Posts Tagged ‘werk’

Tweeverdieners en duurzaamheid

maandag 31 mei, 2010

Taal leeft, luidt het cliché. En taal kan het weten, want taal bestaat voor een goed deel uit clichés, of – om het iets neutraler uit te drukken – vaste uitdrukkingen.
Veel vaste uitdrukkingen zijn overigens ook weer niet muurvast. Na een tijdje raken ze weer in vergetelheid en weten alleen nog types als Paulien Cornelisse en Ewoud Sanders van hun bestaan.

Want wanneer gebruikt een normaal mens zoals u nog een uitdrukking als voordeurdelers? De kranten stonden er ooit vol van. Het Ik-tijdperk dan? Of tweeverdieners?
Deze termen zijn verdwenen, omdat de bijbehorende verschijnselen niet meer uitzonderlijk zijn.
Niemand bekommert er zich nog om of de buren wel of niet getrouwd zijn.
Een meerderheid van ons volk lijkt zielstevreden te zijn met ik-tijdperk.
OK. Links – zoals u weet het enige volksdeel met hobby’s – zou wel een tikje meer wij-tijdperk blieven en rechts ziet overal het gevaar van het hunnie-tijdperk. Maar vrijwel iedereen is tevreden met de tweeverdieners.

Toen mijn eerste kind naar de basisschool ging, was mijn vrouw een van de weinige vrouwen op het schoolplein die ook nog een andere baan had.
Toen mijn zes jaar later geboren kind die zelfde basis school verliet,  was zij een van de weinigen die niet buitenshuis werkte.

So what? Het is toch het goede recht van iedere vrouw om buitenshuis te gaan werken als ze dat willen?
Natuurlijk. Zoals het ook hun goede recht is om dat niet te doen, als ze dat niet willen en een partner daar voor zorgt.
Of als twee partners die taak delen.
Tenminste, dat is wat ik aan de tweede feministische golf heb overgehouden. Het idee dat de vrouw beslist over haar leven.

Dat laatste idee lijkt echter niet bij iedereen te leven.
De drie liberale partijen, VVD, D66 en GroenLinks en de twee populistische partijen SP en PVV willen dat vrouwen ‘gestimuleerd worden deel te nemen aan het arbeidsproces‘ zoals ze dat noemen en verklaren daarbij ook nog eens dat dit een bijdrage aan de emancipatie van de vrouw is.
Niks zelf beslissen. Wij weten wat goed voor je is. Je huis uit!

Het voortouw wordt hierbij genomen door GroenLinks. Een voormalige  lijsttrekker van deze partij liet geen gelegenheid voorbij gaan om te pleiten over wat zij smalend noemt de aanrechtsubsidie en dat is niet alleen demagogisch, maar ook anti-feministisch, rechts en milieu vijandig.
Ik zal die vier beschuldigingen hieronder stuk voor stuk onderbouwen.

Zeuren over aanrechtsubsidie is demagogisch

De zogenaamde aanrechtsubsidie is helemaal geen subsidie.
Officieel heet het algemene heffingskorting en het is een stukje van wat vroeger de belastingvrije voet heette. Het was het gedeelte van het inkomen waarover geen belasting betaald hoeft te worden.
Voor een gezin was dat bedrag hoger dan voor een alleenstaande. En de verrekening vond plaats via de aanslag van de kostwinner.

Later werd dit systeem gewijzigd. De belastingvrije voet van de kostwinner werd verlaagd. Deze ging dus meer belasting betalen en de niet werkende partner kreeg nu van de belastingdienst een bedrag op haar of zijn rekening teruggestort.
Prettiger konden ze het niet maken, maar wel ingewikkelder.
Maar de voorstanders van deze regeling vonden dat dit de emancipatie van de vrouw diende.

Nu er naar gestreefd wordt om deze uitkering te stoppen, wordt de belasting voor gezinnen waarvan een van de partners geen betalende baan heeft dus verhoogd.  En wederom wordt dit emanciperend genoemd.
Eerst emancipeer je dus door het uitdelen van een sigaar uit de eigen gezinsdoos en vervolgens emancipeer je nog eens door die sigaar weer af te pakken.
Als we het dus per se over een aanrecht willen hebben, hebben we het hier dus over het invoeren van de aanrechtbelasting!

Zeuren over aanrechtsubsidie is anti-feministisch

Zeuren over aanrechtsubsidie is niet alleen anti-feministisch omdat het het recht van vrouwen en een enkele man ontkent om zelf uit te maken hoe ze het werk met hun partner verdelen.
Het is ook anti-feministisch omdat het woord aanrechtsubsidie een kleinerend beeld creëert van het werk wat in huis verricht wordt.
Wat daar gebeurt is namelijk zeer belangrijk werk, wat veel aandacht, inspanning en kunde vraagt om het goed te doen, zeker als daar het verzorgen en opvoeden van kinderen bij komt.
Het scheppen van een veilige liefdevolle omgeving waarin kleine mensen opgroeien is niet alleen van cruciaal belang voor die kinderen zelf, maar tevens voor de maatschappij die zij later gaan bevolken.
Dat dat werk niet betaald en onvoldoende gewaardeerd wordt is al erg genoeg.
Het is ronduit schandalig om daar nog eens  een sneer over ‘aanrechtsubsidie’ aan toe te voegen en dan ook nog eens te claimen dat je emanciperend bezig bent.

Zeuren over aanrechtsubsidie is rechts

De werkelijke beweegreden achter het afnemen van de belastingcompensatie van niet-werkende partners is dat men verwacht dat dezen hierdoor aangemoedigd worden buitenshuis betaald werk te gaan verrichten.
Natuurlijk is het maar de vraag of mensen die bewust kiezen voor huis en gezin voor pakweg 170 euro per maand te koop zijn.  Maar overheden en politici denken zo niet. Zij denken niet aan individuele mensen, ze denken in systemen.
Ze gaan er van uit dat het goed is voor de economie dat er door iedere volwassene betaald werk verricht moet worden.

Mogelijk is dat ook goed voor de economie. Maar de vraag die iedere politicus zich moet stellen, en zeker iedere zich links noemende politicus zich moet stellen is:
Is wat goed is voor de economie, ook goed voor mensen?

Deze droom van de totale tweeverdienersmaatschappij is een rechts kapitalistisch droom en gaat niet meer over full employment maar over full exploitation.
In een economie waarin in meerdere bedrijfstakken de CAO ontdoken kan worden, het ontslagrecht wordt verruimd, de duur van de WW wordt ingekort;
waarin buitenlandse bedrijven van de ene op de andere dag hun productie naar een ander land kunnen  verplaatsen;
waarin iedereen tot zijn 67ste moet werken, maar vrijwel niemand boven z’n vijftigste nog een normale baan kan vinden;
In zo’n economie valt groei stelselmatig uit in het voordeel van de ondernemer  en niet in het voordeel van hen die ondernomen worden.

Werken is prachtig. Maar het moet eerlijk beloond worden, zowel binnenshuis als buitenshuis.
Werken is een individueel recht en een sociale plicht zowel binnenshuis als buitenshuis.
En ieder moet het recht hebben zelf uit te maken waar hij zijn of haar werk wil verrichten.

Het gezeur over aanrechtsubsidie is milieu-vijandig

Hoe meer arbeidsparticipatie, hoe meer woon werk verkeer. Dat kan iedereen op zijn vingers natellen.
Natuurlijk, politici verven desgevraagd de banen die zij op papier creëren allemaal duurzaam groen. Maar dat thuis werken is een verhaal dat we al jaren horen, maar nog nauwelijks zien.
(Soms krijg je heimwee naar dat jaar 2020 waarin al die kabinetsdoelstellingen bereikt werden).

Als iedereen werkt, heeft er ook bijna niemand meer puf om uitgebreid te koken. De kinderen die in zo’n convenience gezin opgroeien zullen het dan ook niet of nauwelijks zien gebeuren en zullen het derhalve ook nooit leren en het later ook niet doen. En dus zie  je steeds meer kant en klaar producten in de winkel.
Vroeger maakte je van tien basisproducten zoals aardappelen, melk, ei, ui, meel, havermout, appel, boter, rijst en pasta tezamen met groenten en fruit honderd en veertig verschillende gerechten. Nu vind je er minstens honderdtwintig daarvan kant en klaar in de supermarkt.
Zo komt de Plusmarkt aan zijn 10.000 artikelen en de Jumbo aan de 32.000!

Stuur je nu een kind voor een pak yoghurt naar Albert dan zal het minuten lang moeten zoeken tussen de 27 yoghurt varianten.
Al die producten zullen gefabriceerd , verpakt en vervoerd moeten worden en ons via de reclame aangepraat moeten worden. En dagelijks blijven van al die producten weer onverkochte resten over.
Twee verdieners zijn ook twee verbruikers. Sparen is ongeveer net zo populair als koperpoetsen dus komt die 3D tv er wel en de derde vakantie over een tijdje ook wel. Dat bankstel kan eigenlijk ook niet meer en een boodschappen autootje zou toch wel handig zijn. Elektrisch misschien, vanwege het milieu?

Kortom, de grondstoffen raken dan wel op, ook al kunnen we binnenkort olie uit de oceaan halen, maar de productie moet blijven groeien.

Het tweeverdienersmodel is de zege van de consumptiemaatschappij, maar een ramp voor het milieu en het ondergraaft het persoonlijk- en maatschappelijk noodzakelijke (kent u dat woord nog?) gezinsleven.

Met die mythe van de aanrechtsubsidie toont GroenLinks zich dus niet groen en niet links.

Zie ook  het pamflet “Waarom ouders onmisbaar zijn; Het gezin de broedstoof van de evolutie” en nogmaals aanbevolen het Moederfront

Advertenties

Over geluk en over werken II

zaterdag 3 maart, 2007

De laatste week van 2006 hoorde ik ’s ochtends op weg naar mijn werk een uil drie keer roepen, maar verder is er niet veel te beleven tijdens die donkere tochten in deze tijd van het jaar.
Als het lichter wordt breekt het seizoen van de dagelijkse vakantie weer aan. Er is dan altijd wel iets wat anders is.
De planten en bomen, de lucht en de aanblik van de Rotte, die ik vrijwel dagelijks kruis en vervolgens een stukje volg.
Het eerste stukje van de route is niet bijster opwindend. De wijk waar wij wonen en die ik wel eens met Saaiwijk Noord aanduid, is per saldo een bijzonder aangename wijk om te wonen. Praktisch geen graffiti, relatief weinig kerstdecoraties aan de gevel, alleen een onaangenaam hoog aantal Leefbaar Rotterdam kiezers.

Na één kilometer echter kruis ik een drukke verkeersweg met alle grootsteedse parafernalia die er te bedenken zijn:
Woonmall, lichtmasten, energiecentrale, spoorweg viaduct en even verderop een oprit naar de A-zoveel. Naar mijn smaak zijn dit eerder infernalia, maar toch voel ik me altijd lekker als ik daar (maximaal 2’20“) voor het rode licht sta te wachten.
’s Winters ben ik dan net op temperatuur, ’s zomers kan ik daar als ik vroeg ben verderop 4 tot 7 haasjes verwachten, waarvan één zwart en elke dag dat ik die zwarte zie denk ik dat ik nou eindelijk eens een keer moet uitzoeken of dat eigenlijk wel kan wat ik zie, een zwart haasje.

Maar de belangrijkste bron van dat prettige gevoel is dat ik me realiseer dat ik werk, dat ik er bij hoor, dat ik nuttig ben, dat ik behoor bij die groep van mensen die voor dag en dauw hun huis uit gaan om iets te produceren wat andere mensen nodig kunnen hebben. Ik werk dus ik ben.

Het werk wat ik nu doe verschilt sterk van wat ik vroeger deed. (Dat is trouwens ook al direct voelbaar bij het tikken van dit stuk, omdat ik gister bij het doorzagen van een PVC leiding per ongeluk ook een vingertop inzaagde).
Maar, wat ik vroeger deed wilde ook wel eens variëren:
Afgezien van wat korte baan werk was ik bezig als boekverkoper, documentalist, journalist, kinderoppas, docent, voorlichter en automatiseerder en voor het grootste deel speelde zich dit af buiten het terrein waarin ik een volledige vakopleiding volgde; de grafische techniek.

Toen ik bij mijn eerste pensionering op mijn loopbaan terugkeek bleek er echter wel een rode draad door mijn wisselvallige bezigheden heen te lopen: het ging altijd over het overdragen van informatie.

Die rode draad is in mijn huidige werk niet meer te vinden. Het enige rode is daar het eindproduct. Ik werk namelijk in de glastuinbouw. Bij een mooi bedrijf dat tomaten teelt.
Nu, na vijf jaar heb ik wel wat opgestoken van de tuinbouw, maar ik kwam daar als een onbeschreven blad. Heel erg was dat niet omdat ik maar nauwelijks bij de teelt zelf betrokken ben. In het begin deed ik veel schoonmaak werk, maar geleidelijk is het accent meer komen te liggen op onderhoud en reparatie.

Nu heb ik ook geen vakkennis op het gebied van techniek, maar hoe het komt weet ik niet, machines zijn altijd aardig voor me. Als ik ze open schroef openbaren ze me meestal hun innerlijke logica en in acht van de tien gevallen lukt het me ze weer aan de praat te krijgen, zoals me dat ook met computers in de meeste gevallen lukt.

Als het me lukt om iets te repareren kan m’n dag niet meer stuk. En het is helemaal kicken als het me lukt met onderdelen die eigenlijk niet bedoeld waren voor de toepassing die ik ze nu geef. Wat ik namelijk genetisch van mijn vader meegekregen heb, is de gewoonte om alles ‘wat nog wel eens bruikbaar zou kunnen zijn’, te bewaren. En dat combineert weer mooi met de genengift van mijn moeder om dingen onorthodox te gebruiken.
(Toen mijn zuster ziek was en niet op de tocht mocht liggen, en wij maar niet leerden om de deur achter ons dicht te doen, construeerde zij uit een stuk je touw, twee schroefoogjes en een combinatietang ingenaaid in een zakje een dranger).
Nu ik toch afdwaal:
Mijn oudste zoon is zich in het kader van zijn studie aan het verdiepen in taalfilosofie en stuitte op het woord ‘ontologisch’ en omdat ik dichter bij was dan de Van Dale vroeg hij mij wat dat betekende. Leek hem sneller.
Ik had er echter meer woorden voor nodig dan het woordenboek. Ik stelde het ook tegenover ‘teleologisch’, dus wezenskenmerken tegenover gezien in het licht van de bestemming.

Ik kwam er op dat moment niet op, maar zijn oma’s benadering van de combinatietang zou een prachtig voorbeeld zijn geweest.

Wat me trouwens opvalt, als ik over mijn werk praat, is dat nog al wat mensen een negatief beeld van de glastuinbouw hebben. En ook dat ze vinden dat tomaten nergens meer naar smaken.
Nou dan hebben die mensen òf al 15 jaar geen tomaten meer gekocht, òf ze bewaren ze in de koelkast, òf het zijn rokers.
En wat de milieubezwaren die men aanvoert: die slaan in elk geval niet op het bedrijf waar ik werk:

De elektrische energie die daar gebruikt wordt, komt van een een met andere bedrijven gezamenlijk geëxploiteerde warmte kracht koppeling die dus zowel warmte als stroom levert.
De CO2 die daarbij onstaat wordt aan de planten gevoerd, die daarvoor weer zuurstof en tomaten voor teruggeven.
Mooi toch?

Plagen worden er vrijwel volledig biologisch bestreden en een vernuftig systeem van bovengrondse èn ondergrondse wateropslag (niet op z’n Almeers, maar netjes met alle vergunningen) zorgt er voor dat er maar zelden leidingwater gebruikt wordt.

Grapje van het lot.

Juist toen ik deel I in mijn hoofd rond had en dacht ‘vanavond maar eens gaan schrijven’ gaf mijn fysiek een hikje, waardoor het leek dat werken voorlopig even van de baan zou zijn. Maar gelukkig bleek het een hikje van voorbijgaande aard te zijn.
Toen aflevering twee in handschrift klaar was en ik bedacht ik dat ik de tekst maar eens in moest gaan kloppen, zag ik me genoopt zelf te stoppen.

Het veel goedkopere uitzendbureau waar ik naar verhuisd was bleek zo goedkoop te kunnen zijn door de CAO te ontduiken.
Dat flik je een vakbondslid niet. Dus kreeg ik de FNV onmiddellijk achter me. De uitzendmeneer krabbelde terug en betaalt alsnog mijn vakantie-uren, maar aan mij zal hij niets meer verdienen.

Ik zoek dus ander werk!

Mijn loopbaanbeschrijving (CV) staat hier

Over geluk en over werken I

zondag 17 december, 2006

Als je geluk ziet als behagen scheppen in je bestaan, dan is het niet zo vreemd dat voor iemand met de lijfspreuk “Je bent wat je doet” werken en geluk veel met elkaar te maken hebben.
Immers als zijn en doen sterk verbonden zijn dan is behagen scheppen in het zijn, sterk afhankelijk van de kwaliteit van het doen.
In een eerdere levensfase heb ik ook wel eens geopperd: “Werken is liefde, liefde is werken”.
Dat is een tamelijk drastische uitspraak, maar ook nu kan ik er eigenlijk niet zo heel veel tegen in brengen.
Ja, je zou kunnen zeggen: “Net had je het nog over geluk en werken en nu heb je het over liefde. Waar gaat het nou eigenlijk over?”
Hier, in dit verband bedoel ik met zijn en bestaan niet de van buiten af ervaren stoffelijke aanwezigheid van iets of iemand, maar de van binnenuit ervaren bewuste eigen aanwezigheid.
Wanneer je daarbij tot de grenzen van je eigen bewustzijnsmogelijkheden gaat, doemt daar bij de onpeilbare complexiteit en onwaarschijnlijkheid van het bestaan van ‘alles’ en in het bijzonder van jóuw aanwezigheid daarbij op.
En voor het beschrijven van het daarbij horende gevoel, behoren voor mij dan termen als geluk, liefde en dankbare verwondering tot de minst onbeholpene om die staat van alomvattende aanwezigheid te beschrijven.
Komt nog iets bij. Het perspectief.
Ik weet niet precies wanneer het gebeurde.
Het moet ergens in de oorlogsjaren zijn geweest. En als oudere mensen dat zeggen, dan hebben ze het over de tweede wereldoorlog.
In die tijd woonden wij in Amsterdam, in de Indische buurt. En op zaterdagavond gingen wij – de kinderen – één voor één in bad.
Dat bad was een verzinkte wasteil, die gevuld werd met warm water. Dat kwam in die jaren nog niet rechtstreeks uit de kraan, althans niet in de arbeiderswoningen in de Palembangstraat, maar werd per pan en fluitketel op het gasstel aangemaakt.
Na het bad werden de haren (enigszins hardhandig, vond ik) gekamd, werd een schone pyjama aangedaan, en wilde onze moeder nog wel eens iets voorlezen of navertellen uit een boek dat ze uit de Openbare Leeszaal en Bibliotheek in de Molukkenstraat had gehaald.
Ik denk dat die avonden tot de rijkste en gelukkigste momenten uit mijn jeugd behoren.
We zaten in de keuken, de wanden en de ramen nog beslagen van het koken van het badwater.
De keukenmuur was tot op twee derde van de hoogte geel geschilderd en daar boven gewit.
In de condenslaag op het geverfde deel kon je met je nagel tekenen. Koersen uitzetten tussen de eilanden in de verflaag die daar als archeologische sporen van vele opknapbeurten zichtbaar waren. En ondertussen vertelde mijn moeder.
Op een keer had ze een boek over het wereldruim meegebracht. Ik geloof dat het “De sterrenwereld in een notedop” heette.
Dat was het moment dat het begrip oneindigheid in mijn leven werd gebracht.
Wat er toen gebeurde is misschien heet best te omschrijven als een explosie in slow motion.
Het heelal was dus oneindig. Dat was tegelijk onvoorstelbaar en had het ook een dwingende logica. Want, stelde ik voor, als je aan het einde van het heelal kwam dan zou daar waarschijnlijk wel een soort hek of muur staan, met misschien wel een bordje er op “Einde Heelal”, maar dan moest er achter die muur toch ook weer iets zijn en alles wat er was hoorde nou eenmaal bij het heelal. Het woord zegde het al.

Ik herinner me dat ik naar buiten probeerde te kijken naar de sterren, maar het raam was beslagen.
Maar ik wist dat daar achter het kolenhok op veranda de ruimte begon. En die was dus oneindig!
Jeetje…
Ik kreeg een beetje kriebelig gevoel in mijn maag en begon te lachen. Een zenuwachtig lachje, wat ze geloof ik een beetje vreemd vonden. Maar wat moet je ook ineens met de oneindigheid in een jongenshoofd?

Later ontdekte ik dat die oneindigheid niet alleen in de ruimte, maar ook in de tijd bestaat, althans gedacht kan worden.
En naar mate ik ouder werd is de verwondering over die twee onpeilbare dimensies en mijn onwaarschijnlijke ervarende aanwezigheid daarin alleen maar toegenomen.
Nu zou je dit kunnen ervaren als een overweldigend gevoel van nietigheid, maar tot mijn plezier werkt dit bij mij niet zo en voel ik het meer zo dat ik zo lang mijn eindigheid duurt deelneem ben aan een proces dat géén einde heeft.
Een proces waarvan niet bekend is waar het toe leidt, maar waar je waarschijnlijk mag aannemen dat de complexiteit en de onpeilbaarheid en daarmee voor mij ook schoonheid toeneemt.
De uitspraak “Ik ben deelnemer aan het grootste project aller tijden” lijkt grootspraak, maar is kleinspraak, want in het licht van de oneindigheid zijn zowel groot als tijd weinig betekenisvolle begrippen.

In dit licht is het werk dat ik doe dus belangrijk werk, omdat het werk in een belangrijke context is. En is om die zelfde reden elk werk wat ik doe belangrijk werk.
Daarnaast is elk werk wat ik doe interessant werk, en wel om de simpele reden dat ik me er voor interesseer.
Veel mensen lijken te denken dat er zoiets als interessant en oninteressant werk bestaat en je je voor dingen interesseert omdat ze interessant zijn, maar het is andersom, jouw interesse maakt iets interessant.
Voor geïnteresseerde mensen bestaat er dus alleen maar interessant werk en zullen ongeïnteresseerde mensen nooit iets interessants meemaken.

Het zaterdagmiddag gevoel

zondag 7 mei, 2006

Het klinkt misschien gek, maar ik ben wel vaker vrolijk. Maar deze keer viel het me op dat ik op een bepaalde manier vrolijk was. Een soort vrolijkheid die ik van vroeger kende. Veel vroeger.
Aan het eind van de Anthony Lion weg wist ik ineens wat het was, het Zaterdagmiddag gevoel.
En inderdaad met een hoofdletter, omdat het stamde uit een tijd dat de zaterdag nog een hoofdletter had.
Nu was het ook op een zaterdag dat dit gevoel me besprong, maar het verschil met andere zaterdagen was dat ik van mijn werk naar huis fietste.
Doorgaans werk ik niet op zaterdag en op de andere dagen van de week werk ik zelfs niet eens de hele dag. Als zeventigplusser vind ik 12 tot 20 uur per week zat. Maar nu kwam het beter uit er op zaterdag wel te zijn en was het om een uur of twaalf afnokken en naar huis.
Feierabend!
Toen ik op mijn vijfenzestigste zonder werk raakte had ik eerst gedurende een paar maanden de dagen voornamelijk met fietstochten gevuld, maar toen ik alle fietspaden binnen 50 kilometer van Rotterdam twee tot acht keer gehad had, was ik maar weer gaan werken. En ineens bestonden er weer weekenden.
Als je ophoudt met werken lever je behalve een flink stuk inkomen ook nog eens je weekenden in!
Nooit doen dus.

Toen de vrije zaterdagmiddag werd ingevoerd was er zaterdagochtends op het werk een heel andere sfeer. Er hing iets lichts, iets vrolijks in de lucht. Vaak was de aard van het werk ook anders. Opruimen, onderhoud van de machines waren typische zaterdagochtend klussen.
De koffiepauze duurde wat langer, en het onderwerp ‘wat ga jij doen?’ stond natuurlijk vaak op de agenda.
Zaterdagochtend stond voor voorpret.

In het gezin stond die dag ook in het teken van in het groot boodschappen doen. Sommige vriendjes hadden het geluk dat hun moeder boodschappen bij de Gruijter deed, maar bij ons waren ze tegen Piet de Dief. Dus ook geen snoepje van de week en geen kleurplaten van koffiepotten. Dat snoepje van de week ging vergezeld van een klein kadootje wat steeds vaker bestond uit voorwerpen van dat wonderbaarlijke nieuwe materiaal: plastic!

Voor mij bestond de zaterdagmiddagdroom uit een bezoek aan de Javastraat. Daar was niet ver van de hoek met de Sumatrastraat een radio- en electrazaak gevestigd. Radio Schoordijk heette de zaak geloof ik, en de uitbater had trots op zijn winkelruit had laten schilderen dat hij voorheen Chef bij Aurora was geweest. En Aurora was het Walhalla van iedereen die geïnteresseerd was in wat toen nog niet electronica heette. Daar stond je dan verlangend te kijken naar de uitgestalde radio onderdelen. En je tekende nog eens in je hoofd het schema van een éénkringer met de Amroh 402N spoel, omdat de dure zelf bouwpaketten van Maxwell voor een ‘driebanden superheterodyne ontvanger’ zelfs voor dromen te ver buiten je bereik lagen.

Als de middag vorderde werd de lucht vervuld van de lucht van gebakken vis. Meestal schol. Omdat de Amsterdammer op zaterdag niet graag kookte, maar het hield op brood met een gebakken vissie.
Kortom de zaterdag hing echt in de lucht.

mailtobutton

Zo doen we het hier niet

vrijdag 14 april, 2006

Toen ik in 1952 van school kwam, wist ik nog niet precies wat ik wilde worden. Maar er moest natuurlijk geld verdiend worden dus nam ik een baan aan bij het Gemeentelijk Vervoer Bedrijf, waarvan het hoofdkantoor gevestigd was in een fraai Amsterdamse School gebouw aan het Leidsebosje.
Ik werd daar aangesteld als Bureelambtenaar met Klerkbevoegdheid.
Dat is niet niks voor een jochie van 17 jaar. Ik was dan nog wel geen Klerk, maar ik had het klerkstafje bij wijze van spreken in m’n ransel zitten, op grond ener voltooide opleiding aan de Hogere Burger School, dus als ik goed mijn best deed als bureelambtenaar zou ik die rang ooit kunnen bereiken.
Het heeft echter niet zo mogen zijn.
Een van mijn eerste werkzaamheden bestond uit het optellen van werktijden van het rijdend personeel.
Aan de hand van werkbriefjes moesten de gewerkte uren en minuten van een week worden opgeteld en we konden daarvoor gebruik maken van een mechanische rekenmachine.
De procedure was dat je eerst alle gewerkte minuten optelde. Dit totaal uitdrukte in uren en minuten en daar vervolgens de gewerkte hele uren bij optelde.
Toen ik dat een aantal keren gedaan had, bedacht ik dat dit niet de meest doelmatige manier van werken was. De tussenberekening moest buiten de machine om geschieden, want delen kon het ding niet, en je moest ook een tussenresultaat opschrijven en weer invoeren, wat een extra kans of fouten gaf.
Wat ik dus in plaats daarvan deed was het volgende:
Eerst telde ik alle minuten op. Vervolgens keek ik hoeveel hele uren daarin zaten en telde evenzoveel keer 40 op bij het minutentotaal. Dat was een keer de wijzer op 40 zetten en zoveel keer als nodig was de handel overhalen. Ik had dan in één getal het aantal uren en minuten uitgedrukt.
Vervolgens telde ik de hele uren op als honderdtallen.
Klaar is klerk.
Pardon, bureelambtenaar.

Waarom 40? Omdat dit het verschil tussen een 60tallig en een honderdtallig stelsel compenseert.
Stel conducteur de Vries had in week 14 een aantal uren en nog eens 224 minuten gewerkt. Dan zitten daar 3 hele uren in en blijven er 44 minuten over. Dat krijg je op de machine door drie keer 40 aan te slaan en 224+120 levert 344 op wat je kon lezen als 3:44.
Nu trok dat meerdere keren achter elkaar de hendel van het rekenmachien overhalen de aandacht. (Want in wezen zat je dan te vermenigvuldigen terwijl je aangesteld was om op te tellen). Mijn buurman vroeg dan ook al gauw wat ik nou aan het doen was. Dus ik legde uit wat ik bedacht had.
Mijn buurman keek me enigszins verbijsterd aan. “Maar zo doen we het hier niet,“ zei hij. “Weet ik,“ zei ik en ik legde nog eens uit wat de voordelen van mijn werkwijze waren.
“Ja, maar zo doen we het hier niet,“ zei hij nog eens, maar nu wat luider en ook met enig ongeduld.
Ik zei dat ik dat wel begrepen had , maar dat op mijn manier… enzovoort.
Dit ging mijn buurman te ver. “Zo doen we het hier echt niet,“ zei hij en hij voegde er aan toe dat de chef hier maar bij moest komen.
Dat leek me een prima idee, die zou de voordelen onmiddellijk zien.
De chef hoorde ons beider verhaal aan en keek me een ogenblik aan en zei vervolgens “Zo doen we het hier niet.“
Niet lang daarna werd ik overgeplaatst naar de bibliotheek waar toch nooit iemand kwam, omdat ik niet goed in de huidige werkomgeving paste.
Ik begreep het signaal en nam ontslag voor mijn proeftijd om was.
Ik had hier iets uit kunnen leren.


%d bloggers liken dit: