Zo doen we het hier niet

vrijdag 14 april, 2006

Toen ik in 1952 van school kwam, wist ik nog niet precies wat ik wilde worden. Maar er moest natuurlijk geld verdiend worden dus nam ik een baan aan bij het Gemeentelijk Vervoer Bedrijf, waarvan het hoofdkantoor gevestigd was in een fraai Amsterdamse School gebouw aan het Leidsebosje.
Ik werd daar aangesteld als Bureelambtenaar met Klerkbevoegdheid.
Dat is niet niks voor een jochie van 17 jaar. Ik was dan nog wel geen Klerk, maar ik had het klerkstafje bij wijze van spreken in m’n ransel zitten, op grond ener voltooide opleiding aan de Hogere Burger School, dus als ik goed mijn best deed als bureelambtenaar zou ik die rang ooit kunnen bereiken.
Het heeft echter niet zo mogen zijn.
Een van mijn eerste werkzaamheden bestond uit het optellen van werktijden van het rijdend personeel.
Aan de hand van werkbriefjes moesten de gewerkte uren en minuten van een week worden opgeteld en we konden daarvoor gebruik maken van een mechanische rekenmachine.
De procedure was dat je eerst alle gewerkte minuten optelde. Dit totaal uitdrukte in uren en minuten en daar vervolgens de gewerkte hele uren bij optelde.
Toen ik dat een aantal keren gedaan had, bedacht ik dat dit niet de meest doelmatige manier van werken was. De tussenberekening moest buiten de machine om geschieden, want delen kon het ding niet, en je moest ook een tussenresultaat opschrijven en weer invoeren, wat een extra kans of fouten gaf.
Wat ik dus in plaats daarvan deed was het volgende:
Eerst telde ik alle minuten op. Vervolgens keek ik hoeveel hele uren daarin zaten en telde evenzoveel keer 40 op bij het minutentotaal. Dat was een keer de wijzer op 40 zetten en zoveel keer als nodig was de handel overhalen. Ik had dan in één getal het aantal uren en minuten uitgedrukt.
Vervolgens telde ik de hele uren op als honderdtallen.
Klaar is klerk.
Pardon, bureelambtenaar.

Waarom 40? Omdat dit het verschil tussen een 60tallig en een honderdtallig stelsel compenseert.
Stel conducteur de Vries had in week 14 een aantal uren en nog eens 224 minuten gewerkt. Dan zitten daar 3 hele uren in en blijven er 44 minuten over. Dat krijg je op de machine door drie keer 40 aan te slaan en 224+120 levert 344 op wat je kon lezen als 3:44.
Nu trok dat meerdere keren achter elkaar de hendel van het rekenmachien overhalen de aandacht. (Want in wezen zat je dan te vermenigvuldigen terwijl je aangesteld was om op te tellen). Mijn buurman vroeg dan ook al gauw wat ik nou aan het doen was. Dus ik legde uit wat ik bedacht had.
Mijn buurman keek me enigszins verbijsterd aan. “Maar zo doen we het hier niet,“ zei hij. “Weet ik,“ zei ik en ik legde nog eens uit wat de voordelen van mijn werkwijze waren.
“Ja, maar zo doen we het hier niet,“ zei hij nog eens, maar nu wat luider en ook met enig ongeduld.
Ik zei dat ik dat wel begrepen had , maar dat op mijn manier… enzovoort.
Dit ging mijn buurman te ver. “Zo doen we het hier echt niet,“ zei hij en hij voegde er aan toe dat de chef hier maar bij moest komen.
Dat leek me een prima idee, die zou de voordelen onmiddellijk zien.
De chef hoorde ons beider verhaal aan en keek me een ogenblik aan en zei vervolgens “Zo doen we het hier niet.“
Niet lang daarna werd ik overgeplaatst naar de bibliotheek waar toch nooit iemand kwam, omdat ik niet goed in de huidige werkomgeving paste.
Ik begreep het signaal en nam ontslag voor mijn proeftijd om was.
Ik had hier iets uit kunnen leren.

Wie ben ik en waarom?

donderdag 30 maart, 2006

Met enige regelmaat tref ik mezelf tegenwoordig ergens aan, zonder te weten waarom ik daar ben. Ik moet dan in gedachten of in den lijve teruggaan naar mijn vorige standplaats om me te herinneren wat ik wilde doen of wilde pakken.
Een tijdje geleden sprak ik, toen ik me in zo’n wat-doe-ik-hier situatie bevond, de woorden ‘Wie ben ik, en waarom?’uit en dat is een beetje een running gag geworden. Maar na enkele tientallen keren begon ook mij deze spreuk te vervelen en kwamen er varianten als:
Wie ben ik en hoe laat begint dat?
Wie ben ik en is dat erg?
Wie ben ik en schuift dat ook nog wat?
Wie ben ik en wie ben jij eigenlijk?
Wie ben ik en kan ik daar wat aan doen?
En daar zijn er nu ook al weer zo veel van dat ik de helft al weer vergeten ben.
Geheugenverlies is een zegen….

Niettemin blijft de vraag ‘Wie ben ik en waarom?’ een interessante vraag. En het schijnt dat menigeen daar niet eens direct een antwoord op zou weten.

Zelf heb ik over het eerste gedeelte van die vraag veel nagedacht. Niet zo zeer in de directe zin over wie ik zou zijn, maar over de identiteitsvraag in het algemeen. En het antwoord dat ik er op gevonden heb en wat ik tot nog toe niet kapot heb kunnen testen is in vijf woorden samen te vatten:

Je bent wat je doet.

Dus niet wat je denkt, stemt, eet, van plan bent of aantrekt, maar uitsluitend wat je doet.
Moeilijker is het tweede deel van de vraag: Waarom?
Het gaat hier eigenlijk niet zozeer over de vraag waarom je bestaat, maar waartoe.

Daar zijn in de loop van de geschiedenis al veel antwoorden op gegeven, maar omdat het een vraag is die over de mensheid gaat, gaat het ook over ieder lid van die mensheid en heb je naast een algemeen antwoord ook wel graag een persoonlijk antwoord.
Daarmee worden de algemene antwoorden niet overbodig, want je kan altijd kijken of een van de algemene antwoorden voor jou bruikbaar is als persoonlijk antwoord.
Ik herinner me uit een van de boeken van Kurt Vonnegut dat iemand op de muur van een toilet de vraag ‘What is the meaning of life?’ had geschreven en dat daar later aan toegevoegd bleek te zijn ‘To be the eyes and the ears and the hands of the Creator of Universe, you stupid fool!’.

Nu is het zeker veertig jaar geleden dat ik die boeken van Vonnegut las, dus er kan tekstueel iets niet kloppen aan dit ‘citaat’, maar de strekking zal er niet veel naast zitten. En het feit dat ik me die tekst na veertig jaar nog herinner, wijst er op dat ik er iets in gezien moet hebben.
Niet helemaal onlogisch dat je iets in die handen ziet als je vindt dat je bent wat je doet.
En die ogen en oren spreken me ook wel aan. Het genieten van de schepping en vooral het je verwonderen er over is een belangrijke bron van levensvreugde en nieuwsgierigheid, die het leven interessant en spannend houden.Meer daarover staat in de artikelenserie Vrijheid in deze weblog.

Naschrift 2014: Inmiddels is het internet zover bijgewerkt dat het citaat van Vonnegut terug te vinden is Het luidt:
What is the purpose of life?…To be the eyes and ears and conscience of the Creator of the Universe, you fool!

mailtobutton

Dankbaarheid

dinsdag 28 maart, 2006

Op de een of andere manier roept het woord dankbaarheid een ongemakkelijk gevoel bij me op. Dat is vreemd want over het algemeen behoort dankbaarheid tot de deugden en het ontbreken ervan – ondankbaarheid – tot de ondeugden. “Wat een ondankbare hond” zeggen we zelfs van een mens die zich niet dankbaar toont in een situatie dat dat gepast is. Blijkbaar verlies je dus zelfs je menselijkheid als je niet dankbaar bent wanneer dat nodig is. Maar stel, die ondankbare hond is helemaal geen hond, maar een mens met een slecht ontwikkeld gevoel voor dankbaarheidssituaties? Want je hoeft niet altijd dankbaar te zijn. Als je de bakker € 1,49 geeft en hij geeft jou een volkoren gesneden, dan zeg je weliswaar allebei een keer dank u wel maar jij bent de bakker niet echt dankbaar en de bakker is jou ook niet dankbaar. Maar nu betaal je niet gepast, maar met een briefje van vijf en de bakker geeft je teveel geld terug. Je maakt de bakker daar attent op en die bedankt je nu veel uitbundiger, hij lijkt je echt dankbaar te zijn. Dankbaar ben je dus blijkbaar als iemand je iets geeft of iets voor je doet terwijl hij dat helemaal niet hoeft te doen. En in zo’n geval behóór je ook dankbaar te zijn.
Nou, helder. Wat zit je dan te urremurren over ongemakkelijke gevoelens? In de eerste plaats omdat het voorbeeld van die bakker niet klopt. Als ik te veel wisselgeld terug krijg moet ik dat wel degelijk melden en doe ik helemaal niet iets wat ik niet hoef te doen. Dus is er ook geen reden tot dankbaarheid.

Algemener gezegd: Er zit een element van morele machtsverhoudingen in het dankbaarheidsconcept. Iemand doet iets wat hij niet hoeft te doen en daarmee verhoogt hij zichzelf moreel en de andere is daardoor verplicht zich dankbaar te tonen en daar zit iets nederigs in. Vooral omdat die verplichting er op rust. Dankbaar zijn volstaat niet; de dankbaarheid moet ook getoond worden. Men dient dus een dankbare hond te zijn. Zoals in het volgende versje voor kinderen van Hieronymus van Alphen

Hoe dankbaar is mijn kleine hond
Voor beentjes en wat brood!
Hij kwispelstaart, hij loopt in ’t rond,
En springt op mijnen schoot.
Míj geeft men vleesch en brood en wijn,
En dikwijls lekkernij:
Maar kan een beest zo dankbaar zijn,
Wat wagt men niet van mij!

In tal van uitdrukkingen komt die verplichting tot dankbaarheid tot uitdrukking. Niet altijd direct in openlijk gebiedende bewoordingen, maar vaak in vormen als: “Je mag je ouders wel dankbaar zijn…”. Dat is hetzelfde mogen als het ‘hier mogen plaats nemen tot u opgeroepen wordt’. Niet voor niets komt het manen tot dankbaarheid opvallend veel voor in de opvoedende en in de godsdienstige sfeer. Ook daar kan wel eens een drukkende sfeer van morele machtsongelijkheid tentoongespreid worden.

Dienen kinderen eigenlijk wel dankbaar te zijn? Als je vindt dat ouders zich niet behoeven uit te sloven voor hun kinderen, dan wel. Maar als je het groot brengen van kinderen de gewoonste zaak van de wereld vindt – en het komt vrij vaak voor, dus waarschijnlijk ís het ook de gewoonste zaak van de wereld – dan is er geen dankbaarheidsplicht aan de orde. Wat niet mag zeggen dat je er niet van mag genieten. En daarmee komen we in geheel ander vaarwater terecht. Eerlijk zijn, verzorgen helpen, het zijn manieren van leven, waar je gelukkig van wordt en ook nog eens een ander gelukkig mee kan maken. Dat is onder hele volksstammen een van de beter bewaarde geheimen, omdat eerlijk zijn, geven, verzorgen, helpen en dat soort dingen daar plichten worden genoemd en plichten worden eerder met zuchten en zweten en knersing der tanden geassocieerd dan met iets waar je vrolijk van wordt. Maar als je zowel als gever als ontvanger van iets mag genieten, wat is er dan op tegen dat de ontvanger zijn vreugde laat blijken? Niets. Als een automobilist mij voorrang geeft op mijn fiets, dan til ik altijd even mijn pet op. Ongeacht of ik nu recht op voorrang heb of zo maar een extraatje krijg. En als ik geen pet op heb tik ik even tegen een denkbeeldige pet. Omdat ik geniet dat er nog steeds mensen zijn die je iets geven, zelfs wanneer je er niet eens recht op hebt. En omdat ik diep in mijn hart een moralist en politicus ben (wat bij elkaar opgeteld een idealist oplevert) die gelooft dat dit bijdraagt tot de groei van de club van mensen die het weer een beetje gewoon en gezellig in dit land gaan maken.
mailtobutton