Archive for the ‘Uncategorized’ Category

Welkom Burgemeester

vrijdag 17 oktober, 2008

Ergens in het oosten des lands is er een voetbalclub waarvan de aanhangers zich zelf trots de superboeren noemen.
Toch zou die naam beter passen bij mijn mede-aanhangers van Ajax, omdat Amsterdam en de Amsterdammers hun reputatie nu eenmaal te danken hebben aan ondernemende provincialen die naar de hoofdstad trokken omdat zij meenden, dat ‘het daar allemaal gebeurde’.
Onbewust schiepen ze daarmee een zich zelf vervullende voorspelling, en er waren ook tijden dat er van alles en nog wat gebeurde, zoals er ook een tijd was dat Ajax het mooiste voetbal van de wereld speelde.

Met beiden is het later mis gegaan: met het voetbal van Ajax en met het grote gebeuren van Amsterdam.
Mijn vertrek uit Amsterdam in 1976 had veel te maken met de opkomst van een vervelende generatie ik-ook-ers die de vreedzame maatschappelijke bewegingen ging domineren. Krakers en andere radicalinski’s. Het eens zo leuke Amsterdam werd een groezelige stad vol gelijkhebbers en ik zou dan ook geen echte doorbrekende creatieve ontwikkeling kunnen opnoemen die sindsdien in Amsterdam (of elders in Nederland) heeft plaatsgevonden.

Post, neo en postneo knip- en plakwerk is het wat er op ons afkomt.

Maar mythes blijven langer bestaan dan inhoud, en een zekere opvatting dat trouw een deugd is, maakt dat ik toch probeer om van Ajax te blijven houden en blijf ik toch ook wel stiekem genieten van dat verongelijkt zeikerige toontje van het Amsterdamse dialect, waardoor je je realiseert dat die zingende kroegbaas uit Utrecht eigenlijk een hardstikke vrolijke positivo is.
Toen ik in 1982 in Rotterdam neerstreek was dat ook eigenlijk best een verademing. Van der Louw was mijn hoogste baas, al heb ik hem nooit ontmoet, en mijn meeste collega’s hadden  een opgeruimd soort ‘dat doet ik wel even voor je’ instelling.

In de loop van de jaren verdween echter ook hier de gemoedelijkheid. Doodnormale collega’s bleken bij de beursgang van World Online een groot gedeelte van hun werkdag beurskoersen te volgen, en ook de geluiden bij de koffieautomaat werden steeds rechtser.
Toen de LPF golf over de kade spoelde was ik te oud om nogmaals te verhuizen en bovendien had ik nu een gezin en was m’n hypotheek nog niet afgelost.

Goed, die golf heeft zich grotendeels teruggetrokken, al is er wel wat bezinksel in het landschap achtergebleven.

Maar nu is hij dan gelukkig hier, de heer Aboutaleb.

Iets te laat naar mijn smaak en het is jammer dat hij de heer Cohen niet meegenomen heeft.
Rotterdam is een grote stad, die door de Rotterdammers zelf al in tweeën verdeeld is, dus een duo-burgemeesterschap zou hier niet eens zo gek zijn.

Aboutaleb en Cohen staan bekend als bruggenbouwers. Nou dat is hier niet zo nodig, we hebben hier al een stel prachtige bruggen, maar misschien krijgen ze het voor elkaar om een bepaald stel Rotterdammers die bruggen te laten gebruiken.

Of Aboutaleb hier zal kunnen werken?

Gister zag ik in Nova een Rotterdamse politicus, die naar zijn naam te oordelen een blanke man moet zijn. Maar dat was moeilijk te zien omdat hij rood aangelopen was van woede en frustratie.

Tsja.
Vroeger had Ajax een Sörensen met twee paspoorten op het middenveld, nu heeft Rotterdam alleen nog maar een Sörensen met slechts één paspoort,
in de achterhoede.

mailtobutton

Gevoel en verstand (een onaffe gedachtengang)

zaterdag 28 juni, 2008

“Mijn gevoel zegt me dat die man niet deugt.”
Gevoelsmatig ben ik geneigd om ja te zeggen, maar m’n verstand zegt me dat ik daar toch beter nog een nachtje over kan slapen.”
Iedereen heeft mensen wel eens zulke dingen horen zeggen, en misschien hebben we zelf ook wel eens zo’n zin gebezigd.

Uit zulke uitspraken blijkt dat mensen over ten minste twee innerlijke raadgevers lijken te beschikken; een gevoel en en een verstand, en dat die twee het niet per se altijd met elkaar eens hoeven te zijn.

Sommige mensen zijn van mening dat bij bepaalde mensen een van die twee de overhand heeft. Ze noemen die mensen dan gevoelsmensen of rationalisten.
En zelfs nu heb je nog wel mensen die denken (of liever gezegd voelen en daarom “zeker weten”) dat bij het ene geslacht het gevoel de doorslag geeft, en dat bij het andere geslacht de ratio overheerst.

In de romantiek bestaat het beeld van mensen die innerlijk verscheurd worden door de tweestrijd die in in hun binnenste gevoerd wordt door deze twee krachten. Maar ook in deze tijd die we in elk geval niet als een hoogtij van de romantiek kunnen betitelen, zijn er nog zat mensen die een tegenstelling- of op zijn minst  een zekere hiërarchie  ervaren tussen gevoel en verstand.
Is dat juist, is dat zinvol?

Waar hebben we het eigenlijk over? Wat is gevoel? Waar houdt gevoel op en begint verstand?
Zijn het twee totaal verschillende dingen? Twee autonome faculteiten van het bewustzijn? Of zijn het twee nuances van het menselijk vermogen om zich een oordeel te vormen van iets of iemand.

Een opvallend verschil tussen een verstandelijk oordeel  en een gevoelsmatig oordeel is dat je een verstandelijk oordeel kunt beargumenteren, je kunt het aan een ander uitleggen. Of die ander het begrijpt is natuurlijk een ander ding, want daarvoor is om te beginnen nodig dat die argumenten zelf ook weer rationeel zijn. (En graag ook nog verifieerbaar juist zijn). Terwijl je bij emotionele overtuigingen meestal niet veel verder komt dan een ‘ja dat voel ik nou eenmaal zo’.

Soms blijkt het gevoel een voorloper te zijn van een redelijke overtuiging.

Ik merkte dat toen ik de afgelopen maanden een competitie tussen twee kandidaten voor een politieke functie volgde. Ik zei tegen iemand die die strijd ook volgde dat ik kandidaat A niet echt vertrouwde, maar ik kon toen niet uitleggen waarom. Later begon ik een aantal dingen op te merken:
Dat A op een pijnlijke vraag altijd reageerde met een hartelijke lach, terwijl met dat niet een logische reactie lijkt.
Dat A nooit aarzelde bj het beantwoorden van vragen.
Dat A als je het later na las of opnieuw bekeek vaak de vraag niet beantwoord bleek te hebben.
Waarschijnlijk zijn je zintuiglijke waarnemingen globaler en dring je pas na interpretatie tot de reële inhoud van het waargenomene door.

Met deze beschrijving van gevoel en verstand als twee aspecten van mijn beoordelingsvermogen kan ik aardig uit de voeten, totdat ik me realiseer dat een belangrijk onderdeel van mijn beoordeling van situaties en mensen bestaat uit waardeoordelen.
En wat zijn dat nou weer voor schimmige fenomenen.

Behoren waarden tot het domein van het gevoel of tot dat van de redelijke afweging?
Verhip, dat woord afweging had ik eigenlijk beter niet kunnen gebruiken, want ik houd meer van een een ratio die niet wikt en weegt, maar meet en weet.
Maar laten we even idealistisch blijven en uitgaan van een reine Vernunft tegenover een primair gevoel, behoren waarden tot een van beiden domeinen, wonen ze op de schaal tussen die twee of vormen zij een derde categorie?

Het is tamelijk lastig voor mij om die vraag te vermijden niet alleen al omdat ik hem hier publiekelijk stel, maar ook omdat ik niet kan ontkennen een moralist te zijn. Weliswaar een moralist die zijn eigen mores met regelmaat toetst, maar toch – het valt niet te ontkennen – een moralist, die ook niets anders zou willen zijn.

Niet een moralist in de zin van een zedenpreker, maar wel in de zin van iemand die zijn keuzes toetst aan een moraal.
Maar waar komt dat ding, die moraal in vredesnaam vandaan? En waar bestaat ie uit?

Mijn vader vertelde mij ooit dat zijn vader een groter stuk vlees kreeg dan zijn kinderen, en dat hij dat niet eerlijk vond. En dat hij zich toen voorgenomen had omdat later zelf nooit te doen.
Hij was ook de man die de opslag die hij als voorman alleen kreeg deelde met de twee mannen waar hij mee werkte omdat zij samen die betere productie veroorzaakt hadden. Een beslissing waar mijn moeder niet gelukkig mee was. Maar waar ik hem diep voor bewonder en die denk ik ook mijn waardenstelsel beïnvloed heeft. Maar uit dit hele verhaal blijkt dat zowel een vader waar je het niet mee eens bent, als een vader waar je het wel mee eens bent je in dezelfde richting kunnen duwen. Een halve punt dus voor nurture in het nature-nurture debat.

Als we – in een poging om het simpel te houden – moraliteit nu eens indikken tot de vraag hoe je kiest tussen eigen belang en algemeen belang als die twee niet samenvallen, dan hebben we in elk geval een redelijk instrument om je positie te bepalen en je koers uit te zetten.

Nu is het natuurlijk niet zo dat zelfs een moralist in elke situatie eerst een geschikte steen uitzoekt om daar in de peinshouding op te gaan zitten teneinde tot een ethisch verantwoord besluit te komen.
Nee in de meeste situaties handel je toch min of meer vanuit een automatisme. Je hebt in de loop van je leven toch een bepaalde manier van handelen ontwikkeld die mensen wel als je aard of karakter omschrijven. Ook al kan daar een zekere evolutie in zitten.

Zelf vind ik dat redelijk te vergelijken met software. Software die je voor een deel gekopieerd hebt, voor een deel zelf aangepast hebt, maar die voor een deel ook heel dicht aan je hardware gebakken lijkt te zijn.

Misschien brengt me dit ook wel iets dichter bij het anwoord waar om ik nou op het idee kom dat er toch zoiets is als betere en slechtere keuzes. Wat toch duidelijk op een overheersing van de emotie lijkt te wijzen.
Het is vreemd dat ik met een tamelijke zekerheid voel (alleen al die combinatie zekerheid voel !) dat kiezen voor het algemeen belang beter is dan kiezen voor het eigen belang, zonder dat ik dat strikt rationeel kan verantwoorden.

Alleen op deze manier. Het is in elk geval voor de soort beter.
Dat zou kunnen betekenen dat er een soort genetische moraal in ons zit die ons aanspoort om ons sociaal te gedragen, om dat wij zonder de soort als individu geen enkele kans maken.
In de computer analogie de firmware die zorgt dat de computer als zodanig zijn basis functie blijft uitoefenen zodat de gebruikerssoftware op het ding uitgevoerd kan blijven worden.

Mmm. Het loopt niet helemaal mank, maar ik vind het een beetje kale boel.
Zelf richt ik mijn leven liever in met een verwachting.

Daar hebben we het nog wel eens over.

Olympisch vuur

vrijdag 18 april, 2008

Het was wel een slimme reclame van die stroomboer.
Het ietwat dommige echtpaar dat zich afvroeg of hun verse stroom wel vers was.
De uitsmijter – stroom is gewoon stroom – stond natuurlijk niet voor niets op een groene achtergrond.
Zo verkoop je je product door de suggestie te wekken dat het product van je concurrentie niet deugt.
Knap hoor, Hillary Clinton doet zulke dingen aanmerkelijk minder subtiel.

De laatste tijd moet ik elke keer aan die verse stroom denken als ik de uitdrukking Olympisch vuur hoor.
Onzin vuur is gewoon vuur.

Maar, je houdt het niet voor mogelijk hoeveel mensen denken dat er zoiets als Olympisch vuur bestaat.
Echt, om de vier jaar zit er een stel Olymbo’s, al dan niet van den bloede, boven op een Griekse bergtop met een vergrootglas te wachten tot die wolk opzij (m/v) gaat om een veter te laten fikken, en dan blazen blazen en dan is er vuur. Olympisch vuur! Soms kan dat wel uren duren maar dan smeert mevrouw Terpstra die altijd mee mag een paar sneetjes roggebrood voor de heren.

Maar de echte truc komt dan nog: Als die veter bij een soort mega sigarettenaansteker wordt gehouden komt er uit dat ding in eens ook Olympisch vuur. En die veter moet daarom altijd mee in de bus. Want mocht die fakkel uitgaan, dan kan je hem niet gewoon met een veiligheidslucifer aanmaken, want dan heb geen Olympisch vuur.
Ik heb geen theologische achtergrond, dus ik kan niet uitmaken of we hier te maken hebben met een geval van transssubstantiatie of van wonderbaarlijke vermenigvuldiging.
Minister Plasterk zou hier eens naar moeten kijken. Of zijn voorgangster, die weet daar ook veel over. Of misschien beter nog TNO, want die hebben ons met die OV chipkaart ook al zo goed geholpen.

Genoeg gedold.
Het is toch wel beangstigend dat er miljoenen worden verspild aan het rondsjouwen met een fakkel in tijden van honger en oorlog op een zieke planeet en dat er talloze mensen en instituten die je graag als serieus zou willen beschouwen zich met dit soort mythisch denken inlaten.
Je zou toch denken dat je zulke geestverduistering allen maar zou aantreffen bij mensen die vlaggen verbranden, boeken verscheuren, of in paranormale krachten, homeopathie of royalty geloven.
Trouwens die hele Olympische Spelen (2 hoofdletters!) zijn zelf al overbodig. Goed ik snap wel dat sporters graag tegen elkaar willen spelen, maar daar heb je al kampioenschappen en toernooien op nationale-, continentale en wereldschaal voor. De Olympische Spelen zijn gewoon een een tweede WK.
Moesten we dus maar mee ophouden dan jagen we in totalitaire landen ten minste ook geen mensen hun huis uit, omdat dat moet worden afgebroken voor een nieuw stadion.

Gelukkig waren ze in Amsterdam in 1992 verstandig genoeg.

Koude Berg

maandag 14 april, 2008

Only when the mind is free of care
can the light of understanding shine in every corner.

Pas toen de betekenis van deze slotregels van een gedicht van Han Shan (wat koude berg betekent) tot mij doordrongen, begreep ik wat er nu bijna vijftig jaar geleden in die drukkerij gebeurd was.

Om dat uit te leggen, kan ik eindelijk eens toegeven aan een diepgewortelde behoefte van me: Het onbekommerd betreden van zijpaden.

Toen ik in 1952 tot mijn stomme verbazing met goed gevolg de HBS verliet, had ik de illusie dat de wereld nu voor mij open lag.
Misschien was dat ook wel zo, maar een groot deel van die wereld leek te bestaan uit de kantoorwereld.
Eigenlijk wist ik niet precies wat ik wou, en een beroepskeuze test maakte me niet veel wijzer.
Tsja, vond die man, ik was zo breed geïnteresseerd dat er eigenlijk geen duidelijk profiel van was te maken. Misschien zou ik het beste documentalist kunnen worden. Bij een dagblad, bijvoorbeeld.
Maar ik kende dat woord documentalist niet, dus zei ik dat ik eigenlijk liever verkoper in een boekhandel wilde worden.
“Oh nee, dat lijkt me absoluut niets voor u, want u kunt niet goed met mensen omgaan”, zei de man en daar had hij wel een beetje gelijk in. Dus solliciteerde ik bij een tweede hands boekhandel, want een ander tekort van me was dat ik tamelijk eigenwijs was.
Ik werkte daar met veel plezier, maar 90 gulden per maand, was ook toen al geen vetpot. Dus zocht ik verder.
Overigens had de man van de beroepskeuze test wel gelijk, want later zou ik jaren lang met even veel plezier het vak van documentalist uitoefenen, zij het niet bij een krant.

Ik moet namelijk zeggen dat er maar weinig chaoten zijn, die zo van ordenen houden als ik. Als het maar niet ontaardt in opruimen.
In de fase dat ik programmeerde, zag ik wel eens een lichte verwildering in de ogen van de mensen die voor het eerst m’n werkkamer betraden.
“Kunnen hier werkende computerprogramma’s ontstaan?”, zag je ze denken.
Dus heb ik maar een spreuk opgehangen:

Een noodzakelijke voorwaarde voor het ontstaan van Orde
is de aanwezigheid van Chaos

en die toegeschreven aan een oude Chinese groentenboer.
Dat hielp.

Maar gelukkig kwam ik na een paar jaar jobshoppen Bram de Does tegen op de Insulindeweg.
Bram kende ik nog van dezelfde HBS en het korte gesprek dat wij voerden eindigde met een uitnodiging om eens langs te komen, want hij was aan het fotograferen geslagen.

Bram’s vader had een kleine drukkerij in de Dapperbuurt en Bram was in de jaren dat ik hem uit het oog verloren was naar de Amsterdamsche Grafische School gegaan om daar de Patroonsopleiding Typografie te volgen. En in de maanden die volgden vertelde Bram me veel over het vak en liet de verschillen zien tussen de diverse lettertypen en opende mijn ogen voor de schoonheid die een gedrukte tekst kan hebben.
Ik leerde letterzetten en mocht zelfs een tijd een letterkast met een weinig gebruikte letter van Bram’s vader lenen en begon welgemoed het Boek Der Golem van Gustav Meyrink over te zetten. Ik ken de begin regel nog uit m’n hoofd:

Das Mondlicht fällt auf das Fussende meines Bettes, und liegt dort wie ein grosser heller flacher Stein.

Dat avontuur was gauw afgelopen omdat er in die Nederlandstalige kast te weinig Umlauts en Ringelessen zaten.
Maar de liefde voor het vak had me aangeraakt.
Beatrice Warde was het geloof ik, die gezegd heeft: Wie eens drukinkt aan zijn vingers heeft gehad, krijgt het er nooit meer af.

En in het jaar dat Bram de grafische school verliet, ging ik er naar toe.

Drie jaar later had ik ook het diploma, en een nog grotere liefde voor het vak verworven, zij het dat het een soms wat ongelukkige liefde kon zijn.
Mijn oog had zich namelijk beter ontwikkeld dan mijn hand.

Ik weet nog dat ik mijn leraar ontwerpen voorstelde om zijn lessen maar over te slaan, omdat dat voor ons beider typografisch oog een opluchting zou zijn, maar hij wist dit uit mijn hoofd te praten en legde balsem op mijn ziel door mij te vragen het geboortekaartje van zijn eerste kind te zetten.
Want hij wist dat ik in elk geval wel een beschadigde letter er uit haalde en wist hoe je kapitaaltjes gelijk moest stellen. Dat had Bram me al bijgebracht voor ik naar de grafische school ging. Romanée kapitaaltjes waren het, kan ik me nog herinneren.

Maar het bleef knagen, dat wat mijn ogen zagen, mijn handen niet konden maken.

Na de school bleven wij elkaar vaak zien.
Op een gegeven moment kwamen wij tot de conclusie dat wij een tijdschrift moesten op zetten. Het zou over kunst en andere belangrijke zaken gaan en een klassieke typografische vorm krijgen. De Spectator moest het gaan heten. In die context kregen we contact met James Holmes, een in Nederland wonende Amerikaanse journalist en die betrok ons bij een project rond de 75ste verjaardag van de Maastrichtse dichter Pierre Kemp.
Er waren 26 gedichten van hem vertaald in het Engels onder de titel “An English Alphabet”.

Bram werd nu gevraagd een bibliofiele uitgave van deze bundel te produceren en ik mocht van hem meedoen.

“Zo”, zei Bram, toen we in de drukkerij van zijn vader stonden, “we gaan een van de vijftig best verzorgde boeken van 1961 maken.”
En hij werd op zijn wenken bediend:

‘Dit is een heel mooi stukje “typographie pure”, volgens strikt traditionele beginselen uitgevoerd’ was het oordeel van de jury.

Het enige wat aan Bram’s voorspelling vooraf overdreven was, was het woordje “we”.
Goed, ik had een deel van het zetwerk gedaan, maar Bram had het papier uitgezocht, gedrukt, het meeste bindwerk gedaan en het bandstempel ontworpen.

Maar op één moment had ik iets met de layout te maken. Toen de eerste drukvorm moest worden ingeslagen, vroeg Bram me dat even te doen.
Mijn vormgevingshandicap kennende voelde ik daar niet zo veel voor, en mijn eerste reactie dan ook: “Nee, dat moet jij maar doen, Bram.”
Maar Bram was druk bezig met de Heidelberger waarop gedrukt zou gaan worden. Dus nee, dat moest ik maar even doen.

Mijn weerstand kwam hier uit voort dat je in bepaalde gevallen bij het inslaan van pagina’s al de opmaak van de pagina’s beïnvloedt.

Dat zal ik uitleggen:
Wij drukten twee pagina’s naast elkaar op één vel af. Die vellen werden dan later gevouwen en in elkaar gestoken tot katernen en die katernen werden dan aan elkaar genaaid tot het binnenwerk van één boek.
Het zetsel van twee pagina’s wordt om het af te kunnen drukken in een stalen raam gemonteerd en dat raam gaat de pers in.
Als je dat doet bepaal je door de afstand tussen die twee (pagina)blokken zetsel automatisch de rugmarge op de uiteindelijke afdruk. En omdat het papierformaat dan al vast ligt, bepaal je dan ook de marge tussen de bladspiegel en de snede van het boek.
En omdat er bepaalde min of meer vast liggende esthetische regels in de vormgeving bestaan, ligt daarmee eigenlijk ook de verticale plaatsing op de pagina vast.

Dat leek mij een beetje te eng. Maar omdat Bram niet toegaf, dacht ik op een bepaald moment, ach wat, ik zorg wel dat het een beetje in de buurt komt, want Bram is toch kritisch genoeg om er voor te zorgen dat het goed wordt.

Ik was dan ook stomverbaasd toen Bram een proefdruk maakte en zei dat er niets hoefde te veranderen.
Toen ik dat eindelijk geloofde troostte ik me maar met de gedachte, dat het ook wel eens voorkomt, dat iemand iets in de loterij wint.

Later toen ik Han Shan begreep, begreep ik ook wat er toen gebeurd was:
Omdat ik wist dat ik op Bram terug kon vallen, was mijn geest vrij van zorgen.
En daardoor een completere vorm van understanding zijn werk doen.
Het was een intuïtief inzicht – niet gehinderd door typografische conventies als optisch midden, gulden snede en methode Van De Graaf.
Een moment waarop ik aansluiting kon krijgen met iets wat wel degelijk bestaat, maar moeilijk te definiëren is: harmonie.

Eindelijk kon mijn hand zich moeiteloos laten sturen door mijn oog, zonder de bemoeienis van een overbezorgde ouder: de rede.

Brinkmanship

dinsdag 8 januari, 2008

Brinkmanship is een term uit de koude oorlog.

Het idee erachter was dat je de tegenstander het best hun hok in kon intimideren door tot het randje van oorlog te gaan. (Going to the brink of war).

Dezer dagen haalde een Brinkman het nieuws met het idee de Antillianen te verkopen via Marktplaats.nl.
Blijkbaar wist die meneer niet dat de gewoonte mensen te kopen en te verkopen door Nederland al in 1863 is afgeschaft. Maar ja, wat wil je, die meneer Brinkman is lid van de PVV, die wel meer dingen door elkaar haalt.
Zo zou PVV Partij voor de Vrijheid zou betekenen.
Maar als je eens opzoekt waar die partij voor staat dan zie je dat ze het voornamelijk hebben over verbieden inperken en opheffen.
Wat ze eigenlijk het liefste willen is een heilige oorlog. Een soort blonde hijad, zou je kunnen zeggen.
Het is dan ook volstrekt logisch en uiterst respectabel dat de Antillianen niets met zo’n Brinkman te bespreken hebben.

De Tweede Kamer delegatie wenst meneer B. echter niet laten vallen.
Natuurlijk fatsoen moet je doen, maar niet onder alle omstandigheden.
Misschien is fatsoen meer iets voor de studeerkamer, als we aan Balkenende’s standje aan Bot terugdenken. In de praktijk van het volksvertegenwoordigerswerk gaat het formele boven het fatsoenlijke.

Wel probeert de VVD voorzitter van de delegatie – die tegen beter weten in toch maar naar de Antillen is gereisd – nog z’n gezicht te redden door afstand te nemen van ‘de manier waarop’ de heer Brinkman aan zijn ideeën uiting heeft gegeven, waar ieder fatsoenlijk mens natuurlijk afstand had genomen van de inhoud van die ideeën.

Maar we zagen het al ook in de nieuwe politiek gaat de vorm vaak boven de inhoud.
(Zou dat misschien de oorzaak kunnen zijn dat de volksvertegenwoordiging – de wetgevende macht – in de praktijk zo vaak de Baarmoeder van de Bureaucratie lijkt te zijn?)

Kijk, nou heeft nog nooit iemand mij er van beschuldigd diplomatiek te zijn. Maar in dit geval had ik het als commissielid toch wel beter gedaan.
Ik had er voor gezorgd dat de commissie thuis was gebleven omdat er geen redelijke basis voor vruchtbaar overleg was.

En dan had iedereen naar eigen behoefte kunnen bedenken of dat ontbreken van die basis nou lag aan die langtenige Antillianen die zich niet eens als handelswaar wilden laten behandelen, of aan het gemis aan beschaving van een deel van de Nederlandse delegatie.

mailtobutton