Nogmaals die kus

Jongeren, en dan heb ik het over 65-minners en zo, die het stukje “Kus” gelezen hebben, hebben zich misschien verbaasd over de wereldvreemdheid van die twee tieners die elkaars lippen wilden kussen en op elkaars neus botsten.
Maar de gebeurtenis die daar beschreven werd speelde zich dan ook af rond 1950. Niet direct een mythische periode (de dinosauriërs waren bijvoorbeeld al lang uitgestorven) maar hoe het leven toen was lijkt me niet na te voelen als je het niet meegemaakt hebt, ook al hou je van een film als “The Last Picture Show”.

Eigenlijk betwijfel ik of mensen die iets altijd gehad hebben zich echt kunnen voorstellen hoe het is om dat niet te hebben.
Neem het vermogen om te zien. Weten wij hoe het is om blind te zijn vanaf je geboorte? Wij stellen ons iets voor als voortdurende duisternis. Maar duisternis is de afwezigheid van licht en als je geen licht kan ervaren kan je dan duisternis ervaren?
Stel er komen nog eens wezens vanuit een buitenaardse beschaving en die hebben geen reukzin, maar wel drie zintuigen die wij weer niet hebben. Gaan we ons dan gehandicapt voelen? Of zij, omdat ze niet merken hoe het in de metro naar deo en aftershave stinkt?

Hoe dan ook, je moet je gewoon realiseren, dat veel kinderen van die tijd nog nooit mensen hadden gezien die elkaar kusten.
Ja, we kenden wel de klapzoen die je – ongewild – van een tante op je wang kreeg op je verjaardag, maar niet die geheimzinnige, magische kus waarover je gelezen had in zinnen als ‘hun lippen vonden elkaar’ en waar misschien zelfs wel het woord ‘versmolten’ in voor kwam.
Mogelijkerwijs werden zulke kussen wel gewisseld in bioscoopfilms, maar dat weet ik niet, want wij waren arm en gingen niet naar de bioscoop. We hadden ook geen beelden van Rodin in de tuin, al was het alleen maar omdat je op drie hoog geen tuin had, en die kus van Klimt zie je ook alleen maar van achter.

Wat er aan de hand was, was dat in die tijd je visuele ervaring voornamelijk bestond uit wat je zelf gezien had. Je moest het doen met de indrukken die je eigen ogen hadden opgenomen en in je herinnering hadden achtergelaten, aangevuld met wat je ‘geestesoog’ produceerde op basis van beschrijvingen van anderen.
Hoewel er wel afbeeldingen bestonden, waren die spaarzaam, vaak niet natuurgetrouw, slecht toegankelijk en duur.

Later zou iemand (ik geloof Malraux) spreken over ‘le musée imaginaire’ duidend op de reproductie techniek die het mondiale kunstbezit in principe voor iedereen ontsloot, maar wij behoorden toen niet tot de klasse voor wie dat betaalbaar was

De eerste bibliotheek die wij bezochten was de St. Vincentius bibliotheek in de Ambonstraat achter ons. Een katholieke bibliotheek, maar als ze je niet een jaargang van De Engelbewaarder meegaven – want veel uit te zoeken had je daar niet – merkte je daar niet zo veel van. De kinderboeken hadden soms plaatjes en je kon meteen zien waar die zaten want die waren op glad papier gedrukt. Die bekeek je dus eerst, al had je een vaag besef dat dat niet mocht. Maar veel meer dan vier per boek waren dat er meestal niet. En dan waren het nog zwart-wit tekeningen.

Fotoreproducties stonden pas in de boeken die we later bij de Openbare Leeszaal en Bibliotheek in de Molukkenstraat haalden.
Over juffrouw van Eck (ze stond op dat juffrouw) hoop ik nog eens een klein monumentje te schrijven *), want ze was in mijn ogen een gezegende onder de vrouwen.

Toen mijn vader werk vond gingen we op een zondag voor het eerst met de trein. Een stoomtrein die ons van het Muiderpoortstation naar het station Naarden-Bussum zou brengen. En daar zouden we naar een bos gaan!
Ergens onderweg, ik geloof tussen Weesp en Naarden lag dichtbij de spoorlijn een kwekerij. Ik geloof dat er de naam Bendien op een bord stond. Daar stonden een aantal boompjes bij elkaar op een akkertje.
“Is dat nou een bos?“ vroeg ik. Want het geheel voldeed wel aan de definitie van bos ‘stel bomen bijelkaar’ maar enigszins teleurgesteld was ik wel. Ik had het me veel groter voorgesteld. De coupé lachte hartelijk. En hoewel het Spanderswoud beter Spandersbos had kunnen heten was ik van dit eerste bos in mijn leven best onder de indruk.

Later in 19zoveelen60 riepen Parijse studenten uit dat nu de verbeelding aan de macht was.
Maar voor de visuele verbeelding was het toen al afgelopen.
De voor-beelding kwam aan de macht en zal niet meer verdwijnen.
Hoe ziet het er uit als een leeuw in volle ren een antilope naar de keel vliegt? Ik denk dat die beelden wel een keer of acht per week vertoond worden op een van de kanalen die in Nederland te ontvangen zijn. Hoe slaat een race auto over de kop? Als het maar één keer gebeurt, herhalen we het gewoon een paar keer, desnoods in slow motion om maar geen detail te missen.
Een kus? Alle mogelijke vervolgen worden ook vertoond. Bosbranden, vulkaanuitbarstingen, vloedgolven, moord en doodslag, kinderen die van de wip vallen (da’s pas lachen) we worden er soms vanaf de kleuterstoel al mee doodgegooid.

Is het dan nog mogelijk het oog te verrassen?
Als je goed kijkt, gelukkig wel.
Maar dan moet je wel ophouden met zappen als je off-line bent en dwars door een stuk werkelijkheid loopt.

*)
Dat is inmiddels gebeurd: Monumentje voor Waldie van Eck

Advertenties

Tags: , ,

Eén reactie to “Nogmaals die kus”

  1. Kus « Onzichtbare Inkt Says:

    […] Later is er nog een vervolg op dit stukje geschreven: “Nogmaals die kus” […]

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s


%d bloggers liken dit: