De onzichtbare fietser

zondag 21 januari, 2018

Wie van een universiteit een universele- dat wil zeggen een alle aspecten omvattende – analyse van een vraag of vraagstuk verwacht , wordt tegenwoordig steeds vaker teleurgesteld.
De Beleidsanalyse Trambaanfietsroute Maastricht-Aken van de Vrije Universiteit Amsterdam is een voorbeeld van een eenzijdige benadering.
Zoals het rapport zelf aangeeft, is het geschreven in opdracht van een groepering die tegen de aanleg is:

”Dit onderzoek is tot stand gekomen op verzoek van de Vereniging tot Natuurbehoud (VTN) in Cadier en Keer. Deze nota heeft als doel een constructieve bijdrage te leveren aan het debat rondom de Trambaanfietsroute, door een aantal onderwerpen rondom de geplande aanleg nog eens nader te beschouwen. Ook gaat deze nota in op een aantal alternatieven, zoals een grensoverschrijdend Trambaanwandelpad.”

Natuurlijk, er is een groeiende markt aan beleidsadvisering, en de de tekortschietende financiering van het hoger onderwijs noopt deze instellingen daar een stukje van mee te nemen, maar dit is in combinatie met de tendens van opdrachtgevers om mee te schrijven een kwalijk verschijnsel.
De beoogde  of in elk geval zo aangeprezen ‘constructieve bijdrage’ is door de pers terecht gekarakteriseerd als “forse kritiek op de trambaanfietsroute” en zal ongetwijfeld tot grote tevredenheid bij de opdrachtgever hebben geleid.

Hoe stel je vast dat dit rapport eenzijdig is? Door niet alleen te kijken wat er in staat, maar ook door je te realiseren wat er niet in staat.
Dat laatste is iets lastiger, want je kunt moeilijk dingen lezen die niet geschreven zijn.
Maar ook buiten de VU bestaat logica:

En een hele logische vraag is natuurlijk voor wie zou je een fietsroute willen aanleggen?
En het antwoord is dan natuurlijk voor de fietser.
En waar houd je dan primair rekening mee?
Weer is het antwoord duidelijk: Met de belangen van die fietser.
En dat is nu precies wat er aan dit rapport ontbreekt:

Ja, hij wordt wel genoemd als verdienmodel voor de horeca en andere uitbaters van het toerisme. Maar alleen als middel, en niet ook als doel.

We stuiten hier op een merkwaardige paradox van overheden en belangenorganisaties.
Enerzijds wijzen we op de ‘miljoenenschade’ die de dagelijkse files aan de samenleving toebrengen. En willen we dat meer mensen de fiets pakken in plaats van de auto om naar hun werk te gaan, en als dat niet werkt dat er dan maar een extra rijbaan op dat stukje van de A zoveel wordt aangelegd. En natuurlijk de maximumsnelheid wordt gehandhaafd om de automobilist de indruk te geven dat hij het oponthoud nog kan inhalen.
Maar als er een stukje fietspad dreigt te worden aangelegd, dan wordt er met ontzetting gesproken over wel 7 kilometer asfalt zo breed als een fietspad.
Zoals een verontruste inwoner van Lemiers de krant liet weten, plaatselijk bijna vier meter breed. (Oh nee toch, straks komen er nog rotondes voor fietsers van onze belastingcenten).

De fietsers die genoemd worden in de “Analyse”  worden allen maar meegeteld als ze recreatief van het pad gebruik gaan maken, omdat zoals dat beargumenteerd wordt:

“Zowel het fietsbeleidsplan van de provincie (Provincie Limburg, 2014b) als het Fietsplan Maastricht (2009) zetten in op “gedragsbeïnvloeding om het fietsgebruik te stimuleren”. Hierbij kan worden gedacht aan: educatie, voorlichting en promotie als factoren die het (utilitaire) fietsgebruik bij doelgroepen als scholieren en werknemers verhogen. Maar ook het promoten van ‘Fiets van de zaak’. 
In hoeverre echter de geplande Trambaanfietsroute bijdraagt aan het stimuleren van het fietsgebruik voor het utilitair fietsverkeer, is niet duidelijk. De initiatiefnemers, onder wie de Provincie Limburg, spreken over “utilitair fietsverkeer en schoolgaande jeugd, als bijvangst”, waaruit blijkt dat deze investering voornamelijk op de recreatieve fietser is gericht, en niet op woon-werk verkeer of schoolgaande jeugd.”

Dit is een tamelijk bizarre denkwijze:
We tellen alleen het recreatieve gebruik mee, want de initiatiefnemers hebben ander gebruik niet als hoofddoelstelling genoemd. Dus hoeven wij dit gebruik niet mee te nemen in onze analyse.
Maar waar de miskenning van de fietser het meest duidelijk wordt is waar de vlakheid van de route gebagatelliseerd wordt.

De fietsers kunnen immers gewoon de bestaande fietspaden naast de N278 gebruiken?
De hellingen zijn geen bezwaar omdat ouderen in toenemende mate een e-bike hebben.
Blijkbaar spiegelen de samenstellers zich hier aan hun eigen omgeving waar ouderen voldoende welvarend zijn om zich zo’n fiets van meer dan duizend euro, of in geval van een echtpaar twee van die dingen, te kunnen veroorloven.
En blijkbaar zijn die dingen allemaal uitgerust met een wonderaccu’s die in dit heuvelland het op de vlakke rest van Nederland gebaseerde bereik halen, en dat ook na een paar jaar nog steeds doen.

Wat echter helemaal buiten beschouwing blijft is dat het fietsen langs een autoweg een ongezonde bezigheid is.

De onderzoeken naar de schadelijkheid van fijnstof hebben duidelijk gemaakt dat de risico’s voor de gezondheid toenemen naarmate je dichter bij een autoweg woont. En als je dan ook nog een lichamelijke inspanning moet leveren bij een helling adem je meer vergif in. Want wat automobilisten misschien niet weten is dat op een e-bike mee moet trappen, en daarbij ook echt kracht zetten wil je op de zelfde acculading  ook nog weer terug naar huis komen.
Kort samengevat, de rapporteurs hebben het alleen maar over de economische waarde van de fietser. Andere waarden zoals natuurschoon, stilte, ontspanning en gezondheid tellen blijkbaar niet meer mee op de Vrije Universiteit.

Advertenties

Maar weer eens op een beginselpartij stemmen?

dinsdag 16 januari, 2018

In week 12 is het weer zo ver. We mogen een nieuwe gemeenteraad kiezen en hierdoor  ook richting geven aan de samenstelling van het college van B&W. In veel gemeenten zullen er dan ook weer nieuwe partijen mee doen. En voor een deel zullen die opgericht zijn door raadsleden die uit de partij die ze kandidaat heeft gesteld zijn gestapt, of die er uit zijn gezet.
Vroeger zag je dat alleen in kleinere gemeenten en in de randstad sprak men dan denigrerend over dorpspolitiek, maar inmiddels is de zetelroof ook in de randstad en in het parlement een bekend verschijnsel geworden.
De doorgeschoten individualisering heeft nu ook onze vertegenwoordigende lichamen bereikt.

Lang waren we een driestromenland, tot de ontzuiling intrad.
In zekere zin is ontzuiling een term die wat overdreven is, want wat wij zuilen noemden waren geen monolithische zuilen maar meer of minder hechte bundels van beginselpartijen en partijtjes. Allean de confessionele zuil bood al onderdak aan KVP, AR, CHU en SGP, de linkse partijen splitsten en bundelden er ook op los en zorgden dat de kiezer terecht kon bij de CPN, de PvdA, PSP, SP, DS’70, en PPR waarvan er drie opgingen in GroenLinks later door Mw. Halsema gekenschetst als een liberale partij.
En dan had je nog die onduidelijke derde stroming van het liberalisme. Hiervan kan je je afvragen of het een beginselpartij is of een standenpartij is.
Belangrijkste aandeelhouders: VVD en D’66.

Regeringsvorming was toen die zuilen nog stabiel waren een kwestie van het smeden van een coalitie van twee of drie partijen die op een parlementaire meerderheid konden rekenen.
Maar het begon moeilijker te worden toen tumultueuze verschijnselen als de LPF het toneel beklommen om er kort daarna weer af te kukelen. Maar het hek was voorgoed van de dam.
Je had geen beginsel programma meer nodig om kiezers te trekken, maar je hebt genoeg aan een A4-tje met een opsomming van de volkeren, geloven en groeperingen waar je tegen bent.
De randintellectuelen van dit soort partijen hebben inmiddels zoveel succes dat de traditionele partijen al met z’n vieren of z’n vijven bij elkaar moeten komen om te gaan formeren.
Bijkomend verschijnsel:

Als je maar een minimale meerderheid in de Kamer hebt, moet je

  1. behoorlijk wat water in de wijn doen om je coalitiegenoten binnenboord te houden,
  2. als een van je Kamerleden in de fout gaat, zal je dat met de mantel der liefde moeten bedekken als die laat doorschemeren dat hij of zij anders voor zichzelf begint.

Dit alles is het gevolg van de doorgeschoten individualisering die (niet alleen in ons land) vorm krijgt in een veelheid van vormen van georganiseerd  politiek en commercieel uitgebuit egoïsme.

Dit egoïsme wordt gepresenteerd onder veel vriendelijker klinkende namen als persoonlijkheid, individualiteit, eigenheid, lifestyle, zelfontplooiing en uit zich in trots op nationaliteit, traditie en folklore.

Dat kan variëren in tamelijk onschuldige commerciële lulligheid als “Giroblauw past bij jou” en aanbevelingen van uitvaartmaatschappijen die je aanmanen om bij leven er voor te zorgen dat je uitvaart verloopt in een stijl die bij v/h jou past, tot enge gedachten als eigen volk eerst.

Bij de gevestigde partijen leidt die opkomst van het egoïsme tot de bedenkelijke beslissing om een scheutje verdund populisme door hun programma te mengen.Dit leidt soms tot potsierlijke vormen als het voorstel om katholieke kinderen te verplichten een vreemd lied te leren waarin een katholieke tiran verdreven moet worden om dat hij een (protestants) hert doorwond heeft.

Maar deze overlevingsstrategie is een doodlopende weg.
Politiek is naar mijn smaak een kwestie van zowel valkuilen als vergezichten. Als je je alleen concentreert op het omzeilen van valkuilen dreig je de vergezichten uit het oog te verliezen. En uit het oog is hier op den duur ook uit het hart.

En dat is met name ernstig voor de partij die daar woont waar het hart woont: Links.
Want links zijn de partijen die willen verbinden.
Oké, de confessionele partijen streven ook naar verbinding, maar dat is een verticale verbinding, en wij (ik mag toch wij zeggen, lieve lezer?) streven naar een horizontale verbinding waarin wij ieder mens even hoog  achten en daarom de vernederden willen verheffen en degenen die te hoog te paard zitten een toontje lager te laten zingen

Dat neemt niet weg dat er met echte confessionele partijen best samen te werken valt want ten aanzien van een aantal van onze kernwaarden zijn wij zeker schatplichtig aan christelijke waarden, en in het verleden hebben ‘roomsrode coalities’ zeker veel sociale verbeteringen gebracht.

Maar het CDA is wel erg vaag aan het worden als beginselpartij. Neem bijvoorbeeld wat bij de gemeenteraadsverkiezingen in de gemeente waar ik woon aangeboden wordt.
In het verkiezingsprogramma 2018-2022 lees ik letterlijk:

“Is het CDA een Christelijke partij, een partij gebaseerd op geloof die andere geloven uitsluit? Het antwoord is nee, het CDA is geen Christelijke partij gebaseerd op geloof !”

(Het uitroepteken is echt deel van de geciteerde tekst en is niet een uiting van mijn verbazing.)

Maar om het goed te maken staat een paar regels verderop :

“Het CDA is een Christen Democratische partij. Dat wil zeggen, dat wij een brede volkspartij zijn met onze eigen opvattingen over hoe de samenleving eruit moet zien. Die ideeën halen we niet uit de leer van het Christendom, maar we zien wel iets in het Christelijk, zeg maar West-Europees mensbeeld.”

Dat moet voor de belijdende christen toch een troost zijn dat ze nog wel iets zien in het zeg maar christelijk mensbeeld  althans in de West-Europese versie.
Rome, is dat West-Europa of Zuid-Europa?  En die Paus Johannes Paulus II was dat geen Pool, en die huidige paus is dat geen Argentijn van geboorte? Hebben die wel een christelijk en tevens zeg maar West-Europees mensbeeld?
Ik ben niet gelovig maar volgens mij stond die kribbe in een dorpje op de Westelijke Jordaanoever en niet op de Brunsummerheide.
Is dit soms dat herbronnen waar het CDA het ooit over had?

En wat heeft dit eigenlijk voor invloed op het gemeentelijk beleid?
Het programma zegt er onder meer het volgende over:

“CDA VAALS kiest ervoor om op te komen voor de Christelijke cq West-Europese waarden, normen en tradities. Onze Nederlandse, Limburgse, Vaalser, Vijlener en Lemierser cultuur dient gekoesterd en zo nodig beschermd te worden tegen de mondiale veranderingen waarmee wij de laatste jaren van doen hebben.”

Hier staat tussen christelijke en West-Europese waarden c.q. casu quo. Dat wil zeggen, afhankelijk van het geval wordt er of voor de christelijke of voor de West-Europese waarden normen en tradities opgekomen. En onze cultuur gaat de CDA fractie beschermen tegen mondiale veranderingen.
Dat is mooi, maar komen die mondiale bedreigingen vandaan? (Want als je tegen veranderingen beschermd moet worden ziet het CDA veranderingen kennelijk als bedreigingen).
Niet van de buren. De Belgen mogen hier zelfs aan de schuttersfeesten meedoen en het schönste Öcher Platt wird in Vols jesprochen zegt men. En de West-Europese waarden worden in een adem genoemd met de christelijke.
Hacken de Russen dan misschien de websites van de carnavalsverenigingen of liggen die vermaledijde moslims achter de Schneeberg op de loer?

Ik denk dat we hier een voorbeeld hebben van het aanwakkeren van nationalistische of provincialistische sentimenten door een vaag dreigingsbeeld op te roepen van de anderen.

(Even tussendoor, mijn gebruik van hoofdletters is gebaseerd op de aanbevelingen van de Taalunie).

Maar waarom staat er dan boven dit artikel de suggestie om misschien toch maar weer op een van de beginsel partijen te stemmen?
Omdat ze moeten blijven. Om ons aan elkaar te spiegelen en onszelf scherp te houden, en waar mogelijk samen te werken en de ont-binding tegen te gaan.
Maar nog beter is het om lid te worden van zo’n beginselpartij en te kijken of je daar wat missie c.q. zendingswerk kunt verrichten om ze weer terug te brengen naar hun oorsprong.

Herbronnen niet in de zin van uit andere bronnen tappen, maar je bronnen terug te vinden en te kijken waar je daar te ver van afgedwaald bent hoe je terugkeert en wat de  middelen zijn waarmee je je missie aanpast aan de noden van deze tijd.
Als je daardoor de middelen vindt om hier, op de grond, in jouw buurt, in jouw dorp in jouw gemeente aanwezig te zijn, te helpen en te verbinden, dan komen de kiezers graag bij jou terug.

Geldt dat ook voor de partij waar ik voor kies?
Ja daar geldt dit ook voor. Daar kom ik in een volgend stuk op terug.
En ook op de vraag waarom ik het hier niet over die derde stroming, het liberalisme heb gehad.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Een drie landen droom

maandag 30 oktober, 2017

Betrekkelijke grenzen
Een tijd geleden bezochten wij de Duitse stad Kempen, omdat mijn zuster die zich met genealogie bezig houdt daar een archief wilde raadplegen.
Onze moeder werd namelijk geboren in Hinsbeck en groeide op in het 2 km verderop gelegen Lobberich, beide nu deel uitmakend van de gemeente Nettetal. Hemelsbreed 10 km van Venlo.

In het gemeentehuis moesten wij even wachten en ik ontdekte een hele reeks kaarten van het gebied van de huidige deelstaat NordrheinWestfalen. Een aantal daarvan gaven de bestuurlijke grenzen aan door de eeuwen heen, andere kaarten gaven de sociaal-economische en politieke veranderingen weer.
Fascinerende stof. Hoe was de aanhang van de nationaalsocialisten destijds verdeeld en hoe stemde men in de naoorlogse jaren?
Maar voor mij persoonlijk was het interessantste hooe de staatkundige  verdeling van de streek waar mijn moeder vandaan kwam zich in de loop van de tijd had veranderd.
Het bleek namelijk dat het huidige Nettetal in de 14e eeuw deel uitmaakte van het Hertogdom Gelre.

Karte_geldern

Door Sansculotte at the German language Wikipedia, CC BY-SA 3.0, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=1843595

Op deze kaart zie je rechtsonder Venlo de naam Krickenbeck staan en daar was volgend de kaart die ik in Kempen zag in Schloss Krickenbeck een bestuurspost  van het Hertogdom Gelre gevestigd. En dat ligt op nog geen drie kilometer van het huis in Hinsbeck waar mijn moeder in 1904 geboren werd.

Zoiets maakt weer eens duidelijk hoe betrekkelijk grenzen en begrippen als nationaliteit en nationale identiteit zijn.
Omdat Roermond destijds ook bij Gelre hoorde zou je dus de rookworst en kruutmoes aan de traditionele streekgerechten kunnen toevoegen, een cultureel erfgoed dat misschien nog wel oudere roots heeft dan de Chistoffeltaart  ;-).

Die herinnering aan mijn ontdekking in Kempen werd weer actueel toen ik onlangs betrokken werd bij een discussie over het drielandenpunt in Vaals, waar ik halfuurtje fietsen vandaan woon. Met trapondersteuning moet ik er bij zeggen want de klim naar de Vaalserberg +322m vanaf mijn huis op slecht +198m zou ik niet in die tijd op pure spierkracht kunnen overbruggen.

Het gebied waarover we spreken (dat door de Duitser ook wel als DreigrenzenEck wordt aangeduid, logischer, want een punt kan niet in drie landen liggen maar wel op drie dimensieloze grenslijnen), is een van de belangrijkste toeristische attracties van Vaals.
En het toerisme is de belangrijkste inkomstenbron van mijn woonplaats. En het is dan ook het voornemen van de gemeente om “de toeristische kwaliteit van Vaals te versterken”.
Als aan mij gevraagd zou worden hoe het gebied aan de toeristische kwaliteit zou kunnen bijdragen, dan  schiet mijn ervaring in Kempen van de relativiteit van grenzen mij onmiddellijk te hulp.

De inspirerende complexiteit van het begrip grenzen
Je hoeft geen filosoof te zijn om te beseffen dat het begrip grens een aangenaam ingewikkeld begrip is. De volksmond biedt daar duidelijke aanwijzingen voor:
Als Epke Zonderland niet eerder vertoonde kunsten ten beste geeft. dan zeggen de commentatoren prijzend dat hij weer grensverleggend bezig is.
Maar wanneer wij zeggen dat iemand door het lint gaat, dan maakt de gene die dat doet juist géén beste beurt. Maar in beide zijn gevallen is er sprake van grensoverschrijdend gedrag.

Als we kijken naar de cellen, waaruit het grootste deel van de levende natuur (inclusief de mens) bestaat, dan zien wij dat de begrenzing van die cellen, de celwand, zowel als bescherming van de celkern en de verdere inhoud van die cel dient, maar ook als medium dient om – naar aard en functie van de cel in kwestie – stoffen uit te scheiden of juist op te nemen.
Het achterliggende fysische mechanisme, osmose, is de stille kracht die er zelfs in slaagt water vanuit diep liggende wortels naar de bladeren in de top van een 30 meter meter hoge eik te transporteren.

Wat zou ik graag een studium generale willen volgen over diverse verschijningsvormen van  grenzen. In de ethiek, in de staatkunde, in de biologie.
En wat zou het een schitterende symbolische plek zijn als dit in een cirkelvormige ruimte zou plaatsvinden, die zich met het 3 à 4 landenpunt als middelpunt even boven de toppen van voornoemde eiken uitstrekte boven Nederland, Duitsland , België en het voormalige Moresnet.

Zou dit te realiseren zijn?
Niet door de gemeente Vaals, maar wel door de provincies Limburg  en Luik en hetzij de Stedenregio Aken of de deelstaat NordrheinWestfalen.

In deze gebieden liggen prestigieuze universiteiten en andere kenniscentra die zowel inhoudelijk als aan de materiële realisering een belangrijke bijdrage zouden kunnen leveren.
De kunst is alleen de instituten in die gebieden te overtuigen dat hun reeds bestaande ambities door zo’n cultureel centrum versterkt worden.

 

 

 

 

 

 

Op weg naar een goede plek II

dinsdag 23 mei, 2017

In de vorige aflevering hebben we gezegd dat het een goede methode is om bij het zoeken naar een lang traject van A naar B, beurtelings vanuit beide punten te denken. In dit geval lijkt het een goed idee om bij B te beginnen omdat je dan weet in welke richting je stappen vanuit A moeten gaan.

Wat zouden alle mensen nu een goede plek vinden? Van een ideale wereld bestaan allerlei opvattingen. De keurslager heeft daar een ander beeld van dan de veganist. De VVD stemmer een ander beeld dan de PvdA stemmer en de salafist een ander dan de humanist, de politicus een ander dan de anarchist.
Is het dan wel mogelijk een samenlevingsvorm te bedenken die iedereen aantrekkelijk vindt?
Misschien toch wel, als je het idee aanvaardt dat er naast een biologische evolutie ook een geestelijke evolutie gaande is, die uiteindelijk leidt tot een mens die zich anders gedraagt. Hoewel die twee vormen van evolutie materieel verschillen hebben ze als gemeenschappelijk kenmerk dat de succesvolle varianten overblijven.
Die geestelijke evolutie is een culturele evolutie. Wanneer mensen de moed hebben een eigen voordeel situaties even te vergeten en een experiment willen aangaan dat tot een wellicht groter gemeenschappelijk voordeel leidt, en dit experiment slaagt, dan kan het nieuwe systeem geïntegreerd worden in de cultuur.
De langdurige vrede die er nu al binnen Europa bestaat is een voorbeeld daarvan.

Wat impliciet is in deze redenering is dat dit alleen maar werkt als je cultuur als een dynamisch verschijnsel ziet. Iets waar iedere generatie aan mee kan bouwen om uiteindelijk een cultuur te scheppen die mensen duurzaam vreedzaam samen doet leven.
Dit is een heel andere opvatting van cultuur dus dan een die het vasthouden aan tradities als de basis ziet van de (eigen) cultuur.
Het beeld van een ideale samenleving moeten we dus niet opbouwen op basis van de momenteel in een bepaald geldende waarden en de daaruit voortvloeiende normen. Maar uit een vergelijkend onderzoek van de ethische elementen die we in alle tot nu toe ontwikkelde wereldbeelden, maatschappijbeelden en mensbeelden aan treffen.
Is dit cultuurrelativisme. Ja natuurlijk is dat cultuurrelativisme. Als je cultuur ziet als een dynamisch verschijnsel, kan je niet anders dan de huidige dominante cultuur als een tussenstadium te zien in de ontwikkeling van de menselijkheid.

Je kunt echter niet volstaan met de constatering dat ons waardenstelsel wellicht niet volmaakt is. Je zult ook een creatieve methode moeten ontwikkelen om de richting te zoeken waarin verbetering moeten zoeken en vervolgens de acties moeten ontdekken of uitvinden waarmee een beweging in die richting kunnen realiseren.
Je zou als het ware een laboratorium van de ethiek moeten ontwikkelen.
In het boek ‘De demokratisering van het geluk’ dat (in de toen geldende spelling) in 1963 verscheen bepleitte ik ‘de professionalisering van de aktie en de aktivering van de professional’. Nu 44 jaar later sta ik daar nog steeds achter, en zie ook dat dit ook al op veel gebieden gebeurt.
Wat eigenlijk ook al gebeurt, is de ontwikkeling van dat laboratorium van de ethiek. Het is een belangrijk onderdeel van de filosofie.
Alleen waar in een laboratorium denkbeelden onderzocht worden en in praktijkproeven worden getest op hun geldigheid is filosofie een zaak die zich veelal tot de geest beperkt.
Wat zo jammerlijk ontbreekt is de verbinding tussen filosofie en politiek.

Weliswaar zijn er naast belangenpartijen ook meer op waarden gebaseerde partijen, maar ten minste twee verschijnselen belemmeren de verdere humanisering van de mensheid:

 Politieke partijen zien het voortbestaan en de groei van hun partij als een noodzaak en als een doorslaggevende voorwaarde bij het nemen van beslissingen

Het perspectief van partijen ligt te dichtbij. Punten aan de horizon helpen niet, we moeten voorbij de horizon denken.

Een artikel in nrcHandelsblad van 6 mei 2017  getiteld ‘Rutte cs! Aanschouw onze aarde als een ruimtevaarder en formeer’ en ingeleid met de omschrijving Het politieke denken wordt volgens en geregeerd door kijkcijfers, kabinetsduur en koerswisselingen. De kunst is, zo drukken ze onze politici op het hart, om boven de wereld uit te stijgen en millennia vooruit te durven dromen.’ geeft goed weer wat ik bedoel.

Hoe zouden we dit proces op gang kunnen brengen?
Wat het proberen waard is om te kijken of we kunnen bedenken welke condities alle mensen zullen wensen en nastreven als minimale bestaansvoorwaarde, en of we daaruit kunnen construeren wat voor materiële en sociale omstandigheden daar voor noodzakelijk zijn.

De basis

De basisveronderstelling voor het verdere verloop van dit verhaal is dat wij allemaal bestaanszekerheid wensen en niet allen voor dit moment maar ook voor de rest van ons leven, en dat we dat wensen voor onze kinderen en kleinkinderen en dat we dat ook gunnen aan onze naasten, iets minder naasten en vooruit, ook voor onze versten.

Wat we dus willen is duurzame bestaanszekerheid.

Nu zullen mensen van nu ongetwijfeld beamen dat iedereen voor zich zelf duurzame bestaanszekerheid zal wensen en dat hij dat ook wel zijn kinderen zal gunnen, maar niet iedereen zal overtuigd zijn, dat iedereen dat ook aan alle andere mensen zal gunnen, ja hij of zij zelf wel natuurlijk maar die andere mensen, en of ieder ander het hem of haar wel net zo gul zal toewensen als hij dat de rest van de mensheid gunt.
Maar dat komt omdat dat mensen van nu zijn.
Zal dat bij de mensen van dan dan anders zijn?
Als de materiële en sociale voorwaarden dat mogelijk maken wel.
Materieel zal dat het geval zijn als we onze samenleving zo inrichten dat er voor iedereen genoeg is, en op het sociale vlak het zo is dat iedereen in de ander zichzelf herkent. En  voor dat laatste is nodig dat de omstandigheden voor iedereen gelijk zijn.

Om te zorgen dat er voor iedereen genoeg is, kunnen we twee benaderingen volgen:

  1. We zorgen dat we zoveel produceren als voor de bestaande bevolking nodig is. Dus groeit de bevolking dan intensiveren we de productie.
  2. We beperken de bevolking tot de omvang die duurzaam voorzien kan worden.

Tot nu toe is de eerste methode altijd gevolgd vanuit een blind vertrouwen in technologische oplossingen en een blindheid voor de eindigheid van onze natuurlijke bronnen.
Het is ook een gevolg van onze gewoonte om de toekomst te zien in termen van het heden. Onlangs werd in een televisie programma over architectuur nog opgemerkt dat als er geen ruimte meer is we omhoog moeten. Torenflats en verticale landbouw dus.

Dat er grenzen aan de groei van de bevolking waren was eind 18e eeuw al aan de Anglicaanse predikant Malthus opgevallen, maar hij had weinig fiducie in een oplossing  van dit probleem.

Wij kunnen ons echter niet permitteren om pessimistisch te zijn want dat verlamt ons en verhindert ons te zoeken naar oplossingen.

De meest voor de hand liggende oplossing is te accepteren dat een duurzame bestaanszekerheid voor iedereen alleen mogelijk is bij voor een beperkte wereld bevolking en dat gezien de uitputtelijkheid (dit woord dat nog niet in de woordenboeken staat zullen we aan onze persoonlijke woordenschat  moeten toevoegen en zo vaak moeten gebruiken dat het inburgert) dat gezien de uitputtelijkheid van de grondstoffen die uiteindelijke wereldbevolking ook zal moeten ontdekken hoe je met minder dingen toch gelukkiger kan worden.

Meer daar over in deel III van deze feuilleton.

 

 

 

 

 

 

Op weg naar een goede plek I

vrijdag 21 april, 2017

Dit wordt een feuilleton over maatschappelijke veranderingen. Welke zal in de loop van het verhaal hopelijk duidelijk worden, want het verhaal wordt al schrijvende bedacht. En commentaren en route zijn welkom en kunnen verwerkt worden.
Wat er met een goede plek bedoeld wordt zal ook in de loop van het verhaal duidelijker worden, al hoef je geen klassieke opleiding te hebben om een vermoeden te hebben waar die term vandaan komt.

Aflevering 1 gaat over de methode.

In veel processen waarin men van A naar B toewerkt en de afstand tussen A en B groot is, helpt het om het proces beurtelings vanuit A en B te benaderen.
Of het nu gaat om een wiskundig bewijs, een technische constructie of een computerprogramma het gaat in al die gevallen om vanuit een bestaande werkelijkheid naar een nog niet bestaande te komen. Het gaat hier dus over ontwerpprocessen.
We hebben het hier dus niet over de van A naar B opgaven van een navigatieprogramma.
Wat je dan doet is vanuit A inventariseren wat er is en waarover je kunt beschikken. Waarin kan je de bestaande materialen, eigenschappen, houdingen, combinaties of andere configuraties veranderen en wat ontstaat er dan.
Vanuit punt B probeer je je voor te stellen welke voorfasen  kunnen leiden tot de gewenste materialen, eigenschappen, houdingen, combinaties of andere configuraties.

Als je dit doet krijg je van twee kant een waaier ban gevolgen en voorwaarden waarvan je hoopt dat die na een aantal stappen elkaar tegenkomen, waarna je de producten die niet tot contact leidden kunt snoeien.

Mooi gezegd, maar wekt dit ook voor sociale situaties? Want de eerste zin van dit verhaal luidt dat dit een feuilleton over maatschappelijke veranderingen gaat worden.
Laten we hopen van wel, want er zijn wel wat dingen in de samenleving die beter kunnen.

Maar er zijn wel een paar belemmerende factoren als je deze methode op sociale systemen wilt toepassen. En samenvattend kan je zeggen, dat die gemeen hebben dat de zaken die wij benoemen als wij het over onze samenleving hebben sterk beïnvloed worden door culturele en politieke opvattingen die wij koesteren.
Een voorbeeld daarvan werd onlangs duidelijk gemaakt in een documentaire reeks over de geschiedenis van Zuid-Afrika. De Nederlandse kolonisten hadden daar land in bezit genomen. Iets wat voor de nomadenstammen die daar hun vee weidden een volstrekt onbegrijpelijke ontwikkeling was. Dat grond van iemand kon zijn ???.
Voor ons daarentegen is het een behoorlijke inspanning om je een voorstelling te maken van een omgeving waarin objecten voorkomen die niet van iemand zijn.

Wanneer we dus de hierboven beschreven methode willen toepassen op een studie hoe je vanuit de huidige sociale situatie zou kunnen komen tot een waar de overgrote meerderheid van de mensen tevredener over zouden zijn, dan zal je aan beide kanten van het traject op dit probleem stuiten.
Aan deze kant zou je vast moeten stellen welke veranderingen nodig zijn en daar zijn de meningen nog al verdeeld.
En het zelfde geldt voor de vraag welke kant we op moeten met onze samenleving. Dat blijkt onder andere uit de grote verschillen in de programma’s van de politieke partijen in de landen waar meer dan één partij toegelaten is een rol te spelen.

Je zult dus moeten zoeken naar algemeen geldende uitspraken over het harmonieus samenleven van mensen die niet gekleurd worden door politieke opvattingen.
Kan dat?
Daar over gaat aflevering 2.

Maar eerst nog iets over aanleiding tot deze exercitie.
Er is al jaren een dialoog gaande tussen mij en mijn inmiddels goede vriend Rogier Schravendeel. Het prettige aan die dialoog is dat wij het voldoende met elkaar eens zijn om de dialoog voort te zetten en voldoende met elkaar oneens zijn om door te moeten discussiëren.
Waar we het over eens zijn is hoe een goede wereld er uit zou moeten zien, waar we het niet altijd over eens zijn is over de bronnen van onze inzichten en de middelen om van A naar B te komen. Dat Rogier een belijdend christen is en ik een heiden belemmert  ons allerminst. Zijn beeld van een goede wereld lijkt verbazend veel op mijn beeld.

En nu toch maar het U woord. Hebben we het misschien over Utopia?
Ja zeker, als je kijkt naar de oorsprong van dat woord het Griekse woord eutopos wat letterlijk goede plaats betekent. Utopia was de titel van een boek uit 1516. Wikipedia omschrijft de inhoud als volgt: ” In het boek vertelt een reiziger over een ver land dat hij bezocht. Iedereen is er gelijk, alle huizen en straten zijn er hetzelfde en privébezit bestaat niet. De ziekenhuizen zijn zó goed dat zieken er heel graag willen worden opgenomen. De wetten van het land kunnen door elke inwoner begrepen worden. Bovendien voert het land nooit oorlog. “

In het huidige taalgebruik wordt utopie gebruikt als omschrijving van een onhaalbaar idee, een hersenschim van een goedbedoelende onnozele geest, waar je schouders over ophaalt en geen serieuze discussie mee aangaat.
Iemand die het woord utopie in die zin gebruikt vindt denken over een gelukkige samenleving dus bij voorbaat onzin. OK goedbedoelde onzin, maar daarom niet minder onzin. In de sociale media wordt zelfs Gutmensch als scheldwoord gebruikt.
Het is duidelijk dat we van mensen die dat vinden geen inspirerende ideeën hoeven te verwachten.

Hetzelfde Wikipedia artikel omschrijft utopie echter als volgt: De utopie is een vrije vorm van politieke filosofie. In de utopie ontwerpt de bedenker een ideale staat of samenleving.” En dat Marx er niets van moest hebben.  Lees maar. Wij gaan dus gewoon verder met het zoeken naar een goede plek voor onze nazaten en die van onze naasten tot in de verste verte.


%d bloggers liken dit: