Gelukkig in Holset III

Het was nooit eerder bij me opgekomen, de behoefte om beton te strelen, en het is zeker niet mijn gewoonte om aan iedere streelbehoefte gevolg te geven. Stel je voor.
Maar hier was geen weerstand aan te bieden.
De omstandigheden waren er ook naar.

Voor de derde keer dit jaar waren we voor een paar dagen vakantie richting Spanje vertrokken, en net als de vorige twee keer vonden we het in Limburg al mooi genoeg.
Onze pleisterplaats was als van ouds de herberg Oud-Holset, maar het accent lag deze keer minder op wandelen en meer op kunst.
Zelfs bij het winkelen in Aken werden we al gesticht:
We waren op zoek naar een boetiek waar we bij het vorige bezoek ein schönes Kleid in de etalage hadden gezien, maar dat was op onze voorlaatste avond en volgens een briefje op de deur zou de winkel de komende dagen gesloten zijn. Geen gelegenheid voor een bezoek dus. We hadden echter noch de naam van de winkel, noch die van de straat genoteerd.
Er zat niets anders op dan nu dezelfde route nog eens te lopen, dan moesten we er vanzelf komen.
Onderweg zagen we een flyer aangeplakt dat er een ikonen tentoonstelling was in de St. Michael kerk in de Jesuitenstrasse. Wilden we ook wel zien, maar eerst maar die boetiek.
Die vonden we inderdaad en hij bleek in de Jesuitenstrasse te liggen, twee huizen van de kerk die we zochten!
De jurk was er ook nog, maar zat niet zo mooi, maar gelukkig waren er nog een hele boel andere fraaie kleren.

De St. Michaelkerk – oorspronkelijk een Jezuietenkerk – was nu een Grieks-orthodoxe kerk en het interieur was daar aan aangepast en die schildering kon mij wel bekoren. De ikonen spraken mij minder aan. Misschien ben ik wel verwend, omdat ik ikonen tot nu toe uitsluitend kende van reproducties en het waarschijnlijk de topstukken zijn die gereproduceerd worden.

img_0050.jpg

Bij een eerder bezoek aan Limburg hadden we al eens de St. Catharinakapel in Lemiers bezichtigd, die aan de binnenzijde op een bijzondere manier beschilderd is.
Maar deze keer werden we vergezeld door een dierbare vriendin waarmee onze ervaring van destijds graag wilden delen. Dus gingen we op de tweede dag nog eens naar dit oudste kerkje van Nederland.
Om de verrassing bij binnenkomst te bewaren vertel ik er hier verder niets over.
Wie er meer over wil weten moet het recept op de kerkdeur maar volgen:

img_0092.jpg

Onze vriendin heeft iets met tuinen, en ze had een tijdschrift meegenomen met een lijst van alle tuinen in Nederland die op bepaalde tijden voor het publiek te bezichtigen zijn.
Onze laatste dag was een donderdag en op donderdag en vrijdag waren de tuinen van het kasteel van Wijlre open. Dat kwam mooi uit want dat was ook de dag dat we een afspraak hadden om de St. Cunibertuskerk in Wahlwiller te bezichtigen en dat viel ook weer mooi samen met de openstelling van De Verwondering (zie eerdere lyriek hierover in Gelukkig in Holset II).

De ingang voor bezoekers van de kasteeltuin was lastig te vinden en zag er toen we hem vonden ook niet zo duidelijk uit, dus ik betrad met enige schroom een ruimte die een boomgaard zou kunnen zijn, maar ook een gazon waar fruitbomen woonden. De paden langs het veld waren met gras overgroeid en schuin over het veld liep een strook waar het gras iets anders getint was en dit zou een pad kunnen zijn.
Aan het einde ervan lokte een bouwwerk van beton en glas.
Gelukkig verscheen er op dat moment een dame die ons verwelkomde en uitnodigde om het gebouw te betreden.
We werden langs een hellingbaan naar boven geleid en kwamen in een ontvangstruimte waar al enige bezoekers aanwezig waren.

Er werd nog wat informatie gegeven aan de mensen die mij vergezelden, maar dat ontging me omdat ik vanaf het moment dat ik het gebouw betrad in de ban raakte van deze omgeving.
Hier klopte echt alles. Het licht, het materiaal, de verhoudingen.

Een van de eerste dingen die bij me opkwam, was de herinnering aan het de Abdijkerk van het Benedictijner klooster in Mamelis.

mamelis.jpg

We waren daar heen gegaan op aanraden van de heer die ons in het kerkje van Lemiers rondleidde, omdat daar nog gregoriaans te horen was en je er het avondgebed – de vespers – mocht bijwonen.
Dat gezang viel, mede gezien de gemiddelde leeftijd van de monniken, enigszins tegen, maar het nieuwe gedeelte van het klooster, gebouwd door Dom Hans van der Laan maakte alles goed.

De rijke soberheid van de gekozen materialen en maatvorming deed me toen denken aan de beste typografie die ik gezien had, wat achteraf toen ik meer te weten kwam over de bouwmeester niet zo vreemd was. Want van der Laan heeft in zijn werk uitdrukking gegeven aan zijn verhoudingenleer gebaseerd op het ‘plastische getal’ een driedimensionale interpretatie van de gulden snede waarop de traditionele typografie berustte.

Het paviljoen (Hedge House geheten) deed me dan wel in eerste instantie aan de abdijkerk denken, maar als ik de herinnerde beelden wisselend op de binnenkant van mijn schedel projecteer, zijn er toch verschillen in beleving. Ingetogenheid en kwaliteit hebben ze gemeen, maar in de abdijkerk ontkom je ook als ongelovige niet aan het sacrale en gewijde waar dit gebouw een uitdrukking van is. Niet omdat je de vorm van het gewijde herkent, want van der Laan ontwierp ook alle bij de mis gebruikte voorwerpen opnieuw, maar omdat je het in de ademhaling van het gebouw ervaart. Terwijl het in het paviljoen een meer platonische schoonheidservaring is die je beleeft.

We bleken in een inleiding te vallen die de bewoner van het kasteel gaf aan de reeds aanwezige bezoekers. Een boeiend verhaal, dat ik echter toch nog liever na mijn bezoek had gehoord, want ik ga graag het liefst blanco zo’n ontmoeting aan. En ook het liefst alleen.
Ondertussen keek ik om me heen en kon niet genoeg krijgen van de subtiliteit van de verschillen in tint en textuur van het staal en het beton. Waar die materialen aan elkaar grensden was er vaak een spatiëring gesuggereerd door een kleine verdieping in het beton. Er waren dus eigenlijk drie materialen, beton staal en licht, of liever gezegd schaduw.
Op de tafel lag een catalogus met een bladspiegel van, ik schat, 18 x 18 cm waar van het voor en achterplat waren uitgevoerd in onbedrukt grijsbord, wat ook al weer prachtig paste in de omgeving.
De inleider maakte gewag van het ideaal een Gesamtkunstwerk te scheppen. Nou, dat leek hier in dit vertrek al aardig geslaagd.

Na deze inleiding konden we de expositie in het paviljoen en de tuinen bekijken.
Wij kozen voor het laatste.
Hoewel het formele tuingedeelte bijzonder fraai was werd ik het meest getroffen door het weidse gazon achter het kasteel, waarop enkele majesteitelijke bomen de ruimte maat gaven. Eigenlijk zou je niet verder moeten lopen, maar hier moeten blijven genieten van de juiste verhoudingen. Het zelfde dilemma dat zich in een museum altijd voordoet.
Eén boom is vaak al genoeg om het oog te vullen.
Er is iets met het licht of zo je wilt de schaduw onder een boom. Het heeft een tint.
Natuurlijk, licht heeft een kleur, maar hoewel ik het niet echt zie, ervaar ik wel de aanwezigheid van kleur in de schaduw (of een ander soort fijne materie) die onder een boom hangt. En naar ik vermoed vult die lichte stof ook die intrigerende ruimte tussen de takken en bladeren van een boomkruin, die een jonge merelmoeder doet besluiten om juist daar haar nest te bouwen.
Wel, van deze materie was er een overvloed op het gazon.

In een hoek van het gazon was de overgang van gazon naar het bos er achter zo geleidelijk dat je de merkwaardige belevenis ervoer dat je stond te genieten van het kijken naar iets wat niet zichtbaar was. Je zag wel de details waardoor het veroorzaakt werd: Een boom uit het bos was als niemand keek iets naar voren gekropen en groeide een tak als een doorluchtig gewelf over een deel van het gazon. Het gras daaronder ebde weg. En liep je een paar passen verder dan zag je een dode tak in het voorbos liggen die de kromming van de boomtak spiegelde.
Ik kon de verdenking niet onderdrukken dat de kasteelheer hier op een van z’n avondwandelingen ingegrepen heeft, omdat hij toch al zelf een onderdeel van het Gesamtkunstwerk geworden is.
Ik begon ook het begin van een idee te krijgen waar de laatste plaatjes van de stier-serie voor staan.

r_8-both-bull-and-self-transcended.gif r_9-reaching-the-source.gif r_10-in-the-world.gif
zie de post over deze plaatjes

Nu was mijn oog voorlopig wel even vol. Foto’s maken stond me tegen. Wat hier was, was niet in een foto te vangen. Ik wist zeker dat ik hier nog vele malen terug moest komen.

En nog was de dag niet voorbij.
In Wahlwiller hadden we een afspraak gemaakt met de heer Ploemen, die ons de beschildering en de kruiswegstatie van de Cunibertuskerk zou laten zien. We hadden daar al een blik op kunnen werpen vanuit het voorportaal, maar wilden het werk van nabij zien, ook al omdat er weinig licht in de kerk valt.
En het is ook eigenlijk de enig manier om dit werk in zijn volheid te ervaren. De beschildering is schitterend, in intrigerende paarse tinten voor een deel, zeker rond het oorspronkelijke altaar.
De inleiding en rondleiding van de heer Ploemen, voegt veel toe. Je krijgt begrip en respect voor schilder Aad de Haas en zeker voor een ongelovige is de toelichting op de panelen van de kruiswegstatie verhelderend en verdiepend. Ik besef als niet-gelovige een dimensie van dit werk niet te kunnen ervaren en wil er ook niet veel meer over zeggen om niet onbewust iets verkeerds te zeggen, maar het werk is zo overtuigend dat ik bij het naderen van het einde van de lijdensweg mijn tranen terug moest dringen.

Advertenties

Tags: , ,

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s


%d bloggers liken dit: