Posts Tagged ‘wereldbeeld’

Op weg naar een goede plek I

vrijdag 21 april, 2017

Dit wordt een feuilleton over maatschappelijke veranderingen. Welke zal in de loop van het verhaal hopelijk duidelijk worden, want het verhaal wordt al schrijvende bedacht. En commentaren en route zijn welkom en kunnen verwerkt worden.
Wat er met een goede plek bedoeld wordt zal ook in de loop van het verhaal duidelijker worden, al hoef je geen klassieke opleiding te hebben om een vermoeden te hebben waar die term vandaan komt.

Aflevering 1 gaat over de methode.

In veel processen waarin men van A naar B toewerkt en de afstand tussen A en B groot is, helpt het om het proces beurtelings vanuit A en B te benaderen.
Of het nu gaat om een wiskundig bewijs, een technische constructie of een computerprogramma het gaat in al die gevallen om vanuit een bestaande werkelijkheid naar een nog niet bestaande te komen. Het gaat hier dus over ontwerpprocessen.
We hebben het hier dus niet over de van A naar B opgaven van een navigatieprogramma.
Wat je dan doet is vanuit A inventariseren wat er is en waarover je kunt beschikken. Waarin kan je de bestaande materialen, eigenschappen, houdingen, combinaties of andere configuraties veranderen en wat ontstaat er dan.
Vanuit punt B probeer je je voor te stellen welke voorfasen  kunnen leiden tot de gewenste materialen, eigenschappen, houdingen, combinaties of andere configuraties.

Als je dit doet krijg je van twee kant een waaier ban gevolgen en voorwaarden waarvan je hoopt dat die na een aantal stappen elkaar tegenkomen, waarna je de producten die niet tot contact leidden kunt snoeien.

Mooi gezegd, maar wekt dit ook voor sociale situaties? Want de eerste zin van dit verhaal luidt dat dit een feuilleton over maatschappelijke veranderingen gaat worden.
Laten we hopen van wel, want er zijn wel wat dingen in de samenleving die beter kunnen.

Maar er zijn wel een paar belemmerende factoren als je deze methode op sociale systemen wilt toepassen. En samenvattend kan je zeggen, dat die gemeen hebben dat de zaken die wij benoemen als wij het over onze samenleving hebben sterk beïnvloed worden door culturele en politieke opvattingen die wij koesteren.
Een voorbeeld daarvan werd onlangs duidelijk gemaakt in een documentaire reeks over de geschiedenis van Zuid-Afrika. De Nederlandse kolonisten hadden daar land in bezit genomen. Iets wat voor de nomadenstammen die daar hun vee weidden een volstrekt onbegrijpelijke ontwikkeling was. Dat grond van iemand kon zijn ???.
Voor ons daarentegen is het een behoorlijke inspanning om je een voorstelling te maken van een omgeving waarin objecten voorkomen die niet van iemand zijn.

Wanneer we dus de hierboven beschreven methode willen toepassen op een studie hoe je vanuit de huidige sociale situatie zou kunnen komen tot een waar de overgrote meerderheid van de mensen tevredener over zouden zijn, dan zal je aan beide kanten van het traject op dit probleem stuiten.
Aan deze kant zou je vast moeten stellen welke veranderingen nodig zijn en daar zijn de meningen nog al verdeeld.
En het zelfde geldt voor de vraag welke kant we op moeten met onze samenleving. Dat blijkt onder andere uit de grote verschillen in de programma’s van de politieke partijen in de landen waar meer dan één partij toegelaten is een rol te spelen.

Je zult dus moeten zoeken naar algemeen geldende uitspraken over het harmonieus samenleven van mensen die niet gekleurd worden door politieke opvattingen.
Kan dat?
Daar over gaat aflevering 2.

Maar eerst nog iets over aanleiding tot deze exercitie.
Er is al jaren een dialoog gaande tussen mij en mijn inmiddels goede vriend Rogier Schravendeel. Het prettige aan die dialoog is dat wij het voldoende met elkaar eens zijn om de dialoog voort te zetten en voldoende met elkaar oneens zijn om door te moeten discussiëren.
Waar we het over eens zijn is hoe een goede wereld er uit zou moeten zien, waar we het niet altijd over eens zijn is over de bronnen van onze inzichten en de middelen om van A naar B te komen. Dat Rogier een belijdend christen is en ik een heiden belemmert  ons allerminst. Zijn beeld van een goede wereld lijkt verbazend veel op mijn beeld.

En nu toch maar het U woord. Hebben we het misschien over Utopia?
Ja zeker, als je kijkt naar de oorsprong van dat woord het Griekse woord eutopos wat letterlijk goede plaats betekent. Utopia was de titel van een boek uit 1516. Wikipedia omschrijft de inhoud als volgt: ” In het boek vertelt een reiziger over een ver land dat hij bezocht. Iedereen is er gelijk, alle huizen en straten zijn er hetzelfde en privébezit bestaat niet. De ziekenhuizen zijn zó goed dat zieken er heel graag willen worden opgenomen. De wetten van het land kunnen door elke inwoner begrepen worden. Bovendien voert het land nooit oorlog. “

In het huidige taalgebruik wordt utopie gebruikt als omschrijving van een onhaalbaar idee, een hersenschim van een goedbedoelende onnozele geest, waar je schouders over ophaalt en geen serieuze discussie mee aangaat.
Iemand die het woord utopie in die zin gebruikt vindt denken over een gelukkige samenleving dus bij voorbaat onzin. OK goedbedoelde onzin, maar daarom niet minder onzin. In de sociale media wordt zelfs Gutmensch als scheldwoord gebruikt.
Het is duidelijk dat we van mensen die dat vinden geen inspirerende ideeën hoeven te verwachten.

Hetzelfde Wikipedia artikel omschrijft utopie echter als volgt: De utopie is een vrije vorm van politieke filosofie. In de utopie ontwerpt de bedenker een ideale staat of samenleving.” En dat Marx er niets van moest hebben.  Lees maar. Wij gaan dus gewoon verder met het zoeken naar een goede plek voor onze nazaten en die van onze naasten tot in de verste verte.

Advertenties

De lemen voeten van het liberalisme

woensdag 25 december, 2013

In 1973 publiceerde ik een boekje dat (conform de toenmalige spellingsregels) “De demokratisering van het geluk” heette. Het kreeg vriendelijke recensies en slechte verkoopcijfers.
In een van de eindnoten van het boekje verwijs ik naar de Amerikaanse onafhankelijkheidsverklaring en met name de tweede alinea, die begint met: We hold these truths to be self-evident, that all men are created equal, that they are endowed by their Creator with certain unalienable Rights, that among these are Life, Liberty and the pursuit of Happiness.
Wij beschouwen deze waarheden als vanzelfsprekend, dat alle mensen als gelijken worden geschapen, dat zij door hun schepper met zekere onvervreemdbare rechten zijn begiftigd, dat zich daaronder bevinden het leven, de vrijheid en het nastreven van geluk.

Een belangrijke tekst, en het zou mooi zijn als de leiders van sommige Amerikaanse instituten deze tekst nog eens nalazen en ontdekten dat er verdikkeme staat dat alle mensen met onvervreemdbare rechten uitgerust zijn en niet alleen US citizens.

De opstellers van de onafhankelijkheidsverklaring stoelden hun opvattingen op de filosofen van de Verlichting en in het noemen van het nastreven van geluk in één adem met leven en vrijheid heeft waarschijnlijk het werk van de Ierse filosoof Francis Hutcheson een rol gespeeld, voor wie ethiek inhoudt het streven naar “the greatest happiness for the greatest number”.  Een uitspraak waarmee hij vooruitloopt op Bentham die meestal als de grondlegger genoemd wordt van dit idee, dat bekend staat als utilitarisme.
Die verlichtingsfilosofen en met name degenen die zich met de rol van de staat hebben beziggehouden spelen een grote rol in het denken van latere beoefenaars van de politieke filosofie en het is vooral de bron waaruit de grondleggers en verdedigers van het liberalisme graag drinken.
Hier dient opgemerkt te worden dat de woorden liberaal en liberalisme hier gebruikt worden in de Europese betekenis van het woord en niet in de betekenis van linkse losbandigheid die veel Amerikanen aan ‘liberals’ toeschrijven.

Wat wel opvalt, is dat de latere politieke filosofen (van de 20ste eeuw) minder over dat geluk spreken maar bij het opsommen van grondrechten veel nadruk leggen op het door Locke geïntroduceerde recht op individuele eigendom.
En in hun geschriften worden die grondrechten vaak als natuurlijke rechten betiteld.

Dit wordt vrees ik een lang artikel, maar om onnodig leeswerk te voorkomen vertel ik maar meteen waar ik naar toe wil. Wat ik wil beargumenteren, zodat wie de conclusie niet bevalt op kan houden te lezen, voor hij zich laat overtuigen.

Die lemen voeten slaan natuurlijk op de uitdrukking ‘een reus op leen voeten’ en wie wil weten waar die uitdrukking vandaan komt, omdat hij dat niet van huis heeft meegekregen, leze het boek Daniël, vers 2 over de droom van Nebukadnezar.
Maar waarom vind ik dat het liberalisme lemen voeten heeft? Omdat die grondrechten niet met een logische redenering te rechtvaardigen zijn.
We hold these truths to be self-evident, heet het, Wij beschouwen deze waarheden als vanzelfsprekend.
Ja, dat is een deftige manier om te zeggen ‘dat is nu eenmaal zo’ wat ongeveer neer komt op:  ‘dat kan ik niet bewijzen, en daarom zeg ik maar dat ik het daarom ook niet hoef te bewijzen’.
Maar zo makkelijk gaat het hier niet. Blijkbaar voelden de Founding Fathers en de meeste filosofen uit die tijd dat ook wel aan, want ze voegden er meestal aan toe dat die dingen die vanzelfsprekend zijn dat waren omdat het geschenken van hun (en volgens hen ook uw) schepper waren.
Nu kan je de schepper van alles in de schoenen schuiven en daar kom je in een sharia samenleving of ander theocratisch regime misschien nog wel mee weg, maar in een democratisch stelsel, kan je je toch moeilijk baseren op een van de vele interpretaties van de bedoelingen van een veronderstelde schepper.
Goed, laten we die schepper even buiten beschouwing, hoe kom je dan weg met vanzelfsprekende waarheden?
Van zelf sprekend? Een soort onzichtbare autonome luidsprekertjes die ons de ganse dag de waarheid zeiden? In sommige beroepen zou dit als een hel op aarde worden ervaren, vrees ik.
Laten we de schepper wel toe in ons verhaal, dan kan je je afvragen, had die schepper ook niet bepaalde verwachtingen van zijn schepselen? Zouden we dan misschien ook niet moeten spreken van natuurlijke plichten?
Het lijkt me duidelijk dat aan de basis van de filosofie van het liberalisme een aantal met de hand geplukte uitgangspunten staan die geen enkele redelijke onderbouwing hebben.

Maar is het überhaupt mogelijk om rechten te onderbouwen?
Ik heb daar nog niet zo veel over gelezen, maar er schijnen meerdere stromingen te bestaan.
De eenvoudigste manier om recht te definiëren is te zeggen: recht is wat in de wet staat. Maar daar schiet je niets mee op want dat vertelt je nog niet wat er in die wet staat of liever gezegd zou moeten staan. En als je die vraag probeert te beantwoorden, kom je altijd uit bij moraal en ethiek. Als je gelovig bent zal je daarbij een openbaring als de voornaamste bron beschouwen, maar zelfs Thomas van Aquino stelde dat er naast een eeuwige wet (van goddelijke oorsprong) ook nog een natuurlijke wet en een menselijke wet op ons van toepassing is.

Dat laatste probeerde John Rawls (1921-2002) die in de 20ste eeuw de politieke filosofie weer leven inblies weer op de agenda te zetten met zijn opvatting van ‘justice as fairness’ en in het algemeen voor een socialer liberalisme pleitte, waarin wel plaats was voor ongelijkheid in economisch opzicht mits dat verschil ook ten goede zou komen van de minstbedeelden.

Dit ging echter zijn critici al te ver en zij beriepen zich op op John Locke die een soort oertoestand schetste, waarin de mensen zich een deel van alles wat de schepper aan de mensheid geschonken had in de vorm van de natuur konden toe-eigenen door hun arbeid te mengen met de natuur.
De simpele handeling van het plukken van een appel van een ergens in het wild groeiende appelboom, maakte jouw de rechthebbende exclusieve eigenaar van die appel, omdat jij de inspanning van het plukken had opgebracht.

OK, valt nog iets voor te zeggen. Iets verder gaat het idee dat je op een stuk land komt, dat van niemand hoort, en je gaat dat bewerken. Gevolg: het stuk grond is nu van jou.
Kost al wat meer moeite. Land wat van niemand is? Stel dat daar mensen wonen die nog niet in termen van grondbezit denken?
Maar goed laten we niet flauw zijn . Onbewoond en onbewerkt stukje land. Je zaait er een paar jaar mais op tot de bodem uitgeput is en gaat dan dood. Zullen al je nakomelingen dan ook voor een deel eigenaar zijn,  ook als ze er nooit een poot naar hebben uitgestoken?

Trouwens, wat heb je aan dit soort theorieën als elk stukje aarde al in het kadaster vermeld staat met een eigenaar?
Nozick, een van de meest uitgesproken criticasters van Rawls ‘ sociale liberalisme poneert een rechtvaardigingsprincipe voor privé-eigendom dat berust op drie vereisten: rechtmatige verwerving, rechtmatige overdracht, en een mechanisme om tekortkomingen in de voorgaande twee te herstellen.

Het vervelende is echter, dat zowel in de theorie van Nozick als in de huidige economische en politieke praktijk die dingen niet uitgewerkt noch toegepast zijn of worden. De rechtmatig  verwerving volgens de theorie sowieso al niet omdat er nauwelijks nog natuurlijke bronnen zijn die vrij van eigendom zijn, en de rechtvaardige overdracht niet omdat vererving al helemaal niet strookt met de initiële eis van arbeid die tot bezit leidt.
Kortom, kaartenhuis.

Het beginsel van Rawls dat eigendomsverschillen gerechtvaardigd zijn als die in het voordeel van de minstbedeelden werken, zien we in populaire uiteenzettingen vaak verpakt in een verhaal over het verdelen van een koek. Het komt er op neer dat de grootkoekbezitters er door hun ondernemingsgeest en hun deskundigheid en bereidheid risico’s te nemen die koek laten groeien en dat daardoor iedereen, ook de kruimelhouders er op vooruitgaan.
Dat is een mooie gedachte, zij het dan dat de kruimelhouders er minder op vooruit gaan dan de grootkoekbezitters. Waar ook niet over gepraat wordt, is dat de belangrijkste oorzaak van de groei van de koek de factor arbeid is. Wat ook niet vermeld wordt in het verhaal is dat dat wie een groot deel van de koek bezit ook de meeste macht heeft en kan bepalen hoe de koek verdeeld wordt. Dat als de grootkoekbezitters in meerdere landen opereren fiscale en wettelijke controle bijzonder moeilijk is. Dat naarmate de parten van de koek groeien monopolies en handelsverdragen de uitdrukking vrije markt een steeds grotere leugen doen worden.

Hoewel corruptie fraude en kartelvorming met steeds grotere regelmatigheid aan het licht komen, moet je toch constateren dat een groot gedeelte van handel en productie volgens nationale en internationale regels plaatsvinden. Dat wil zeggen dat uitbuiting door middel van hongerlonen en lage grondstoffenprijzen legaal zijn. En hieruit blijkt dat rechtmatigheid en rechtvaardigheid twee verschillende dingen zijn.

Hier vinden wij het normaal, ja zelfs noodzakelijk dat een kind naar school gaat. (Al zullen sommige kinderen het daar misschien niet altijd mee eens zijn). Kinderarbeid vinden we daarom moreel verwerpelijk.  Niettemin was in de 19e eeuw kinderarbeid  in ons land heel gewoon. Totdat de liberale(!) politicus Van Houten in 1874 een wet indiende ‘houdende maatregelen tot het tegengaan van overmatigen arbeid en verwaarloozing van kinderen’. Wat niet wegnam dat kinderarbeid toch bleef doorgaan omdat er weinig controle op werd uitgeoefend. Huishoudelijke arbeid en veldarbeid vielen sowieso al niet onder het verbod en kinderen van boven de twaalf jaar mochten wel te werk gesteld worden. Pas de invoering van de algemene leerplicht van 6 tot 12 jaar in 1900 bracht hierin verandering.

Dit voorbeeld illustreert duidelijk dat ons gevoel van rechtvaardigheid aan ontwikkeling onderhevig is. En dat houdt in dat het dat je daar in de politieke filosofie rekening mee moet houden. Een filosofie die dit niet doet is een ondeugdelijke filosofie en een politieke stroming die zich baseert op een ondeugdelijke filosofie is een ondeugdelijke politieke stroming. Politiek is een activiteit die dient om de dynamiek van een samenleving in een optimale vorm van rechtvaardigheid te laten resulteren. Je kunt daarom niet volstaan om terug te grijpen op gedachteconstructies die in de Verlichting werden geformuleerd over de oer toestand en het gedrag van de daarin levende mens. Die mens hebben we achter ons gelaten. Wij moeten voortdurend beseffen dat wij een tussenstadium zijn in een evolutionair proces dat leidt naar de sociale mens. Het is trouwens niet alleen de politieke filosofie waarin dit inzicht ontbreekt.

Waarom heet het eigenlijk liberalisme?
Het woord liberalisme is gebaseerde op het Latijnse woord voor vrijheid: libertas.
Liberalisme is dus te vertalen met vrijheidsliefde, vrijzinnigheid of zelfs vrijheidsstrijd. Het is een populaire term onder oprichters van politieke partijen. Wat voor partijen er dan ontstaan hangt af van het soort vrijheid dat men beoogt en wat voor middelen men wil gebruiken om die vrijheid te bewerkstelligen.

Toen ik noch niet zo lang bekend was in Aken, waar ik als toehoorder colleges volg, dacht ik een kortere fietsroute gevonden te hebben die wat minder druk was. Ik stuitte toen echter op een bord waarop een fiets was afgebeeld met het woord Frei er naast. Ik twijfelde; bedoelden ze hier mee vrij zoals wij dat gebruiken in ‘autovrije zondag’? Of bedoelden ze vrije toegang voor fietsen? Het bleek het laatste te zijn. Later zou ik op een van die colleges leren dat die twee gezichten van vrijheid door Isaiah Berlin als  negatieve vrijheid en positieve vrijheid zijn beschreven, waarbij dan de negatieve vrijheid  bestaat uit het vrij zijn of bevrijd zijn van iets en positieve vrijheid de vrijheid tot iets.
Dat is nog al een verschil, en dat betekent dat je onder de vlag van vrijheid alle kanten op kan. En je hoeft maar de beginselprogramma’s van twee politieke partijen die het woord vrijheid in hun naam hebben te bekijken om te zien wat vrijheid allemaal vermag.
En zo geschakeerd als het gebruik van het woord vrijheid is, is ook het palet van liberale stromingen.

Maar over welk soort vrijheid hebben de Urheber van het liberalisme het nu.
Het is dan gebruikelijk om terug te grijpen op John Locke maar soms gaat men nog verder terug te weten tot Thomas Hobbes, die zijn ideeën over de staat als noodzakelijk kwaad ontwikkeld op grond van een door hem geschilderde oer toestand waarin iedereen in oorlog is met iedereen, je dus altijd gevaar loopt en hij omschrijft het leven als ‘solitary, poore, nasty, brutish, and short’.  Dan is het nog beter vindt hij om te leven onder een heerser die een geweldsmonopolie heeft en zich daardoor kan opwerpen als beslechter van geschillen.

De bewoners van de vrijbuitersstaat leveren hierbij een deel van vrijheid (te weten die om elkaar te beroven en de koppen in te slaan) en krijgen daar een zekere mate van veiligheid voor terug.

Dit is een interessant gegeven, want die uitruil van individuele vrijheid tegen maatschappelijke zekerheid is iets wat in heel veel praktische politieke tot op de dag van vandaag een rol speelt. Of het nu gaat om de vraag hoeveel je van je verdiende geld inlevert aan de fiscus of om de vraag tot hoever een overheid zijn burgers mag  bespieden.
En je zou dus kunnen zeggen dat Hobbes als een soort proto-liberaal een vorm van negatieve vrijheid op het oog had.
Dat persoonlijke belang en de afscherming daarvan ten opzicht van de rest is een thema wat altijd in het liberalisme een rol is blijven spelen. Individuele vrijheid is een woord wat vaak in de mond genomen wordt, al laat men er als de eeuwen voorbij gaan steeds vaker op volgen dat dit natuurlijk niet de vrijheid van een ander mag beperken.

Het is goed zo’n uitspraak vanuit het perspectief van Isaiah Berlin te bezien. Die individuele vrijheid (ook vaak in een adem genoemd met individuele ontplooiing) is een positieve vrijheid. Een vrijheid tot, alleen begrenst door de aantasting van die vrijheid van iemand anders door de negatieve vrijheid van de ander dus.

Dit ligt wel ver af van dat mooie begrip van Hutcheson waarmee we begonnen, “the greatest happiness for the greatest number”.
Is het vreemd dat ik het liberalisme alleen maar kan ervaren als een bundel stromingen die in gradaties van bruut tot redelijk beschaafd zich bezighoudt met het verdedigen van het eigenbelang?

Ooggetuige van de schepping

woensdag 3 juli, 2013

De eerste scheppingsdag, het ontstaan van hemel en aarde, duurt nu al 13.810.000.000 jaar en we weten nog steeds niet of het ochtend of middag is.

Het is met dit soort hybride constateringen dat iemand moet omgaan die astrofysica en christelijke overlevering met elkaar probeert te verzoenen.
En eerlijk gezegd kan ik niet geloven dat er mensen zijn die werkelijk deze twee visies op het bestaan kunnen verenigen.
Dit komt niet omdat ik geen begrip kan opbrengen voor religie.
Ik begrijp de behoefte aan religie heel goed vanuit mijn eigen onderzoekingen naar de essentie van het bestaan en de raadselachtigheid daarvan, die niet te ontlopen schijnt te zijn.

Nee, waar ik niet bij kan, is dat iemand die zich bekend heeft tot de logische discipline die wetenschap in haar beste vorm kenmerkt, zo’n luie oplossing als religie voor alles wat nog niet verklaard is kan accepteren.
Ik wil allerminst beweren, dat iemand die een godsdienst aanvaardt voor een makkelijke manier van leven kiest. Misschien wel in tegendeel. Maar ik vind wel dat hij of zij filosofisch tekortschiet door voor alle nog niet (of misschien wel nooit) logisch te beantwoorden vragen met één containerverklaring te komen.
Maar bovenal verbaas ik me over de manier waarop ‘de mensen van het Boek’ over de schepping denken.
OK op een paar zeer orthodoxe stromingen na, wil de gemiddelde christen wel toegeven dat het scheppingsverhaal zoals opgetekend in Genesis een metafoor  is, maar zij gaan wel uit van een door God voltooid werk. En in dat woord voltooid zit bij mij de kern van mijn onbegrip.

Wanneer ik hier en in de titel het woord schepping gebruik voor de ontwikkeling van het heelal en omstreken en alles wat zich daarop -in, -boven of -onder bevindt, dan is dat omdat dit nu eenmaal een ingeburgerd begrip is. Ik zelf zou dit woord echter liever niet gebruiken omdat het het optreden van een schepper veronderstelt en bovendien uit de geschriften bekend is als iets wat voltooid is. In plaats daarvan zou ik liever over de wording spreken.

Dat de joden, christenen en moslims wél uitgaan van een voltooide schepping is begrijpelijk als je bedenkt dat zij die schepping zien als het werk van een almachtige en tevens onfeilbare god.
Het zou niet passen om een dergelijke schepper te zien als een werker die continu bezig is aan een werk waarvan het einde niet in zicht is en het eindresultaat onbekend.
Nee het werk van een onfeilbare kracht kan niet anders zijn dan volmaakt. In één woord: af.

Als je nu terugkijkt naar de tijd waarin de grote monotheïstische godsdiensten zijn ontstaan, en daarbij in ogenschouw neemt dat de mensen het niet zichtbare meestal proberen te beschrijven met metaforen uit de zichtbare wereld, dan is het niet verrassend dat de Almachtige wordt aangeduid met termen als de Koning der koningen of de Heer der heren. (zie Daniël 8 :25, 1Timotheüs 6:15, Openbaring 17:14, 19:16).

Die metafoor werkt trouwens naar twee kanten:
De toenmalige wereldlijke heersers waren niet de onschuldige lintenknippers van nu, die voorzien in de spirituele behoeften van operetteliefhebbers. maar autoritaire figuren die met harde hand de wetten handhaafden waar zij zelfs boven stonden, zoals de almachtige ook boven de natuurwetten stond als dat zo uitkwam.
Het kwam dus goed uit om hun macht te ‘legitimeren’ door zich zelf als uitvoerder van god’s wil te presenteren.
En zo evolueerde het christendom in Rome in de kortste keren van vervolgde sekte tot staatsgodsdienst die geen andere geloven naast zich duldde. En tot op de dag als vandaag kan het dus dat Guantánamo Bay gevestigd is in een voorpost van Gods Own Country, terwijl de Westbank en de Gazastrook tot het toen al Beloofde Land van het Joodse Volk behoren, zijn de Britse monarchen Verdediger des (inmiddels aangepaste) Geloofs, en zal de Gratie Gods er t.z.t. voor zorgen dat het nageslacht van de huizen Von Lippe Bisterfeld en Zorreguieta de Nederlandse Troon zal bestijgen.

Het is eigenlijk ook niet zo heel opmerkelijk, dat de opkomst van het monotheïsme (lees de alleenheersende goden) gepaard ging met grote geopolitieke ambities uitmondend in een profeet die tevens veldheer was, een Heilig Rooms Rijk, kruistochten kortom tot conflicten die tot op de dag van vandaag levens verwoesten en ons denken vergiftigen.

Je kunt dus zeggen dat de omhelzing van kerk en staat, of op z’n minst de vermenging van religie en politieke ideologieën niet bepaald in het voordeel van de rechten van de mens hebben gewerkt.
Je zou je dus kunnen afvragen als het monotheïsme niet beter had kunnen ontstaan in een tijdperk waarin de politieke en bestuurlijke ontwikkeling verder gevorderd was. Laten we zeggen in een goed functionerende democratie, waarin ook wat meer inzicht bestond in de oorzaken en wetmatigheden van wat wij om ons heen waarnemen.
Maar vraag je je dan meteen af, zou er in zo’n tijdperk dan nog wel behoefte zijn aan een autocratische religie?

Als de behoefte aan religie alleen zou voortkomen uit een zoektocht naar de onzichtbare hand die de sterren beweegt, dan is die kans natuurlijk klein. Maar de behoefte aan religie is niet alleen terug te voeren tot het zoeken naar dat antwoord. Religie ontstaat misschien nog wel meer uit een behoefte aan transcendentie.
Het is echter te eenvoudig om die behoefte aan transcendentie te reduceren tot het hebben van moeite met de eigen eindigheid.
Maar het gegeven dat wij slechts een korte tijd getuigen zijn van ‘alles wat er is’ en verstoken zullen blijven van ‘alles wat er mogelijk zal zijn’ zal bij de denkende en voelende mens al gauw de vraag oproepen wat daarvan de consequenties zijn.
Het antwoord hierop kan zijn zich een deur te denken die toch toegang biedt tot het ‘namijmaals’.  Of te kiezen voor de spanning tussen het gezichtspunt van een groter geheel en het besef van eigen eindigheid.
De stap om naar het eigen leven te kijken in het licht van het voortdurende (wellicht eeuwige) wat door Spinoza ‘sub specie aeternitatis’ is genoemd is voor veel filosofen, maar ook voor veel mensen zoals jij en ik aanleiding geweest om over de zin en invulling van het eigen leven na te denken.
Wat de uitkomst van die gedachtegang is verschilt per filosoof. Er zijn er die tot de conclusie komen dat vanuit dat perspectief bezien elke persoonlijke overweging, elke persoonlijke handeling onbetekenend is, terwijl anderen dat juist ontkennen.

Een prettig leesbare samenvatting hiervan is te vinden op
http://www.tandfonline.com/doi/pdf/10.1080/00048402.2010.527354
Iddo Landau (2011): The Meaning of Life Sub Specie Aeternitatis, Australasian Journal of Philosophy, 89:4, 727-734.

In dit artikel wordt onder meer verwezen naar Thomas Nagel die tegenover sub specie aeternitatis het perspectief  sub specie humanitatis stelt. Dus vanuit het zicht van de mens (of de mensheid, dat is niet helemaal duidelijk).

Het eerste perspectief zijnde: van buiten af, objectief, afstandelijk en onpersoonlijk – het tweede van binnen uit, subjectief, betrokken en persoonlijk. En hij zegt dat die twee benaderingen met elkaar conflicteren.

Daar valt wel een en ander tegen in te brengen:

In de eerste plaats is de constructie van die externe, objectieve, afstandelijke onpersoonlijke blik een product van de interne, subjectieve, betrokken, persoonlijke geest van de tot de mensheid behorende heer Nagel.
Maar er wringt bij mij nog iets meer:

In de filosofie colleges die ik de afgelopen semesters op hoge leeftijd (75+) als toehoorder gevolgd heb, ben ik zonder voorafgaande scholing midden in zo’n leergang gevallen en heb ik natuurlijk heel wat moeten naslaan om me de strekking van vele gebezigde termen eigen te maken.
Maar ik heb daarbij ontdekt, dat ook dit nadeel (zoals een bekende Amsterdamse filosoof al stelde) zijn voordeel heeft.

Zonder beïnvloed c.q. geïmponeerd te zijn door erkende filosofen, heb ik in mijn bestaan een eigen visie op het ‘er zijn’ kunnen ontwikkelen.

De confrontatie van deze amateur bevindingen met het grote werk leverde heel af en toe “zèg ik” ervaringen, maar veel vaker “Oh, zit dat zo” of “Nou snap ik het” ervaringen op.

Maar er bleven twee dingen schuren.
Ten eerste, de neiging om antwoorden te zoeken van binaire aard:
Iets is wel waar of niet waar. Iets bestaat wel of niets.
Terwijl antwoorden met woorden als ‘ten dele’ of ‘soms’ of ‘dat ‘hangt er van af” als zijnde niet filosofisch worden afgewezen.

Ook de categorie ‘niet (door mensen) beantwoordbare vragen’ wordt ontkend of naar de afdeling kennistheorie (een soort asielzoekers opvangcentrum van de filosofie) verwezen.
Het tweede wat mij opgevallen is dat er toch wel heel sterk vanuit en over de individuele mens gedacht wordt, en de mens niet gezien wordt als een momentopname van een biologisch, cultureel en historisch proces. Als een neuron van en zich ontwikkelend collectief brein.
Een verschijnsel dat voortgekomen is uit de oerknal en opgevat kan worden als materie die (zich) een bewustzijn ontwikkelt.
Iets wat me zelfs sub specie aeternitatis een behoorlijk spectaculaire ontwikkeling lijkt!

Het mag dan zo zijn dat het wel of niet bestaan van één individu een minimale of helemaal geen invloed zal hebben, het bestaan van de mensheid in zijn geheel heeft dit wel. Ook al zal dat in strikt materiële zin een kleine invloed zijn.
We zullen wellicht de baan van een meteoriet kunnen veranderen, maar niet van een planeet, ster of zonnestelsel.
Maar het toevoegen van bewustzijn aan de materie is wel iets waaraan wij gezamenlijk deelnemen of bijdragen.
De tweedeling van Nagel, is dus niet meer dan een tegenstelling van twee vooringenomenheden.

Betekent dit nu ook iets voor het individu?
Ik denk van wel. Immers, de mensheid bestaat bij de gratie van a) alle mensen en b) hun interactie.
Het scanderen van “Wir sind das Volk” heeft de muur doen instorten. En elk van die dappere mensen die besloot om hier aan mee te doen heeft door dit besluit het bestaan van de vrije wil aangetoond, heeft het rechtsgevoel laten zegevieren over de angst voor mogelijke gevolgen, heeft zijn eigen belang ondergeschikt gemaakt aan een groter doel en heeft zo meegeschreven aan een positieve episode van de geschiedenis der mensheid.

Het aantal mensen dat meedeed was doorslaggevend voor het resultaat, maar dat aantal bestond uit al die individuen die die eenzame beslissing namen.
De mensheid bestaat uit alle mensen te samen en hun interactie. Dat betekent dat ieder individu een even belangrijke rol speelt. Ook niets doen is bepalend voor het eindresultaat.

Wie nadenkt over de zin van zijn bestaan, denkt dus ook na over de bestemming van de mensheid.
Alles wat wij doen en laten bepaalt mede het eindresultaat. Weliswaar niet in die mate dat dat wij het kunnen meten. Maar hoewel ons leven te kort is om het eindresultaat te kennen is het lang genoeg om ontwikkelingsrichtingen te kunnen onderscheiden en de richting van ons eigen streven te kunnen bepalen.

Dit besef is een realistisch transcendentie besef. Het geeft ook een nuchter antwoord op de vraag of er leven is na de dood.
Natuurlijk is dat er. (Tenzij jij toevallig de allerlaatste mens bent). Juist dat ‘najoumaals‘ is de zin van jouw hier en nu.

De troost voor de eindigheid van jouw leven is dat je het geluk hebt gehad dat de atomen en moleculen waar jij uit bestaat, in die tijd niet in een plant, een waterval of een stationsgebouw terecht zijn gekomen. Maar terecht zijn gekomen in een constellatie die bewust is en kan waarnemen, denken en genieten. Misschien wel van stationsgebouwen.

Maar door dat bewust zijn mee kan doen aan de voortzetting van wat mensen vroeger en sommigen nog steeds de schepping noemden.

En hier mee hoop ik de tegenstelling tussen aeternitas en humanitas te hebben opgeheven.

Religare noemen ze dat geloof ik.

(Waaruit) bestaat de geest?

dinsdag 7 mei, 2013

Als ik in dit stuk het woord geest gebruik, dan doe ik dat omdat ik dat het woord vindt dat nog het dichtst bij de betekenis van het Engelse mind komt.
Ik bedoel dus de omgeving waarin het bewustzijn van ieder mens actief is.
Wat de precieze aard van het fenomeen geest is, is in kringen van filosofen en neurologen een onderwerp van discussie, en het is de vraag of er door mensen ooit een antwoord op gegeven kan worden is maar zeer de vraag, want als er zo’n antwoord komt, dan zal dit een product van die onderafdeling van de geest zijn die men kennis of wetenschap noemt, en dan hebben we te maken met een geval van (nee, niet weer die slager) van een parlementaire enquête naar het functioneren van de Tweede Kamer.
Misschien is het wel wijsheid er in te berusten dat er een aantal dingen in het bestaan zijn, – zoals het bestaan zelf, en het weten dat we bestaan, en het kunnen denken over wat nog niet bestaat – die we nooit volledig zullen doorgronden. Maar dat hoeft ons er niet van te weerhouden om er zo veel mogelijk van te proberen te begrijpen of op ze minst ons er over te verbazen en te genieten van het mysterie dat in ons woont.

Wat we in elk geval wel weten van de menselijke geest is dat hij werkt zo lang we leven.
Dat wil zeggen zo lang die specifieke dynamiek in ons stoffelijk lichaam heerst die we ‘leven’ noemen.
Waarom ‘specifieke’ dynamiek?
Omdat er na de dood in het ontbindingsproces ook sprake is van een dynamiek, zei het dat die volledig onderworpen is aan het entropie beginsel. Anders gezegd dan vervalt de materie waaruit ons lichaam bestond van geordendheid naar chaos.
Tijdens het leven is er een energietoevoer door onze stofwisseling die ons hoog georganiseerd stelsel van samenwerkende organen verdedigt tegen het terugvallen in de chaos. En op deze manier kunnen we het leven fysisch energetisch verklaren.
Maar wanneer is er nu sprake van geest?
Tijdens de slaap
Ik denk het wel, want ik zie neuronen nog niet in staat om me al dan niet samenhangende verhalen te vertellen, of situaties voor me bedenken waarin ik kiezen moet.
Trouwens, wat dromen betreft, nu ik dit schrijf besef ik ineens dat ik zelf altijd in de eerste persoon aanwezig ben. En ik heb eigenlijk nog nooit iets gehoord over mensen die zichzelf als derde persoon in een droom aantreffen of  situaties dromen waarin ze zelfs helemaal niet voorkomen. Bovendien reageer ik in mijn dromen moreel en ethisch in grote lijnen net zo zoals ik wakend in een soortgelijke situatie doe.  Zij het, dat ik soms in noodgevallen een auto bestuur, terwijl ik geen rijbewijs heb. Maar daar voel ik me in die droom dan ook passend schuldig over.
Kortom er valt in mijn dromen een bij mijn persoon behorend patroon te herkennen die je als mijn karakter of persoonlijkheid zou kunnen benoemen.
Ik hoor wel dat er mensen zijn die in hun dromen andere dingen doen dan zij in wakende toestand zouden doen.
Ik denk dat dat dezelfde mensen zijn die als ze gedronken hebben zich ook anders uiten en/of gedragen.

Kan je nu zeggen dat de geest het zelfde is als de persoon of persoonlijkheid?
Ik denk van niet, maar wel dat beide een relatie tot het bewustzijn hebben.
Dat bewustzijn blijkt als je er over nadenkt (met het ding zelf!) een complex gelaagd fenomeen te zijn.

Je kunt verschillende functies of capaciteiten er in onderscheiden:

  • Het zintuiglijk bewustzijn
  • Het logisch/cognitief bewustzijn
  • Het emotioneel bewustzijn
  • Het zelfbewustzijn

en ik geloof dat je ook zoiets als een associatief bewustzijn kunt onderscheiden, waar je intuïtie woont je vermogen tot patroonherkenning, en je creativiteit.

Het is duidelijk dat zowel de mix als de ontwikkelingsgraad van deze vormen van bewustzijn per individu kan verschillen. En dat maakt dan ook een voor een deel hun persoonlijkheid uit.

Collectief bewustzijn?

Tot nu toe hebben we bewustzijn en geest alleen maar in verband gebracht met het individu, maar dan houden we er geen rekening mee hoeveel van onze kennis en inzicht afkomstig is van onze voorgangers.
Neem alleen al het feit dat we zonder taal niet kunnen denken en dat het feit dat we een hoog ontwikkelde taal hebben en dat overal waar de mens tot ontwikkeling kwam er een taal ontstaan is, dat dove kinderen als ze dat niet geleerd wordt zelf een gebarentaal ontwikkelen, dat alles wijst er op dat communicatie een fundamenteel behoefte van de mens is. En dat de mens een sociaal wezen is dat alleen maar kan en wil bestaan in contact met anderen.
(Al hoef ik alleen maar naar mezelf te kijken om me te realiseren dat niet altijd bij iedereen onder alle omstandigheden duidelijk merkbaar is.)

Het bijzondere aan de taal (waar mee we ons van het dier onderscheiden) is dat die niet alleen bestaat uit een aantal klanken die bij dingen horen, maar dat er ook symbolen bestaan waarmee we een groep dingen kunnen aanduiden, dat we ook woorden hebben voor dingen die niet meer bestaan of nog niet bestaan en voor ontastbare en onstoffelijke zaken.

Dit heeft ons als mensen een enorme uitbreiding van onze mogelijkheden bezorgd. We konden werken met met dingen die er niet waren, omdat we vooruit konden denken. Zonder dat vermogen was er geen landbouw ontstaan en geen steden en universiteiten.

Zelfs in het begin al konden we door de taal kennis nemen van de ervaring van onze tijdgenoten en met de ontwikkeling van het schrift, waardoor we niet meer afhankelijk waren van de mondelinge overlevering, ontstond er versneld een menselijk erfgoed, waaruit in principe iedere nieuwe boreling meteen kon putten.

In principe. Maar dat wil nog niet zeggen dat dat ook op gaat al je niet in Principe, maar in Zutphen of Heerjansdam of welk ander prachtig oord dan ook woont.
De drukpers betekende al een forse stap verbreding van de toegang tot die kennis, en in onze tijd is het internet in de vrije en economisch ontwikkelde delen van de wereld en gelijksoortige sprong in schaal.
Die kennis waar we het hier over hebben gaat natuurlijk niet alleen over de kunst van het brood- of het pottenbakken, maar bijvoorbeeld ook over de loop van de geschiedenis en de gevolgen die die staatkundige politieke beslissingen voor mensen hebben gehad.

In die wolk van kennis die de generaties voor ons hebben verworven, getoetst en verfijnd is echter nog meer opgeslagen: inzichten, morele oordelen en het werk van de grote denkers en kunstenaars voor ons.
En die laatste zin mag je dan lezen als het werk van de grote denkers en kunstenaars vóór ons en als het werk van de grote denkers en kunstenaars voor óns.

In deze wolk van inzicht dus, groeit wat de Engelstaligen zo mooi ‘common sense’ noemen. Een uitdrukking die wij gewoonlijk met gezond verstand vertalen. Maar sense kan in het Engels zowel gevoel als verstand betekenen en common kan gewoon, algemeen en gemeenschappelijk betekenen. Je zou het ook dus kunnen vertalen met ‘de inzichten die de meeste mensen met elkaar delen’.

Kan je dit nu een collectief bewustzijn noemen?
Niet letterlijk, maar je kan het wel het algemeen aanvaard inzicht noemen, het huis van de tijdgeest, en de bron waaruit elk nieuw mens op een of andere manier uit put.

Doorlopend worden wij als individuen geïnspireerd door deze nog steeds groeiende en zich zelf zuiverende bron van kennis en inzicht.

Terug naar de geest

Zojuist is hier het woord inspiratie gevallen. Het is ontstaan uit het Latijnse spiritus wat zowel inademing als geest betekent. In het Nederlands lijkt ingeving een goede vertaling. In elk geval duidt het op iets wat van buitenaf komt.
Eerder heb ik ook al de wolk van menselijke kennis en inzicht als huis van de tijdgeest benoemt, maar gezien de doorlopende communicatie tussen de wolk en het individu, kan je die tijdgeest niet volledig in de wolk plaatsen hij vertakt zich ook in de individuen die in contact met hun tijd en hun omgeving leven.
Dat brengt met tot de veronderstelde definitie van de geest die niet een volledig individueel attribuut is, en evenmin een volledig collectief fenomeen, maar een proces wat zich afspeelt tussen individu en het algemene inzicht en weten.
En ter vermijding van verwarring met religieus getinte opvattingen van geest of de al dan niet onsterfelijk persoonlijk  ziel wil ik benadrukken dat we het hier hebben over de menselijke geest.

De scheppende geest

Het proces waarover ik het in de voorlopige definitie van de geest heb is een er een van interactie. Niet alleen werkt de menselijke geest door in het persoonlijke bewustzijn, vanuit het persoonlijke bewustzijn kan ook bijgedragen worden aan de uitbreiding van de menselijke geest.

Nu is niet iedereen een Shakespeare of een Bach of zelfs maar een Beatle.
Maar dat is ook niet nodig. De wolk groeit al sneller dan enig mens kan bijhouden. Zelfs als we alle onzin bezigheden uit ons leven zouden bannen en ons vlijtig zouden wijden aan het bestuderen van alles wat de menselijke geest heeft voortgebracht, dan zouden we maar een fractie van dat universum leren kennen.

Ieder moet dus keuzes maken. Maar we zouden een ander, die ook een keuze moet maken, kunnen vertellen wat wij hebben gevonden. Over de betere en de slechtere keuzes die we gemaakt hebben, we kunnen het hebben over slimme sluiproutes en lustvolle omzwervingen. Niet alleen met betrekking tot kennis, maar ook met betrekking tot inzicht oordeel en wijsheid.

En als het goed gaat doet iedereen dat ook die kinderen opvoedt of onderwijst. En af en toe zal een van die nazaten dan wellicht iets bijdragen aan de Wolk.

In die zin is de geest onsterfelijk zo lang wij als mensen ons zelf niet direct of indirect via onze aarde vernietigen en is er kans dat dit trage maar anderszins onstuitbare proces van beschaving leidt tot een vreedzame samenleving.

De veren van Rutte

dinsdag 18 september, 2012

Tijdens de verkiezingscampagne van 2012 waarschuwde de lijsttrekker van de VVD in alle toonaarden voor het rode gevaar.
Ja, met die Samsom, had de PvdA de ideologische veren weer aangetrokken.
Dat was – als je eenvoudig redeneert – nog wel een te begrijpen tactiek, maar als je even doordenkt toch een vrij komische manier van argumenteren.

Natuurlijk de gemiddelde kiezer heeft een IQ van 100 en dat betekent dat er globaal even veel mensen het met minder moeten doen als er kiezers zijn die slimmer dan gemiddeld zijn.
Je zou dus kunnen denken dat je met argumenten die domme mensen aanspreken (zoals er dreigt  een GROOT GEVAAR voor Nederland!) de helft van de stemmen binnen kan halen, maar dan vergeet je dat een kwart van de kiesgerechtigden zó dom is dat ze helemaal niet gaan stemmen.

Maar klopt het van die ideologische veren?

Ja, gelukkig wel, zou ik zeggen en daarom zijn er weer honderdduizenden, waarvan het hart op de juiste plaats zit, en dat is zoals u weet links, weer teruggekeerd naar de PvdA, die naar hun smaak een beetje teveel in het centrum was terechtgekomen.
Hopelijk is er zoiets als een partijgeheugen.

Hoewel, enkele weken voor de verkiezingen werd het tweede deel van de keuze van Jolande Withuis voor Zomergasten uitgezonden.
Dat was een enige uren durende douche voor de geest, waardoor je weer van televisie gaat houden. Maar op één punt zou ik iets anders geformuleerd hebben dan zij: Dat was, waar zij zei dat ideologie leidt tot domheid.

Dat is zeker het geval, maar alleen maar als een ideologie wordt opgevat als een systeem van dogma’s. Als je de ideologie gebruikt als een kookboek, zonder dat je elke praktische beslissing vooraf toets aan je eigen gevoel en verstand.

Samsom gebruikte in de debatten enkele malen de goedgekozen metafoor van het kompas. Een richtingaanwijzer met behulp waarvan je koers bepaalt. En die koers kan soms afwijken van de hoofdkoers. Wie bij elke kruising linksaf slaat, komt niet veel vooruit.

Maar wat was er nu zo komisch aan Rutte’s waarschuwing voor die ideologische veren?
Wel dat hij blijkbaar denkt dat wij zo dom zijn dat we niet in de gaten hebben dat liberalisme ook een ideologie is en dat de VVD al jaren rondloopt in een verenpak waarvoor Pino zijn vingers af zou likken.
En voor deze ideologie geldt natuurlijk precies hetzelfde als voor alle andere ideologieën: Als je deze coûte que coûte toepast als een Haarlemmer olie, dan leidt niet alleen tot domheid, maar is dat op zich een manifestatie van blinde domheid.

Natuurlijk er is een verlichte liberale denkwijze die ons prachtige concepten als persvrijheid en vrijheid (en zelfs vrij zijn) van godsdienst heeft gebracht. En die geleid heeft tot prachtige initiatieven als het Kinderwetje van Van Houten.
Maar waar wij de de afgelopen jaren op getrakteerd zijn is een doorgeschoten vorm van marktaanbidding en een consequente verkettering van minder kansrijke mensen.
Het blinde toepassen van een principe, zonder toetsing of dit eigenlijk wel het voorspelde resultaat heeft zie je bijvoorbeeld in de wijze waarop de liberale politici met minder succesvolle mensen omgaat.
Enerzijds zegt men dingen als: ‘Wij kijken niet naar wat mensen niet kunnen, maar naar wat ze wel kunnen’, maar gooit men ondertussen de sociale werkplaatsen dicht.
Verder belijdt men vroom de liberale catechismus die stelt dat inspanning zonder meer leidt tot succes en dat iedereen in dit land de zelfde kansen heeft, maar gooit men de grenzen dicht voor kansarme migranten. Hoezo kansarm? Iedereen heeft toch de zelfde kansen?

Er moet een oorzaak zijn dat intelligente mensen toch tot zo’n ideologie verleid kunnen worden.
Het heeft er waarschijnlijk mee te maken dat iedere ideologie zijn platte variant baart. Zoals er een plat links is van ‘geen gezeik, iedereen rijk’ trekken ook partijen die het woord ‘vrijheid’ in hun naam hebben ook mensen die daarmee uitsluitend hún vrijheid op het oog hebben. In die vorm – en ik zeg nadrukkelijk in díe vorm – is liberalisme niet veel meer dan egoïsme in een cadeauverpakking!

Waar werkt het liberalisme nu deze ontsporing in de hand?

Iedereen weet dat mensen van nature bepaalde vaardigheden meekregen. Sommige wat meer en anderen wat minder. Een aantal basisvaardigheden hebben we nodig, om ons, als we eenmaal volwassen zijn staande te houden. En bij de meeste mensen lukt dat dank zij opvoeding en onderwijs ook wel.
Mensen die bij hun geboorte wat minder talenten hebben meegekregen zullen zich meer moeten inspannen om zelfstandig voort te kunnen dan mensen die meer talenten hebben meegekregen, of waarvan de talenten nooit of pas laat ontdekt worden.

Maar hoe dan ook talenten zijn geen bomen waar de prachtigste vruchten aan hangen te wachten om geplukt te worden, maar het zijn kiemen die opgekweekt moeten worden tot vruchtdragende planten. En daarom hebben we een groot gebouw van wetenschappelijk- en beroepsonderwijs opgetrokken waarin we onze talenten tot volle wasdom kunnen brengen.

Maar onderwijs, training en inspanning zullen nooit een alt tot sopraan omscholen, een succesvolle dove dirigent opleveren, of van schrijver dezes een kunstschilder maken. Het enige wat mogelijk is, is het aanwezige talent maximaal te ontwikkelen.
Toen op de middelbare school waar ik zat, onze wiskundeleraar met pensioen ging, gingen de rapportcijfers over de hele klas met gemiddeld twee punten omhoog, en de zelfde leraar sleepte iedereen het jaar daarop door het eindexamen.
Als een kind in een bepaald vak niet goed meekomt, kan bijles vaak helpen. Misschien niet door dat er dan méér les op het kind wordt losgelaten, maar kan ánders les het verschil al maken. Maar zoiets gebeurt alleen maar als de ouders van dat kind bijles kunnen betalen.
En wat die ouders ook moeten beseffen, is dat resultaten niet alleen afhankelijk zijn van inspanning (‘dan moet je gewoon maar wat beter je best doen’) en ook niet alleen van aanleg, maar van een combinatie van talent, inspanning  en kansen.
En dat je alleen maar kansen kan grijpen als er kansen geboden worden.

En hier zit nu precies de blinde vlek van het plat-liberalisme.
In het VVD electoraat zijn bemiddelde en anderszins succesvolle mensen oververtegenwoordigd. Die mensen zullen vaak trots zijn op hun succes en hebben daar het volste recht toe als ze dat uitsluitend aan hun eigen harde werken hebben te danken.
Maar het rechtvaardigt niet de conclusie dat minder succesvolle mensen ‘dus’ minder hard gewerkt hebben.

Ik kan niet beoordelen of bij iedereen die zo mensen-schiftend denkt, nu alleen maar sprake is van een zekere blindheid, of dat dit ook een comfortabele manier van denken is om te ontkomen aan verantwoordelijkheid voor de ander.

Want al valt er iets te zeggen voor een zeker recht op de vruchten van eigen inspanning,  er is maar weinig te zeggen voor het recht op vruchten van je voorsprong.

OK. Dit is geen politiek argument, maar een ethisch argument.

Daar zijn socialisten en confessionelen nu eenmaal vaak een stukje verder in.


%d bloggers liken dit: