Archive for the ‘Uncategorized’ Category

Gelukkig in Holset VII; de Euregio bonus

zondag 23 maart, 2014

In ons vorige leven. dat wil zeggen toen wij nog niet in Limburg woonden, grepen we elke gelegenheid aan om hier een paar dagen door te brengen.
Dat vergde een autorit van ruim twee uur en daarbij was het passeren van Breda altijd een belangrijk moment. Want kort nadat we van de A zoveel de A nog iets meer opreden kwamen we in het bereik van Klara.
Klara speelt de laatste jaren een grote rol in mijn leven en heeft veel aan mijn levensgeluk bijgedragen.
Voor jullie nu denken dat ik slachtoffer ben geworden van een vertraagde midlife crisis, zal ik voor wie Klara niet kent verklaren wie zij is:
Zoals ik pas na enige jaren bedacht staat Klara voor klassieke radiozender. Een Nederlandstalige Belgische FM-zender.
Deze zender zendt het grootste deel van de werkdagen klassieke muziek uit, alleen onderbroken door aankondigingen en korte nieuwsuitzendingen.  Er is ook nog een zusterzender Klara continuo die alleen maar de muziek uitzendt en waarbij je de playlist van het internet moet vissen. (Of misschien zijn er wel moderne radio’s met een display waar de titels op verschijnen. Anders moet iemand dat maar uitvinden.)

Waarom ben ik zo van Klara gaan houden?
Om twee redenen.
Omdat ik nu van muziek ben gaan houden waar ik vroeger niet uit mijzelf naar zou gaan luisteren. Bijvoorbeeld omdat ik dacht aan Barok wel genoeg te hebben, en ik bepaalde genres en componisten soms zelfs niet eens bij naam kende.

Zo kan ik tegenwoordig op de vraag “Aimez-vous Brahms?’ Jazeker antwoorden. Nooit van mezelf gedacht.
Nu we hier wonen is Klara continu te ontvangen en is deze luxe een dagelijkse luxe geworden.
Zo viel ik op een dag in een uitzending die zoals ik later begreep gewijd was aan de dag van de stilte. (Blijkbaar is er een keer per jaar een dag van de stilte. Nou ja). Maar ondanks die stilte was er dus muziek. Muziek als ik nog niet eerder had gehoord. Mooi. IJzig mooi.
Muziek die mij raakt roept vaak beelden bij mij op. Landschappen meestal. Dit keer waren het tamelijk barbaarse landschappen waarin kreunend rotsen uit de grond oprezen. Het leek niet op iets wat ik ooit gezien had. Soms waren het geen rotsen maar reusachtige kristallen. De componist moest wel een Noor of een Fin zijn dacht ik. Dat had ik mis, maar ik zat wel in de buurt, het was een Est, Arvo Pärt.
Dank U, Klara.

Het is echter niet alleen de muziek waarvan ik geniet. Het is de totaal andere toonzetting van deze Vlaamse zender. Hier wordt normaal gesproken, zonder onnodige klemtonen en pauzes. Hier wordt geademd in plaats van gehijgd. Hier worden gesprekken gevoerd in plaats van discussies. Deze volstrekt on-hysterische toonzetting is iets wat je op de Nederlandse zenders nog nauwelijks aantreft. Wat een verademing.
Wees gegroet oh Klara. Gij zijt de gezegende onder de zenders.

Een andere Euregio bonus is dat we hier in het bereik van een aantal Duitse DVB-T zenders wonen.
Dat betekent niet alleen dat je het lokale nieuws kan volgen (Aken is lokaal nieuws), maar dat je van discussie programma’s van een soort die wij nauwelijks nog op de Nederlandse TV  aantreffen kunt genieten, zoals Köllner Treff en Hart aber fair.
Je weet niet wat je meemaakt. Mensen laten elkaar uitspreken. Gaan op elkaars argumenten in in plaats van hun eigen riedel te herhalen. En voor zover ik de Duitse taal meester ben, krijg ik de indruk dat alle zinnen op een natuurlijke wijze hun einde halen.

Alleen Buitenhof komt nog in de buurt al mis ik Clairy Polak nog steeds. En vroeger (opa spreekt nu over de beginjaren van de televisie) had je het internationale journalistenforum op zondag ochtend.

Het is dan ook met weinig spijt dat we ons Digitenne abonnement hebben opgezegd. De commerciële zenders kunnen we niet meer ontvangen, maar die bekeken we toch alleen naar als er een speelfilm op vertoond werd, en als we willen weten of rechts nog bestaat, kijken we eens per week wel even naar de zender voor wacko Nederland.

Gelukkig in Holset VI; Kump jot!

maandag 3 maart, 2014

Twee en een half jaar wonen we hier nu inmiddels officieel, en echt ingeburgerd zijn we bij lange na niet.
Het is ook de vraag of volledige Limburgerisering mogelijk is voor een “Hollander”.

“Hollander” is een Limburgs woord voor niet-Limburgse Nederlander. Dat ervoer  een uit Brabant afkomstige inwoner van Zuid-Limburg toen hij zijn bejaarde buurman te hulp wilde schieten die van de trap gevallen was. “Ik hoef niet geholpen te worden door een “Hollander” werd hem toegevoegd. Nu was de oude man ook wel een uitzonderlijk exemplaar, getuige alleen al het feit, dat de mensen die na zijn overlijden zijn huis betrokken daar tussen de achtergebleven spullen de “Tischgespräche mit Hitler” aantroffen.
De sterke regionale contrasten die binnen ons postzegelgrote landje mogelijk zijn werden ons ook nog eens duidelijk toen dezelfde hulpvaardige Brabander ons een cadeautje overhandigde dat we een paar dagen eerder aan zijn Limburgse vrouw hadden gegeven, die dat toen gracieus had ontvangen. “Het is niet de smaak, van mijn vrouw. En nu kan ik het wel in de afvalcontainer gooien, maar ik dacht misschien wil jij het wel hebben. Mijn vrouw durft dat niet te zeggen als Limburgse, maar wij zijn Hollanders hè?”
Ja, en die zijn rechtuit, of zoals sommige mensen het ook wel noemen, bot.

Nu vind je in elke cultuur natuurlijk mensen die die cultuur eer aandoen en uitgesproken eigenheimers. Zelf ben ik ook bepaald niet de gezelligste man van het westelijk halfrond. Maar over het geheel genomen is er toch duidelijk een sfeerverschil tussen het Limburgse en de polder waar wij in opgroeiden. Ook in het stukje Duitsland waar wij komen zijn de dingen anders. Auto’s die voor je stoppen als je oversteekt bijvoorbeeld, en soms zijn er dingen die je pas naar een tijdje ziet, bijvoorbeeld omdat ze niet te zien zijn, zoals hondenpoep. Maar dat begint in Limburg al. Je kunt hier gewoon lopen op de trottoirs!

De vriendelijke manier waarop je geholpen wordt in winkels en bij instanties, waarbij primair geprobeerd wordt je te helpen en niet primair de regels toegepast worden is iets wat weldadig aandoet als je uit lokettenland komt.
Dat verschil tussen het formele van het noorden en het informele van het zuiden wordt vaak toegeschreven aan de dominantie van het protestantisme versus het katholicisme en dat zou wel eens kunnen, al blijft de vraag wat hier kip en wat ei is.
Wat me wel belangrijk lijkt is de mengverhouding van  formeel en informeel waarmee je benaderd wordt, en het is ook wel afhankelijk van de situatie waar je het over hebt.
Als ik een koopcontract sluit moet er geen misverstand mogelijk zijn over prijs en product. Oké, over de leverdatum valt nog wel te praten misschien. Maar als het over minder zware zaken gaat, is de vorm en de sfeer toch wel bijna net zo belangrijk als de inhoud.
Iedereen krijgt wel eens iets wat hij niet mooi vindt. Maar dan kan je natuurlijk zeggen, ‘Heb je de bon nog’? Of koortsachtig nadenken of je niet iets  weet op te brengen als ‘Oh, wat een handig ding, zeg’.
Maar als informeel gedrag wordt  beoefend door lieden met macht dan is de kans groot dat er Roermondse toestanden ontstaan.

“Kump jot”, of “Kump allemoal jot”  is hier een veel gebezigde afsluiting als je iets afspreekt. Maar het blijkt dat afspraak hier toch een iets andere inhoud heeft dan in het noorden. Helemaal vreemd was dat niet voor me. In de drie jaar dat ik in Spanje woonde had ik dat ook al meegemaakt en was daar na een tijdje ook aan gewend geraakt.
En ja, dat is ook een katholiek land. Zou daar toch een verklaring in liggen?
Misschien zit het wel zó.
Waar noorderlingen een afspraak opvatten als een contract, zien zuiderlingen het misschien meer als een intentieverklaring. En is het ook welgemeend hun voornemen om dat en dat, dan en dan voor je te doen, want dan doet hij jou een plezier en vind jij hem ook een beste vent.
Dat er daarna tussen droom en daad van alles kan gebeuren, waardoor jij helaas pas iets later geholpen kan worden, kan gebeuren. Dat is force majeur.
Wat hier meehelpt is dat de intentie in het katholieke geloof hoger gewaardeerd wordt dan in het protestantisme. Iemand die lang tegen de verleiding gestreden heeft maar uiteindelijk toch zondigt maakt in katholieke opvattingen toch nog wel een kansje op de hemel.
Als je dit weet, aanvaard je dit ook gemakkelijker als ’s lands wijs.

Voor je het weet zeg je zelf “kump jot”.

Waar heeft ieder mens recht op, en waarom?

woensdag 26 februari, 2014

Door het volgen van een aantal colleges theologie en filosofie aan de Akense RWTH de afgelopen jaren is mijn onwetendheid op een prettige manier toegenomen.
Zaken waarvan ik aannam dat ik ze wel globaal begreep, of waarvan ik tenminste dacht ik wist wat de woorden waarmee ze omschreven werden betekenden, zoals tijd, mens, leven, recht en vrijheid, bleken een stuk raadselachtiger te zijn dan ik dacht.
Normaal gesproken ben je niet blij als iets wat je gedaan hebt, of wat je gekocht hebt niet blijkt te werken, en vind je het zonde van de moeite of het geld. Maar in dit geval ligt het iets anders.
Als je filosofie probeert te beoefenen, ben je niet op zoek naar hapklare kennis of wijsheid, maar probeer je te leren om kritisch naar je eigen oppervlakkige oordelen te kijken. Tenminste, dat denk ik. Voor mij betekent filosofie oefenen in tegenspraak. Dat is niet bedoeld als oefenen in het tegenspreken van anderen, maar kritisch te zijn jegens je eigen overtuigingen.
Uit dien hoofde (wat kan een beetje ouderwets Nederlands toch mooi zijn) uit dien hoofde dus, heb ik zelden geld beter besteed dan aan een toehoorderskaart voor het Senioren Studium van de RWTH.

Wat me steeds meer bezig houdt na twee semesters politieke filosofie van twee verschillende docenten, is de indruk dat er niet bij het begin begonnen wordt.
Ik bedoel niet dat er niet ver genoeg in de geschiedenis terug wordt gegaan, maar dat er niet helemaal onder aan de opbouw van begrippen wordt begonnen.
Met name die uiteenzettingen in de politieke filosofie die uitgaan van de Verlichting accepteren een aantal grond- of oer rechten zonder discussie over hun herkomst en houdbaarheid.
Wat ik bedoel is dat , wanneer je wilt discussiëren over een rechtvaardige samenleving, je moet nadenken wat rechten precies zijn.

  • Waar rechten vandaan komen
  • Op welke gronden je rechten hebt
  • Bij wie je ze kunt opeisen
  • En welke voorwaarden er eventueel aan verbonden zijn om op die rechten aanspraak te maken.

Veel van die vragen zijn volgens mij niet beantwoord wanneer er gesproken wordt over die grondrechten waar  met name de liberale politieke filosofen op voortbouwen.

Hoe aannemelijk rechten kunnen lijken en hoe weinig ze dat bij nader inzicht lijken te zijn wil ik duidelijk maken door hier een discussie met mijzelf aan te gaan over een van die grondrechten, waar naar het lijkt iedereen zonder meer vanuit gaat: het recht op leven.
Het feit dat ik daar zelf ook helemaal achter sta, doet hier niet te zake. De vraag is op welke grond ik denk daar achter te moeten staan.

Dit verhaal is een live verslag van die discussie. Op het moment dat ik deze zin  schrijf weet ik dus nog niet waar ik terecht zal komen.

Waarom kies ik deze vorm?
Wel ik denk er over om volgend semester te kijken of er een college over rechtsfilosofie wordt gegeven, waar fundamenteel op het begrip recht wordt ingegaan.
Maar voor ik daar heen ga, wil ik mijn eigen redenering opbouwen in de verwachting dat een vergelijking tussen mijn bouwsel met het bouwwerk van echte architecten van de gedachte misschien interessante valkuilen of vergezichten aan het licht kunnen brengen, waaruit weer ideeën kunnen ontstaan over bruikbare loopbruggen of tunnels tussen die twee, of balustrades met een beter uitzicht.

Ik bedoel maar, op z’n minst zal het verschil een inzicht opleveren, waar ik het spoor bijster ben geraakt.

Het recht op leven dus.

In een vorig artikel haalde ik de Onafhankelijkheidsverklaring van de Verenigde  Staten in oprichting al aan. Daar staan een aantal uitspraken in die door de opstellers ‘self-evident truths’ vanzelfsprekende waarheden worden genoemd: Namelijk dat alle mensen gelijk geschapen zijn en dat ze door hun schepper zijn uitgerust met een aantal onvervreemdbare rechten, en dat daar toe behoren leven, vrijheid en het nastreven van geluk.

Tja, vanzelfsprekende waarheden, als dat zou kunnen…

De denkers van die tijd hadden het gemakkelijk als ze het over fundamentele zaken hadden. Die konden ze aan hun schepper toeschrijven. Toen de Verlichting echter voortschreed en een aantal filosofen voorzichtig als atheïst of als beetje-theïst uit de kast durfden te komen, bleven die grondrechten hun leven leidden.
Niet helemaal onbegrijpelijk. Als een aantal grote geesten je uitrusten met een aantal eigenschappen en mogelijkheden die voor het gevoel heel behaaglijk aankomen, moet je wel een oorwurm zijn om daar moeilijk over te gaan doen.
Dat is zo’n beetje hetzelfde als tegen die man die met een cheque van vier ton van de Postcodeloterij aan de deur komt te zeggen, “Sorry, u vergist u, ik heb helemaal niet meegedaan met uw loterij.”
Maar zo’n type ben ik blijkbaar.

In het zo-even genoemde stuk is al voldoende getornd aan dat andere konijn uit de hoge hoed, het recht op eigendom, dus beperk ik me hier tot het recht op leven.
Als je iemand de vraag stelt ‘heb jij recht op leven?’ dan zal het antwoord in eerste instantie meestal ja zijn. Dat is wel begrijpelijk, want je stelt die vraag aan iemand die al leeft. De persoon aan wie de vraag gesteld wordt zal deze dan ook opvatten als  ‘vind je dat je het recht hebt om in leven te blijven?’ en ook hierop zullen de meeste mensen zoiets zeggen als , ‘voorlopig wel, ja’.
Die vraag te stellen aan een niet-levend persoon is niet mogelijk en niemand zal ook overwegen om te proberen dat te doen en dat doet het vermoeden rijzen dat recht en persoon en leven  iets met elkaar te maken hebben.
Zodra er leven is in een vorm die zich van dat leven bewust is, zodra er dus sprake is van een persoon en niet van bijvoorbeeld een pantoffeldiertje, dan kan er blijkbaar bij die persoon een gevoel ontstaan dat hij er recht op heeft in leven te blijven zo lang het leven strekt. Weinig mensen zullen menen dat ze recht hebben op een eeuwig leven, althans niet in de aardse biologische vorm.

Wat zegt dat? Dat het hebben van leven niet zo zeer een recht is (wat al dan niet universeel is, en al dan niet vervuld wordt) maar dat het een eigenschap is die bepaalde vormen van materie gedurende een bepaalde tijd hebben, totdat zij tot stof wederkeren zogezegd.
Het hoe en waarom van die transformatie van dode naar levende materie ligt grotendeels buiten het bereik van onze (nou ja, in ieder geval mijn) kennis.
Wat we weten is dat het leven er sinds lange tijd is en dat twee belangrijke kenmerken er van zijn dat het zich zelf vermeerdert, dat die vermeerdering tot het ontstaan van meerdere vormen leidt, dat het bestaan van leven in een bepaald exemplaar tijdelijk is, en dat mettertijd een vorm van bewustzijn is ontstaan in de levensvorm ‘mens‘.

Dat bewustzijn bij de mens is ontwikkeld tot een zelfbewustzijn dat zich nog verder vult en vormt nadat het bestaan als levend wezen begonnen is. Mede dank zij de ontwikkeling van dat bewustzijn en via kennis die tijdens het leven wordt opgedaan en dankzij het geheugen toegankelijk blijft, kan het levende wezen zich bekwamen om het leven zo lang mogelijk te behouden.
Nu is dat leven iets waar een nieuwgeborene niet om gevraagd heeft. Dat is logisch, wie niet bestaat kan niets vragen. Het leven valt je dus toe.
Je leest wel eens de tekst dat ‘een moeder het leven schonk aan een gezonde zoon of dochter’ maar dat is een vorm van romantisch taalgebruik: Noch bij de bevalling noch bij de conceptie (zelfs wanneer dit in een Petrischaaltje gebeurt) wordt leven geschonken, hooguit gehoopt dat het doorgegeven wordt. In plaats van een eigenschap die aan een bepaalde hoeveelheid stof is toegevallen, zou je dus ook kunnen zeggen dat het leven een gegeven is. Niet in de zin van iets wat door een gever aan een ontvanger is overhandigd, maar een gegeven zoals je zegt dat het een gegeven is dat er even en oneven getallen zijn of dat er links – en rechtsdraaiend melkzuur bestaat.

Nu zou je het volgende kunnen concluderen:
Op iets dat zonder voorwaarden vooraf aan ieder levend wezen op dezelfde wijze en in dezelfde mate toevalt, kan logischerwijs de een niet meer of minder aanspraak maken dan de ander.
(Laten we dit de gelijkheidsstelling noemen)
En uit deze stelling vloeit zowel
1.  een fundamenteel gelijkheidsargument, en
2. een bepaald rechtsargument voort.

ad 1.  Die gelijkheid heeft vooralsnog alleen betrekking op onze relatie als persoon tot het verschijnsel leven.
Ik bedoel je kunt niet op grond hiervan zeggen dat alle mensen gelijk zijn, maar wel dat ze in zoverre gelijk zijn dat ze het in leven zijn gemeen hebben en dat ze dat leven hebben verkregen los van welke voorwaarde of verdienste dan ook.
ad 2. Het rechtsargument slaat ten gevolge van de gelijkheidsstelling niet op het mogen verkrijgen van dat leven, maar op het behoud daarvan binnen de natuurlijke duur.
Anders gezegd, iedereen heeft onder gelijke voorwaarden het leven toegevallen gekregen en kan weliswaar geen recht doen gelden op dat verkrijgen daarvan (wat op zichzelf al een onzinnige eis zou zijn want het leven is er al) maar kan wel op grond van de gelijke situatie een gelijk recht op het behoud ervan claimen.

In filosofische zin zou het grondrechtsbeginsel  dus kunnen luiden.

Ieder (bewust) levend wezen heeft voor de natuurlijke duur ervan recht op het in stand houden van dat leven.

Waarom staat hier nu bewust tussen haakjes?
Omdat ik buiten dit verhaal wil houden of hier ook over ongeboren leven, dieren en planten gaat.

Als mijn redenering klopt, dan zou dat verstrekkende gevolgen hebben. Immers geen enkel individu is in staat – in het huidige ontwikkelingsstadium van zowel de mens als de maatschappij – voort te bestaan zonder gebruik te maken van de hulp en de voortbrengselen van anderen, omdat zowel ons lichaam als onze geest gevoed moet worden en we die voedingsstoffen onmogelijk meer zelf kunnen produceren.
We zijn dus afhankelijk van elkaar en die onderlinge afhankelijkheid pleit er voor dat we dat recht op het in stand houden van het leven ook als een wederkerige verplichting moeten ervaren, wil het persoonlijke recht ook vervuld worden.

Omdat het menselijke leven uit twee lagen bestaat, een materiële en een geestelijke laag, en beide gevoed moeten worden is er enerzijds een gezond biologisch milieu nodig en anderzijds een gezond cultureel milieu. Dat betekent dat de samenleving zodanig ingericht behoort te zijn dat de middelen die daarvoor nodig zijn voor iedereen toegankelijk moeten zijn en dat bij schaarste een zo rechtvaardig mogelijke verdeling ontworpen moet worden, waarbij objectieve behoefte vooralsnog het meest logische uitgangspunt lijkt.

Als we deze uitgangspunten honoreren, dan ontstaat er een heel ecosysteem van mensenrechten.
Van recht op schoon drinkwater tot recht op betaalde arbeid, van recht op gezondheidszorg tot recht op onderwijs.

Dat ik links was, wist ik al lang, maar ik begin te vermoeden dat nog terecht is ook.

Overigens, tijdens het schrijven is het zomerprogramma uitgekomen en er staat geen cursus rechtsfilosofie bij. De universiteit van Maastricht heeft al helemaal geen onderwijs voor ouderen programma en de hogeschool in de buurt behandelt mijn onderwerp niet.

De lemen voeten van het liberalisme

woensdag 25 december, 2013

In 1973 publiceerde ik een boekje dat (conform de toenmalige spellingsregels) “De demokratisering van het geluk” heette. Het kreeg vriendelijke recensies en slechte verkoopcijfers.
In een van de eindnoten van het boekje verwijs ik naar de Amerikaanse onafhankelijkheidsverklaring en met name de tweede alinea, die begint met: We hold these truths to be self-evident, that all men are created equal, that they are endowed by their Creator with certain unalienable Rights, that among these are Life, Liberty and the pursuit of Happiness.
Wij beschouwen deze waarheden als vanzelfsprekend, dat alle mensen als gelijken worden geschapen, dat zij door hun schepper met zekere onvervreemdbare rechten zijn begiftigd, dat zich daaronder bevinden het leven, de vrijheid en het nastreven van geluk.

Een belangrijke tekst, en het zou mooi zijn als de leiders van sommige Amerikaanse instituten deze tekst nog eens nalazen en ontdekten dat er verdikkeme staat dat alle mensen met onvervreemdbare rechten uitgerust zijn en niet alleen US citizens.

De opstellers van de onafhankelijkheidsverklaring stoelden hun opvattingen op de filosofen van de Verlichting en in het noemen van het nastreven van geluk in één adem met leven en vrijheid heeft waarschijnlijk het werk van de Ierse filosoof Francis Hutcheson een rol gespeeld, voor wie ethiek inhoudt het streven naar “the greatest happiness for the greatest number”.  Een uitspraak waarmee hij vooruitloopt op Bentham die meestal als de grondlegger genoemd wordt van dit idee, dat bekend staat als utilitarisme.
Die verlichtingsfilosofen en met name degenen die zich met de rol van de staat hebben beziggehouden spelen een grote rol in het denken van latere beoefenaars van de politieke filosofie en het is vooral de bron waaruit de grondleggers en verdedigers van het liberalisme graag drinken.
Hier dient opgemerkt te worden dat de woorden liberaal en liberalisme hier gebruikt worden in de Europese betekenis van het woord en niet in de betekenis van linkse losbandigheid die veel Amerikanen aan ‘liberals’ toeschrijven.

Wat wel opvalt, is dat de latere politieke filosofen (van de 20ste eeuw) minder over dat geluk spreken maar bij het opsommen van grondrechten veel nadruk leggen op het door Locke geïntroduceerde recht op individuele eigendom.
En in hun geschriften worden die grondrechten vaak als natuurlijke rechten betiteld.

Dit wordt vrees ik een lang artikel, maar om onnodig leeswerk te voorkomen vertel ik maar meteen waar ik naar toe wil. Wat ik wil beargumenteren, zodat wie de conclusie niet bevalt op kan houden te lezen, voor hij zich laat overtuigen.

Die lemen voeten slaan natuurlijk op de uitdrukking ‘een reus op leen voeten’ en wie wil weten waar die uitdrukking vandaan komt, omdat hij dat niet van huis heeft meegekregen, leze het boek Daniël, vers 2 over de droom van Nebukadnezar.
Maar waarom vind ik dat het liberalisme lemen voeten heeft? Omdat die grondrechten niet met een logische redenering te rechtvaardigen zijn.
We hold these truths to be self-evident, heet het, Wij beschouwen deze waarheden als vanzelfsprekend.
Ja, dat is een deftige manier om te zeggen ‘dat is nu eenmaal zo’ wat ongeveer neer komt op:  ‘dat kan ik niet bewijzen, en daarom zeg ik maar dat ik het daarom ook niet hoef te bewijzen’.
Maar zo makkelijk gaat het hier niet. Blijkbaar voelden de Founding Fathers en de meeste filosofen uit die tijd dat ook wel aan, want ze voegden er meestal aan toe dat die dingen die vanzelfsprekend zijn dat waren omdat het geschenken van hun (en volgens hen ook uw) schepper waren.
Nu kan je de schepper van alles in de schoenen schuiven en daar kom je in een sharia samenleving of ander theocratisch regime misschien nog wel mee weg, maar in een democratisch stelsel, kan je je toch moeilijk baseren op een van de vele interpretaties van de bedoelingen van een veronderstelde schepper.
Goed, laten we die schepper even buiten beschouwing, hoe kom je dan weg met vanzelfsprekende waarheden?
Van zelf sprekend? Een soort onzichtbare autonome luidsprekertjes die ons de ganse dag de waarheid zeiden? In sommige beroepen zou dit als een hel op aarde worden ervaren, vrees ik.
Laten we de schepper wel toe in ons verhaal, dan kan je je afvragen, had die schepper ook niet bepaalde verwachtingen van zijn schepselen? Zouden we dan misschien ook niet moeten spreken van natuurlijke plichten?
Het lijkt me duidelijk dat aan de basis van de filosofie van het liberalisme een aantal met de hand geplukte uitgangspunten staan die geen enkele redelijke onderbouwing hebben.

Maar is het überhaupt mogelijk om rechten te onderbouwen?
Ik heb daar nog niet zo veel over gelezen, maar er schijnen meerdere stromingen te bestaan.
De eenvoudigste manier om recht te definiëren is te zeggen: recht is wat in de wet staat. Maar daar schiet je niets mee op want dat vertelt je nog niet wat er in die wet staat of liever gezegd zou moeten staan. En als je die vraag probeert te beantwoorden, kom je altijd uit bij moraal en ethiek. Als je gelovig bent zal je daarbij een openbaring als de voornaamste bron beschouwen, maar zelfs Thomas van Aquino stelde dat er naast een eeuwige wet (van goddelijke oorsprong) ook nog een natuurlijke wet en een menselijke wet op ons van toepassing is.

Dat laatste probeerde John Rawls (1921-2002) die in de 20ste eeuw de politieke filosofie weer leven inblies weer op de agenda te zetten met zijn opvatting van ‘justice as fairness’ en in het algemeen voor een socialer liberalisme pleitte, waarin wel plaats was voor ongelijkheid in economisch opzicht mits dat verschil ook ten goede zou komen van de minstbedeelden.

Dit ging echter zijn critici al te ver en zij beriepen zich op op John Locke die een soort oertoestand schetste, waarin de mensen zich een deel van alles wat de schepper aan de mensheid geschonken had in de vorm van de natuur konden toe-eigenen door hun arbeid te mengen met de natuur.
De simpele handeling van het plukken van een appel van een ergens in het wild groeiende appelboom, maakte jouw de rechthebbende exclusieve eigenaar van die appel, omdat jij de inspanning van het plukken had opgebracht.

OK, valt nog iets voor te zeggen. Iets verder gaat het idee dat je op een stuk land komt, dat van niemand hoort, en je gaat dat bewerken. Gevolg: het stuk grond is nu van jou.
Kost al wat meer moeite. Land wat van niemand is? Stel dat daar mensen wonen die nog niet in termen van grondbezit denken?
Maar goed laten we niet flauw zijn . Onbewoond en onbewerkt stukje land. Je zaait er een paar jaar mais op tot de bodem uitgeput is en gaat dan dood. Zullen al je nakomelingen dan ook voor een deel eigenaar zijn,  ook als ze er nooit een poot naar hebben uitgestoken?

Trouwens, wat heb je aan dit soort theorieën als elk stukje aarde al in het kadaster vermeld staat met een eigenaar?
Nozick, een van de meest uitgesproken criticasters van Rawls ‘ sociale liberalisme poneert een rechtvaardigingsprincipe voor privé-eigendom dat berust op drie vereisten: rechtmatige verwerving, rechtmatige overdracht, en een mechanisme om tekortkomingen in de voorgaande twee te herstellen.

Het vervelende is echter, dat zowel in de theorie van Nozick als in de huidige economische en politieke praktijk die dingen niet uitgewerkt noch toegepast zijn of worden. De rechtmatig  verwerving volgens de theorie sowieso al niet omdat er nauwelijks nog natuurlijke bronnen zijn die vrij van eigendom zijn, en de rechtvaardige overdracht niet omdat vererving al helemaal niet strookt met de initiële eis van arbeid die tot bezit leidt.
Kortom, kaartenhuis.

Het beginsel van Rawls dat eigendomsverschillen gerechtvaardigd zijn als die in het voordeel van de minstbedeelden werken, zien we in populaire uiteenzettingen vaak verpakt in een verhaal over het verdelen van een koek. Het komt er op neer dat de grootkoekbezitters er door hun ondernemingsgeest en hun deskundigheid en bereidheid risico’s te nemen die koek laten groeien en dat daardoor iedereen, ook de kruimelhouders er op vooruitgaan.
Dat is een mooie gedachte, zij het dan dat de kruimelhouders er minder op vooruit gaan dan de grootkoekbezitters. Waar ook niet over gepraat wordt, is dat de belangrijkste oorzaak van de groei van de koek de factor arbeid is. Wat ook niet vermeld wordt in het verhaal is dat dat wie een groot deel van de koek bezit ook de meeste macht heeft en kan bepalen hoe de koek verdeeld wordt. Dat als de grootkoekbezitters in meerdere landen opereren fiscale en wettelijke controle bijzonder moeilijk is. Dat naarmate de parten van de koek groeien monopolies en handelsverdragen de uitdrukking vrije markt een steeds grotere leugen doen worden.

Hoewel corruptie fraude en kartelvorming met steeds grotere regelmatigheid aan het licht komen, moet je toch constateren dat een groot gedeelte van handel en productie volgens nationale en internationale regels plaatsvinden. Dat wil zeggen dat uitbuiting door middel van hongerlonen en lage grondstoffenprijzen legaal zijn. En hieruit blijkt dat rechtmatigheid en rechtvaardigheid twee verschillende dingen zijn.

Hier vinden wij het normaal, ja zelfs noodzakelijk dat een kind naar school gaat. (Al zullen sommige kinderen het daar misschien niet altijd mee eens zijn). Kinderarbeid vinden we daarom moreel verwerpelijk.  Niettemin was in de 19e eeuw kinderarbeid  in ons land heel gewoon. Totdat de liberale(!) politicus Van Houten in 1874 een wet indiende ‘houdende maatregelen tot het tegengaan van overmatigen arbeid en verwaarloozing van kinderen’. Wat niet wegnam dat kinderarbeid toch bleef doorgaan omdat er weinig controle op werd uitgeoefend. Huishoudelijke arbeid en veldarbeid vielen sowieso al niet onder het verbod en kinderen van boven de twaalf jaar mochten wel te werk gesteld worden. Pas de invoering van de algemene leerplicht van 6 tot 12 jaar in 1900 bracht hierin verandering.

Dit voorbeeld illustreert duidelijk dat ons gevoel van rechtvaardigheid aan ontwikkeling onderhevig is. En dat houdt in dat het dat je daar in de politieke filosofie rekening mee moet houden. Een filosofie die dit niet doet is een ondeugdelijke filosofie en een politieke stroming die zich baseert op een ondeugdelijke filosofie is een ondeugdelijke politieke stroming. Politiek is een activiteit die dient om de dynamiek van een samenleving in een optimale vorm van rechtvaardigheid te laten resulteren. Je kunt daarom niet volstaan om terug te grijpen op gedachteconstructies die in de Verlichting werden geformuleerd over de oer toestand en het gedrag van de daarin levende mens. Die mens hebben we achter ons gelaten. Wij moeten voortdurend beseffen dat wij een tussenstadium zijn in een evolutionair proces dat leidt naar de sociale mens. Het is trouwens niet alleen de politieke filosofie waarin dit inzicht ontbreekt.

Waarom heet het eigenlijk liberalisme?
Het woord liberalisme is gebaseerde op het Latijnse woord voor vrijheid: libertas.
Liberalisme is dus te vertalen met vrijheidsliefde, vrijzinnigheid of zelfs vrijheidsstrijd. Het is een populaire term onder oprichters van politieke partijen. Wat voor partijen er dan ontstaan hangt af van het soort vrijheid dat men beoogt en wat voor middelen men wil gebruiken om die vrijheid te bewerkstelligen.

Toen ik noch niet zo lang bekend was in Aken, waar ik als toehoorder colleges volg, dacht ik een kortere fietsroute gevonden te hebben die wat minder druk was. Ik stuitte toen echter op een bord waarop een fiets was afgebeeld met het woord Frei er naast. Ik twijfelde; bedoelden ze hier mee vrij zoals wij dat gebruiken in ‘autovrije zondag’? Of bedoelden ze vrije toegang voor fietsen? Het bleek het laatste te zijn. Later zou ik op een van die colleges leren dat die twee gezichten van vrijheid door Isaiah Berlin als  negatieve vrijheid en positieve vrijheid zijn beschreven, waarbij dan de negatieve vrijheid  bestaat uit het vrij zijn of bevrijd zijn van iets en positieve vrijheid de vrijheid tot iets.
Dat is nog al een verschil, en dat betekent dat je onder de vlag van vrijheid alle kanten op kan. En je hoeft maar de beginselprogramma’s van twee politieke partijen die het woord vrijheid in hun naam hebben te bekijken om te zien wat vrijheid allemaal vermag.
En zo geschakeerd als het gebruik van het woord vrijheid is, is ook het palet van liberale stromingen.

Maar over welk soort vrijheid hebben de Urheber van het liberalisme het nu.
Het is dan gebruikelijk om terug te grijpen op John Locke maar soms gaat men nog verder terug te weten tot Thomas Hobbes, die zijn ideeën over de staat als noodzakelijk kwaad ontwikkeld op grond van een door hem geschilderde oer toestand waarin iedereen in oorlog is met iedereen, je dus altijd gevaar loopt en hij omschrijft het leven als ‘solitary, poore, nasty, brutish, and short’.  Dan is het nog beter vindt hij om te leven onder een heerser die een geweldsmonopolie heeft en zich daardoor kan opwerpen als beslechter van geschillen.

De bewoners van de vrijbuitersstaat leveren hierbij een deel van vrijheid (te weten die om elkaar te beroven en de koppen in te slaan) en krijgen daar een zekere mate van veiligheid voor terug.

Dit is een interessant gegeven, want die uitruil van individuele vrijheid tegen maatschappelijke zekerheid is iets wat in heel veel praktische politieke tot op de dag van vandaag een rol speelt. Of het nu gaat om de vraag hoeveel je van je verdiende geld inlevert aan de fiscus of om de vraag tot hoever een overheid zijn burgers mag  bespieden.
En je zou dus kunnen zeggen dat Hobbes als een soort proto-liberaal een vorm van negatieve vrijheid op het oog had.
Dat persoonlijke belang en de afscherming daarvan ten opzicht van de rest is een thema wat altijd in het liberalisme een rol is blijven spelen. Individuele vrijheid is een woord wat vaak in de mond genomen wordt, al laat men er als de eeuwen voorbij gaan steeds vaker op volgen dat dit natuurlijk niet de vrijheid van een ander mag beperken.

Het is goed zo’n uitspraak vanuit het perspectief van Isaiah Berlin te bezien. Die individuele vrijheid (ook vaak in een adem genoemd met individuele ontplooiing) is een positieve vrijheid. Een vrijheid tot, alleen begrenst door de aantasting van die vrijheid van iemand anders door de negatieve vrijheid van de ander dus.

Dit ligt wel ver af van dat mooie begrip van Hutcheson waarmee we begonnen, “the greatest happiness for the greatest number”.
Is het vreemd dat ik het liberalisme alleen maar kan ervaren als een bundel stromingen die in gradaties van bruut tot redelijk beschaafd zich bezighoudt met het verdedigen van het eigenbelang?

Gelukkig in Holset V; Drie culturen onder één dak

donderdag 24 oktober, 2013

Die drie culturen onder één dak hebben niets te maken met het drielandenpunt hier om de hoek en ook niet met de Euregio waar ze het hier vaak over hebben.

Het gaat over drie verschillende families bacteriën, die hier logeren en voor mij respectievelijk zuurdesem, yoghurt en zuurkool bereiden.
Het is een behoorlijk genoeglijke bezigheid om deze drie te onderhouden.
De zuurkool beestjes zijn het minst veeleisend. Eigenlijk hoef ik alleen maar te zorgen dat het waterslot op het zuurkoolvat gevuld blijft en dan moet er over nu een week of vier zuurkool zijn. Mijn moeder die in het land van de zuurkool bij uitstek opgroeide, citeerde wel eens een lokaal gezegde: Wer auf Gott vertraut, und sich Kappes klaut, der hat im Winter Sauerkraut.
Kappes is in het platduuts spitskool, maar ook hier in de buurt is het woord niet onbekend, Zoals Wikipedia zegt:
Mèt kappes wirt in deile van Limburg ‘ne sjpitskeuël bedoeld. ’t Woord kappes is aafgeleijd van ’t Latiense woord caputia of capitata wat keuël of “Witte keuël” beteikent.

In onze zuurkool is echter geen gewone spitskool gegaan maar Filderkraut. Dat is een variëteit waarvan de bewoners van het Fildertal nabij Stuttgart denken, dat hij het daar alleen maar goed doet.  Nou, dat is niet het geval. Hier heb ik ook Filderkraut gezaaid en dat werden forse kolen. Waarschijnlijk omdat het hier ook Löss grond is.
Dus stonden we op de dag dat daar het Filderkrautfest 2013 uitbundig gevierd werd hier ook kolen te schaven. Het vat van 16 liter dat wij in Beegden gekocht hadden, bleek een beetje te klein voor de 14,6 kilo kool, omdat we dachten dat 2 kilo kool geschaafd in 1 liter zou passen. Dus het is even afwachten.

De zuurdesem kolonie is een vastere klant. Dagelijks wordt deze bijgevoerd en ik heb nu een stabiele cultuur op roggemeel.
Het mooie van zo’n stabiele cultuur is dat hij steeds beter wordt. In het begin ruikt en smaakt hij alleen maar zuur, maar naar een week ontstaat er al een nootachtig bouquet.
De belangstelling voor zuurdesem ontstond omdat ik al jaren de ambitie had om een stokbrood te bakken zoals dat met name door God in Frankrijk bedoeld is, maar omdat dit een zeer lastig proces is schoof ik het voor me uit.
Het was me duidelijk een paar dingen essentieel zijn voor echt stokbrood. Bloem van harde tarwe zonder bijvoegingen, zuurdesem, stoom en geduld.
Op stoom na, allemaal schaarse producten. Uiteindelijk vond ik – nota bene in Rotterdam – een bakker die mij Tradition Française wilde verkopen en kon het experiment beginnen, en begon het het oefenen van zuurdesem en geduld.
Het eindpunt is echter nog niet bereikt. Wat ik maak ziet er uit als een stokbrood, ruikt als een stokbrood, heeft al enigszins de korst van een stokbrood, maar nog niet het kruim. Door stiekem wat gist te gebruiken komt er wel meer lucht in, maar dat mag officieel niet en in sommige dingen kan ik heel steil in de leer zijn.
Maar de vorderingen in het kweken van geduld zijn niet helemaal ontmoedigend. Soms denk ik wel eens , dat ik als ik nog heel lang leef, wel eens een ontspannen vriendelijke oude baas zou kunnen worden, maar ik vraag me af om de mensen me dan nog wel zouden herkennen.

Die yoghurtmakerij heb ik in Rotterdam ook al een tijdje bedreven, maar onlangs weer opgevat omdat er hier steeds vaker met muesli wordt ontbeten. En het kopen van yoghurt in een supermarkt een bezigheid is die me elke keer weer uit m’n humeur brengt, omdat het aanbod van 83 verschillende soorten yoghurt voor mij een symbool is van de verspillende waanzin van onze manier van produceren.
Rustig Beus. Daar heb je nu geen last meer van.

Het was weer even oefenen, voordat het werkte zoals ik wil. Wat ik geleerd heb, is dat je geen extra houdbare melk, Duitse melk of melk van de Aldi moet gebruiken. Misschien is het de microfiltratie, maar op de een of andere manier krijg je dan yoghurt waarbij de vaste stof zich splitst van de wei.
Wil je dikke yoghurt, dan moet je ook dikke yoghurt als starter gebruiken. Er zijn in Bio-winkels ook poedertjes te krijgen als starter, maar daar vragen ze vaak woekerprijzen voor.

Er zit nog een andere vrolijke kant aan het yoghurt verhaal:
Destijds (in de Rotterdamse tijd)  was ik tijdens een vakantie in Aken tegen een yoghurtmaak apparaat aangelopen van het merk Krups. Het is een thermostatisch geregeld warmhoudplaatje met zes potjes die zo groot zijn dat als je een zo’n potje met yoghurt toevoegt aan een liter melk je weer precies die zes potjes kunt vullen.
Nu dacht ik af en toe, als er maar nooit eens een van die potjes sneuvelt. En dat had ik misschien beter niet kunnen denken, want dat was precies wat er gebeurde.
Dus ik aan het rekenen, “vijfde zesde liter melk, dat is….” Kortom een heel gedoe, maar toen gebeurde het wonder: Ineens had ik weer zes potjes.
Dat gebeurde na een mysterie. Ik had een potje waarin bakgember had gezeten in de afwasmachine gezet en de volgende dag alleen maar het dekseltje teruggevonden. Alle huisgenoten die ik pleeg te beschuldigen als ik iets kwijt ben, ontkenden bij hoog en bij laag een glazen potje in de glasbak verzamel tas of erger gedaan te hebben, dus bleef de poes als enig verdachte over. Maar die zweeg ook in alle talen.

Een dag later zag ik het verband: Het gemberpotje was gereïncarneerd als yoghurtpotje!
Bewaren die dingen dus.
Vandaag was ik voor het eerst helemaal tevreden over de yoghurt. Gemaakt van volle melk, yoghurt op Turkse wijze en ik heb na het pasteuriseren van de melk twee eetlepels magere melkpoeder in de nog warme melk opgelost.

Al met al begint het leven hier behoorlijk te lijken op het leven zoals ik het me had voorgesteld.
Het is een dubbele herfst. Die van mijn leven en momenteel die van het jaar.

Buiten deze biologische dingen is er de afgelopen weken ook druk ingemaakt, gegeleert, gemoest, gedroogd en gebakken.
Wie die heerlijk kinderboekjes van de Bramenbuiurt serie kent, kan zich voorstellen welk gevoel zich in dit huis soms van ons meester maakt.