Wat is er? Niets.

Boven ons ligbad geeft een venster in het plafond uitzicht op de hemel.
Behalve ’s avonds of op winterochtenden; dan zie je de weerkaatsing van kaarsen en waxinelichtjes in het gewelfde venster van het daklicht.
Sterrenlicht wordt sowieso al niet meer geleverd in Rotterdam. De sterren stralen alleen nog in arme niet geïndustrialiseerde landen, en dat verschaft weer de troost dat er toch ook nog iets sociaals aan de schepping valt toe te dichten. Bij daglicht zag je vroeger een paar takken van de eik die voor het huis stond, tot de deelgemeente besloot dat er toch maar beter een paar parkeerplaatsen bij konden komen. En dus verdween vrijwel al het groen uit de straat.
Tijdens de werkzaamheden kregen we nog een briefje in de bus van een ijverig deelgemeenteraadslid, die zich er op beroemde, dat hij ons dit aangedaan had. Groeneweg heette de man ook nog en hij zat met gestolen SP-stemmen in de deelraad.
Nu de eik (en met hem vele kastanjes en linden) weg zijn, rest het zwerk, een enkele passerende vogel en de condensstrepen van hun grotere metalen collega’s. Maar echt genieten is het als het uitgesproken slecht weer is en de hagel tegen het raampje ratelt, terwijl jij daar tot aan je oren in naar Franse Varens geurend water van 38° C ligt.
Zelfs ik kan dan wel eens tot drie minuten aaneengesloten ontspannen. Hoewel de hele badkamerinrichting voornamelijk bedoeld was om mijn bruid te behagen.
Op een dag dat ik het bad van mijn bruid gebruikte, en me weer eens realiseerde dat het bad rechtstreeks uitzicht bood op het heelal en (niet voor de eerste keer) vaststelde dat in principe élk venster uitzicht geeft op het heelal, maar dat je er wel oog voor moet hebben, kwam ik op het verontrustende idee dat er – misschien wel voor hetzelfde geld – ook wel eens een ‘helemaalniets‘ in plaats van een ‘heelal‘ had kunnen zijn.
Dat was zó’n verontrustend idee, dat het onmiddellijk afgelopen was met de staat van baarmoederlijke genade die het bad mij even gegund had. Ik hoefde op weg van het bad naar de maatschappij, zelfs niet eens op de weegschaal te gaan staan om te weten dat ik iets had om ernstig over na te denken.

De dagen daarna had ik zo veel te doen, dat het me niet lukte een consistente gedachtenlijn te ontwikkelen over de consequenties van een geheelniets. En die drukke dagen groeiden uit tot drukke weken. Maar achter in mijn hoofd liet de gedachte eraan regelmatig merken dat hij er nog was.

Was er niet iemand geweest die gesteld had, dat er met termen die golden binnen een systeem niet iets objectiefs te zeggen was over dat systeem zelf.
Dat was nou zo’n onderwerp waar ik tot nu toe altijd maar omheen was gelopen, als het bij me opkwam. Maar stel dat dit klopte, dan had ik nu een onderwerp waar je wel iets geldigs over kon beweren.
Maar dat viel tegen:
Niet bestaan, daar kon je nog iets mee.
Mijn broer bijvoorbeeld, die bestaat niet, bestond niet en zal ook nooit bestaan omdat mijn ouders zaliger maar één zoon kregen.
Maar het concept mijn broer is denkbaar, en als mijn verhaal er beter van wordt voer ik zonder wroeging mijn broer op.
Maar onbestaan, dat bleek heel andere koek.
De eerste kuil waar ik in viel was dat zodra ik me een situatie probeerde voor te stellen van een totale alomvattende leegte, ik zelf ook weg hoorde te zijn. Dus er was ook niets of niemand meer die zich iets kon voorstellen.
Met recht einde voorstelling dus.

Ik probeerde het met een paar hulpconstructies.
In de mechanica kon je prettig theoretiseren door zoiets als een stoffelijk punt te bedenken dat je – niet gehinderd onpraktische zaken als afmetingen – door een wrijvingsloos medium kon laten excerseren .

Als ik nu eens een onstoffelijk punt van waarneming bedacht?
Ik schoot er niets mee op.
Iets onstoffelijks kan moeilijk waarnemen. En zelfs als het dat op enige exotische manier wel zou kunnen, dan zou het die waarnemingen niet kunnen vastleggen.

Afgezien daarvan, wie zou die waarnemingen kunnen interpreteren?
In al die pogingen bleef ik zelf hinderlijk aanwezig.
Het enige wat overbleef van mijn theoretische heelniets was een verderniets.
Dus ík was er dan, en verder was er niets. Vooruit, mijn lichaam was er ook niet meer, alleen mijn bewustzijn.

Een moeilijk met onze ervaring te rijmen situatie, maar misschien als gedachtenexperiment aanvaardbaar.
Zou er dan zoiets als tijd zijn? En was er dan zoiets als ruimte?
Een lege ruimte leek nog te kunnen. Maar waaraan ijk je ruimte als er geen materie is?
En dan tijd.

Tijd is iets waar ik uitstekend mee om kan gaan, maar waarvan ik het wezen niet begrijp.
Een van de eerste boeken die ik in het Engels las, was “Time Must Have a Stop” van Aldous Huxley. Ik leerde er als onervaren puber veel van, maar niet waarom hij die titel had gekozen, en of de er in verwoorde stelling klopte.

Het riep later wel de vraag op of tijd ook een begin kon hebben?
Het enige wat ik tot nu toe over tijd had kunnen bedenken dat stand hield, was dat je tijd altijd beschrijft in relatie met verandering.

In mijn surrogaat heelniets, het verderniets zou
door het ontbreken van materie
→geen verandering bestaan
→geen tijd bestaan
en bijgevolg zou mijn onstoffelijke bewustzijn ook niet functioneren omdat bewustzijn een vergelijking van waarneming en bestaande kennis is, en dus een proces, en dus tijd vergt.

Maar klopte het wel wat ik dacht over tijd? Of had ik alleen maar een kenmerk te pakken over tijdservaring?

Als ik nu weer eens in bad stapte en door het dakraam keek? Dan zag ik een heelal waarvan ik vrij zeker wist dat het in beweging was. Dus er was verandering en had ik een middel om tijd te ervaren.

Geleerden speculeren over iets als ‘het ontstaan van het heelal’.
Eens zou het er dus niet – of niet in deze vorm- geweest zijn.

Was dat eens het begin van de tijd?
Was er tot het moment van die oerknal die men veronderstelt een periode dat er niets veranderde? Stond de tijd toen als het ware stil, maar was er wel een inerte materie?
En begon de klok te lopen toen de boel losbarstte?

Dan zou het zogenaamde ontstaan van het heelal alleen maar het moment van de faseverandering van een reeds aanwezige vorm van materie zijn geweest en zou alles er al geweest zijn, zij het in een andere vorm.
Een bevroren heelal als het ware.

Het ontstaan van het door ons gekende heelal zou dus alleen maar het begin van een verandering geweest zijn die een voor ons waarneembare tijd creëerde.
Als er al een niet-heelal-situatie zou zijn geweest, dan zou dat niet voorafgaande aan de oerknal geweest zijn. Omdat er toen nog geen tijd bestond zou er ook geen voorafgaande zijn. En ontstond het door ons gekende heelal uit de eeuwigheid. Dus was er ook geen scheppingsmoment, maar hooguit een begin van de verandering, zo u wilt van de evolutie.

Schiet ik hier nu iets mee op?
Nou ja, ik word er een beetje rustiger van.
Blijkbaar zijn er zaken als het niet bestaande die voor mij als bestaande blijkbaar niet kenbaar zijn.
Moet ik er van uitgaan dat Alles betekent datgene wat er is.
En dat datgene wat er is in principe te begrijpen, of op z’n minst te ervaren is. En dat dat -als je daar aanleg voor hebt- het materiaal is, waardoor je gelukkig wordt.
En dat dat wat er niet is, niet te begrijpen is. En dat je dat -als je daar aanleg voor hebt- kunt laten rusten.

In de beginne was de stof.
En de stof kwam in beweging.

Eigenlijk wel een mooie voorstelling.

Advertenties

Tags: , ,

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s


%d bloggers liken dit: