Posts Tagged ‘determinisme’

Ooggetuige van de schepping

woensdag 3 juli, 2013

De eerste scheppingsdag, het ontstaan van hemel en aarde, duurt nu al 13.810.000.000 jaar en we weten nog steeds niet of het ochtend of middag is.

Het is met dit soort hybride constateringen dat iemand moet omgaan die astrofysica en christelijke overlevering met elkaar probeert te verzoenen.
En eerlijk gezegd kan ik niet geloven dat er mensen zijn die werkelijk deze twee visies op het bestaan kunnen verenigen.
Dit komt niet omdat ik geen begrip kan opbrengen voor religie.
Ik begrijp de behoefte aan religie heel goed vanuit mijn eigen onderzoekingen naar de essentie van het bestaan en de raadselachtigheid daarvan, die niet te ontlopen schijnt te zijn.

Nee, waar ik niet bij kan, is dat iemand die zich bekend heeft tot de logische discipline die wetenschap in haar beste vorm kenmerkt, zo’n luie oplossing als religie voor alles wat nog niet verklaard is kan accepteren.
Ik wil allerminst beweren, dat iemand die een godsdienst aanvaardt voor een makkelijke manier van leven kiest. Misschien wel in tegendeel. Maar ik vind wel dat hij of zij filosofisch tekortschiet door voor alle nog niet (of misschien wel nooit) logisch te beantwoorden vragen met één containerverklaring te komen.
Maar bovenal verbaas ik me over de manier waarop ‘de mensen van het Boek’ over de schepping denken.
OK op een paar zeer orthodoxe stromingen na, wil de gemiddelde christen wel toegeven dat het scheppingsverhaal zoals opgetekend in Genesis een metafoor  is, maar zij gaan wel uit van een door God voltooid werk. En in dat woord voltooid zit bij mij de kern van mijn onbegrip.

Wanneer ik hier en in de titel het woord schepping gebruik voor de ontwikkeling van het heelal en omstreken en alles wat zich daarop -in, -boven of -onder bevindt, dan is dat omdat dit nu eenmaal een ingeburgerd begrip is. Ik zelf zou dit woord echter liever niet gebruiken omdat het het optreden van een schepper veronderstelt en bovendien uit de geschriften bekend is als iets wat voltooid is. In plaats daarvan zou ik liever over de wording spreken.

Dat de joden, christenen en moslims wél uitgaan van een voltooide schepping is begrijpelijk als je bedenkt dat zij die schepping zien als het werk van een almachtige en tevens onfeilbare god.
Het zou niet passen om een dergelijke schepper te zien als een werker die continu bezig is aan een werk waarvan het einde niet in zicht is en het eindresultaat onbekend.
Nee het werk van een onfeilbare kracht kan niet anders zijn dan volmaakt. In één woord: af.

Als je nu terugkijkt naar de tijd waarin de grote monotheïstische godsdiensten zijn ontstaan, en daarbij in ogenschouw neemt dat de mensen het niet zichtbare meestal proberen te beschrijven met metaforen uit de zichtbare wereld, dan is het niet verrassend dat de Almachtige wordt aangeduid met termen als de Koning der koningen of de Heer der heren. (zie Daniël 8 :25, 1Timotheüs 6:15, Openbaring 17:14, 19:16).

Die metafoor werkt trouwens naar twee kanten:
De toenmalige wereldlijke heersers waren niet de onschuldige lintenknippers van nu, die voorzien in de spirituele behoeften van operetteliefhebbers. maar autoritaire figuren die met harde hand de wetten handhaafden waar zij zelfs boven stonden, zoals de almachtige ook boven de natuurwetten stond als dat zo uitkwam.
Het kwam dus goed uit om hun macht te ‘legitimeren’ door zich zelf als uitvoerder van god’s wil te presenteren.
En zo evolueerde het christendom in Rome in de kortste keren van vervolgde sekte tot staatsgodsdienst die geen andere geloven naast zich duldde. En tot op de dag als vandaag kan het dus dat Guantánamo Bay gevestigd is in een voorpost van Gods Own Country, terwijl de Westbank en de Gazastrook tot het toen al Beloofde Land van het Joodse Volk behoren, zijn de Britse monarchen Verdediger des (inmiddels aangepaste) Geloofs, en zal de Gratie Gods er t.z.t. voor zorgen dat het nageslacht van de huizen Von Lippe Bisterfeld en Zorreguieta de Nederlandse Troon zal bestijgen.

Het is eigenlijk ook niet zo heel opmerkelijk, dat de opkomst van het monotheïsme (lees de alleenheersende goden) gepaard ging met grote geopolitieke ambities uitmondend in een profeet die tevens veldheer was, een Heilig Rooms Rijk, kruistochten kortom tot conflicten die tot op de dag van vandaag levens verwoesten en ons denken vergiftigen.

Je kunt dus zeggen dat de omhelzing van kerk en staat, of op z’n minst de vermenging van religie en politieke ideologieën niet bepaald in het voordeel van de rechten van de mens hebben gewerkt.
Je zou je dus kunnen afvragen als het monotheïsme niet beter had kunnen ontstaan in een tijdperk waarin de politieke en bestuurlijke ontwikkeling verder gevorderd was. Laten we zeggen in een goed functionerende democratie, waarin ook wat meer inzicht bestond in de oorzaken en wetmatigheden van wat wij om ons heen waarnemen.
Maar vraag je je dan meteen af, zou er in zo’n tijdperk dan nog wel behoefte zijn aan een autocratische religie?

Als de behoefte aan religie alleen zou voortkomen uit een zoektocht naar de onzichtbare hand die de sterren beweegt, dan is die kans natuurlijk klein. Maar de behoefte aan religie is niet alleen terug te voeren tot het zoeken naar dat antwoord. Religie ontstaat misschien nog wel meer uit een behoefte aan transcendentie.
Het is echter te eenvoudig om die behoefte aan transcendentie te reduceren tot het hebben van moeite met de eigen eindigheid.
Maar het gegeven dat wij slechts een korte tijd getuigen zijn van ‘alles wat er is’ en verstoken zullen blijven van ‘alles wat er mogelijk zal zijn’ zal bij de denkende en voelende mens al gauw de vraag oproepen wat daarvan de consequenties zijn.
Het antwoord hierop kan zijn zich een deur te denken die toch toegang biedt tot het ‘namijmaals’.  Of te kiezen voor de spanning tussen het gezichtspunt van een groter geheel en het besef van eigen eindigheid.
De stap om naar het eigen leven te kijken in het licht van het voortdurende (wellicht eeuwige) wat door Spinoza ‘sub specie aeternitatis’ is genoemd is voor veel filosofen, maar ook voor veel mensen zoals jij en ik aanleiding geweest om over de zin en invulling van het eigen leven na te denken.
Wat de uitkomst van die gedachtegang is verschilt per filosoof. Er zijn er die tot de conclusie komen dat vanuit dat perspectief bezien elke persoonlijke overweging, elke persoonlijke handeling onbetekenend is, terwijl anderen dat juist ontkennen.

Een prettig leesbare samenvatting hiervan is te vinden op
http://www.tandfonline.com/doi/pdf/10.1080/00048402.2010.527354
Iddo Landau (2011): The Meaning of Life Sub Specie Aeternitatis, Australasian Journal of Philosophy, 89:4, 727-734.

In dit artikel wordt onder meer verwezen naar Thomas Nagel die tegenover sub specie aeternitatis het perspectief  sub specie humanitatis stelt. Dus vanuit het zicht van de mens (of de mensheid, dat is niet helemaal duidelijk).

Het eerste perspectief zijnde: van buiten af, objectief, afstandelijk en onpersoonlijk – het tweede van binnen uit, subjectief, betrokken en persoonlijk. En hij zegt dat die twee benaderingen met elkaar conflicteren.

Daar valt wel een en ander tegen in te brengen:

In de eerste plaats is de constructie van die externe, objectieve, afstandelijke onpersoonlijke blik een product van de interne, subjectieve, betrokken, persoonlijke geest van de tot de mensheid behorende heer Nagel.
Maar er wringt bij mij nog iets meer:

In de filosofie colleges die ik de afgelopen semesters op hoge leeftijd (75+) als toehoorder gevolgd heb, ben ik zonder voorafgaande scholing midden in zo’n leergang gevallen en heb ik natuurlijk heel wat moeten naslaan om me de strekking van vele gebezigde termen eigen te maken.
Maar ik heb daarbij ontdekt, dat ook dit nadeel (zoals een bekende Amsterdamse filosoof al stelde) zijn voordeel heeft.

Zonder beïnvloed c.q. geïmponeerd te zijn door erkende filosofen, heb ik in mijn bestaan een eigen visie op het ‘er zijn’ kunnen ontwikkelen.

De confrontatie van deze amateur bevindingen met het grote werk leverde heel af en toe “zèg ik” ervaringen, maar veel vaker “Oh, zit dat zo” of “Nou snap ik het” ervaringen op.

Maar er bleven twee dingen schuren.
Ten eerste, de neiging om antwoorden te zoeken van binaire aard:
Iets is wel waar of niet waar. Iets bestaat wel of niets.
Terwijl antwoorden met woorden als ‘ten dele’ of ‘soms’ of ‘dat ‘hangt er van af” als zijnde niet filosofisch worden afgewezen.

Ook de categorie ‘niet (door mensen) beantwoordbare vragen’ wordt ontkend of naar de afdeling kennistheorie (een soort asielzoekers opvangcentrum van de filosofie) verwezen.
Het tweede wat mij opgevallen is dat er toch wel heel sterk vanuit en over de individuele mens gedacht wordt, en de mens niet gezien wordt als een momentopname van een biologisch, cultureel en historisch proces. Als een neuron van en zich ontwikkelend collectief brein.
Een verschijnsel dat voortgekomen is uit de oerknal en opgevat kan worden als materie die (zich) een bewustzijn ontwikkelt.
Iets wat me zelfs sub specie aeternitatis een behoorlijk spectaculaire ontwikkeling lijkt!

Het mag dan zo zijn dat het wel of niet bestaan van één individu een minimale of helemaal geen invloed zal hebben, het bestaan van de mensheid in zijn geheel heeft dit wel. Ook al zal dat in strikt materiële zin een kleine invloed zijn.
We zullen wellicht de baan van een meteoriet kunnen veranderen, maar niet van een planeet, ster of zonnestelsel.
Maar het toevoegen van bewustzijn aan de materie is wel iets waaraan wij gezamenlijk deelnemen of bijdragen.
De tweedeling van Nagel, is dus niet meer dan een tegenstelling van twee vooringenomenheden.

Betekent dit nu ook iets voor het individu?
Ik denk van wel. Immers, de mensheid bestaat bij de gratie van a) alle mensen en b) hun interactie.
Het scanderen van “Wir sind das Volk” heeft de muur doen instorten. En elk van die dappere mensen die besloot om hier aan mee te doen heeft door dit besluit het bestaan van de vrije wil aangetoond, heeft het rechtsgevoel laten zegevieren over de angst voor mogelijke gevolgen, heeft zijn eigen belang ondergeschikt gemaakt aan een groter doel en heeft zo meegeschreven aan een positieve episode van de geschiedenis der mensheid.

Het aantal mensen dat meedeed was doorslaggevend voor het resultaat, maar dat aantal bestond uit al die individuen die die eenzame beslissing namen.
De mensheid bestaat uit alle mensen te samen en hun interactie. Dat betekent dat ieder individu een even belangrijke rol speelt. Ook niets doen is bepalend voor het eindresultaat.

Wie nadenkt over de zin van zijn bestaan, denkt dus ook na over de bestemming van de mensheid.
Alles wat wij doen en laten bepaalt mede het eindresultaat. Weliswaar niet in die mate dat dat wij het kunnen meten. Maar hoewel ons leven te kort is om het eindresultaat te kennen is het lang genoeg om ontwikkelingsrichtingen te kunnen onderscheiden en de richting van ons eigen streven te kunnen bepalen.

Dit besef is een realistisch transcendentie besef. Het geeft ook een nuchter antwoord op de vraag of er leven is na de dood.
Natuurlijk is dat er. (Tenzij jij toevallig de allerlaatste mens bent). Juist dat ‘najoumaals‘ is de zin van jouw hier en nu.

De troost voor de eindigheid van jouw leven is dat je het geluk hebt gehad dat de atomen en moleculen waar jij uit bestaat, in die tijd niet in een plant, een waterval of een stationsgebouw terecht zijn gekomen. Maar terecht zijn gekomen in een constellatie die bewust is en kan waarnemen, denken en genieten. Misschien wel van stationsgebouwen.

Maar door dat bewust zijn mee kan doen aan de voortzetting van wat mensen vroeger en sommigen nog steeds de schepping noemden.

En hier mee hoop ik de tegenstelling tussen aeternitas en humanitas te hebben opgeheven.

Religare noemen ze dat geloof ik.

Advertenties

Vrije wil; voortschrijdend inzicht (c.q. misverstand)

vrijdag 26 oktober, 2012

Er zijn mensen, die denken dat dat bij de oerknal al vaststond dat ik dit stukje ging schrijven, dat ik het vervolgens ook zou publiceren, en sterker nog wat de inhoud van dit stukje zou worden, inclusief een paar tikfouten.

Dat is op z’n minst gezegd bijzonder, want ik  weet als auteur  op dit punt van mijn verhaal gekomen nog niet precies welke woorden ik zal gaan gebruiken en in welke volgorde.
Mensen die denken dat dat toch al allemaal vast ligt heten deterministen en ik wil die mensen niet voor het hoofd stoten, dus zal ik proberen om niet eigenwijs te zijn en zomaar op te gaan schrijven waar ik zin in heb, maar uitsluitend die dingen die voorbestemd zijn, omdat anders die deterministen een beetje voor gek zouden staan.

Uit deze inleiding blijkt al  welke ingewikkelde vormen van hersengymnastiek je moet bedrijven als je je in de deterministische visie probeert te verplaatsen.
Ik ga dat dan ook niet doen. Ik ga gewoon uit van de veronderstelling dat er een vrije wil bestaat of op z’n minst mogelijk is, en probeer er achter te komen wat dat inhoudt.
Waarom ik over die vrije wil begin?
Omdat ik sinds kort als toehoorder een seminar bijwoon aan de RWTH in Aken met “Willensfreiheit” als onderwerp en daar wordt diep ingegaan op de vraag of determinisme bestaat en zo ja, of dat verenigbaar is met het bestaan van een vrije wil.
Blijkbaar is dat iets wat bij filosofie hoort, want in alle benaderingen van dit onderwerp duikt dat determinisme op.
Ik heb er niet uitputtend over nagedacht, maar ik heb een vermoeden, dat ons godsdienstig verleden hier een rol bij speelt.
Een ander verschijnsel wat me bij dit seminar en nog twee andere die ik volg opvalt, is dat filosofen graag met tegenstellingen werken, en er naar streven uit te vinden of iets waar of onwaar is. En ik heb gemerkt dat ze het een beetje eng vinden als ik opper dat er drie mogelijkheden zijn: waar, onwaar en onbepaalbaar.
Blijkbaar ben ik op te late leeftijd met de filosofische manier van denken begonnen en zijn 77 jaar praxis een geduchte handicap voor de zuivere rede.
Hoe dan ook ik blijf geduldig luisteren en proberen mee te denken en hoop dat mettertijd het seminar zich bezig zal gaan houden met de kanten van de vrije wil die mij bezig houden.

Welke dat dan zijn?
Nou, de praktische kanten. Wat is vrije wil. Waar komt hij vandaan. Hoe vrij is hij eigenlijk? Welke omstandigheden maken je wil vrijer of onvrijer? Welke grenzen zijn er? Hoe verhoudt vrijheid zich tot orde, wat is de verhouding tussen vrijheid en verantwoordelijkheid?

Wat is vrije wil? Het is voor alle duidelijkheid misschien goed om onderscheid te maken tussen wilsvrijheid, keuzevrijheid en vrijheid van handelen. Anders gezegd de vrijheid om iets te willen, de vrijheid om uit verschillende mogelijkheden te kiezen, en de vrijheid om die keuze  om te zetten in een daad.
Het meest primaire proces van die drie is het opwellen van de wil tot iets, waarbij ik de wil zou willen omschrijven als een al dan niet duidelijk geformuleerde emotie. Die emotie kan een onberedeneerde intuïtieve -voor mijn part instinctieve – reactie zijn. Zo wel in positieve als negatieve zin. Een ‘hè ja’- of een ‘oh nee, dat niet’ gevoel.

Hoe vrij deze wilslaag is is iets waar ik later op terug kom.

Bij het zich bewust worden van deze emotie, kan blijken dat die niet altijd eenduidig is. Enerzijds wil je dit, maar anderzijds wil je ook weer niet dat..

Voorbeeld
Je hebt met een paar vrienden een vakantie geboekt naar een volgens de brochure prachtig gebied maar als je daar aankomt blijk je terecht gekomen in een  verschrikkelijk toeristisch oord waar je overal Nederlands om je heen hoort en alom frikadellen worden aangeboden. Om onbegrijpelijke redenen lijken je vrienden daar geen last van te hebben. Als het aan jou lag zou je de eerste de beste vervoersgelegenheid aangrijpen om naar huis te gaan, maar je denkt dat je vrienden dat niet zouden waarderen. En dat zijn nog maar twee overwegingen die met elkaar in conflict dreigen te komen.  Hier komt je keuzevrijheid aan bod en wederom stel ik even uit hoe groot die vrijheid is.
Kiezen in de zin van je voorkeur bepalen is één ding, gevolg geven aan die keuze is een ander ding. Want hier krijg je te maken met Elsschots constatering “want tussen droom en daad staan wetten in de weg en praktische bezwaren”.

Hoe vrij zijn we nu op al die drie niveaus?

Allereerst wil ik opmerken dat ik me niet wil laten belemmeren door absolutistische opvattingen over vrijheid, ook niet als ze in een logisch/filosofische verpakking aangeboden worden. Vrijheid is voor mij niet iets wat er wel of niet is, maar het is een kwantitatief begrip.
In de meeste gevallen kom ik aardig terecht met mijn werkomschrijving: “Vrijheid is de mogelijkheid te kunnen kiezen. Kiezen is alleen mogelijk als er een of meer alternatieven bestaan, en hoe meer alternatieven er zijn des te meer keuzemogelijkheden er zijn, en dus meer vrijheid.”

Kijken, of dit echt werkt.

Is er een vrijheid van emotie? Dit zou je je af moeten vragen als je over de emotionele bron van de wil nadenkt. Kan je je wil de wil opleggen? Wellicht kan je proberen wensen of verlangens te verdringen, maar er kan alleen maar aanleiding zijn om iets te verdringen als het er al is. Met andere woorden verdringen heft niet iets op.
Aha,  zou je kunnen zeggen, de wil in de zin van emotionele impuls is autonoom.  Of die emoties  je op rationeel niveau nu wel of niet welkom zijn, doet er niet toe, laat staan of je die wensen op het keuze- of het handelingsniveau honoreert.

Echt? Of kan het zijn dat je palet van mogelijke emoties zo sterk worden bepaald door je culturele context je eigen basisaanleg en je eigen Werdegang dat bepaalde emoties niet bij je zullen opkomen, of dat confrontatie daarmee een negatieve reactie zullen opwekken?

Voorbeeld
Een man die qua aanleg heteroseksueel is en opgroeit in een homofobe omgeving, zal als hij niet een zeer kritisch en analytisch persoon is zelf ook homofoob zijn. Hij zal dan ook “instinctief” een omhelzing door een andere man afwijzen. Zelfs als de aanleiding is dat Ajax de Europacup heeft veroverd.
Ik zet opzettelijk dat woord instinctief tussen aanhalingstekens omdat de zelfde man opgegroeid in een geëmancipeerde omgeving die reactie waarschijnlijk niet zou hebben.
Wat zegt dit nu over wilsvrijheid?

Dat  datgene wat zich als wil manifesteert weliswaar onbelemmerd is, maar datgene wat zich als wil zou kunnen manifesteren bepaald wordt door zaken waarvoor ik graag de Duitse termen Bildung en Werdegang zou willen gebruiken.

Hier blijkt ook weer dat het goed is om over vrijheid te spreken als een kwantitatief begrip. Wie streeft naar uitbreiding van kennis en inzicht door zich open te stellen voor andere denkbeelden en zich zelf doorlopend ondervraagt over de houdbaarheid van zijn eigen denkbeelden, zal het palet aan rationele en emotionele alternatieven dat hij tot zijn beschikking heeft verruimen, daarmee zijn keuze mogelijkheden verruimen en zijn vrijheid daarmee vergroten.

Alvorens in te gaan op de tweede wilslaag, de bewuste wens, toch nog maar even terug naar die deterministen.
Ik denk dat hun idee voortgekomen is uit het causaliteitsprincipe, en je zult moeten toegeven dat er in de fysieke wereld geen gevolgen zonder oorzaken bestaan.
Weliswaar kennen we niet altijd die verbanden tot in details, laat staan dat we het verloop er van kunnen voorspellen, maar dat doet aan het causaliteitsprincipe niets af.
Wat de deterministen echter doen is het menselijk handelen ook tot die fysieke wereld rekenen zonder enig bewijs te leveren dat dit terecht is.

Wil men het bestaan van een vrije wil rechtvaardigen, dan zal men er van uit moeten gaan dat er domeinen zijn die zich aan de wetmatigheden van die fysieke wereld onttrekken. Maar dit doen we dan meestal ook zonder daarvoor enig bewijs te leveren dat dit terecht is.
Ziedaar het probleem:
Deze hele discussie speelt zich af  in een wereld waar we vertrouwd mee zijn, waarvan we de werking voor een deel kennen, maar waarvan we de precieze aard niet kennen.

Ik schrijf dit in de illusie dat iemand anders dit ook leest.
Een voorwaarde daarvoor is dat die lezer leeft. (Dat ik als schrijver leef is strikt genomen alleen noodzakelijk zolang het stuk niet af is, maar tijdens het schrijven dien ik in elk geval ook te leven, anders komt er geen stuk.)
Verder moeten we allebei Nederlandstalig zijn en dien ik met te bedienen van woorden in de betekenis zoals die er algemeen aan gegeven worden.

Die taal nu, die bestaat bij de gratie van het bestaan van abstracties en symbolen die door een groep gedeeld worden, dankt zijn bestaan eveneens aan mensen, dat wil zeggen levende bewuste denkende mensen. Mensen bovendien die in een groep leven en gemeenschappelijke doelen en bezigheden hebben die communicatie noodzakelijk maakt.
Als een groep taalgebruikers uitsterft, en er blijft wel een corpus aan teksten in die taal over, zonder documenten die als steen van Rosetta kunnen dienen, dan zal de inhoud van die teksten nooit opgehelderd kunnen worden. Noch door denkwerk, noch door taalanalytische computerprogramma’s.
Gebezigde taal kan dus in een fysieke vorm bewaard blijven, maar nieuwe taal kan alleen vanuit een (levend) wezen ontstaan en alleen door het kennis nemen door een (levend) wezen tot begrip leiden.

Dit hele logische bouwwerk van kennis en inzichten, neergeslagen in gezamenlijk gebruikte symbolen, kan dus alleen worden uitgebreid door levende menselijke intelligentie, die weliswaar afhankelijk is van een stoffelijk substraat, maar van een andere aard is dan die materiële basis.

Er is een asymmetrische relatie tussen beiden. De geest – om die bovenlaag maar even zo te noemen – bestaat op basis van een stoffelijk lichaam en bestaat slechts zo lang dit functioneert, maar uit de stof alleen kan geen geest geschapen worden zonder medewerking van ten minste twee levende menselijke wezens.

OK als je alle moderne trucs meerekent kan het ook met één vrouw en gedoneerd materiaal van een of twee mensen die in elk geval geleefd moeten hebben.

Teilhard de Chardin spreekt als hij het over het ontstaan van het leven en de mens op aarde heeft, van een opvolging van de lithosfeer, de biosfeer en de noösfeer.

Die term is door het gebruik van sfeer een aantrekkelijke metafoor om dat het iets is wat om ons allen heen is.  Al die kennis, die inzichten, is in principe voor iedere nieuwe boreling te bereiken. Uiteraard zeg ik in principe, want de politieke, economische en culturele situatie ter plaatse moet het ook toelaten en beter nog stimuleren.

Dit gegeven dat je als nieuw mens niet helemaal van nul af hoeft te beginnen is van een enorme betekenis. Het betekent onder andere dat de evolutie sinds onze aankomst op aarde een totaal ander karakter heeft gekregen, met aan de ene kant grote risico’s (onze soort past zich namelijk niet altijd alleen maar  aan aan de omgeving, maar wil ook nog wel eens de omgeving aanpassen aan de soort en dat is in ecologisch opzicht niet altijd een succes te noemen), maar het heeft ook een schitterend voordeel: het trage maar onstuitbare proces dat wij Beschaving noemen.

Eén aspect van die beschaving is dat er binnen culturen een algemene moraal ontstaat en die algemene moraal zal een rol spelen bij de persoonlijke moraal van de mensen binnen zo’n cultuur.

En hier mee zijn we – oh wonder – zowaar weer terug bij ons onderwerp: de vrije wil.

We waren zo ver gekomen dat we drie wilsmomenten onderscheidden, de primaire emotionele opwelling, de overweging van alternatieven en de gevolgen daarvan en de uiteindelijke keuze die je uitvoert of althans tracht uit te voeren.

Waar de primaire wilsopwelling in eerste instantie op het eigenbelang gericht zal zijn gaan op het besluitvormingsniveau alternatieve keuzes en hun eventuele gevolgen een rol spelen. Hoe dit afloopt wordt door een aantal factoren beïnvloedt, waaronder kennis karakter en moraal.

Wie over meer kennis beschikt kan daardoor in een bepaalde situatie over meer alternatieven beschikken en heeft dus meer vrijheid. Het karakter van de kiezende persoon kan echter bepalend zijn of iemand van de hem of haar ter beschikking staande alternatieven. Een impulsief persoon is hier in het nadeel ten opzichte van een meer secundair reagerend iemand met dezelfde kennis.
Van grote betekenis is echter de moraal. Moraal hier in de zin van de persoonlijke moraal.

Vaak staan we voor beslissingen  waarbij er keuzemogelijkheden zijn die het persoonlijk belang het beste zouden dienen, maar die het belang van anderen zouden schaden.
Nog lastiger wordt het als zich de situatie zich voordoet dat je moet kiezen tussen een algemeen belang en het belang van een of meer personen die je zeer na staan.
Hier wordt duidelijk dat een verdergaande morele ontwikkeling weliswaar ook de keuzemogelijkheden vergroot en dus de vrijheid groter maakt, maar dat hiermee tegelijk ook de verantwoordelijkheid toeneemt. Iets wat bij toegenomen kennis ook al het geval is, maar daar niet zo opvalt omdat kennis vaak waardevrij lijkt te zijn, maar in principe is iedere keuze een morele keuze.

Consequenties

De consequenties van dit verhaal zijn niet gering.

  1. De vrije wil is een uniek verschijnsel voorbehouden tot nu toe aan de mens, die zich hierdoor bevrijdt heeft (of hierdoor bevrijd werd) van de dictatuur van de causaliteit.
  2. Deze faculteit van de mens heeft geleid tot een stelsel van abstracties waarmee ervaring en kennis en waarden konden worden overgedragen en na de uitvinding van het schrift kon worden vastgelegd.
  3. Afhankelijk van aanleg en ambitie kan ieder individu hetzij alleen maar putten uit deze noösfeer of ook daaraan bijdragen.

Wie het ontstaan van dit vermogen van de mens ziet als een voortzetting van de evolutie met andere middelen, zal er niet aan kunnen ontkomen in stelling 3 een evolutionaire opdracht te zien.


%d bloggers liken dit: