Posts Tagged ‘schepping’

Ooggetuige van de schepping

woensdag 3 juli, 2013

De eerste scheppingsdag, het ontstaan van hemel en aarde, duurt nu al 13.810.000.000 jaar en we weten nog steeds niet of het ochtend of middag is.

Het is met dit soort hybride constateringen dat iemand moet omgaan die astrofysica en christelijke overlevering met elkaar probeert te verzoenen.
En eerlijk gezegd kan ik niet geloven dat er mensen zijn die werkelijk deze twee visies op het bestaan kunnen verenigen.
Dit komt niet omdat ik geen begrip kan opbrengen voor religie.
Ik begrijp de behoefte aan religie heel goed vanuit mijn eigen onderzoekingen naar de essentie van het bestaan en de raadselachtigheid daarvan, die niet te ontlopen schijnt te zijn.

Nee, waar ik niet bij kan, is dat iemand die zich bekend heeft tot de logische discipline die wetenschap in haar beste vorm kenmerkt, zo’n luie oplossing als religie voor alles wat nog niet verklaard is kan accepteren.
Ik wil allerminst beweren, dat iemand die een godsdienst aanvaardt voor een makkelijke manier van leven kiest. Misschien wel in tegendeel. Maar ik vind wel dat hij of zij filosofisch tekortschiet door voor alle nog niet (of misschien wel nooit) logisch te beantwoorden vragen met één containerverklaring te komen.
Maar bovenal verbaas ik me over de manier waarop ‘de mensen van het Boek’ over de schepping denken.
OK op een paar zeer orthodoxe stromingen na, wil de gemiddelde christen wel toegeven dat het scheppingsverhaal zoals opgetekend in Genesis een metafoor  is, maar zij gaan wel uit van een door God voltooid werk. En in dat woord voltooid zit bij mij de kern van mijn onbegrip.

Wanneer ik hier en in de titel het woord schepping gebruik voor de ontwikkeling van het heelal en omstreken en alles wat zich daarop -in, -boven of -onder bevindt, dan is dat omdat dit nu eenmaal een ingeburgerd begrip is. Ik zelf zou dit woord echter liever niet gebruiken omdat het het optreden van een schepper veronderstelt en bovendien uit de geschriften bekend is als iets wat voltooid is. In plaats daarvan zou ik liever over de wording spreken.

Dat de joden, christenen en moslims wél uitgaan van een voltooide schepping is begrijpelijk als je bedenkt dat zij die schepping zien als het werk van een almachtige en tevens onfeilbare god.
Het zou niet passen om een dergelijke schepper te zien als een werker die continu bezig is aan een werk waarvan het einde niet in zicht is en het eindresultaat onbekend.
Nee het werk van een onfeilbare kracht kan niet anders zijn dan volmaakt. In één woord: af.

Als je nu terugkijkt naar de tijd waarin de grote monotheïstische godsdiensten zijn ontstaan, en daarbij in ogenschouw neemt dat de mensen het niet zichtbare meestal proberen te beschrijven met metaforen uit de zichtbare wereld, dan is het niet verrassend dat de Almachtige wordt aangeduid met termen als de Koning der koningen of de Heer der heren. (zie Daniël 8 :25, 1Timotheüs 6:15, Openbaring 17:14, 19:16).

Die metafoor werkt trouwens naar twee kanten:
De toenmalige wereldlijke heersers waren niet de onschuldige lintenknippers van nu, die voorzien in de spirituele behoeften van operetteliefhebbers. maar autoritaire figuren die met harde hand de wetten handhaafden waar zij zelfs boven stonden, zoals de almachtige ook boven de natuurwetten stond als dat zo uitkwam.
Het kwam dus goed uit om hun macht te ‘legitimeren’ door zich zelf als uitvoerder van god’s wil te presenteren.
En zo evolueerde het christendom in Rome in de kortste keren van vervolgde sekte tot staatsgodsdienst die geen andere geloven naast zich duldde. En tot op de dag als vandaag kan het dus dat Guantánamo Bay gevestigd is in een voorpost van Gods Own Country, terwijl de Westbank en de Gazastrook tot het toen al Beloofde Land van het Joodse Volk behoren, zijn de Britse monarchen Verdediger des (inmiddels aangepaste) Geloofs, en zal de Gratie Gods er t.z.t. voor zorgen dat het nageslacht van de huizen Von Lippe Bisterfeld en Zorreguieta de Nederlandse Troon zal bestijgen.

Het is eigenlijk ook niet zo heel opmerkelijk, dat de opkomst van het monotheïsme (lees de alleenheersende goden) gepaard ging met grote geopolitieke ambities uitmondend in een profeet die tevens veldheer was, een Heilig Rooms Rijk, kruistochten kortom tot conflicten die tot op de dag van vandaag levens verwoesten en ons denken vergiftigen.

Je kunt dus zeggen dat de omhelzing van kerk en staat, of op z’n minst de vermenging van religie en politieke ideologieën niet bepaald in het voordeel van de rechten van de mens hebben gewerkt.
Je zou je dus kunnen afvragen als het monotheïsme niet beter had kunnen ontstaan in een tijdperk waarin de politieke en bestuurlijke ontwikkeling verder gevorderd was. Laten we zeggen in een goed functionerende democratie, waarin ook wat meer inzicht bestond in de oorzaken en wetmatigheden van wat wij om ons heen waarnemen.
Maar vraag je je dan meteen af, zou er in zo’n tijdperk dan nog wel behoefte zijn aan een autocratische religie?

Als de behoefte aan religie alleen zou voortkomen uit een zoektocht naar de onzichtbare hand die de sterren beweegt, dan is die kans natuurlijk klein. Maar de behoefte aan religie is niet alleen terug te voeren tot het zoeken naar dat antwoord. Religie ontstaat misschien nog wel meer uit een behoefte aan transcendentie.
Het is echter te eenvoudig om die behoefte aan transcendentie te reduceren tot het hebben van moeite met de eigen eindigheid.
Maar het gegeven dat wij slechts een korte tijd getuigen zijn van ‘alles wat er is’ en verstoken zullen blijven van ‘alles wat er mogelijk zal zijn’ zal bij de denkende en voelende mens al gauw de vraag oproepen wat daarvan de consequenties zijn.
Het antwoord hierop kan zijn zich een deur te denken die toch toegang biedt tot het ‘namijmaals’.  Of te kiezen voor de spanning tussen het gezichtspunt van een groter geheel en het besef van eigen eindigheid.
De stap om naar het eigen leven te kijken in het licht van het voortdurende (wellicht eeuwige) wat door Spinoza ‘sub specie aeternitatis’ is genoemd is voor veel filosofen, maar ook voor veel mensen zoals jij en ik aanleiding geweest om over de zin en invulling van het eigen leven na te denken.
Wat de uitkomst van die gedachtegang is verschilt per filosoof. Er zijn er die tot de conclusie komen dat vanuit dat perspectief bezien elke persoonlijke overweging, elke persoonlijke handeling onbetekenend is, terwijl anderen dat juist ontkennen.

Een prettig leesbare samenvatting hiervan is te vinden op
http://www.tandfonline.com/doi/pdf/10.1080/00048402.2010.527354
Iddo Landau (2011): The Meaning of Life Sub Specie Aeternitatis, Australasian Journal of Philosophy, 89:4, 727-734.

In dit artikel wordt onder meer verwezen naar Thomas Nagel die tegenover sub specie aeternitatis het perspectief  sub specie humanitatis stelt. Dus vanuit het zicht van de mens (of de mensheid, dat is niet helemaal duidelijk).

Het eerste perspectief zijnde: van buiten af, objectief, afstandelijk en onpersoonlijk – het tweede van binnen uit, subjectief, betrokken en persoonlijk. En hij zegt dat die twee benaderingen met elkaar conflicteren.

Daar valt wel een en ander tegen in te brengen:

In de eerste plaats is de constructie van die externe, objectieve, afstandelijke onpersoonlijke blik een product van de interne, subjectieve, betrokken, persoonlijke geest van de tot de mensheid behorende heer Nagel.
Maar er wringt bij mij nog iets meer:

In de filosofie colleges die ik de afgelopen semesters op hoge leeftijd (75+) als toehoorder gevolgd heb, ben ik zonder voorafgaande scholing midden in zo’n leergang gevallen en heb ik natuurlijk heel wat moeten naslaan om me de strekking van vele gebezigde termen eigen te maken.
Maar ik heb daarbij ontdekt, dat ook dit nadeel (zoals een bekende Amsterdamse filosoof al stelde) zijn voordeel heeft.

Zonder beïnvloed c.q. geïmponeerd te zijn door erkende filosofen, heb ik in mijn bestaan een eigen visie op het ‘er zijn’ kunnen ontwikkelen.

De confrontatie van deze amateur bevindingen met het grote werk leverde heel af en toe “zèg ik” ervaringen, maar veel vaker “Oh, zit dat zo” of “Nou snap ik het” ervaringen op.

Maar er bleven twee dingen schuren.
Ten eerste, de neiging om antwoorden te zoeken van binaire aard:
Iets is wel waar of niet waar. Iets bestaat wel of niets.
Terwijl antwoorden met woorden als ‘ten dele’ of ‘soms’ of ‘dat ‘hangt er van af” als zijnde niet filosofisch worden afgewezen.

Ook de categorie ‘niet (door mensen) beantwoordbare vragen’ wordt ontkend of naar de afdeling kennistheorie (een soort asielzoekers opvangcentrum van de filosofie) verwezen.
Het tweede wat mij opgevallen is dat er toch wel heel sterk vanuit en over de individuele mens gedacht wordt, en de mens niet gezien wordt als een momentopname van een biologisch, cultureel en historisch proces. Als een neuron van en zich ontwikkelend collectief brein.
Een verschijnsel dat voortgekomen is uit de oerknal en opgevat kan worden als materie die (zich) een bewustzijn ontwikkelt.
Iets wat me zelfs sub specie aeternitatis een behoorlijk spectaculaire ontwikkeling lijkt!

Het mag dan zo zijn dat het wel of niet bestaan van één individu een minimale of helemaal geen invloed zal hebben, het bestaan van de mensheid in zijn geheel heeft dit wel. Ook al zal dat in strikt materiële zin een kleine invloed zijn.
We zullen wellicht de baan van een meteoriet kunnen veranderen, maar niet van een planeet, ster of zonnestelsel.
Maar het toevoegen van bewustzijn aan de materie is wel iets waaraan wij gezamenlijk deelnemen of bijdragen.
De tweedeling van Nagel, is dus niet meer dan een tegenstelling van twee vooringenomenheden.

Betekent dit nu ook iets voor het individu?
Ik denk van wel. Immers, de mensheid bestaat bij de gratie van a) alle mensen en b) hun interactie.
Het scanderen van “Wir sind das Volk” heeft de muur doen instorten. En elk van die dappere mensen die besloot om hier aan mee te doen heeft door dit besluit het bestaan van de vrije wil aangetoond, heeft het rechtsgevoel laten zegevieren over de angst voor mogelijke gevolgen, heeft zijn eigen belang ondergeschikt gemaakt aan een groter doel en heeft zo meegeschreven aan een positieve episode van de geschiedenis der mensheid.

Het aantal mensen dat meedeed was doorslaggevend voor het resultaat, maar dat aantal bestond uit al die individuen die die eenzame beslissing namen.
De mensheid bestaat uit alle mensen te samen en hun interactie. Dat betekent dat ieder individu een even belangrijke rol speelt. Ook niets doen is bepalend voor het eindresultaat.

Wie nadenkt over de zin van zijn bestaan, denkt dus ook na over de bestemming van de mensheid.
Alles wat wij doen en laten bepaalt mede het eindresultaat. Weliswaar niet in die mate dat dat wij het kunnen meten. Maar hoewel ons leven te kort is om het eindresultaat te kennen is het lang genoeg om ontwikkelingsrichtingen te kunnen onderscheiden en de richting van ons eigen streven te kunnen bepalen.

Dit besef is een realistisch transcendentie besef. Het geeft ook een nuchter antwoord op de vraag of er leven is na de dood.
Natuurlijk is dat er. (Tenzij jij toevallig de allerlaatste mens bent). Juist dat ‘najoumaals‘ is de zin van jouw hier en nu.

De troost voor de eindigheid van jouw leven is dat je het geluk hebt gehad dat de atomen en moleculen waar jij uit bestaat, in die tijd niet in een plant, een waterval of een stationsgebouw terecht zijn gekomen. Maar terecht zijn gekomen in een constellatie die bewust is en kan waarnemen, denken en genieten. Misschien wel van stationsgebouwen.

Maar door dat bewust zijn mee kan doen aan de voortzetting van wat mensen vroeger en sommigen nog steeds de schepping noemden.

En hier mee hoop ik de tegenstelling tussen aeternitas en humanitas te hebben opgeheven.

Religare noemen ze dat geloof ik.

Advertenties

(Waaruit) bestaat de geest?

dinsdag 7 mei, 2013

Als ik in dit stuk het woord geest gebruik, dan doe ik dat omdat ik dat het woord vindt dat nog het dichtst bij de betekenis van het Engelse mind komt.
Ik bedoel dus de omgeving waarin het bewustzijn van ieder mens actief is.
Wat de precieze aard van het fenomeen geest is, is in kringen van filosofen en neurologen een onderwerp van discussie, en het is de vraag of er door mensen ooit een antwoord op gegeven kan worden is maar zeer de vraag, want als er zo’n antwoord komt, dan zal dit een product van die onderafdeling van de geest zijn die men kennis of wetenschap noemt, en dan hebben we te maken met een geval van (nee, niet weer die slager) van een parlementaire enquête naar het functioneren van de Tweede Kamer.
Misschien is het wel wijsheid er in te berusten dat er een aantal dingen in het bestaan zijn, – zoals het bestaan zelf, en het weten dat we bestaan, en het kunnen denken over wat nog niet bestaat – die we nooit volledig zullen doorgronden. Maar dat hoeft ons er niet van te weerhouden om er zo veel mogelijk van te proberen te begrijpen of op ze minst ons er over te verbazen en te genieten van het mysterie dat in ons woont.

Wat we in elk geval wel weten van de menselijke geest is dat hij werkt zo lang we leven.
Dat wil zeggen zo lang die specifieke dynamiek in ons stoffelijk lichaam heerst die we ‘leven’ noemen.
Waarom ‘specifieke’ dynamiek?
Omdat er na de dood in het ontbindingsproces ook sprake is van een dynamiek, zei het dat die volledig onderworpen is aan het entropie beginsel. Anders gezegd dan vervalt de materie waaruit ons lichaam bestond van geordendheid naar chaos.
Tijdens het leven is er een energietoevoer door onze stofwisseling die ons hoog georganiseerd stelsel van samenwerkende organen verdedigt tegen het terugvallen in de chaos. En op deze manier kunnen we het leven fysisch energetisch verklaren.
Maar wanneer is er nu sprake van geest?
Tijdens de slaap
Ik denk het wel, want ik zie neuronen nog niet in staat om me al dan niet samenhangende verhalen te vertellen, of situaties voor me bedenken waarin ik kiezen moet.
Trouwens, wat dromen betreft, nu ik dit schrijf besef ik ineens dat ik zelf altijd in de eerste persoon aanwezig ben. En ik heb eigenlijk nog nooit iets gehoord over mensen die zichzelf als derde persoon in een droom aantreffen of  situaties dromen waarin ze zelfs helemaal niet voorkomen. Bovendien reageer ik in mijn dromen moreel en ethisch in grote lijnen net zo zoals ik wakend in een soortgelijke situatie doe.  Zij het, dat ik soms in noodgevallen een auto bestuur, terwijl ik geen rijbewijs heb. Maar daar voel ik me in die droom dan ook passend schuldig over.
Kortom er valt in mijn dromen een bij mijn persoon behorend patroon te herkennen die je als mijn karakter of persoonlijkheid zou kunnen benoemen.
Ik hoor wel dat er mensen zijn die in hun dromen andere dingen doen dan zij in wakende toestand zouden doen.
Ik denk dat dat dezelfde mensen zijn die als ze gedronken hebben zich ook anders uiten en/of gedragen.

Kan je nu zeggen dat de geest het zelfde is als de persoon of persoonlijkheid?
Ik denk van niet, maar wel dat beide een relatie tot het bewustzijn hebben.
Dat bewustzijn blijkt als je er over nadenkt (met het ding zelf!) een complex gelaagd fenomeen te zijn.

Je kunt verschillende functies of capaciteiten er in onderscheiden:

  • Het zintuiglijk bewustzijn
  • Het logisch/cognitief bewustzijn
  • Het emotioneel bewustzijn
  • Het zelfbewustzijn

en ik geloof dat je ook zoiets als een associatief bewustzijn kunt onderscheiden, waar je intuïtie woont je vermogen tot patroonherkenning, en je creativiteit.

Het is duidelijk dat zowel de mix als de ontwikkelingsgraad van deze vormen van bewustzijn per individu kan verschillen. En dat maakt dan ook een voor een deel hun persoonlijkheid uit.

Collectief bewustzijn?

Tot nu toe hebben we bewustzijn en geest alleen maar in verband gebracht met het individu, maar dan houden we er geen rekening mee hoeveel van onze kennis en inzicht afkomstig is van onze voorgangers.
Neem alleen al het feit dat we zonder taal niet kunnen denken en dat het feit dat we een hoog ontwikkelde taal hebben en dat overal waar de mens tot ontwikkeling kwam er een taal ontstaan is, dat dove kinderen als ze dat niet geleerd wordt zelf een gebarentaal ontwikkelen, dat alles wijst er op dat communicatie een fundamenteel behoefte van de mens is. En dat de mens een sociaal wezen is dat alleen maar kan en wil bestaan in contact met anderen.
(Al hoef ik alleen maar naar mezelf te kijken om me te realiseren dat niet altijd bij iedereen onder alle omstandigheden duidelijk merkbaar is.)

Het bijzondere aan de taal (waar mee we ons van het dier onderscheiden) is dat die niet alleen bestaat uit een aantal klanken die bij dingen horen, maar dat er ook symbolen bestaan waarmee we een groep dingen kunnen aanduiden, dat we ook woorden hebben voor dingen die niet meer bestaan of nog niet bestaan en voor ontastbare en onstoffelijke zaken.

Dit heeft ons als mensen een enorme uitbreiding van onze mogelijkheden bezorgd. We konden werken met met dingen die er niet waren, omdat we vooruit konden denken. Zonder dat vermogen was er geen landbouw ontstaan en geen steden en universiteiten.

Zelfs in het begin al konden we door de taal kennis nemen van de ervaring van onze tijdgenoten en met de ontwikkeling van het schrift, waardoor we niet meer afhankelijk waren van de mondelinge overlevering, ontstond er versneld een menselijk erfgoed, waaruit in principe iedere nieuwe boreling meteen kon putten.

In principe. Maar dat wil nog niet zeggen dat dat ook op gaat al je niet in Principe, maar in Zutphen of Heerjansdam of welk ander prachtig oord dan ook woont.
De drukpers betekende al een forse stap verbreding van de toegang tot die kennis, en in onze tijd is het internet in de vrije en economisch ontwikkelde delen van de wereld en gelijksoortige sprong in schaal.
Die kennis waar we het hier over hebben gaat natuurlijk niet alleen over de kunst van het brood- of het pottenbakken, maar bijvoorbeeld ook over de loop van de geschiedenis en de gevolgen die die staatkundige politieke beslissingen voor mensen hebben gehad.

In die wolk van kennis die de generaties voor ons hebben verworven, getoetst en verfijnd is echter nog meer opgeslagen: inzichten, morele oordelen en het werk van de grote denkers en kunstenaars voor ons.
En die laatste zin mag je dan lezen als het werk van de grote denkers en kunstenaars vóór ons en als het werk van de grote denkers en kunstenaars voor óns.

In deze wolk van inzicht dus, groeit wat de Engelstaligen zo mooi ‘common sense’ noemen. Een uitdrukking die wij gewoonlijk met gezond verstand vertalen. Maar sense kan in het Engels zowel gevoel als verstand betekenen en common kan gewoon, algemeen en gemeenschappelijk betekenen. Je zou het ook dus kunnen vertalen met ‘de inzichten die de meeste mensen met elkaar delen’.

Kan je dit nu een collectief bewustzijn noemen?
Niet letterlijk, maar je kan het wel het algemeen aanvaard inzicht noemen, het huis van de tijdgeest, en de bron waaruit elk nieuw mens op een of andere manier uit put.

Doorlopend worden wij als individuen geïnspireerd door deze nog steeds groeiende en zich zelf zuiverende bron van kennis en inzicht.

Terug naar de geest

Zojuist is hier het woord inspiratie gevallen. Het is ontstaan uit het Latijnse spiritus wat zowel inademing als geest betekent. In het Nederlands lijkt ingeving een goede vertaling. In elk geval duidt het op iets wat van buitenaf komt.
Eerder heb ik ook al de wolk van menselijke kennis en inzicht als huis van de tijdgeest benoemt, maar gezien de doorlopende communicatie tussen de wolk en het individu, kan je die tijdgeest niet volledig in de wolk plaatsen hij vertakt zich ook in de individuen die in contact met hun tijd en hun omgeving leven.
Dat brengt met tot de veronderstelde definitie van de geest die niet een volledig individueel attribuut is, en evenmin een volledig collectief fenomeen, maar een proces wat zich afspeelt tussen individu en het algemene inzicht en weten.
En ter vermijding van verwarring met religieus getinte opvattingen van geest of de al dan niet onsterfelijk persoonlijk  ziel wil ik benadrukken dat we het hier hebben over de menselijke geest.

De scheppende geest

Het proces waarover ik het in de voorlopige definitie van de geest heb is een er een van interactie. Niet alleen werkt de menselijke geest door in het persoonlijke bewustzijn, vanuit het persoonlijke bewustzijn kan ook bijgedragen worden aan de uitbreiding van de menselijke geest.

Nu is niet iedereen een Shakespeare of een Bach of zelfs maar een Beatle.
Maar dat is ook niet nodig. De wolk groeit al sneller dan enig mens kan bijhouden. Zelfs als we alle onzin bezigheden uit ons leven zouden bannen en ons vlijtig zouden wijden aan het bestuderen van alles wat de menselijke geest heeft voortgebracht, dan zouden we maar een fractie van dat universum leren kennen.

Ieder moet dus keuzes maken. Maar we zouden een ander, die ook een keuze moet maken, kunnen vertellen wat wij hebben gevonden. Over de betere en de slechtere keuzes die we gemaakt hebben, we kunnen het hebben over slimme sluiproutes en lustvolle omzwervingen. Niet alleen met betrekking tot kennis, maar ook met betrekking tot inzicht oordeel en wijsheid.

En als het goed gaat doet iedereen dat ook die kinderen opvoedt of onderwijst. En af en toe zal een van die nazaten dan wellicht iets bijdragen aan de Wolk.

In die zin is de geest onsterfelijk zo lang wij als mensen ons zelf niet direct of indirect via onze aarde vernietigen en is er kans dat dit trage maar anderszins onstuitbare proces van beschaving leidt tot een vreedzame samenleving.

Gelukkig in Holset IV; Onder de hemel

zaterdag 19 november, 2011

Voor het eerst sinds we eind september in ons nieuwe huis in de heuvels trokken om daar als een soort kwartiermakers te gaan kamperen vind ik voldoende rust om iets op te schrijven. Niet dat het huis af is. Nog lang niet, maar er zijn al zeer bewoonbare gedeelten.
Wat wel volmaakt is, is het uitzicht, dat ik elke ochtend geboren zie worden. Naar mate de horizon achter me, die van uit dit huis niet zichtbaar is, zich verder naar de zon toe wentelt, onderscheidt de westelijke hemel zich duidelijker van de heuvelrand.
Elke dag gebeurt dit iets later. En ook voor zonsopgang is er ook al van alles verschoven in de weken dat ik hier wakker word.

De maan blijft steeds meer achter naarmate hij minder vol is en Orion is opgeschoven en hangt nu boven België als het nog net donker is.

Dan voltrekt zich wat beschreven wordt in mijn favoriete lied Nuevo dia van de gelijknamige CD van Lole y Manuel.

El sol joven y fuerte
ha vencido a la luna
que se aleja impotente
del campo de batalla.

La luz vence tinieblas por campiñas lejanas.
El aire huele a pan nuevo.
El pueblo se despereza.
Ha llegado la mañana.

De zon, jong en krachtig
heeft de maan verslagen
die zich machteloos terugtrekt
uit het slagveld.

De zon lost de nevels op in de velden in de verte.
De lucht ruikt naar vers brood.
De mensen rekken zich uit.
De ochtend is aangebroken.

Terwijl ik dit schrijf  is de zon door de wolken gebroken en worden drie verderop gelegen boerderijen uitgelicht. De huizen dichterbij moeten nog even wachten tot de zon ook de heuvel waarop wij wonen heeft genomen.

De schapen van de overburen hebben zich nog niet laten zien.  Ze zijn met zijn drieën. Twee witte en één donkerbruin.
Toen het een paar dagen geleden rijpte was het bruine schaap aan de bovenkant ook wit. De koeien in de grote boerderij verderop wachten tot het wat warmer wordt voor ze uit de stal komen.

Zo worden er langzamerhand patronen zichtbaar.
Patronen en verschuivingen in die patronen die zich voltrekken in het tempo dat de wetten van het heelal ze oplegt.

Het geeft me een intens gevoel weer thuis te zijn. Thuis in het heelal, de schepping of hoe je het noemen wil, de onpeilbare complexe ruimte gevuld met leegte en materie, waarvan ik dankzij een raadselachtig verschijnsel dat leven heet een tijd getuige mag zijn.

Wow!

De Betekenis der Dingen

woensdag 5 december, 2007

Ik weet niet of alle mensen dat hebben, maar ik ben zeker niet de enige die uit ervaring weet dat je een woord tijdelijk los kunt maken van zijn betekenis door het maar vaak genoeg te herhalen.
Huis kan dan een klank worden, zoals uis een klank is.
Zo zal ik ook niet de enige zijn die met regelmaat woorden op meerdere wijzen leest. Dus het woord pompoen niet alleen interpreteert als die vrucht die je verrassend vaak in het Odin pakket aantreft, en een aantal jaren geleden -nog verrassender- zag uitrusten op een bankje met uitzicht op een betegeld voortuintje, maar er ook een verwijzing in ziet naar een niet al te slimme bediende van een benzinestation.

Naast deze algemene afwijkingen bespringt mij ook af en toe de neiging om taalregels toe te passen op een manier die misschien niet helemaal zo bedoeld was.
Een woord dat dat gedrag bij mij vaak uitlokt is het woord “betekenis”.

Normaliter staat dit woord voor iets dat in de categorie eigenschap aanduidende woorden valt, maar ik wordt altijd verleid om het woord “betekenis” te ervaren als iets dat in de categorie activiteit aanduidende woorden thuis hoort.

Zoals bemoeienis duidt op

het (zich) bemoeien met iets

duidt betekenis voor mij op

het betekenen van iets.
Betekenen dan in de zin van ‘van een teken voorzien’.

En als ik in die duiding de zin “De betekenis der dingen” oproep, is het hek van de dam.
De dam die de afscheiding vormt tussen de rationele persoon die ik overwegend ben en het rijk van de verbeelding dat ik produceer als de behoefte daaraan zich voordoet, maar die ook kan dienen  als verbinding tussen die twee domeinen.
Het hek van die dam is namelijk vervaardigd uit de grondstof taal, en de vrijheid die ik mij met dat materiaal veroorloof, zorgt er voor dat ik het hekje openen kan.

Als de dingen betekend kunnen worden, moet er ook een onbetekende staat van de dingen zijn geweest. Een situatie waarin de dingen er wel waren, maar nog niet betekend waren met een woord.

In de betekende wereld waarin we nu leven is die koppeling tussen ding en woord stevig, en over het algemeen hoogst bruikbaar voor het denkproces en het uitwisselen van informatie, ideeën en verwoorde gevoelens.

Het is niet alleen een theoretische vraag of die koppeling ooit weer te verbreken is.
Mensen die langdurig verblijven in een land waar een andere taal gesproken wordt krijgen daar mee te maken. Aan één ding komen dan meerdere woorden te hangen en pas als je in die nieuwe taal begint te denken en te dromen heeft de nieuwe koppeling de plaats van de oude ingenomen.

Kan je ook opzettelijk die koppeling verbreken?
In de openingszin van dit verhaal werd al verwezen naar de mogelijke transformatie van een woord tot een klank door langdurige herhaling van dat woord. En je zou dit het onttekenen of de onttekenis van een woord kunnen noemen.
Maar zou je ook dingen van het woord kunnen bevrijden?

Ik heb de indruk dat mediteren (wat dat ook moge zijn)  hierbij een beter instrument is dan filosoferen.
Een staat van vervoering, opgewekt door een buitengewone ervaring van ruimte, stilte of schoonheid wil wel eens helpen, maar het is op zich zelf al een paradox om de woordloosheid te willen beschrijven.

Toch moet er ooit een onbetekende wereld zijn geweest. Een wereld waarvan ik me niet zo goed een voorstelling kan maken, maar over die overgangsperiode waarin het betekenen plaatsvond – de periode dat de talige mens ontstond – kan en wil ik vaak en graag dromen.
Hoe graag ook zou ik dat meegemaakt hebben.
Bij nader inzien liever niet als een van de deelnemende mensachtigen maar als een onzichtbaar observerende mensachtige van het huidige ontwikkelingsstadium. En dan natuurlijk voorzien van een onuitputtelijke hoeveelheid papier en (onzichtbare) inkt.

Hoe ontstond de taal? Hoe betekenden ze de dingen?
Ik vermoed dat het zo ging dat als een dominante mensachtige een bepaalde klank uitte als er een bepaald object verscheen, dit door de anderen werd overgenomen en dit zo de naam van dit object werd.

In het filmpje dat ik voor me zie is een groepje mensachtigen op jacht en maakt de leider bij het waarnemen van een (tot op dat moment nog niet betekende) prooi zachtjes een geluid om de anderen te waarschuwen.
Misschien imiteert hij wel het geluid dat de prooi zelf maakt. Dus als er een gnoe in het vizier komt een gnoe geluid. En als de anderen dat bij volgende gelegenheden overnemen kan in het vervolg het beestje bij de naam genoemd worden.
We maken de geboorte van de taal mee!

Wat een verpletterende uitwerking moet het gehad hebben toen het gnoe geluid voor het eerst gemaakt werd zonder dat er een gnoe te zien was. Misschien deed de hoofdjager dat wel op een dag toen het vlees op was, terwijl hij met een hoofdbeweging naar de uitgang van de grot zijn speren op pakte.
De abstractie was er en zou niet meer uit ons leven verdwijnen.
Nu werd alles mogelijk!

mailtobutton

Wat is er? Niets.

zondag 22 juli, 2007

Boven ons ligbad geeft een venster in het plafond uitzicht op de hemel.
Behalve ’s avonds of op winterochtenden; dan zie je de weerkaatsing van kaarsen en waxinelichtjes in het gewelfde venster van het daklicht.
Sterrenlicht wordt sowieso al niet meer geleverd in Rotterdam. De sterren stralen alleen nog in arme niet geïndustrialiseerde landen, en dat verschaft weer de troost dat er toch ook nog iets sociaals aan de schepping valt toe te dichten. Bij daglicht zag je vroeger een paar takken van de eik die voor het huis stond, tot de deelgemeente besloot dat er toch maar beter een paar parkeerplaatsen bij konden komen. En dus verdween vrijwel al het groen uit de straat.
Tijdens de werkzaamheden kregen we nog een briefje in de bus van een ijverig deelgemeenteraadslid, die zich er op beroemde, dat hij ons dit aangedaan had. Groeneweg heette de man ook nog en hij zat met gestolen SP-stemmen in de deelraad.
Nu de eik (en met hem vele kastanjes en linden) weg zijn, rest het zwerk, een enkele passerende vogel en de condensstrepen van hun grotere metalen collega’s. Maar echt genieten is het als het uitgesproken slecht weer is en de hagel tegen het raampje ratelt, terwijl jij daar tot aan je oren in naar Franse Varens geurend water van 38° C ligt.
Zelfs ik kan dan wel eens tot drie minuten aaneengesloten ontspannen. Hoewel de hele badkamerinrichting voornamelijk bedoeld was om mijn bruid te behagen.
Op een dag dat ik het bad van mijn bruid gebruikte, en me weer eens realiseerde dat het bad rechtstreeks uitzicht bood op het heelal en (niet voor de eerste keer) vaststelde dat in principe élk venster uitzicht geeft op het heelal, maar dat je er wel oog voor moet hebben, kwam ik op het verontrustende idee dat er – misschien wel voor hetzelfde geld – ook wel eens een ‘helemaalniets‘ in plaats van een ‘heelal‘ had kunnen zijn.
Dat was zó’n verontrustend idee, dat het onmiddellijk afgelopen was met de staat van baarmoederlijke genade die het bad mij even gegund had. Ik hoefde op weg van het bad naar de maatschappij, zelfs niet eens op de weegschaal te gaan staan om te weten dat ik iets had om ernstig over na te denken.

De dagen daarna had ik zo veel te doen, dat het me niet lukte een consistente gedachtenlijn te ontwikkelen over de consequenties van een geheelniets. En die drukke dagen groeiden uit tot drukke weken. Maar achter in mijn hoofd liet de gedachte eraan regelmatig merken dat hij er nog was.

Was er niet iemand geweest die gesteld had, dat er met termen die golden binnen een systeem niet iets objectiefs te zeggen was over dat systeem zelf.
Dat was nou zo’n onderwerp waar ik tot nu toe altijd maar omheen was gelopen, als het bij me opkwam. Maar stel dat dit klopte, dan had ik nu een onderwerp waar je wel iets geldigs over kon beweren.
Maar dat viel tegen:
Niet bestaan, daar kon je nog iets mee.
Mijn broer bijvoorbeeld, die bestaat niet, bestond niet en zal ook nooit bestaan omdat mijn ouders zaliger maar één zoon kregen.
Maar het concept mijn broer is denkbaar, en als mijn verhaal er beter van wordt voer ik zonder wroeging mijn broer op.
Maar onbestaan, dat bleek heel andere koek.
De eerste kuil waar ik in viel was dat zodra ik me een situatie probeerde voor te stellen van een totale alomvattende leegte, ik zelf ook weg hoorde te zijn. Dus er was ook niets of niemand meer die zich iets kon voorstellen.
Met recht einde voorstelling dus.

Ik probeerde het met een paar hulpconstructies.
In de mechanica kon je prettig theoretiseren door zoiets als een stoffelijk punt te bedenken dat je – niet gehinderd onpraktische zaken als afmetingen – door een wrijvingsloos medium kon laten excerseren .

Als ik nu eens een onstoffelijk punt van waarneming bedacht?
Ik schoot er niets mee op.
Iets onstoffelijks kan moeilijk waarnemen. En zelfs als het dat op enige exotische manier wel zou kunnen, dan zou het die waarnemingen niet kunnen vastleggen.

Afgezien daarvan, wie zou die waarnemingen kunnen interpreteren?
In al die pogingen bleef ik zelf hinderlijk aanwezig.
Het enige wat overbleef van mijn theoretische heelniets was een verderniets.
Dus ík was er dan, en verder was er niets. Vooruit, mijn lichaam was er ook niet meer, alleen mijn bewustzijn.

Een moeilijk met onze ervaring te rijmen situatie, maar misschien als gedachtenexperiment aanvaardbaar.
Zou er dan zoiets als tijd zijn? En was er dan zoiets als ruimte?
Een lege ruimte leek nog te kunnen. Maar waaraan ijk je ruimte als er geen materie is?
En dan tijd.

Tijd is iets waar ik uitstekend mee om kan gaan, maar waarvan ik het wezen niet begrijp.
Een van de eerste boeken die ik in het Engels las, was “Time Must Have a Stop” van Aldous Huxley. Ik leerde er als onervaren puber veel van, maar niet waarom hij die titel had gekozen, en of de er in verwoorde stelling klopte.

Het riep later wel de vraag op of tijd ook een begin kon hebben?
Het enige wat ik tot nu toe over tijd had kunnen bedenken dat stand hield, was dat je tijd altijd beschrijft in relatie met verandering.

In mijn surrogaat heelniets, het verderniets zou
door het ontbreken van materie
→geen verandering bestaan
→geen tijd bestaan
en bijgevolg zou mijn onstoffelijke bewustzijn ook niet functioneren omdat bewustzijn een vergelijking van waarneming en bestaande kennis is, en dus een proces, en dus tijd vergt.

Maar klopte het wel wat ik dacht over tijd? Of had ik alleen maar een kenmerk te pakken over tijdservaring?

Als ik nu weer eens in bad stapte en door het dakraam keek? Dan zag ik een heelal waarvan ik vrij zeker wist dat het in beweging was. Dus er was verandering en had ik een middel om tijd te ervaren.

Geleerden speculeren over iets als ‘het ontstaan van het heelal’.
Eens zou het er dus niet – of niet in deze vorm- geweest zijn.

Was dat eens het begin van de tijd?
Was er tot het moment van die oerknal die men veronderstelt een periode dat er niets veranderde? Stond de tijd toen als het ware stil, maar was er wel een inerte materie?
En begon de klok te lopen toen de boel losbarstte?

Dan zou het zogenaamde ontstaan van het heelal alleen maar het moment van de faseverandering van een reeds aanwezige vorm van materie zijn geweest en zou alles er al geweest zijn, zij het in een andere vorm.
Een bevroren heelal als het ware.

Het ontstaan van het door ons gekende heelal zou dus alleen maar het begin van een verandering geweest zijn die een voor ons waarneembare tijd creëerde.
Als er al een niet-heelal-situatie zou zijn geweest, dan zou dat niet voorafgaande aan de oerknal geweest zijn. Omdat er toen nog geen tijd bestond zou er ook geen voorafgaande zijn. En ontstond het door ons gekende heelal uit de eeuwigheid. Dus was er ook geen scheppingsmoment, maar hooguit een begin van de verandering, zo u wilt van de evolutie.

Schiet ik hier nu iets mee op?
Nou ja, ik word er een beetje rustiger van.
Blijkbaar zijn er zaken als het niet bestaande die voor mij als bestaande blijkbaar niet kenbaar zijn.
Moet ik er van uitgaan dat Alles betekent datgene wat er is.
En dat datgene wat er is in principe te begrijpen, of op z’n minst te ervaren is. En dat dat -als je daar aanleg voor hebt- het materiaal is, waardoor je gelukkig wordt.
En dat dat wat er niet is, niet te begrijpen is. En dat je dat -als je daar aanleg voor hebt- kunt laten rusten.

In de beginne was de stof.
En de stof kwam in beweging.

Eigenlijk wel een mooie voorstelling.


%d bloggers liken dit: