Olympisch vuur

vrijdag 18 april, 2008

Het was wel een slimme reclame van die stroomboer.
Het ietwat dommige echtpaar dat zich afvroeg of hun verse stroom wel vers was.
De uitsmijter – stroom is gewoon stroom – stond natuurlijk niet voor niets op een groene achtergrond.
Zo verkoop je je product door de suggestie te wekken dat het product van je concurrentie niet deugt.
Knap hoor, Hillary Clinton doet zulke dingen aanmerkelijk minder subtiel.

De laatste tijd moet ik elke keer aan die verse stroom denken als ik de uitdrukking Olympisch vuur hoor.
Onzin vuur is gewoon vuur.

Maar, je houdt het niet voor mogelijk hoeveel mensen denken dat er zoiets als Olympisch vuur bestaat.
Echt, om de vier jaar zit er een stel Olymbo’s, al dan niet van den bloede, boven op een Griekse bergtop met een vergrootglas te wachten tot die wolk opzij (m/v) gaat om een veter te laten fikken, en dan blazen blazen en dan is er vuur. Olympisch vuur! Soms kan dat wel uren duren maar dan smeert mevrouw Terpstra die altijd mee mag een paar sneetjes roggebrood voor de heren.

Maar de echte truc komt dan nog: Als die veter bij een soort mega sigarettenaansteker wordt gehouden komt er uit dat ding in eens ook Olympisch vuur. En die veter moet daarom altijd mee in de bus. Want mocht die fakkel uitgaan, dan kan je hem niet gewoon met een veiligheidslucifer aanmaken, want dan heb geen Olympisch vuur.
Ik heb geen theologische achtergrond, dus ik kan niet uitmaken of we hier te maken hebben met een geval van transssubstantiatie of van wonderbaarlijke vermenigvuldiging.
Minister Plasterk zou hier eens naar moeten kijken. Of zijn voorgangster, die weet daar ook veel over. Of misschien beter nog TNO, want die hebben ons met die OV chipkaart ook al zo goed geholpen.

Genoeg gedold.
Het is toch wel beangstigend dat er miljoenen worden verspild aan het rondsjouwen met een fakkel in tijden van honger en oorlog op een zieke planeet en dat er talloze mensen en instituten die je graag als serieus zou willen beschouwen zich met dit soort mythisch denken inlaten.
Je zou toch denken dat je zulke geestverduistering allen maar zou aantreffen bij mensen die vlaggen verbranden, boeken verscheuren, of in paranormale krachten, homeopathie of royalty geloven.
Trouwens die hele Olympische Spelen (2 hoofdletters!) zijn zelf al overbodig. Goed ik snap wel dat sporters graag tegen elkaar willen spelen, maar daar heb je al kampioenschappen en toernooien op nationale-, continentale en wereldschaal voor. De Olympische Spelen zijn gewoon een een tweede WK.
Moesten we dus maar mee ophouden dan jagen we in totalitaire landen ten minste ook geen mensen hun huis uit, omdat dat moet worden afgebroken voor een nieuw stadion.

Gelukkig waren ze in Amsterdam in 1992 verstandig genoeg.

Koude Berg

maandag 14 april, 2008

Only when the mind is free of care
can the light of understanding shine in every corner.

Pas toen de betekenis van deze slotregels van een gedicht van Han Shan (wat koude berg betekent) tot mij doordrongen, begreep ik wat er nu bijna vijftig jaar geleden in die drukkerij gebeurd was.

Om dat uit te leggen, kan ik eindelijk eens toegeven aan een diepgewortelde behoefte van me: Het onbekommerd betreden van zijpaden.

Toen ik in 1952 tot mijn stomme verbazing met goed gevolg de HBS verliet, had ik de illusie dat de wereld nu voor mij open lag.
Misschien was dat ook wel zo, maar een groot deel van die wereld leek te bestaan uit de kantoorwereld.
Eigenlijk wist ik niet precies wat ik wou, en een beroepskeuze test maakte me niet veel wijzer.
Tsja, vond die man, ik was zo breed geïnteresseerd dat er eigenlijk geen duidelijk profiel van was te maken. Misschien zou ik het beste documentalist kunnen worden. Bij een dagblad, bijvoorbeeld.
Maar ik kende dat woord documentalist niet, dus zei ik dat ik eigenlijk liever verkoper in een boekhandel wilde worden.
“Oh nee, dat lijkt me absoluut niets voor u, want u kunt niet goed met mensen omgaan”, zei de man en daar had hij wel een beetje gelijk in. Dus solliciteerde ik bij een tweede hands boekhandel, want een ander tekort van me was dat ik tamelijk eigenwijs was.
Ik werkte daar met veel plezier, maar 90 gulden per maand, was ook toen al geen vetpot. Dus zocht ik verder.
Overigens had de man van de beroepskeuze test wel gelijk, want later zou ik jaren lang met even veel plezier het vak van documentalist uitoefenen, zij het niet bij een krant.

Ik moet namelijk zeggen dat er maar weinig chaoten zijn, die zo van ordenen houden als ik. Als het maar niet ontaardt in opruimen.
In de fase dat ik programmeerde, zag ik wel eens een lichte verwildering in de ogen van de mensen die voor het eerst m’n werkkamer betraden.
“Kunnen hier werkende computerprogramma’s ontstaan?”, zag je ze denken.
Dus heb ik maar een spreuk opgehangen:

Een noodzakelijke voorwaarde voor het ontstaan van Orde
is de aanwezigheid van Chaos

en die toegeschreven aan een oude Chinese groentenboer.
Dat hielp.

Maar gelukkig kwam ik na een paar jaar jobshoppen Bram de Does tegen op de Insulindeweg.
Bram kende ik nog van dezelfde HBS en het korte gesprek dat wij voerden eindigde met een uitnodiging om eens langs te komen, want hij was aan het fotograferen geslagen.

Bram’s vader had een kleine drukkerij in de Dapperbuurt en Bram was in de jaren dat ik hem uit het oog verloren was naar de Amsterdamsche Grafische School gegaan om daar de Patroonsopleiding Typografie te volgen. En in de maanden die volgden vertelde Bram me veel over het vak en liet de verschillen zien tussen de diverse lettertypen en opende mijn ogen voor de schoonheid die een gedrukte tekst kan hebben.
Ik leerde letterzetten en mocht zelfs een tijd een letterkast met een weinig gebruikte letter van Bram’s vader lenen en begon welgemoed het Boek Der Golem van Gustav Meyrink over te zetten. Ik ken de begin regel nog uit m’n hoofd:

Das Mondlicht fällt auf das Fussende meines Bettes, und liegt dort wie ein grosser heller flacher Stein.

Dat avontuur was gauw afgelopen omdat er in die Nederlandstalige kast te weinig Umlauts en Ringelessen zaten.
Maar de liefde voor het vak had me aangeraakt.
Beatrice Warde was het geloof ik, die gezegd heeft: Wie eens drukinkt aan zijn vingers heeft gehad, krijgt het er nooit meer af.

En in het jaar dat Bram de grafische school verliet, ging ik er naar toe.

Drie jaar later had ik ook het diploma, en een nog grotere liefde voor het vak verworven, zij het dat het een soms wat ongelukkige liefde kon zijn.
Mijn oog had zich namelijk beter ontwikkeld dan mijn hand.

Ik weet nog dat ik mijn leraar ontwerpen voorstelde om zijn lessen maar over te slaan, omdat dat voor ons beider typografisch oog een opluchting zou zijn, maar hij wist dit uit mijn hoofd te praten en legde balsem op mijn ziel door mij te vragen het geboortekaartje van zijn eerste kind te zetten.
Want hij wist dat ik in elk geval wel een beschadigde letter er uit haalde en wist hoe je kapitaaltjes gelijk moest stellen. Dat had Bram me al bijgebracht voor ik naar de grafische school ging. Romanée kapitaaltjes waren het, kan ik me nog herinneren.

Maar het bleef knagen, dat wat mijn ogen zagen, mijn handen niet konden maken.

Na de school bleven wij elkaar vaak zien.
Op een gegeven moment kwamen wij tot de conclusie dat wij een tijdschrift moesten op zetten. Het zou over kunst en andere belangrijke zaken gaan en een klassieke typografische vorm krijgen. De Spectator moest het gaan heten. In die context kregen we contact met James Holmes, een in Nederland wonende Amerikaanse journalist en die betrok ons bij een project rond de 75ste verjaardag van de Maastrichtse dichter Pierre Kemp.
Er waren 26 gedichten van hem vertaald in het Engels onder de titel “An English Alphabet”.

Bram werd nu gevraagd een bibliofiele uitgave van deze bundel te produceren en ik mocht van hem meedoen.

“Zo”, zei Bram, toen we in de drukkerij van zijn vader stonden, “we gaan een van de vijftig best verzorgde boeken van 1961 maken.”
En hij werd op zijn wenken bediend:

‘Dit is een heel mooi stukje “typographie pure”, volgens strikt traditionele beginselen uitgevoerd’ was het oordeel van de jury.

Het enige wat aan Bram’s voorspelling vooraf overdreven was, was het woordje “we”.
Goed, ik had een deel van het zetwerk gedaan, maar Bram had het papier uitgezocht, gedrukt, het meeste bindwerk gedaan en het bandstempel ontworpen.

Maar op één moment had ik iets met de layout te maken. Toen de eerste drukvorm moest worden ingeslagen, vroeg Bram me dat even te doen.
Mijn vormgevingshandicap kennende voelde ik daar niet zo veel voor, en mijn eerste reactie dan ook: “Nee, dat moet jij maar doen, Bram.”
Maar Bram was druk bezig met de Heidelberger waarop gedrukt zou gaan worden. Dus nee, dat moest ik maar even doen.

Mijn weerstand kwam hier uit voort dat je in bepaalde gevallen bij het inslaan van pagina’s al de opmaak van de pagina’s beïnvloedt.

Dat zal ik uitleggen:
Wij drukten twee pagina’s naast elkaar op één vel af. Die vellen werden dan later gevouwen en in elkaar gestoken tot katernen en die katernen werden dan aan elkaar genaaid tot het binnenwerk van één boek.
Het zetsel van twee pagina’s wordt om het af te kunnen drukken in een stalen raam gemonteerd en dat raam gaat de pers in.
Als je dat doet bepaal je door de afstand tussen die twee (pagina)blokken zetsel automatisch de rugmarge op de uiteindelijke afdruk. En omdat het papierformaat dan al vast ligt, bepaal je dan ook de marge tussen de bladspiegel en de snede van het boek.
En omdat er bepaalde min of meer vast liggende esthetische regels in de vormgeving bestaan, ligt daarmee eigenlijk ook de verticale plaatsing op de pagina vast.

Dat leek mij een beetje te eng. Maar omdat Bram niet toegaf, dacht ik op een bepaald moment, ach wat, ik zorg wel dat het een beetje in de buurt komt, want Bram is toch kritisch genoeg om er voor te zorgen dat het goed wordt.

Ik was dan ook stomverbaasd toen Bram een proefdruk maakte en zei dat er niets hoefde te veranderen.
Toen ik dat eindelijk geloofde troostte ik me maar met de gedachte, dat het ook wel eens voorkomt, dat iemand iets in de loterij wint.

Later toen ik Han Shan begreep, begreep ik ook wat er toen gebeurd was:
Omdat ik wist dat ik op Bram terug kon vallen, was mijn geest vrij van zorgen.
En daardoor een completere vorm van understanding zijn werk doen.
Het was een intuïtief inzicht – niet gehinderd door typografische conventies als optisch midden, gulden snede en methode Van De Graaf.
Een moment waarop ik aansluiting kon krijgen met iets wat wel degelijk bestaat, maar moeilijk te definiëren is: harmonie.

Eindelijk kon mijn hand zich moeiteloos laten sturen door mijn oog, zonder de bemoeienis van een overbezorgde ouder: de rede.

Brinkmanship

dinsdag 8 januari, 2008

Brinkmanship is een term uit de koude oorlog.

Het idee erachter was dat je de tegenstander het best hun hok in kon intimideren door tot het randje van oorlog te gaan. (Going to the brink of war).

Dezer dagen haalde een Brinkman het nieuws met het idee de Antillianen te verkopen via Marktplaats.nl.
Blijkbaar wist die meneer niet dat de gewoonte mensen te kopen en te verkopen door Nederland al in 1863 is afgeschaft. Maar ja, wat wil je, die meneer Brinkman is lid van de PVV, die wel meer dingen door elkaar haalt.
Zo zou PVV Partij voor de Vrijheid zou betekenen.
Maar als je eens opzoekt waar die partij voor staat dan zie je dat ze het voornamelijk hebben over verbieden inperken en opheffen.
Wat ze eigenlijk het liefste willen is een heilige oorlog. Een soort blonde hijad, zou je kunnen zeggen.
Het is dan ook volstrekt logisch en uiterst respectabel dat de Antillianen niets met zo’n Brinkman te bespreken hebben.

De Tweede Kamer delegatie wenst meneer B. echter niet laten vallen.
Natuurlijk fatsoen moet je doen, maar niet onder alle omstandigheden.
Misschien is fatsoen meer iets voor de studeerkamer, als we aan Balkenende’s standje aan Bot terugdenken. In de praktijk van het volksvertegenwoordigerswerk gaat het formele boven het fatsoenlijke.

Wel probeert de VVD voorzitter van de delegatie – die tegen beter weten in toch maar naar de Antillen is gereisd – nog z’n gezicht te redden door afstand te nemen van ‘de manier waarop’ de heer Brinkman aan zijn ideeën uiting heeft gegeven, waar ieder fatsoenlijk mens natuurlijk afstand had genomen van de inhoud van die ideeën.

Maar we zagen het al ook in de nieuwe politiek gaat de vorm vaak boven de inhoud.
(Zou dat misschien de oorzaak kunnen zijn dat de volksvertegenwoordiging – de wetgevende macht – in de praktijk zo vaak de Baarmoeder van de Bureaucratie lijkt te zijn?)

Kijk, nou heeft nog nooit iemand mij er van beschuldigd diplomatiek te zijn. Maar in dit geval had ik het als commissielid toch wel beter gedaan.
Ik had er voor gezorgd dat de commissie thuis was gebleven omdat er geen redelijke basis voor vruchtbaar overleg was.

En dan had iedereen naar eigen behoefte kunnen bedenken of dat ontbreken van die basis nou lag aan die langtenige Antillianen die zich niet eens als handelswaar wilden laten behandelen, of aan het gemis aan beschaving van een deel van de Nederlandse delegatie.

mailtobutton

Hoezo, religie?

woensdag 26 december, 2007

In NRC Handelsblad van 22 december 2007 staat een interview met godsdienstsocioloog Meerten ter Borg voornamelijk over het zelfbedieningskarakter van de huidige religiositeit.

Niet onverwacht wordt in dat artikel de vraag gesteld “Wat is religie?” en Ter Borg antwoordt daarop:

“Ik definieer religie als datgene wat de mens helpt zich te verzoenen met zijn eindigheid door middel van iets dat boven de menselijke eindigheid lijkt uit te gaan…”

Dat is op het eerste gezicht al een opmerkelijke definiëring door het gebruik van het woordje “lijkt“. Het gaat hier dus niet om iets dat de menselijke eindigheid te boven gaat, maar iets dat dat alleen maar lijkt te doen. Een bewuste of onbewuste vorm van zelfbegoocheling dus.
Nu zou dat ene woordje lijkt nog toe te schrijven zijn aan een ‘vertalingsverlies’ wat in elk gesprek kan voorkomen, maar het vervolg van de alinea wijst wel degelijk in dezelfde richting:

“Die vertaling is wat breder dan het geloof in een god of een hogere macht. Religie is niet alles of niets. Mensen zijn niet voortdurend religieus, de meesten zijn het soms een beetje. Dan laten ze zich even meeslepen door iets waarvan ze geloven dat het een hogere werkelijkheid is.”

Hier verandert de definitie, het gaat hier niet meer om verzoening met de eigen eindigheid, maar om een hogere werkelijkheid, of liever gezegd iets waarvan ze geloven dat het een hogere werkelijkheid is.

Nu kan ik me van veel dingen voorstellen dat ze in hogere of lagere graad voorkomen, maar niet van werkelijkheid. Daar lijkt me maar één versie van te bestaan: de werkelijke.

Wat ik me trouwens afvraag, is hoe dat nu eigenlijk toegaat, dat definiëren van zo’n veelomvattend fenomeen als religie, dat enerzijds een zeer persoonlijke -dus subjectieve- ervaring is, maar tegelijkertijd zo doordrongen is van allerlei als absoluut ervaren connotaties.

Kan je daar van buiten dat gebied uit wel een geldige definiëring van geven?

Zelf leef ik in de overtuiging niet religieus te zijn.
Leid dit nu tot een van de volgende opties?

  1. Ik kan me dus niet verzoenen met mijn eindigheid?
  2. Die eindigheid is onherroepelijk en dus valt er niets te verzoenen.
  3. Ik verzoen me met mijn eindigheid met iets wat de menselijke eindigheid niet te boven gaat.

Geen van drieën gaat voor mij op.
Ik verzoen me wel degelijk met mijn eindigheid, en ik doe dat ook met iets dat de menselijke eindigheid te boven gaat. Maar wat niets met religie te maken heeft.
In een ander bericht heb ik al eens het volgende geopperd:

Van die trits materie, leven, bewustzijn samenleving zijn we dus allemaal onderdeel!
Je zou dus ’s ochtends op kunnen staan en zeggen:

Ik neem deel aan de schepping:

Ik ben opgenomen in de kringloop van de materie.

Ik ben een schakel in de keten van het eeuwige leven.

Ik ben een knooppunt in het web van kennis.

Ik weef een draad in het tapijt van de samenleving.

En in de opvatting die aan die uitspraak ten grondslag ligt vind ik de verzoening met mijn eindigheid.
Dat is geen religieus standpunt, ook al komt het woord schepping er in voor. In mijn wereldbeeld komt namelijk geen schepper voor.
Het berust op de mijns inziens verdedigbare waarneming van een ontstaansvolgorde van achtereenvolgens:

materie,
leven,
bewustzijn,
ethiek
en samenleving,

waarvan de laatste nog in een uiterst pril ontwikkelingsstadium verkeert. En dat geheel noem ik gemakshalve de schepping, waarbij ik aanteken dat die schepping nog steeds volop aan de gang is en wij daar ook aan deelnemen.
Met name aan het stadium van wat je de menswording of de maatschappijwording zou kunnen.
Twee begrippen die volgens mij uiteindelijk samenvallen.
Socialisme zou een aardig woord zijn voor dit mensbeeld maar die term is al in gebruik.

Het is best mogelijk dat het kaarsvlammetje van de medemenselijkheid nog vele keren dooft, misschien zelfs wel in stormen waar de tweede wereldoorlog een zuchtje bij was. Maar ik verwacht dat ethiek niet meer uit de evolutie kan verdwijnen.
Alleen al omdat het een voorwaarde is om de complexiteit van een groeiend stelsel van bewuste organismen aan te kunnen.
Je zou dit een geloof in een betere toekomst kunnen noemen, maar ik zie het als een extrapolatie van de geschiedenis.

En juist hier speelt de eindigheid van het individu ons in de kaart.

Stel je voor dat de menswording afhankelijk was van 800 of vooruit 800 miljoen mensen met het eeuwige leven. Dan zouden we afhankelijk zijn van een eindige genenbank.
En stel hier tegenover de luxe van een doordraaiend wiel dat niet alleen telkens opnieuw schattige baby’s oplevert, maar vooral kinderen die op een gegeven moment niet meer doorlopend (of helemaal nooit) naar hun ouders willen luisteren en de meest fantastische nieuwe wielen uitvinden. Welk een schat van voortschrijdend inzicht zal die stroom van telkens nieuwe verse bevlogen breinen opleveren. Over een paar miljoen jaar moet dit toch een aardige liefdevolle maatschappij kunnen opleveren.

Dus:
Leve de sterfelijkheid.
Eindigheid forever.

mailtobutton

Het ongelijk van Hans Teeuwen

maandag 17 december, 2007

Op YouTube is een filmpje te zien van waarschijnlijk een televisie uitzending waarin Hans Teeuwen, een cabaretier, ter verantwoording wordt geroepen door drie moslim vrouwen, bekend als De Meiden van Halal.
Aanleiding is een lied dat de cabaretier ergens op een openbare bijeenkomst (waarschijnlijk in Amsterdam) gezongen heeft en waarin diverse profeten op profane wijze genoemd worden en de genoemde vrouwen in verband worden gebracht met een seksuele activiteit.

De vrouwen vinden dat beledigend en vragen hem waarom hij zo graag beledigt.

Teeuwen rechtvaardigt zijn gedrag met drie argumenten:

  1. Het is leuk
  2. Er bestaat zoiets als een recht op belediging
  3. Religies moeten bespot worden, want zij claimen het monopolie op de waarheid te hebben en zij vormen daarmee een bedreiging van onze vrijheid.

ad 1:
Teeuwen zegt dat het leuk is en daarom is het dus leuk. Teeuwen heeft blijkbaar ook een soort monopolie op de waarheid. Maar blijkbaar twijfelt hij toch een beetje aan zijn eigen gezag, want zegt hij, hij heeft een ‘hoogwaardigheidsbekleder’, jaaah de burgemeester, zien lachen, nou ja zijn lachen zien tegenhouden.
Laat ik nu altijd gedacht hebben dat de hofnar de functie had de autoriteit van de vorst te ontkrachten in plaats van er zich achter te verschuilen.
Goed er moesten mensen lachen om Teeuwen.
Toen de vrouw van een voetbaltrainer een ernstige ziekte had, zongen supporters van een andere club een pesterig lied over een kankerwijf. Vonden ze leuk. Kan dus ook.

ad 2:
Het recht op belediging is uitgevonden door mensen met een onweerstaanbare behoefte om te beledigen. Die trend is al in de vijftiger jaren begonnen, zoals ik al eens in een eerder stukje heb beschreven. Maar het is iets van de laatste tijd om hier de term recht voor te gebruiken.
Voor mij is recht iets wat alleen maatschappelijk kan worden vastgelegd om vervolgens voor iedereen te kunnen gelden. Een persoonlijk uitgeroepen recht heeft geen geldigheid.
Ik ben het recht op belediging niet tegengekomen in onze grondwet.

ad 3:
Natuurlijk zijn er landen waar de overheersende interpretatie van een religie de vrijheid van andersdenkenden bedreigt, maar Nederland is niet zo’n land. Hier kunnen mensen met verschillende opvattingen nog naast elkaar leven, zolang de scherpslijpers hier tenminste niet de overhand krijgen.
Dat is niet altijd zo geweest. Toen het Christendom zo’n zeshonderd jaar geleden de zelfde leeftijd had als de Islam nu heeft, hadden ketters het een stuk minder gemakkelijk dan nu.
Maar ik geef toe in Teheran zou Teeuwen een hoop goed kunnen doen door een streng lied te maken over al die mannen die daar maar open bloot met hun baard rondlopen. (Een baard krijg je immers pas als je geslachtsrijp bent, en is dus schaamhaar). Maar Teeuwen zit hier.

Nu even een moeilijk stukje.
Wat vaak vergeten wordt in de hele waarden en normen discussie is dat er niet zoiets als een monolitische cultuur bestaat. We leven in een groot aantal verbanden waarin specifieke waarden gelden en bijgevolg specifieke normen worden aangelegd. Wat in een gezin geldt is anders dan wat op het werk of in de vriendenkring geldt.

In het publieke domein dat we delen met mensen met andere opvattingen dan de onze zullen we het eens moeten worden over wat wel en niet kan, wat mensen in hun privédomein vinden is voor een belangrijk deel alleen hun zaak.

Wie dit onderscheidt niet kan maken loopt het risico brokken te maken, niet alleen voor zichzelf maar ook ten nadele van omstanders die wel ruimte aan anderen kunnen geven.

Als drie vrouwen er voor kiezen om een bepaalde ingetogenheid in hun leefwijze te betrachten, dan is dat hun goed recht. Als iemand die dan op een opdringerige manier met zijn seksuele fantasieën confronteert dan is hij net zo onbeschaafd als iedere andere man die vrouwen met ongewenste intimiteiten lastig valt. Maar bovendien is Teeuwen laf door zich daarbij als een soort verdediger van het vrije Westen op te werpen.

mailtobutton