur achterhalen en lukte het me een brood te bakken wat in de buurt kwam.
Wanneer ik voor het eerst Paderborner brood proefde kan ik me niet herinneren, maar ik herinnerde me de naam, de smaak en het typische uiterlijk met de (zeer)donkerbruine bovenkant met het gaatjespatroon.

Nu ik vlak tegen de Duitse grens aan woon heb ik er wel eens naar gevraagd bij de bakkerijen daar, maar kon het niet vinden. Tot ik het idee kreeg op internet naar een recept te gaan zoeken.
En daar vond ik dan eindelijk het recept waar ik mijn brood op heb gebaseerd.
In de loop van de maanden die volgden, kreeg ik het proces in vingers, en nu heb ik het gevoel dat ik het beheers. Keer op keer komt er het zelfde brood uit de oven. En in middels kan ik er acht tegelijk bakken.

Dat gaat net in de oven die 90 cm breed is, en ik bak ze in vormen van ruwweg 15X30 cm, die ik verdeel met een schotje, zodat er uit elke pan twee broodjes komen.

De verschillen met het oorspronkelijke recept zitten in de hoeveelheid water, en de andere rust en rijstijden en de lagere baktemperatuur. Zo’n donkerbruine korst is slecht voor de gezondheid heeft men ontdekt.

Maar wat heeft dit nu met bestemming te maken?
Nou ja, bestemming is wel een groot woord.
Maar ik kan wel zeggen dat ik me niet kan herinneren ooit met iets bezig geweest te zijn waar ik me zo in thuis voelde.
Dat heeft een heleboel oorzaken merk ik als ik er over nadenk.
Ten eerste is het voor het eerst dat ik iets belangrijks doe, waarvan ik het gevoel heb dat ik het misschien wel beheers. waardoor ik het zonder spanning doe, wat voor mij iets ongekends was tot nu toe.
Dat er desondanks processen zijn die ik niet volledig kan doorgronden en buiten mij om gaan tijdens het ontstaan van het zuurdesem, het ontwikkelen van het voordeeg en het rijzen. En dat ik me vrij voel om zulke dingen als een wonder te beschouwen. En dan nog helemaal wonderen van de onwaarschijnlijke categorie alledaagse wonderen!
Dat ik mensen voed.
Dat mijn brood lekkerder gevonden wordt dan een professioneel brood, terwijl dit het eenvoudigste brood is wat je maar bedenken kunt. Het bestaat uit alleen maar meel water en zout.
En brood is natuurlijk ook een product met een enorme historie en is tegelijk een symbool voor het goede op aarde en van eenvoud.

Het is klein wat ik bijdraag, maar het is helemaal in orde. Zelfs de stroom waarmee de oven verhit wordt is schulden vrij want wordt geleverd door de zon.
Eigenlijk zou ik iets groters willen doen, en mijn doel, ‘moestuintjes voor alle kinderen van Vaals’, is nog niet dichterbij gekomen.
Maar misschien moet ik Han Shan maar beter volgen waar hij in het gedicht wat ik hier vaker citeerde zegt:

Like a doctor prescribing a medicine for each disease,
I use what remedy is at hand to save the world.
Only when the mind is free of care
can the light of understanding shine in every corner.

 

 

 


%d bloggers liken dit: