Archive for the ‘Uncategorized’ Category

Niet beschrijvend ervaren; kan dat?

donderdag 17 oktober, 2013

Het is de meesten van ons maar zelden (en sommigen misschien wel nooit) gegund iets mee te maken waar je totaal in opgaat.
Ik bedoel een ervaring waarbij er geen scheiding meer is tussen jou en wat je meemaakt en wat of wie de aanleiding is tot die ervaring.

Wat wel met een beetje geluk redelijk vaak kan voorkomen is dat je zo in je bezigheden opgaat dat je de tijd vergeet, Een prettige ervaring die wel ‘flow‘ genoemd wordt. Maar dat is niet wat ik bedoel. Je bent dan nog bewust met het onderwerp van je bezigheden bezig, en dat kan van alles zijn van koper poetsen tot programmeren, van het tekenen van een duinlandschapje tot erwten doppen. Ondertussen weet je wel wat je doet. Neem je voortdurend beslissingen, maak je voortdurend bewuste keuzes.

Het gaat om meer. Ik zal proberen een paar belevingen aan te geven die in de buurt komen.
Dat je wandelt in het landschap op het schilderij dat je zo-even nog als toeschouwer aan het bekijken was.
Dat het toneelstuk of de film waar je naar het kijken was iets wordt wat zich nu afspeelt in het leven waar jij ook deel van uitmaakt.
Dat je de ik-figuur bent geworden in het boek dat je leest.
De momenten waarin je ontsnapt aan het toeschouwer zijn , maar dat je onderdeel bent geworden.

Afhankelijk van de situatie waarin dit gebeurt en de persoon die je bent kan zo’n ervaring een moment van vervoering opleveren, maar het kan ook een angstaanjagende ervaring zijn of een genezende, een troostende, of een verlichtende of iets tussen dit alles in. Het kan maken dat je je verbonden voelt met het heelal en dus eigenlijk net zo groot bent, of dat je zo klein voelt als een zandkorrel in een woestijn onder de sterrenhemel. Of dat je tot het onthutsende inzicht komt dat beide het geval zijn.

Maar al die belevingen hebben met elkaar gemeen dat je verbonden bent.

Nu is het, meen ik, een vrij algemene behoefte van mensen om ergens mee verbonden te zijn:
Met een ander persoon, met een groep, met een god, met een ideologie, of met een een andere abstractie zoals nationaliteit of cultuur. En het kan variëren hoe vaak en hoe lang en hoe diep we die verbintenis willen laten zijn.

Wat dat betreft vertonen we hierin het zelfde patroon als waar het gaat om onze behoefte aan vrijheid.

Dat is niet zo tegenstrijdig als het lijkt, want we hebben beiden nodig. Niet naast elkaar, maar om elkaar te ontdekken te ervaren en te waarderen.

En net als met vrijheid lukt het ons niet altijd om de gewenste vorm van verbonden zijn te bereiken.

Wat staat ons eigenlijk in de weg, waarom is zo’n onderdompelende ervaring niet op afroep beschikbaar?

Laten we eens wat proberen:

Ik vermoed dat er in elk geval twee belemmeringen een rol spelen: Onze taligheid en ons ik-bewustzijn.

De beschrijvende waarneming

We doen het gelukkig niet hardop, maar we zijn wel geneigd om onze omgeving waar te nemen als en verzameling of een stroom van objecten en/of processen. En vrijwel al die objecten en processen kunnen we van een of meer labels voorzien. We zien mensen, waarvan sommigen een naam hebben anderen geen naam maar wel herkend worden, sommigen een gekende functie hebben. We zien dingen met wisselende eigenschappen. Het kan hard of zacht regenen. Praktisch alles wat we zien heeft een naam, een betekenis een functie en kan een gevoelsmatige lading hebben: bruikbaar, nuttig, van mij of niet van mij, bereikbaar, nutteloos, bedreigend, onduidelijk, interessant.
Ons waarnemen is bewust,  benoemend en categoriserend. En daarmee beheren, zo niet beheersen we onze omgeving, en sluiten we ook verrassingen mij of meer uit.

Het Nederlandse woord tuin is afgeleid van het woord ‘tuun’ dat omheining betekende. Later is dat het woord geworden voor het gebied binnen die omheining.

Het ik kan je ook zien als een tuin.
Maar wat is ik eigenlijk? Het is de negatie van alles wat niet ik is. Van al het omringende. De wereld (ook wel de buitenwereld genoemd) is iets wat om je heen, buiten je zelf is.Het ik is dus een afgezonderd, omheind domein, waarbij het ons ontgaat dat dit omheinde tevens de omheining vormt, zo niet de omheining is.
Zolang we ik zijn, zijn we geen geheel met de rest.

Je mag dus veronderstellen dat er in ieder geval twee wegen zijn die je zou kunnen beproeven om dichter bij een onderdompelende ervaring te komen:
De taal het zwijgen op te leggen en je ik op stand-by te zetten.
Ga er maar aan staan.

De ironie van dit verhaal is dat het hierna probeert te beschrijven hoe je tot een niet beschrijvende vorm van waarnemen kan komen. Maar mime werkt nu eenmaal niet in dit medium.
Op en verjaardagsfeestje (als je daar ooit al komt) werkt de volgende techniek niet. Maar op een wandeling of tijdens een rustpauze in die wandeling valt het te proberen om je omgeving niet te zien als een landschap maar als een vorm of een verzameling vormen.

Als dat niet lukt, neem dan een kleiner stukje, een boom, een veldje, een stukje van een helling, of kijk naar de schaduwplekken tussen het gebladerte. Probeer je gevoel te verplaatsen naar die ruimtes die niet-boom zijn.
Stilte om je heen zal hierbij helpen, zoals stilte überhaupt helpt.
Lastiger is het om de ik-illusie uit te schakelen. Zeker omdat wij mensen het idee hebben dat wij dat ik zijn. Dus als dat ik verdwijnt, we er zelf ook niet eer zijn. Dat zou bijna zoiets zijn als sterven.
Maar dit is een zelfbegoocheling. Als de ik-gewaarwording verdwijnt, verdwijnt alle maar de heg om de tuin. Maar de tuin is er nog steeds, alleen het is niet meer zo duidelijk waar die ophoudt en de natuur begint.

Niet te min valt het niet mee om dat ouwe trouw  af en toe wat opdringerige ik in de pauzestand te zetten. Het is denk ik ook niet iets wat je van de ene op de andere dag zal lukken.

Wat misschien zal helpen, is om aan die tuin metafoor te blijven denken.
Of je kunt proberen de ruimte in dat beeld te vervangen door de tijd.
Jouw tuin is dan jouw leven; een stukje in de tijd.

En hiermee zijn we terecht gekomen in het vorige artikel.
Als je jouw leven sub species aeternitatis beziet, is de heg van de tuin.
Het hek van de dam.

Ooggetuige van de schepping

woensdag 3 juli, 2013

De eerste scheppingsdag, het ontstaan van hemel en aarde, duurt nu al 13.810.000.000 jaar en we weten nog steeds niet of het ochtend of middag is.

Het is met dit soort hybride constateringen dat iemand moet omgaan die astrofysica en christelijke overlevering met elkaar probeert te verzoenen.
En eerlijk gezegd kan ik niet geloven dat er mensen zijn die werkelijk deze twee visies op het bestaan kunnen verenigen.
Dit komt niet omdat ik geen begrip kan opbrengen voor religie.
Ik begrijp de behoefte aan religie heel goed vanuit mijn eigen onderzoekingen naar de essentie van het bestaan en de raadselachtigheid daarvan, die niet te ontlopen schijnt te zijn.

Nee, waar ik niet bij kan, is dat iemand die zich bekend heeft tot de logische discipline die wetenschap in haar beste vorm kenmerkt, zo’n luie oplossing als religie voor alles wat nog niet verklaard is kan accepteren.
Ik wil allerminst beweren, dat iemand die een godsdienst aanvaardt voor een makkelijke manier van leven kiest. Misschien wel in tegendeel. Maar ik vind wel dat hij of zij filosofisch tekortschiet door voor alle nog niet (of misschien wel nooit) logisch te beantwoorden vragen met één containerverklaring te komen.
Maar bovenal verbaas ik me over de manier waarop ‘de mensen van het Boek’ over de schepping denken.
OK op een paar zeer orthodoxe stromingen na, wil de gemiddelde christen wel toegeven dat het scheppingsverhaal zoals opgetekend in Genesis een metafoor  is, maar zij gaan wel uit van een door God voltooid werk. En in dat woord voltooid zit bij mij de kern van mijn onbegrip.

Wanneer ik hier en in de titel het woord schepping gebruik voor de ontwikkeling van het heelal en omstreken en alles wat zich daarop -in, -boven of -onder bevindt, dan is dat omdat dit nu eenmaal een ingeburgerd begrip is. Ik zelf zou dit woord echter liever niet gebruiken omdat het het optreden van een schepper veronderstelt en bovendien uit de geschriften bekend is als iets wat voltooid is. In plaats daarvan zou ik liever over de wording spreken.

Dat de joden, christenen en moslims wél uitgaan van een voltooide schepping is begrijpelijk als je bedenkt dat zij die schepping zien als het werk van een almachtige en tevens onfeilbare god.
Het zou niet passen om een dergelijke schepper te zien als een werker die continu bezig is aan een werk waarvan het einde niet in zicht is en het eindresultaat onbekend.
Nee het werk van een onfeilbare kracht kan niet anders zijn dan volmaakt. In één woord: af.

Als je nu terugkijkt naar de tijd waarin de grote monotheïstische godsdiensten zijn ontstaan, en daarbij in ogenschouw neemt dat de mensen het niet zichtbare meestal proberen te beschrijven met metaforen uit de zichtbare wereld, dan is het niet verrassend dat de Almachtige wordt aangeduid met termen als de Koning der koningen of de Heer der heren. (zie Daniël 8 :25, 1Timotheüs 6:15, Openbaring 17:14, 19:16).

Die metafoor werkt trouwens naar twee kanten:
De toenmalige wereldlijke heersers waren niet de onschuldige lintenknippers van nu, die voorzien in de spirituele behoeften van operetteliefhebbers. maar autoritaire figuren die met harde hand de wetten handhaafden waar zij zelfs boven stonden, zoals de almachtige ook boven de natuurwetten stond als dat zo uitkwam.
Het kwam dus goed uit om hun macht te ‘legitimeren’ door zich zelf als uitvoerder van god’s wil te presenteren.
En zo evolueerde het christendom in Rome in de kortste keren van vervolgde sekte tot staatsgodsdienst die geen andere geloven naast zich duldde. En tot op de dag als vandaag kan het dus dat Guantánamo Bay gevestigd is in een voorpost van Gods Own Country, terwijl de Westbank en de Gazastrook tot het toen al Beloofde Land van het Joodse Volk behoren, zijn de Britse monarchen Verdediger des (inmiddels aangepaste) Geloofs, en zal de Gratie Gods er t.z.t. voor zorgen dat het nageslacht van de huizen Von Lippe Bisterfeld en Zorreguieta de Nederlandse Troon zal bestijgen.

Het is eigenlijk ook niet zo heel opmerkelijk, dat de opkomst van het monotheïsme (lees de alleenheersende goden) gepaard ging met grote geopolitieke ambities uitmondend in een profeet die tevens veldheer was, een Heilig Rooms Rijk, kruistochten kortom tot conflicten die tot op de dag van vandaag levens verwoesten en ons denken vergiftigen.

Je kunt dus zeggen dat de omhelzing van kerk en staat, of op z’n minst de vermenging van religie en politieke ideologieën niet bepaald in het voordeel van de rechten van de mens hebben gewerkt.
Je zou je dus kunnen afvragen als het monotheïsme niet beter had kunnen ontstaan in een tijdperk waarin de politieke en bestuurlijke ontwikkeling verder gevorderd was. Laten we zeggen in een goed functionerende democratie, waarin ook wat meer inzicht bestond in de oorzaken en wetmatigheden van wat wij om ons heen waarnemen.
Maar vraag je je dan meteen af, zou er in zo’n tijdperk dan nog wel behoefte zijn aan een autocratische religie?

Als de behoefte aan religie alleen zou voortkomen uit een zoektocht naar de onzichtbare hand die de sterren beweegt, dan is die kans natuurlijk klein. Maar de behoefte aan religie is niet alleen terug te voeren tot het zoeken naar dat antwoord. Religie ontstaat misschien nog wel meer uit een behoefte aan transcendentie.
Het is echter te eenvoudig om die behoefte aan transcendentie te reduceren tot het hebben van moeite met de eigen eindigheid.
Maar het gegeven dat wij slechts een korte tijd getuigen zijn van ‘alles wat er is’ en verstoken zullen blijven van ‘alles wat er mogelijk zal zijn’ zal bij de denkende en voelende mens al gauw de vraag oproepen wat daarvan de consequenties zijn.
Het antwoord hierop kan zijn zich een deur te denken die toch toegang biedt tot het ‘namijmaals’.  Of te kiezen voor de spanning tussen het gezichtspunt van een groter geheel en het besef van eigen eindigheid.
De stap om naar het eigen leven te kijken in het licht van het voortdurende (wellicht eeuwige) wat door Spinoza ‘sub specie aeternitatis’ is genoemd is voor veel filosofen, maar ook voor veel mensen zoals jij en ik aanleiding geweest om over de zin en invulling van het eigen leven na te denken.
Wat de uitkomst van die gedachtegang is verschilt per filosoof. Er zijn er die tot de conclusie komen dat vanuit dat perspectief bezien elke persoonlijke overweging, elke persoonlijke handeling onbetekenend is, terwijl anderen dat juist ontkennen.

Een prettig leesbare samenvatting hiervan is te vinden op
http://www.tandfonline.com/doi/pdf/10.1080/00048402.2010.527354
Iddo Landau (2011): The Meaning of Life Sub Specie Aeternitatis, Australasian Journal of Philosophy, 89:4, 727-734.

In dit artikel wordt onder meer verwezen naar Thomas Nagel die tegenover sub specie aeternitatis het perspectief  sub specie humanitatis stelt. Dus vanuit het zicht van de mens (of de mensheid, dat is niet helemaal duidelijk).

Het eerste perspectief zijnde: van buiten af, objectief, afstandelijk en onpersoonlijk – het tweede van binnen uit, subjectief, betrokken en persoonlijk. En hij zegt dat die twee benaderingen met elkaar conflicteren.

Daar valt wel een en ander tegen in te brengen:

In de eerste plaats is de constructie van die externe, objectieve, afstandelijke onpersoonlijke blik een product van de interne, subjectieve, betrokken, persoonlijke geest van de tot de mensheid behorende heer Nagel.
Maar er wringt bij mij nog iets meer:

In de filosofie colleges die ik de afgelopen semesters op hoge leeftijd (75+) als toehoorder gevolgd heb, ben ik zonder voorafgaande scholing midden in zo’n leergang gevallen en heb ik natuurlijk heel wat moeten naslaan om me de strekking van vele gebezigde termen eigen te maken.
Maar ik heb daarbij ontdekt, dat ook dit nadeel (zoals een bekende Amsterdamse filosoof al stelde) zijn voordeel heeft.

Zonder beïnvloed c.q. geïmponeerd te zijn door erkende filosofen, heb ik in mijn bestaan een eigen visie op het ‘er zijn’ kunnen ontwikkelen.

De confrontatie van deze amateur bevindingen met het grote werk leverde heel af en toe “zèg ik” ervaringen, maar veel vaker “Oh, zit dat zo” of “Nou snap ik het” ervaringen op.

Maar er bleven twee dingen schuren.
Ten eerste, de neiging om antwoorden te zoeken van binaire aard:
Iets is wel waar of niet waar. Iets bestaat wel of niets.
Terwijl antwoorden met woorden als ‘ten dele’ of ‘soms’ of ‘dat ‘hangt er van af” als zijnde niet filosofisch worden afgewezen.

Ook de categorie ‘niet (door mensen) beantwoordbare vragen’ wordt ontkend of naar de afdeling kennistheorie (een soort asielzoekers opvangcentrum van de filosofie) verwezen.
Het tweede wat mij opgevallen is dat er toch wel heel sterk vanuit en over de individuele mens gedacht wordt, en de mens niet gezien wordt als een momentopname van een biologisch, cultureel en historisch proces. Als een neuron van en zich ontwikkelend collectief brein.
Een verschijnsel dat voortgekomen is uit de oerknal en opgevat kan worden als materie die (zich) een bewustzijn ontwikkelt.
Iets wat me zelfs sub specie aeternitatis een behoorlijk spectaculaire ontwikkeling lijkt!

Het mag dan zo zijn dat het wel of niet bestaan van één individu een minimale of helemaal geen invloed zal hebben, het bestaan van de mensheid in zijn geheel heeft dit wel. Ook al zal dat in strikt materiële zin een kleine invloed zijn.
We zullen wellicht de baan van een meteoriet kunnen veranderen, maar niet van een planeet, ster of zonnestelsel.
Maar het toevoegen van bewustzijn aan de materie is wel iets waaraan wij gezamenlijk deelnemen of bijdragen.
De tweedeling van Nagel, is dus niet meer dan een tegenstelling van twee vooringenomenheden.

Betekent dit nu ook iets voor het individu?
Ik denk van wel. Immers, de mensheid bestaat bij de gratie van a) alle mensen en b) hun interactie.
Het scanderen van “Wir sind das Volk” heeft de muur doen instorten. En elk van die dappere mensen die besloot om hier aan mee te doen heeft door dit besluit het bestaan van de vrije wil aangetoond, heeft het rechtsgevoel laten zegevieren over de angst voor mogelijke gevolgen, heeft zijn eigen belang ondergeschikt gemaakt aan een groter doel en heeft zo meegeschreven aan een positieve episode van de geschiedenis der mensheid.

Het aantal mensen dat meedeed was doorslaggevend voor het resultaat, maar dat aantal bestond uit al die individuen die die eenzame beslissing namen.
De mensheid bestaat uit alle mensen te samen en hun interactie. Dat betekent dat ieder individu een even belangrijke rol speelt. Ook niets doen is bepalend voor het eindresultaat.

Wie nadenkt over de zin van zijn bestaan, denkt dus ook na over de bestemming van de mensheid.
Alles wat wij doen en laten bepaalt mede het eindresultaat. Weliswaar niet in die mate dat dat wij het kunnen meten. Maar hoewel ons leven te kort is om het eindresultaat te kennen is het lang genoeg om ontwikkelingsrichtingen te kunnen onderscheiden en de richting van ons eigen streven te kunnen bepalen.

Dit besef is een realistisch transcendentie besef. Het geeft ook een nuchter antwoord op de vraag of er leven is na de dood.
Natuurlijk is dat er. (Tenzij jij toevallig de allerlaatste mens bent). Juist dat ‘najoumaals‘ is de zin van jouw hier en nu.

De troost voor de eindigheid van jouw leven is dat je het geluk hebt gehad dat de atomen en moleculen waar jij uit bestaat, in die tijd niet in een plant, een waterval of een stationsgebouw terecht zijn gekomen. Maar terecht zijn gekomen in een constellatie die bewust is en kan waarnemen, denken en genieten. Misschien wel van stationsgebouwen.

Maar door dat bewust zijn mee kan doen aan de voortzetting van wat mensen vroeger en sommigen nog steeds de schepping noemden.

En hier mee hoop ik de tegenstelling tussen aeternitas en humanitas te hebben opgeheven.

Religare noemen ze dat geloof ik.

(Waaruit) bestaat de geest?

dinsdag 7 mei, 2013

Als ik in dit stuk het woord geest gebruik, dan doe ik dat omdat ik dat het woord vindt dat nog het dichtst bij de betekenis van het Engelse mind komt.
Ik bedoel dus de omgeving waarin het bewustzijn van ieder mens actief is.
Wat de precieze aard van het fenomeen geest is, is in kringen van filosofen en neurologen een onderwerp van discussie, en het is de vraag of er door mensen ooit een antwoord op gegeven kan worden is maar zeer de vraag, want als er zo’n antwoord komt, dan zal dit een product van die onderafdeling van de geest zijn die men kennis of wetenschap noemt, en dan hebben we te maken met een geval van (nee, niet weer die slager) van een parlementaire enquête naar het functioneren van de Tweede Kamer.
Misschien is het wel wijsheid er in te berusten dat er een aantal dingen in het bestaan zijn, – zoals het bestaan zelf, en het weten dat we bestaan, en het kunnen denken over wat nog niet bestaat – die we nooit volledig zullen doorgronden. Maar dat hoeft ons er niet van te weerhouden om er zo veel mogelijk van te proberen te begrijpen of op ze minst ons er over te verbazen en te genieten van het mysterie dat in ons woont.

Wat we in elk geval wel weten van de menselijke geest is dat hij werkt zo lang we leven.
Dat wil zeggen zo lang die specifieke dynamiek in ons stoffelijk lichaam heerst die we ‘leven’ noemen.
Waarom ‘specifieke’ dynamiek?
Omdat er na de dood in het ontbindingsproces ook sprake is van een dynamiek, zei het dat die volledig onderworpen is aan het entropie beginsel. Anders gezegd dan vervalt de materie waaruit ons lichaam bestond van geordendheid naar chaos.
Tijdens het leven is er een energietoevoer door onze stofwisseling die ons hoog georganiseerd stelsel van samenwerkende organen verdedigt tegen het terugvallen in de chaos. En op deze manier kunnen we het leven fysisch energetisch verklaren.
Maar wanneer is er nu sprake van geest?
Tijdens de slaap
Ik denk het wel, want ik zie neuronen nog niet in staat om me al dan niet samenhangende verhalen te vertellen, of situaties voor me bedenken waarin ik kiezen moet.
Trouwens, wat dromen betreft, nu ik dit schrijf besef ik ineens dat ik zelf altijd in de eerste persoon aanwezig ben. En ik heb eigenlijk nog nooit iets gehoord over mensen die zichzelf als derde persoon in een droom aantreffen of  situaties dromen waarin ze zelfs helemaal niet voorkomen. Bovendien reageer ik in mijn dromen moreel en ethisch in grote lijnen net zo zoals ik wakend in een soortgelijke situatie doe.  Zij het, dat ik soms in noodgevallen een auto bestuur, terwijl ik geen rijbewijs heb. Maar daar voel ik me in die droom dan ook passend schuldig over.
Kortom er valt in mijn dromen een bij mijn persoon behorend patroon te herkennen die je als mijn karakter of persoonlijkheid zou kunnen benoemen.
Ik hoor wel dat er mensen zijn die in hun dromen andere dingen doen dan zij in wakende toestand zouden doen.
Ik denk dat dat dezelfde mensen zijn die als ze gedronken hebben zich ook anders uiten en/of gedragen.

Kan je nu zeggen dat de geest het zelfde is als de persoon of persoonlijkheid?
Ik denk van niet, maar wel dat beide een relatie tot het bewustzijn hebben.
Dat bewustzijn blijkt als je er over nadenkt (met het ding zelf!) een complex gelaagd fenomeen te zijn.

Je kunt verschillende functies of capaciteiten er in onderscheiden:

  • Het zintuiglijk bewustzijn
  • Het logisch/cognitief bewustzijn
  • Het emotioneel bewustzijn
  • Het zelfbewustzijn

en ik geloof dat je ook zoiets als een associatief bewustzijn kunt onderscheiden, waar je intuïtie woont je vermogen tot patroonherkenning, en je creativiteit.

Het is duidelijk dat zowel de mix als de ontwikkelingsgraad van deze vormen van bewustzijn per individu kan verschillen. En dat maakt dan ook een voor een deel hun persoonlijkheid uit.

Collectief bewustzijn?

Tot nu toe hebben we bewustzijn en geest alleen maar in verband gebracht met het individu, maar dan houden we er geen rekening mee hoeveel van onze kennis en inzicht afkomstig is van onze voorgangers.
Neem alleen al het feit dat we zonder taal niet kunnen denken en dat het feit dat we een hoog ontwikkelde taal hebben en dat overal waar de mens tot ontwikkeling kwam er een taal ontstaan is, dat dove kinderen als ze dat niet geleerd wordt zelf een gebarentaal ontwikkelen, dat alles wijst er op dat communicatie een fundamenteel behoefte van de mens is. En dat de mens een sociaal wezen is dat alleen maar kan en wil bestaan in contact met anderen.
(Al hoef ik alleen maar naar mezelf te kijken om me te realiseren dat niet altijd bij iedereen onder alle omstandigheden duidelijk merkbaar is.)

Het bijzondere aan de taal (waar mee we ons van het dier onderscheiden) is dat die niet alleen bestaat uit een aantal klanken die bij dingen horen, maar dat er ook symbolen bestaan waarmee we een groep dingen kunnen aanduiden, dat we ook woorden hebben voor dingen die niet meer bestaan of nog niet bestaan en voor ontastbare en onstoffelijke zaken.

Dit heeft ons als mensen een enorme uitbreiding van onze mogelijkheden bezorgd. We konden werken met met dingen die er niet waren, omdat we vooruit konden denken. Zonder dat vermogen was er geen landbouw ontstaan en geen steden en universiteiten.

Zelfs in het begin al konden we door de taal kennis nemen van de ervaring van onze tijdgenoten en met de ontwikkeling van het schrift, waardoor we niet meer afhankelijk waren van de mondelinge overlevering, ontstond er versneld een menselijk erfgoed, waaruit in principe iedere nieuwe boreling meteen kon putten.

In principe. Maar dat wil nog niet zeggen dat dat ook op gaat al je niet in Principe, maar in Zutphen of Heerjansdam of welk ander prachtig oord dan ook woont.
De drukpers betekende al een forse stap verbreding van de toegang tot die kennis, en in onze tijd is het internet in de vrije en economisch ontwikkelde delen van de wereld en gelijksoortige sprong in schaal.
Die kennis waar we het hier over hebben gaat natuurlijk niet alleen over de kunst van het brood- of het pottenbakken, maar bijvoorbeeld ook over de loop van de geschiedenis en de gevolgen die die staatkundige politieke beslissingen voor mensen hebben gehad.

In die wolk van kennis die de generaties voor ons hebben verworven, getoetst en verfijnd is echter nog meer opgeslagen: inzichten, morele oordelen en het werk van de grote denkers en kunstenaars voor ons.
En die laatste zin mag je dan lezen als het werk van de grote denkers en kunstenaars vóór ons en als het werk van de grote denkers en kunstenaars voor óns.

In deze wolk van inzicht dus, groeit wat de Engelstaligen zo mooi ‘common sense’ noemen. Een uitdrukking die wij gewoonlijk met gezond verstand vertalen. Maar sense kan in het Engels zowel gevoel als verstand betekenen en common kan gewoon, algemeen en gemeenschappelijk betekenen. Je zou het ook dus kunnen vertalen met ‘de inzichten die de meeste mensen met elkaar delen’.

Kan je dit nu een collectief bewustzijn noemen?
Niet letterlijk, maar je kan het wel het algemeen aanvaard inzicht noemen, het huis van de tijdgeest, en de bron waaruit elk nieuw mens op een of andere manier uit put.

Doorlopend worden wij als individuen geïnspireerd door deze nog steeds groeiende en zich zelf zuiverende bron van kennis en inzicht.

Terug naar de geest

Zojuist is hier het woord inspiratie gevallen. Het is ontstaan uit het Latijnse spiritus wat zowel inademing als geest betekent. In het Nederlands lijkt ingeving een goede vertaling. In elk geval duidt het op iets wat van buitenaf komt.
Eerder heb ik ook al de wolk van menselijke kennis en inzicht als huis van de tijdgeest benoemt, maar gezien de doorlopende communicatie tussen de wolk en het individu, kan je die tijdgeest niet volledig in de wolk plaatsen hij vertakt zich ook in de individuen die in contact met hun tijd en hun omgeving leven.
Dat brengt met tot de veronderstelde definitie van de geest die niet een volledig individueel attribuut is, en evenmin een volledig collectief fenomeen, maar een proces wat zich afspeelt tussen individu en het algemene inzicht en weten.
En ter vermijding van verwarring met religieus getinte opvattingen van geest of de al dan niet onsterfelijk persoonlijk  ziel wil ik benadrukken dat we het hier hebben over de menselijke geest.

De scheppende geest

Het proces waarover ik het in de voorlopige definitie van de geest heb is een er een van interactie. Niet alleen werkt de menselijke geest door in het persoonlijke bewustzijn, vanuit het persoonlijke bewustzijn kan ook bijgedragen worden aan de uitbreiding van de menselijke geest.

Nu is niet iedereen een Shakespeare of een Bach of zelfs maar een Beatle.
Maar dat is ook niet nodig. De wolk groeit al sneller dan enig mens kan bijhouden. Zelfs als we alle onzin bezigheden uit ons leven zouden bannen en ons vlijtig zouden wijden aan het bestuderen van alles wat de menselijke geest heeft voortgebracht, dan zouden we maar een fractie van dat universum leren kennen.

Ieder moet dus keuzes maken. Maar we zouden een ander, die ook een keuze moet maken, kunnen vertellen wat wij hebben gevonden. Over de betere en de slechtere keuzes die we gemaakt hebben, we kunnen het hebben over slimme sluiproutes en lustvolle omzwervingen. Niet alleen met betrekking tot kennis, maar ook met betrekking tot inzicht oordeel en wijsheid.

En als het goed gaat doet iedereen dat ook die kinderen opvoedt of onderwijst. En af en toe zal een van die nazaten dan wellicht iets bijdragen aan de Wolk.

In die zin is de geest onsterfelijk zo lang wij als mensen ons zelf niet direct of indirect via onze aarde vernietigen en is er kans dat dit trage maar anderszins onstuitbare proces van beschaving leidt tot een vreedzame samenleving.

Vrije wil; voortschrijdend inzicht (c.q. misverstand)

vrijdag 26 oktober, 2012

Er zijn mensen, die denken dat dat bij de oerknal al vaststond dat ik dit stukje ging schrijven, dat ik het vervolgens ook zou publiceren, en sterker nog wat de inhoud van dit stukje zou worden, inclusief een paar tikfouten.

Dat is op z’n minst gezegd bijzonder, want ik  weet als auteur  op dit punt van mijn verhaal gekomen nog niet precies welke woorden ik zal gaan gebruiken en in welke volgorde.
Mensen die denken dat dat toch al allemaal vast ligt heten deterministen en ik wil die mensen niet voor het hoofd stoten, dus zal ik proberen om niet eigenwijs te zijn en zomaar op te gaan schrijven waar ik zin in heb, maar uitsluitend die dingen die voorbestemd zijn, omdat anders die deterministen een beetje voor gek zouden staan.

Uit deze inleiding blijkt al  welke ingewikkelde vormen van hersengymnastiek je moet bedrijven als je je in de deterministische visie probeert te verplaatsen.
Ik ga dat dan ook niet doen. Ik ga gewoon uit van de veronderstelling dat er een vrije wil bestaat of op z’n minst mogelijk is, en probeer er achter te komen wat dat inhoudt.
Waarom ik over die vrije wil begin?
Omdat ik sinds kort als toehoorder een seminar bijwoon aan de RWTH in Aken met “Willensfreiheit” als onderwerp en daar wordt diep ingegaan op de vraag of determinisme bestaat en zo ja, of dat verenigbaar is met het bestaan van een vrije wil.
Blijkbaar is dat iets wat bij filosofie hoort, want in alle benaderingen van dit onderwerp duikt dat determinisme op.
Ik heb er niet uitputtend over nagedacht, maar ik heb een vermoeden, dat ons godsdienstig verleden hier een rol bij speelt.
Een ander verschijnsel wat me bij dit seminar en nog twee andere die ik volg opvalt, is dat filosofen graag met tegenstellingen werken, en er naar streven uit te vinden of iets waar of onwaar is. En ik heb gemerkt dat ze het een beetje eng vinden als ik opper dat er drie mogelijkheden zijn: waar, onwaar en onbepaalbaar.
Blijkbaar ben ik op te late leeftijd met de filosofische manier van denken begonnen en zijn 77 jaar praxis een geduchte handicap voor de zuivere rede.
Hoe dan ook ik blijf geduldig luisteren en proberen mee te denken en hoop dat mettertijd het seminar zich bezig zal gaan houden met de kanten van de vrije wil die mij bezig houden.

Welke dat dan zijn?
Nou, de praktische kanten. Wat is vrije wil. Waar komt hij vandaan. Hoe vrij is hij eigenlijk? Welke omstandigheden maken je wil vrijer of onvrijer? Welke grenzen zijn er? Hoe verhoudt vrijheid zich tot orde, wat is de verhouding tussen vrijheid en verantwoordelijkheid?

Wat is vrije wil? Het is voor alle duidelijkheid misschien goed om onderscheid te maken tussen wilsvrijheid, keuzevrijheid en vrijheid van handelen. Anders gezegd de vrijheid om iets te willen, de vrijheid om uit verschillende mogelijkheden te kiezen, en de vrijheid om die keuze  om te zetten in een daad.
Het meest primaire proces van die drie is het opwellen van de wil tot iets, waarbij ik de wil zou willen omschrijven als een al dan niet duidelijk geformuleerde emotie. Die emotie kan een onberedeneerde intuïtieve -voor mijn part instinctieve – reactie zijn. Zo wel in positieve als negatieve zin. Een ‘hè ja’- of een ‘oh nee, dat niet’ gevoel.

Hoe vrij deze wilslaag is is iets waar ik later op terug kom.

Bij het zich bewust worden van deze emotie, kan blijken dat die niet altijd eenduidig is. Enerzijds wil je dit, maar anderzijds wil je ook weer niet dat..

Voorbeeld
Je hebt met een paar vrienden een vakantie geboekt naar een volgens de brochure prachtig gebied maar als je daar aankomt blijk je terecht gekomen in een  verschrikkelijk toeristisch oord waar je overal Nederlands om je heen hoort en alom frikadellen worden aangeboden. Om onbegrijpelijke redenen lijken je vrienden daar geen last van te hebben. Als het aan jou lag zou je de eerste de beste vervoersgelegenheid aangrijpen om naar huis te gaan, maar je denkt dat je vrienden dat niet zouden waarderen. En dat zijn nog maar twee overwegingen die met elkaar in conflict dreigen te komen.  Hier komt je keuzevrijheid aan bod en wederom stel ik even uit hoe groot die vrijheid is.
Kiezen in de zin van je voorkeur bepalen is één ding, gevolg geven aan die keuze is een ander ding. Want hier krijg je te maken met Elsschots constatering “want tussen droom en daad staan wetten in de weg en praktische bezwaren”.

Hoe vrij zijn we nu op al die drie niveaus?

Allereerst wil ik opmerken dat ik me niet wil laten belemmeren door absolutistische opvattingen over vrijheid, ook niet als ze in een logisch/filosofische verpakking aangeboden worden. Vrijheid is voor mij niet iets wat er wel of niet is, maar het is een kwantitatief begrip.
In de meeste gevallen kom ik aardig terecht met mijn werkomschrijving: “Vrijheid is de mogelijkheid te kunnen kiezen. Kiezen is alleen mogelijk als er een of meer alternatieven bestaan, en hoe meer alternatieven er zijn des te meer keuzemogelijkheden er zijn, en dus meer vrijheid.”

Kijken, of dit echt werkt.

Is er een vrijheid van emotie? Dit zou je je af moeten vragen als je over de emotionele bron van de wil nadenkt. Kan je je wil de wil opleggen? Wellicht kan je proberen wensen of verlangens te verdringen, maar er kan alleen maar aanleiding zijn om iets te verdringen als het er al is. Met andere woorden verdringen heft niet iets op.
Aha,  zou je kunnen zeggen, de wil in de zin van emotionele impuls is autonoom.  Of die emoties  je op rationeel niveau nu wel of niet welkom zijn, doet er niet toe, laat staan of je die wensen op het keuze- of het handelingsniveau honoreert.

Echt? Of kan het zijn dat je palet van mogelijke emoties zo sterk worden bepaald door je culturele context je eigen basisaanleg en je eigen Werdegang dat bepaalde emoties niet bij je zullen opkomen, of dat confrontatie daarmee een negatieve reactie zullen opwekken?

Voorbeeld
Een man die qua aanleg heteroseksueel is en opgroeit in een homofobe omgeving, zal als hij niet een zeer kritisch en analytisch persoon is zelf ook homofoob zijn. Hij zal dan ook “instinctief” een omhelzing door een andere man afwijzen. Zelfs als de aanleiding is dat Ajax de Europacup heeft veroverd.
Ik zet opzettelijk dat woord instinctief tussen aanhalingstekens omdat de zelfde man opgegroeid in een geëmancipeerde omgeving die reactie waarschijnlijk niet zou hebben.
Wat zegt dit nu over wilsvrijheid?

Dat  datgene wat zich als wil manifesteert weliswaar onbelemmerd is, maar datgene wat zich als wil zou kunnen manifesteren bepaald wordt door zaken waarvoor ik graag de Duitse termen Bildung en Werdegang zou willen gebruiken.

Hier blijkt ook weer dat het goed is om over vrijheid te spreken als een kwantitatief begrip. Wie streeft naar uitbreiding van kennis en inzicht door zich open te stellen voor andere denkbeelden en zich zelf doorlopend ondervraagt over de houdbaarheid van zijn eigen denkbeelden, zal het palet aan rationele en emotionele alternatieven dat hij tot zijn beschikking heeft verruimen, daarmee zijn keuze mogelijkheden verruimen en zijn vrijheid daarmee vergroten.

Alvorens in te gaan op de tweede wilslaag, de bewuste wens, toch nog maar even terug naar die deterministen.
Ik denk dat hun idee voortgekomen is uit het causaliteitsprincipe, en je zult moeten toegeven dat er in de fysieke wereld geen gevolgen zonder oorzaken bestaan.
Weliswaar kennen we niet altijd die verbanden tot in details, laat staan dat we het verloop er van kunnen voorspellen, maar dat doet aan het causaliteitsprincipe niets af.
Wat de deterministen echter doen is het menselijk handelen ook tot die fysieke wereld rekenen zonder enig bewijs te leveren dat dit terecht is.

Wil men het bestaan van een vrije wil rechtvaardigen, dan zal men er van uit moeten gaan dat er domeinen zijn die zich aan de wetmatigheden van die fysieke wereld onttrekken. Maar dit doen we dan meestal ook zonder daarvoor enig bewijs te leveren dat dit terecht is.
Ziedaar het probleem:
Deze hele discussie speelt zich af  in een wereld waar we vertrouwd mee zijn, waarvan we de werking voor een deel kennen, maar waarvan we de precieze aard niet kennen.

Ik schrijf dit in de illusie dat iemand anders dit ook leest.
Een voorwaarde daarvoor is dat die lezer leeft. (Dat ik als schrijver leef is strikt genomen alleen noodzakelijk zolang het stuk niet af is, maar tijdens het schrijven dien ik in elk geval ook te leven, anders komt er geen stuk.)
Verder moeten we allebei Nederlandstalig zijn en dien ik met te bedienen van woorden in de betekenis zoals die er algemeen aan gegeven worden.

Die taal nu, die bestaat bij de gratie van het bestaan van abstracties en symbolen die door een groep gedeeld worden, dankt zijn bestaan eveneens aan mensen, dat wil zeggen levende bewuste denkende mensen. Mensen bovendien die in een groep leven en gemeenschappelijke doelen en bezigheden hebben die communicatie noodzakelijk maakt.
Als een groep taalgebruikers uitsterft, en er blijft wel een corpus aan teksten in die taal over, zonder documenten die als steen van Rosetta kunnen dienen, dan zal de inhoud van die teksten nooit opgehelderd kunnen worden. Noch door denkwerk, noch door taalanalytische computerprogramma’s.
Gebezigde taal kan dus in een fysieke vorm bewaard blijven, maar nieuwe taal kan alleen vanuit een (levend) wezen ontstaan en alleen door het kennis nemen door een (levend) wezen tot begrip leiden.

Dit hele logische bouwwerk van kennis en inzichten, neergeslagen in gezamenlijk gebruikte symbolen, kan dus alleen worden uitgebreid door levende menselijke intelligentie, die weliswaar afhankelijk is van een stoffelijk substraat, maar van een andere aard is dan die materiële basis.

Er is een asymmetrische relatie tussen beiden. De geest – om die bovenlaag maar even zo te noemen – bestaat op basis van een stoffelijk lichaam en bestaat slechts zo lang dit functioneert, maar uit de stof alleen kan geen geest geschapen worden zonder medewerking van ten minste twee levende menselijke wezens.

OK als je alle moderne trucs meerekent kan het ook met één vrouw en gedoneerd materiaal van een of twee mensen die in elk geval geleefd moeten hebben.

Teilhard de Chardin spreekt als hij het over het ontstaan van het leven en de mens op aarde heeft, van een opvolging van de lithosfeer, de biosfeer en de noösfeer.

Die term is door het gebruik van sfeer een aantrekkelijke metafoor om dat het iets is wat om ons allen heen is.  Al die kennis, die inzichten, is in principe voor iedere nieuwe boreling te bereiken. Uiteraard zeg ik in principe, want de politieke, economische en culturele situatie ter plaatse moet het ook toelaten en beter nog stimuleren.

Dit gegeven dat je als nieuw mens niet helemaal van nul af hoeft te beginnen is van een enorme betekenis. Het betekent onder andere dat de evolutie sinds onze aankomst op aarde een totaal ander karakter heeft gekregen, met aan de ene kant grote risico’s (onze soort past zich namelijk niet altijd alleen maar  aan aan de omgeving, maar wil ook nog wel eens de omgeving aanpassen aan de soort en dat is in ecologisch opzicht niet altijd een succes te noemen), maar het heeft ook een schitterend voordeel: het trage maar onstuitbare proces dat wij Beschaving noemen.

Eén aspect van die beschaving is dat er binnen culturen een algemene moraal ontstaat en die algemene moraal zal een rol spelen bij de persoonlijke moraal van de mensen binnen zo’n cultuur.

En hier mee zijn we – oh wonder – zowaar weer terug bij ons onderwerp: de vrije wil.

We waren zo ver gekomen dat we drie wilsmomenten onderscheidden, de primaire emotionele opwelling, de overweging van alternatieven en de gevolgen daarvan en de uiteindelijke keuze die je uitvoert of althans tracht uit te voeren.

Waar de primaire wilsopwelling in eerste instantie op het eigenbelang gericht zal zijn gaan op het besluitvormingsniveau alternatieve keuzes en hun eventuele gevolgen een rol spelen. Hoe dit afloopt wordt door een aantal factoren beïnvloedt, waaronder kennis karakter en moraal.

Wie over meer kennis beschikt kan daardoor in een bepaalde situatie over meer alternatieven beschikken en heeft dus meer vrijheid. Het karakter van de kiezende persoon kan echter bepalend zijn of iemand van de hem of haar ter beschikking staande alternatieven. Een impulsief persoon is hier in het nadeel ten opzichte van een meer secundair reagerend iemand met dezelfde kennis.
Van grote betekenis is echter de moraal. Moraal hier in de zin van de persoonlijke moraal.

Vaak staan we voor beslissingen  waarbij er keuzemogelijkheden zijn die het persoonlijk belang het beste zouden dienen, maar die het belang van anderen zouden schaden.
Nog lastiger wordt het als zich de situatie zich voordoet dat je moet kiezen tussen een algemeen belang en het belang van een of meer personen die je zeer na staan.
Hier wordt duidelijk dat een verdergaande morele ontwikkeling weliswaar ook de keuzemogelijkheden vergroot en dus de vrijheid groter maakt, maar dat hiermee tegelijk ook de verantwoordelijkheid toeneemt. Iets wat bij toegenomen kennis ook al het geval is, maar daar niet zo opvalt omdat kennis vaak waardevrij lijkt te zijn, maar in principe is iedere keuze een morele keuze.

Consequenties

De consequenties van dit verhaal zijn niet gering.

  1. De vrije wil is een uniek verschijnsel voorbehouden tot nu toe aan de mens, die zich hierdoor bevrijdt heeft (of hierdoor bevrijd werd) van de dictatuur van de causaliteit.
  2. Deze faculteit van de mens heeft geleid tot een stelsel van abstracties waarmee ervaring en kennis en waarden konden worden overgedragen en na de uitvinding van het schrift kon worden vastgelegd.
  3. Afhankelijk van aanleg en ambitie kan ieder individu hetzij alleen maar putten uit deze noösfeer of ook daaraan bijdragen.

Wie het ontstaan van dit vermogen van de mens ziet als een voortzetting van de evolutie met andere middelen, zal er niet aan kunnen ontkomen in stelling 3 een evolutionaire opdracht te zien.

De veren van Rutte

dinsdag 18 september, 2012

Tijdens de verkiezingscampagne van 2012 waarschuwde de lijsttrekker van de VVD in alle toonaarden voor het rode gevaar.
Ja, met die Samsom, had de PvdA de ideologische veren weer aangetrokken.
Dat was – als je eenvoudig redeneert – nog wel een te begrijpen tactiek, maar als je even doordenkt toch een vrij komische manier van argumenteren.

Natuurlijk de gemiddelde kiezer heeft een IQ van 100 en dat betekent dat er globaal even veel mensen het met minder moeten doen als er kiezers zijn die slimmer dan gemiddeld zijn.
Je zou dus kunnen denken dat je met argumenten die domme mensen aanspreken (zoals er dreigt  een GROOT GEVAAR voor Nederland!) de helft van de stemmen binnen kan halen, maar dan vergeet je dat een kwart van de kiesgerechtigden zó dom is dat ze helemaal niet gaan stemmen.

Maar klopt het van die ideologische veren?

Ja, gelukkig wel, zou ik zeggen en daarom zijn er weer honderdduizenden, waarvan het hart op de juiste plaats zit, en dat is zoals u weet links, weer teruggekeerd naar de PvdA, die naar hun smaak een beetje teveel in het centrum was terechtgekomen.
Hopelijk is er zoiets als een partijgeheugen.

Hoewel, enkele weken voor de verkiezingen werd het tweede deel van de keuze van Jolande Withuis voor Zomergasten uitgezonden.
Dat was een enige uren durende douche voor de geest, waardoor je weer van televisie gaat houden. Maar op één punt zou ik iets anders geformuleerd hebben dan zij: Dat was, waar zij zei dat ideologie leidt tot domheid.

Dat is zeker het geval, maar alleen maar als een ideologie wordt opgevat als een systeem van dogma’s. Als je de ideologie gebruikt als een kookboek, zonder dat je elke praktische beslissing vooraf toets aan je eigen gevoel en verstand.

Samsom gebruikte in de debatten enkele malen de goedgekozen metafoor van het kompas. Een richtingaanwijzer met behulp waarvan je koers bepaalt. En die koers kan soms afwijken van de hoofdkoers. Wie bij elke kruising linksaf slaat, komt niet veel vooruit.

Maar wat was er nu zo komisch aan Rutte’s waarschuwing voor die ideologische veren?
Wel dat hij blijkbaar denkt dat wij zo dom zijn dat we niet in de gaten hebben dat liberalisme ook een ideologie is en dat de VVD al jaren rondloopt in een verenpak waarvoor Pino zijn vingers af zou likken.
En voor deze ideologie geldt natuurlijk precies hetzelfde als voor alle andere ideologieën: Als je deze coûte que coûte toepast als een Haarlemmer olie, dan leidt niet alleen tot domheid, maar is dat op zich een manifestatie van blinde domheid.

Natuurlijk er is een verlichte liberale denkwijze die ons prachtige concepten als persvrijheid en vrijheid (en zelfs vrij zijn) van godsdienst heeft gebracht. En die geleid heeft tot prachtige initiatieven als het Kinderwetje van Van Houten.
Maar waar wij de de afgelopen jaren op getrakteerd zijn is een doorgeschoten vorm van marktaanbidding en een consequente verkettering van minder kansrijke mensen.
Het blinde toepassen van een principe, zonder toetsing of dit eigenlijk wel het voorspelde resultaat heeft zie je bijvoorbeeld in de wijze waarop de liberale politici met minder succesvolle mensen omgaat.
Enerzijds zegt men dingen als: ‘Wij kijken niet naar wat mensen niet kunnen, maar naar wat ze wel kunnen’, maar gooit men ondertussen de sociale werkplaatsen dicht.
Verder belijdt men vroom de liberale catechismus die stelt dat inspanning zonder meer leidt tot succes en dat iedereen in dit land de zelfde kansen heeft, maar gooit men de grenzen dicht voor kansarme migranten. Hoezo kansarm? Iedereen heeft toch de zelfde kansen?

Er moet een oorzaak zijn dat intelligente mensen toch tot zo’n ideologie verleid kunnen worden.
Het heeft er waarschijnlijk mee te maken dat iedere ideologie zijn platte variant baart. Zoals er een plat links is van ‘geen gezeik, iedereen rijk’ trekken ook partijen die het woord ‘vrijheid’ in hun naam hebben ook mensen die daarmee uitsluitend hún vrijheid op het oog hebben. In die vorm – en ik zeg nadrukkelijk in díe vorm – is liberalisme niet veel meer dan egoïsme in een cadeauverpakking!

Waar werkt het liberalisme nu deze ontsporing in de hand?

Iedereen weet dat mensen van nature bepaalde vaardigheden meekregen. Sommige wat meer en anderen wat minder. Een aantal basisvaardigheden hebben we nodig, om ons, als we eenmaal volwassen zijn staande te houden. En bij de meeste mensen lukt dat dank zij opvoeding en onderwijs ook wel.
Mensen die bij hun geboorte wat minder talenten hebben meegekregen zullen zich meer moeten inspannen om zelfstandig voort te kunnen dan mensen die meer talenten hebben meegekregen, of waarvan de talenten nooit of pas laat ontdekt worden.

Maar hoe dan ook talenten zijn geen bomen waar de prachtigste vruchten aan hangen te wachten om geplukt te worden, maar het zijn kiemen die opgekweekt moeten worden tot vruchtdragende planten. En daarom hebben we een groot gebouw van wetenschappelijk- en beroepsonderwijs opgetrokken waarin we onze talenten tot volle wasdom kunnen brengen.

Maar onderwijs, training en inspanning zullen nooit een alt tot sopraan omscholen, een succesvolle dove dirigent opleveren, of van schrijver dezes een kunstschilder maken. Het enige wat mogelijk is, is het aanwezige talent maximaal te ontwikkelen.
Toen op de middelbare school waar ik zat, onze wiskundeleraar met pensioen ging, gingen de rapportcijfers over de hele klas met gemiddeld twee punten omhoog, en de zelfde leraar sleepte iedereen het jaar daarop door het eindexamen.
Als een kind in een bepaald vak niet goed meekomt, kan bijles vaak helpen. Misschien niet door dat er dan méér les op het kind wordt losgelaten, maar kan ánders les het verschil al maken. Maar zoiets gebeurt alleen maar als de ouders van dat kind bijles kunnen betalen.
En wat die ouders ook moeten beseffen, is dat resultaten niet alleen afhankelijk zijn van inspanning (‘dan moet je gewoon maar wat beter je best doen’) en ook niet alleen van aanleg, maar van een combinatie van talent, inspanning  en kansen.
En dat je alleen maar kansen kan grijpen als er kansen geboden worden.

En hier zit nu precies de blinde vlek van het plat-liberalisme.
In het VVD electoraat zijn bemiddelde en anderszins succesvolle mensen oververtegenwoordigd. Die mensen zullen vaak trots zijn op hun succes en hebben daar het volste recht toe als ze dat uitsluitend aan hun eigen harde werken hebben te danken.
Maar het rechtvaardigt niet de conclusie dat minder succesvolle mensen ‘dus’ minder hard gewerkt hebben.

Ik kan niet beoordelen of bij iedereen die zo mensen-schiftend denkt, nu alleen maar sprake is van een zekere blindheid, of dat dit ook een comfortabele manier van denken is om te ontkomen aan verantwoordelijkheid voor de ander.

Want al valt er iets te zeggen voor een zeker recht op de vruchten van eigen inspanning,  er is maar weinig te zeggen voor het recht op vruchten van je voorsprong.

OK. Dit is geen politiek argument, maar een ethisch argument.

Daar zijn socialisten en confessionelen nu eenmaal vaak een stukje verder in.