Vrije wil; voortschrijdend inzicht (c.q. misverstand)

Er zijn mensen, die denken dat dat bij de oerknal al vaststond dat ik dit stukje ging schrijven, dat ik het vervolgens ook zou publiceren, en sterker nog wat de inhoud van dit stukje zou worden, inclusief een paar tikfouten.

Dat is op z’n minst gezegd bijzonder, want ik  weet als auteur  op dit punt van mijn verhaal gekomen nog niet precies welke woorden ik zal gaan gebruiken en in welke volgorde.
Mensen die denken dat dat toch al allemaal vast ligt heten deterministen en ik wil die mensen niet voor het hoofd stoten, dus zal ik proberen om niet eigenwijs te zijn en zomaar op te gaan schrijven waar ik zin in heb, maar uitsluitend die dingen die voorbestemd zijn, omdat anders die deterministen een beetje voor gek zouden staan.

Uit deze inleiding blijkt al  welke ingewikkelde vormen van hersengymnastiek je moet bedrijven als je je in de deterministische visie probeert te verplaatsen.
Ik ga dat dan ook niet doen. Ik ga gewoon uit van de veronderstelling dat er een vrije wil bestaat of op z’n minst mogelijk is, en probeer er achter te komen wat dat inhoudt.
Waarom ik over die vrije wil begin?
Omdat ik sinds kort als toehoorder een seminar bijwoon aan de RWTH in Aken met “Willensfreiheit” als onderwerp en daar wordt diep ingegaan op de vraag of determinisme bestaat en zo ja, of dat verenigbaar is met het bestaan van een vrije wil.
Blijkbaar is dat iets wat bij filosofie hoort, want in alle benaderingen van dit onderwerp duikt dat determinisme op.
Ik heb er niet uitputtend over nagedacht, maar ik heb een vermoeden, dat ons godsdienstig verleden hier een rol bij speelt.
Een ander verschijnsel wat me bij dit seminar en nog twee andere die ik volg opvalt, is dat filosofen graag met tegenstellingen werken, en er naar streven uit te vinden of iets waar of onwaar is. En ik heb gemerkt dat ze het een beetje eng vinden als ik opper dat er drie mogelijkheden zijn: waar, onwaar en onbepaalbaar.
Blijkbaar ben ik op te late leeftijd met de filosofische manier van denken begonnen en zijn 77 jaar praxis een geduchte handicap voor de zuivere rede.
Hoe dan ook ik blijf geduldig luisteren en proberen mee te denken en hoop dat mettertijd het seminar zich bezig zal gaan houden met de kanten van de vrije wil die mij bezig houden.

Welke dat dan zijn?
Nou, de praktische kanten. Wat is vrije wil. Waar komt hij vandaan. Hoe vrij is hij eigenlijk? Welke omstandigheden maken je wil vrijer of onvrijer? Welke grenzen zijn er? Hoe verhoudt vrijheid zich tot orde, wat is de verhouding tussen vrijheid en verantwoordelijkheid?

Wat is vrije wil? Het is voor alle duidelijkheid misschien goed om onderscheid te maken tussen wilsvrijheid, keuzevrijheid en vrijheid van handelen. Anders gezegd de vrijheid om iets te willen, de vrijheid om uit verschillende mogelijkheden te kiezen, en de vrijheid om die keuze  om te zetten in een daad.
Het meest primaire proces van die drie is het opwellen van de wil tot iets, waarbij ik de wil zou willen omschrijven als een al dan niet duidelijk geformuleerde emotie. Die emotie kan een onberedeneerde intuïtieve -voor mijn part instinctieve – reactie zijn. Zo wel in positieve als negatieve zin. Een ‘hè ja’- of een ‘oh nee, dat niet’ gevoel.

Hoe vrij deze wilslaag is is iets waar ik later op terug kom.

Bij het zich bewust worden van deze emotie, kan blijken dat die niet altijd eenduidig is. Enerzijds wil je dit, maar anderzijds wil je ook weer niet dat..

Voorbeeld
Je hebt met een paar vrienden een vakantie geboekt naar een volgens de brochure prachtig gebied maar als je daar aankomt blijk je terecht gekomen in een  verschrikkelijk toeristisch oord waar je overal Nederlands om je heen hoort en alom frikadellen worden aangeboden. Om onbegrijpelijke redenen lijken je vrienden daar geen last van te hebben. Als het aan jou lag zou je de eerste de beste vervoersgelegenheid aangrijpen om naar huis te gaan, maar je denkt dat je vrienden dat niet zouden waarderen. En dat zijn nog maar twee overwegingen die met elkaar in conflict dreigen te komen.  Hier komt je keuzevrijheid aan bod en wederom stel ik even uit hoe groot die vrijheid is.
Kiezen in de zin van je voorkeur bepalen is één ding, gevolg geven aan die keuze is een ander ding. Want hier krijg je te maken met Elsschots constatering “want tussen droom en daad staan wetten in de weg en praktische bezwaren”.

Hoe vrij zijn we nu op al die drie niveaus?

Allereerst wil ik opmerken dat ik me niet wil laten belemmeren door absolutistische opvattingen over vrijheid, ook niet als ze in een logisch/filosofische verpakking aangeboden worden. Vrijheid is voor mij niet iets wat er wel of niet is, maar het is een kwantitatief begrip.
In de meeste gevallen kom ik aardig terecht met mijn werkomschrijving: “Vrijheid is de mogelijkheid te kunnen kiezen. Kiezen is alleen mogelijk als er een of meer alternatieven bestaan, en hoe meer alternatieven er zijn des te meer keuzemogelijkheden er zijn, en dus meer vrijheid.”

Kijken, of dit echt werkt.

Is er een vrijheid van emotie? Dit zou je je af moeten vragen als je over de emotionele bron van de wil nadenkt. Kan je je wil de wil opleggen? Wellicht kan je proberen wensen of verlangens te verdringen, maar er kan alleen maar aanleiding zijn om iets te verdringen als het er al is. Met andere woorden verdringen heft niet iets op.
Aha,  zou je kunnen zeggen, de wil in de zin van emotionele impuls is autonoom.  Of die emoties  je op rationeel niveau nu wel of niet welkom zijn, doet er niet toe, laat staan of je die wensen op het keuze- of het handelingsniveau honoreert.

Echt? Of kan het zijn dat je palet van mogelijke emoties zo sterk worden bepaald door je culturele context je eigen basisaanleg en je eigen Werdegang dat bepaalde emoties niet bij je zullen opkomen, of dat confrontatie daarmee een negatieve reactie zullen opwekken?

Voorbeeld
Een man die qua aanleg heteroseksueel is en opgroeit in een homofobe omgeving, zal als hij niet een zeer kritisch en analytisch persoon is zelf ook homofoob zijn. Hij zal dan ook “instinctief” een omhelzing door een andere man afwijzen. Zelfs als de aanleiding is dat Ajax de Europacup heeft veroverd.
Ik zet opzettelijk dat woord instinctief tussen aanhalingstekens omdat de zelfde man opgegroeid in een geëmancipeerde omgeving die reactie waarschijnlijk niet zou hebben.
Wat zegt dit nu over wilsvrijheid?

Dat  datgene wat zich als wil manifesteert weliswaar onbelemmerd is, maar datgene wat zich als wil zou kunnen manifesteren bepaald wordt door zaken waarvoor ik graag de Duitse termen Bildung en Werdegang zou willen gebruiken.

Hier blijkt ook weer dat het goed is om over vrijheid te spreken als een kwantitatief begrip. Wie streeft naar uitbreiding van kennis en inzicht door zich open te stellen voor andere denkbeelden en zich zelf doorlopend ondervraagt over de houdbaarheid van zijn eigen denkbeelden, zal het palet aan rationele en emotionele alternatieven dat hij tot zijn beschikking heeft verruimen, daarmee zijn keuze mogelijkheden verruimen en zijn vrijheid daarmee vergroten.

Alvorens in te gaan op de tweede wilslaag, de bewuste wens, toch nog maar even terug naar die deterministen.
Ik denk dat hun idee voortgekomen is uit het causaliteitsprincipe, en je zult moeten toegeven dat er in de fysieke wereld geen gevolgen zonder oorzaken bestaan.
Weliswaar kennen we niet altijd die verbanden tot in details, laat staan dat we het verloop er van kunnen voorspellen, maar dat doet aan het causaliteitsprincipe niets af.
Wat de deterministen echter doen is het menselijk handelen ook tot die fysieke wereld rekenen zonder enig bewijs te leveren dat dit terecht is.

Wil men het bestaan van een vrije wil rechtvaardigen, dan zal men er van uit moeten gaan dat er domeinen zijn die zich aan de wetmatigheden van die fysieke wereld onttrekken. Maar dit doen we dan meestal ook zonder daarvoor enig bewijs te leveren dat dit terecht is.
Ziedaar het probleem:
Deze hele discussie speelt zich af  in een wereld waar we vertrouwd mee zijn, waarvan we de werking voor een deel kennen, maar waarvan we de precieze aard niet kennen.

Ik schrijf dit in de illusie dat iemand anders dit ook leest.
Een voorwaarde daarvoor is dat die lezer leeft. (Dat ik als schrijver leef is strikt genomen alleen noodzakelijk zolang het stuk niet af is, maar tijdens het schrijven dien ik in elk geval ook te leven, anders komt er geen stuk.)
Verder moeten we allebei Nederlandstalig zijn en dien ik met te bedienen van woorden in de betekenis zoals die er algemeen aan gegeven worden.

Die taal nu, die bestaat bij de gratie van het bestaan van abstracties en symbolen die door een groep gedeeld worden, dankt zijn bestaan eveneens aan mensen, dat wil zeggen levende bewuste denkende mensen. Mensen bovendien die in een groep leven en gemeenschappelijke doelen en bezigheden hebben die communicatie noodzakelijk maakt.
Als een groep taalgebruikers uitsterft, en er blijft wel een corpus aan teksten in die taal over, zonder documenten die als steen van Rosetta kunnen dienen, dan zal de inhoud van die teksten nooit opgehelderd kunnen worden. Noch door denkwerk, noch door taalanalytische computerprogramma’s.
Gebezigde taal kan dus in een fysieke vorm bewaard blijven, maar nieuwe taal kan alleen vanuit een (levend) wezen ontstaan en alleen door het kennis nemen door een (levend) wezen tot begrip leiden.

Dit hele logische bouwwerk van kennis en inzichten, neergeslagen in gezamenlijk gebruikte symbolen, kan dus alleen worden uitgebreid door levende menselijke intelligentie, die weliswaar afhankelijk is van een stoffelijk substraat, maar van een andere aard is dan die materiële basis.

Er is een asymmetrische relatie tussen beiden. De geest – om die bovenlaag maar even zo te noemen – bestaat op basis van een stoffelijk lichaam en bestaat slechts zo lang dit functioneert, maar uit de stof alleen kan geen geest geschapen worden zonder medewerking van ten minste twee levende menselijke wezens.

OK als je alle moderne trucs meerekent kan het ook met één vrouw en gedoneerd materiaal van een of twee mensen die in elk geval geleefd moeten hebben.

Teilhard de Chardin spreekt als hij het over het ontstaan van het leven en de mens op aarde heeft, van een opvolging van de lithosfeer, de biosfeer en de noösfeer.

Die term is door het gebruik van sfeer een aantrekkelijke metafoor om dat het iets is wat om ons allen heen is.  Al die kennis, die inzichten, is in principe voor iedere nieuwe boreling te bereiken. Uiteraard zeg ik in principe, want de politieke, economische en culturele situatie ter plaatse moet het ook toelaten en beter nog stimuleren.

Dit gegeven dat je als nieuw mens niet helemaal van nul af hoeft te beginnen is van een enorme betekenis. Het betekent onder andere dat de evolutie sinds onze aankomst op aarde een totaal ander karakter heeft gekregen, met aan de ene kant grote risico’s (onze soort past zich namelijk niet altijd alleen maar  aan aan de omgeving, maar wil ook nog wel eens de omgeving aanpassen aan de soort en dat is in ecologisch opzicht niet altijd een succes te noemen), maar het heeft ook een schitterend voordeel: het trage maar onstuitbare proces dat wij Beschaving noemen.

Eén aspect van die beschaving is dat er binnen culturen een algemene moraal ontstaat en die algemene moraal zal een rol spelen bij de persoonlijke moraal van de mensen binnen zo’n cultuur.

En hier mee zijn we – oh wonder – zowaar weer terug bij ons onderwerp: de vrije wil.

We waren zo ver gekomen dat we drie wilsmomenten onderscheidden, de primaire emotionele opwelling, de overweging van alternatieven en de gevolgen daarvan en de uiteindelijke keuze die je uitvoert of althans tracht uit te voeren.

Waar de primaire wilsopwelling in eerste instantie op het eigenbelang gericht zal zijn gaan op het besluitvormingsniveau alternatieve keuzes en hun eventuele gevolgen een rol spelen. Hoe dit afloopt wordt door een aantal factoren beïnvloedt, waaronder kennis karakter en moraal.

Wie over meer kennis beschikt kan daardoor in een bepaalde situatie over meer alternatieven beschikken en heeft dus meer vrijheid. Het karakter van de kiezende persoon kan echter bepalend zijn of iemand van de hem of haar ter beschikking staande alternatieven. Een impulsief persoon is hier in het nadeel ten opzichte van een meer secundair reagerend iemand met dezelfde kennis.
Van grote betekenis is echter de moraal. Moraal hier in de zin van de persoonlijke moraal.

Vaak staan we voor beslissingen  waarbij er keuzemogelijkheden zijn die het persoonlijk belang het beste zouden dienen, maar die het belang van anderen zouden schaden.
Nog lastiger wordt het als zich de situatie zich voordoet dat je moet kiezen tussen een algemeen belang en het belang van een of meer personen die je zeer na staan.
Hier wordt duidelijk dat een verdergaande morele ontwikkeling weliswaar ook de keuzemogelijkheden vergroot en dus de vrijheid groter maakt, maar dat hiermee tegelijk ook de verantwoordelijkheid toeneemt. Iets wat bij toegenomen kennis ook al het geval is, maar daar niet zo opvalt omdat kennis vaak waardevrij lijkt te zijn, maar in principe is iedere keuze een morele keuze.

Consequenties

De consequenties van dit verhaal zijn niet gering.

  1. De vrije wil is een uniek verschijnsel voorbehouden tot nu toe aan de mens, die zich hierdoor bevrijdt heeft (of hierdoor bevrijd werd) van de dictatuur van de causaliteit.
  2. Deze faculteit van de mens heeft geleid tot een stelsel van abstracties waarmee ervaring en kennis en waarden konden worden overgedragen en na de uitvinding van het schrift kon worden vastgelegd.
  3. Afhankelijk van aanleg en ambitie kan ieder individu hetzij alleen maar putten uit deze noösfeer of ook daaraan bijdragen.

Wie het ontstaan van dit vermogen van de mens ziet als een voortzetting van de evolutie met andere middelen, zal er niet aan kunnen ontkomen in stelling 3 een evolutionaire opdracht te zien.

Advertenties

Tags:

4 Reacties to “Vrije wil; voortschrijdend inzicht (c.q. misverstand)”

  1. Bertil Says:

    “Wat is de verhouding tussen vrijheid en verantwoordelijkheid?”

    Één op één, of iets wat daar in de buurt komt.

    Je hebt in beginsel een vrije wil die zich kan uiten in een oneindigheid aan keuzes. De hoeveelheid aan keuzes die je kunt maken (en dus ook je mate van vrijheid) wordt beperkt door je sociale, intellectuele en materiële context. Een socioloog zou dit concretiseren met het geven van waarschijnlijkheden van handelingen, waarbij de variabelen die in de toets betrokken worden een beeld scheppen van de (relevante) context.

    Je kiest dus zelf niet hoe vrij je bent, dat is afhankelijk van je omgeving. Maar binnen deze omgeving ben je wél zelf verantwoordelijk voor je keuzes. Een heroïnedealer kiest er uiteindelijk zélf voor om een heroïnedealer te zijn, alleen bij een rijke slimmerik is deze keuze kwalijker omdat hij genoeg andere keuzes in zijn leven had kunnen maken die niet ten koste gaan van anderen (uitgaande van een stereotype ‘nare’ dealer die mensen eerst een verslaving aansmeert) waarbij een niet al te slimme inwoner van een sloppenwijk niet hetzelfde scala aan ethische keuzes heeft. Dat maakt beide nog steeds even verantwoordelijk voor het feit dat ze hun leven boven dat van anderen stelden met de keus heroïnedealer te worden.

    Het probleem wat je hier op voelt borrelen; verantwoordelijkheid staat niet in verhouding in de mate waarop je gedrag veroordeelbaar is. Zoals het de verantwoordelijkheid van de één is om een beslissing te maken, zo is het de verantwoordelijkheid van de ander om rekening te houden met de context van de ander als hij daarover een oordeel velt (indien nodig).

    Denk ik zo gauw dan.

  2. Gerard van Beusekom-Fretz Says:

    Grotendeels mee eens Bertil. Ik kom er in het vervolg van mijn verhaal op terug

  3. Bertil Says:

    Hmmmnn….. Allemaal wel leuk en aardig, maar je kunt het gedachtegoed van de deterministen er niet mee ‘debunken’.

    Het beginsel van de discussie is namelijk het dualiteitsprobleem (het al dan niet bestaan van een geest die op enige manier meer is dan een accumulatie van fysieke processen). Nu is de situatie zo dat wij mensen na jaren en jaren van filosofie en neurowetenschappen nog steeds het bestaan van een ‘geest’ kunnen bevestigen noch ontkennen. De deterministen lopen in dit opzicht op de zaken vooruit door te stellen: ‘de geest bestaat op geen manier aangezien alles in het universum het gevolg is van een enorme hoeveelheid aan variabelen die effecten hebben op het handelen van een persoon’. Zoals je inderdaad al zei: causaliteit.

    En ja; “Deze hele discussie speelt zich af op een in een wereld waar we vertrouwd mee zijn, waarvan we de werking voor een deel kennen, maar waarvan we de precieze aard niet kennen.” Maar ik denk dat dit ook geen punt van discussie zou moeten zijn. Ik zie zelf het al dan niet geloven in determinisme als precies dat wat het is; geloven. Dat sommige mensen het geloven is leuk voor ze, dat sommige mensen er niet in geloven ook prima. Wat je niet kan doen is het deterministische idee bevestigen of ontkennen. Het enige dat je over determinisme kan zeggen is dat je het niet als een onderbouwing van een standpunt kan gebruiken in een rationele discussie, omdat het een (onmogelijk toetsbare) assumptie is.

    Het is alsof je een discussie begint met een Jehova’s getuige. In het begin is het nog interessant, tot je beseft dat je gespreksparter en jezelf simpelweg onverenigbare assumpties maken die beiden niet open staan voor inhoudelijke discussie maar uitgaan van een (meer of minder beperkte) vorm van intuïtie.

    Wat betreft het abstractieverhaal; ik had het laatst al gehoord in Holset maar nu ik het zo nog eens in geschreven vorm zie is het mij nog duidelijker wat je bedoelt. Ik denk dat je gelijk hebt; wat wel jammer is. Hoe kan ik nu nog van goeie sciencefiction genieten als ik helemaal niet meer kan geloven in een vermogen tot abstractie dat ontstaan is uit het temmen van nullen en éénen?

    P.S.:
    Er zitten een stuk of wat Dreckfehler in de laatste update, wellicht wil je nog even de spellingrobot over het stuk laten draaien.

    • Gerard van Beusekom-Fretz Says:

      Inderdaad nog al wat spelfauten, maar deze keer lijkt de spellingchecker het te doen, dus wie weet. Nu de eventuele denkfouten.
      Het is eigenlijk contrecoeur dat ik me in die discussie over het determinisme laat meeslepen. Maar het komt omdat je geen enkele verhandeling over de vrije wil kan openslaan of je wordt weer begraven met discussies over determinisme en compatibilisme. Ik zou zeggen als je denkt c.q. gelooft, c.q. denkt bewezen te hebben dat er geen vrije wil bestaat, waarom er dan verder over gezeurd?

      Blijkbaar worden de vrije wil ontkenners op een of andere manier bijzonder geprikkeld door het bestaan van mensen die menen wel over een vrije wil te beschikken. Ik begrijp ze net zo min als atheïsten die zo nodig het geloof moeten bestrijden.
      Ik heb wel een vermoeden, maar ik ben geen psycholoog, dus houd ik mijn mond er over.
      En ga nou niet weer tegen me zeggen ‘dat had ik van jou niet verwacht’ want ik kan best ergens mijn mond over houden hoor. Laat dat je gezegd wezen.

      OK mijn standpunt is niet te bewijzen. Maar daar ga ik niet gebukt onder, want ik verwacht ook niet anders. Bewijzen behoren tot het domein van de fysieke wereld. Maar het domein waar ik het over heb – dat van de kennis, inzicht, creativiteit, cultuur, en de verbijsterende veelheid van persoonlijkheden – is denk ik ook niet volledig te kennen vanuit dat domein zelf.
      Ik ben al tevreden als ik een en ander voldoende plausibel maak.
      In het dagelijkse gebruik van de vrije wil, werk je ook niet met mathematische zekerheden.

      Ik kom hier in het vervolg op terug

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s


%d bloggers liken dit: