Potketelmuziek

zondag 16 december, 2007

De politieagenten willen meer loon. Terecht, ze doen nuttig en moeilijk werk en ondervinden daarbij niet altijd de waardering die ze verdienen. Hun wensen vinden bij de regering onvoldoende gehoor en daarom voeren ze actie. De burgemeesters van Amsterdam en Rotterdam vinden het daarom niet verantwoord om in hun stad twee eredivisiewedstrijden door te laten gaan.

Nu komt er een meneer van de KNVB op de televisie en die is daar pisnijdig over. Hij wil zich er niet mee bemoeien zegt ie, doet dat vervolgens toch en vindt dat de minister “die verwende kereltjes geen cent meer” moet geven.

Die representeert de organisatie die er voor zorgt dat een aantal met miljoenen euro’s verwende kereltjes (maar wel zijn verwende kereltjes) wekelijks tegen een bal en de tegenstander schopt zodat een horde bezoekers zo opgehitst wordt dat ze voor en na zo’n duel op elkaar in rammen of hier en daar een treinstel slopen.

Het doet me denken aan Balkenende die Bots geloofwaardigheid in twijfel trekt omdat die aan de krant vertelde dat Balkenende tegen hem had gezegd dat eerlijk je fouten toegeven iets voor de studeerkamer is, maar niet voor de politiek.

Een groot bestuurder is iemand met een scherp oog voor splinters in de ogen van anderen.

Leraar of goeroe

zaterdag 15 december, 2007

Het verschil tussen een leraar en een goeroe, is dat een leraar een vak heeft.
In dat vak geeft hij les en vaak wordt dat vak dan ook vermeld achter dat leraar. Men is hoogleraar economie of leraar boekbinden.
Nu weet iedereen die op school gezeten heeft dat er goede en minder goede leraren zijn. Maar dat goed of minder goed gaat dan vrijwel altijd over hun beheersing van het les geven. Niet over de beheersing van hun vak.
In onze maatschappij is het geven van les meestal goed georganiseerd en wordt de vakkundigheid van leerkrachten gegarandeerd door opleidingen en diploma’s.

Een goeroe wordt door de mensen die in goeroes geloven ook als leraar gezien.
Maar welk vak geven ze dan?
Je zou kunnen veronderstellen dat goeroes je iets kunnen leren over je bestaan, maar waar ligt dan hun meerwaarde? De goeroe bestaat inderdaad, maar jij ook.
Over het leven dan.
OK sommige goeroes leven op dit moment, maar ze gaan allemaal dood, dus wat dat betreft scoren ze net zo goed als jij en ik.

Om toch een verkooppunt te hebben, hebben goeroes het dus vaak over Iets met een Hoofdletter.
Verlichting bijvoorbeeld of Verlossing en wat dat inhoudt is meestal niet in twee of drie woorden uit te leggen.
Sommige type goeroes ( met name die die iets boeddhisme-achtigs in de aanbieding hebben) grossieren daarom in verhalen over wat het allemaal niet is. Een ander aspect van het aanbod van de goeroe is dat je verteld wordt dat het niet iets is wat je zomaar even oppikt. Nee, je zult er ontzettend je best voor moeten doen. Niet zelden wordt er ook een soort rangorde geschetst van niveaus van verlichting, verlossing of wat dan ook die je slechts door hard werken, mediteren, ontspannen, onthechten et cetera zult kunnen bereiken.

Nu moeten we ons even voorstellen dat we in de Kijkshop staan en daar een apparaat zien staan van € 1489,-. Het is een Multi-vipractor. De beschrijving van het apparaat is zodanig dat het niet duidelijk is wat je er mee kan doen. Wel is het duidelijk dat er een serieuze en langdurige inspanning van u vereist zal worden om er er resultaat van te verwachten.
Er zal er waarschijnlijk nooit een verkocht worden.

Het goeroe aanbod zou het dus ook nooit doen als het niet een dubbel aanbod was:
De goeroe die u verlichting belooft, verkoopt u tegelijkertijd dat u in het donker zit.
De goeroe die belooft u van het denken te verlossen zet u aan het denken en ‘bewijst’ daarmee zijn noodzaak.
Mensen houden er niet van een tekort te hebben, en daarom werkt deze methode feilloos bij mensen die ergens een tekort voelen, er nog niet in geslaagd zijn de aard van dat tekort precies te onderkennen en daardoor ook nog niet weten hoe ze dat tekort moeten opheffen dan wel leren te accepteren.

De goeroe boodschap lijkt ineens een interessante weg.
Is dat tekort waar de goeroe op zinspeelt misschien niet de ‘diepere’ oorzaak van het door hen gevoelde probleem? Luister of lees maar eens goed wat die Meester beweert. Hoe veel procent van zijn boodschap gaat over het tekort?

De baas van cosmetica concern Revlon zou ooit gezegd hebben: “Wij produceren Lanoline, maar wij verkopen hoop”.
Hij heeft goed geboerd.

Kijk eens goed naar die goeroe.
Hoe onthecht, verlost of verlicht is hij zelf?
En waarom is een goeroe trouwens altijd een hij?

mailtobutton

De Betekenis der Dingen

woensdag 5 december, 2007

Ik weet niet of alle mensen dat hebben, maar ik ben zeker niet de enige die uit ervaring weet dat je een woord tijdelijk los kunt maken van zijn betekenis door het maar vaak genoeg te herhalen.
Huis kan dan een klank worden, zoals uis een klank is.
Zo zal ik ook niet de enige zijn die met regelmaat woorden op meerdere wijzen leest. Dus het woord pompoen niet alleen interpreteert als die vrucht die je verrassend vaak in het Odin pakket aantreft, en een aantal jaren geleden -nog verrassender- zag uitrusten op een bankje met uitzicht op een betegeld voortuintje, maar er ook een verwijzing in ziet naar een niet al te slimme bediende van een benzinestation.

Naast deze algemene afwijkingen bespringt mij ook af en toe de neiging om taalregels toe te passen op een manier die misschien niet helemaal zo bedoeld was.
Een woord dat dat gedrag bij mij vaak uitlokt is het woord “betekenis”.

Normaliter staat dit woord voor iets dat in de categorie eigenschap aanduidende woorden valt, maar ik wordt altijd verleid om het woord “betekenis” te ervaren als iets dat in de categorie activiteit aanduidende woorden thuis hoort.

Zoals bemoeienis duidt op

het (zich) bemoeien met iets

duidt betekenis voor mij op

het betekenen van iets.
Betekenen dan in de zin van ‘van een teken voorzien’.

En als ik in die duiding de zin “De betekenis der dingen” oproep, is het hek van de dam.
De dam die de afscheiding vormt tussen de rationele persoon die ik overwegend ben en het rijk van de verbeelding dat ik produceer als de behoefte daaraan zich voordoet, maar die ook kan dienen  als verbinding tussen die twee domeinen.
Het hek van die dam is namelijk vervaardigd uit de grondstof taal, en de vrijheid die ik mij met dat materiaal veroorloof, zorgt er voor dat ik het hekje openen kan.

Als de dingen betekend kunnen worden, moet er ook een onbetekende staat van de dingen zijn geweest. Een situatie waarin de dingen er wel waren, maar nog niet betekend waren met een woord.

In de betekende wereld waarin we nu leven is die koppeling tussen ding en woord stevig, en over het algemeen hoogst bruikbaar voor het denkproces en het uitwisselen van informatie, ideeën en verwoorde gevoelens.

Het is niet alleen een theoretische vraag of die koppeling ooit weer te verbreken is.
Mensen die langdurig verblijven in een land waar een andere taal gesproken wordt krijgen daar mee te maken. Aan één ding komen dan meerdere woorden te hangen en pas als je in die nieuwe taal begint te denken en te dromen heeft de nieuwe koppeling de plaats van de oude ingenomen.

Kan je ook opzettelijk die koppeling verbreken?
In de openingszin van dit verhaal werd al verwezen naar de mogelijke transformatie van een woord tot een klank door langdurige herhaling van dat woord. En je zou dit het onttekenen of de onttekenis van een woord kunnen noemen.
Maar zou je ook dingen van het woord kunnen bevrijden?

Ik heb de indruk dat mediteren (wat dat ook moge zijn)  hierbij een beter instrument is dan filosoferen.
Een staat van vervoering, opgewekt door een buitengewone ervaring van ruimte, stilte of schoonheid wil wel eens helpen, maar het is op zich zelf al een paradox om de woordloosheid te willen beschrijven.

Toch moet er ooit een onbetekende wereld zijn geweest. Een wereld waarvan ik me niet zo goed een voorstelling kan maken, maar over die overgangsperiode waarin het betekenen plaatsvond – de periode dat de talige mens ontstond – kan en wil ik vaak en graag dromen.
Hoe graag ook zou ik dat meegemaakt hebben.
Bij nader inzien liever niet als een van de deelnemende mensachtigen maar als een onzichtbaar observerende mensachtige van het huidige ontwikkelingsstadium. En dan natuurlijk voorzien van een onuitputtelijke hoeveelheid papier en (onzichtbare) inkt.

Hoe ontstond de taal? Hoe betekenden ze de dingen?
Ik vermoed dat het zo ging dat als een dominante mensachtige een bepaalde klank uitte als er een bepaald object verscheen, dit door de anderen werd overgenomen en dit zo de naam van dit object werd.

In het filmpje dat ik voor me zie is een groepje mensachtigen op jacht en maakt de leider bij het waarnemen van een (tot op dat moment nog niet betekende) prooi zachtjes een geluid om de anderen te waarschuwen.
Misschien imiteert hij wel het geluid dat de prooi zelf maakt. Dus als er een gnoe in het vizier komt een gnoe geluid. En als de anderen dat bij volgende gelegenheden overnemen kan in het vervolg het beestje bij de naam genoemd worden.
We maken de geboorte van de taal mee!

Wat een verpletterende uitwerking moet het gehad hebben toen het gnoe geluid voor het eerst gemaakt werd zonder dat er een gnoe te zien was. Misschien deed de hoofdjager dat wel op een dag toen het vlees op was, terwijl hij met een hoofdbeweging naar de uitgang van de grot zijn speren op pakte.
De abstractie was er en zou niet meer uit ons leven verdwijnen.
Nu werd alles mogelijk!

mailtobutton

Monumentje voor Waldie van Eck

zondag 18 november, 2007

Terugdenkende aan de tijd dat ik een jonge man was (ergens omstreeks het Carboon dus), en een lange reeks van liefdes en verliefdheden mijn leven zoet dan wel droevig maakten, realiseer ik me, dat opvallend veel bibliothecaressen een rol in mijn leven speelden.
Nu zullen er misschien mensen zijn die denken, nou, die man viel gewoon op bibliothecaressen. Maar dat is onzin. Bibliothecaressen zijn alleen een type in slechte films en tv-series.
Al moet ik toegeven dat er wel iets bijzonders aan hun vak is:
Zij hoeden, beheren en verspreiden het woord.
Een soort priesteressen zijn het dus eigenlijk wel.
Dat is weliswaar een nog al romantisch beeld, maar wat zou mijn leven zijn zonder romantische beelden?
Wat misschien wel een rol speelt, is dat ik – toen ik nog zo klein was dat verliefdheid nog geen rol speelde en ik het woord nog niet eens kende een bibliothecaresse al grote indruk op mij maakte.
Het was juffrouw van Eck. (Ze stond er op dat je juffrouw zei, in plaats van mevrouw).
Zij beheerde het filiaal Molukkenstraat van de Amsterdamse Openbare Leeszaal en Bibliotheek.
Ik kon nog niet lezen, toen ik daar voor het eerst kwam. Maar mijn moeder las graag en las ons ook voor en vertelde ook na uit boeken die ze bij de ‘bieb’ in de Molukkenstraat haalde.

Voor juffrouw van Eck was het geen bezwaar dat ik niet kon lezen, die eerste keer dat ik daar kwam. Ze haalde een sleutel te voorschijn, opende daarmee de deur van een ondiepe kast en pakte daar twee boeken uit, die ik mocht lenen.
Er stonden wel wat letters in, maar het belangrijkste van die boeken waren de illustraties.

Moeder las ze natuurlijk vele malen voor, terwijl ik de platen bekeek en als ik me goed herinner heetten ze “Hansje in het Bessenland” en “De Wortelkindertjes”.
Het eerste vond ik geloof ik het mooist.
De illustraties – zoals ik me die nu tenminste herinner – kan ik het beste omschrijven als ‘Rie Cramer-achtig’.
In die tijd moet mijn latere waardering voor de Prerafaelieten geworteld zijn en ook mijn thans nog geldende voorkeur voor mauve-achtige- blauwgrijze- en leverkleurige tinten, fluwelen grijzen en nuances van abrikoos.

Later, veel later, is het tot me doorgedrongen dat dit boeken van juffrouw van Eck zelf waren.
Ik weet niet wat ze gezegd heeft toen ik die boeken meekreeg, en of ik wat terug gezegd heb. Waarschijnlijk niets, want ik was in die tijd zo verlegen als de introvertste onder de muizen. Al zal mijn moeder me wel geprompt hebben met een watzegjedan.

Maar het zaad was gezaaid. Ik was hooked and booked. Een druksverslaafde voor het leven.

Ik herinner me juffrouw van Eck als een rijzige vrouw, maar dat zegt niets, want ik heb de neiging mensen waar ik ontzag voor heb ook groot te zíen.
Zij arriveerde bij de bieb kaarsrecht gezeten op een fiets met hoog stuur en ik denk dat dat ook dat beeld van haar versterkte.

De taal die zij gebruikte, was heel ongewoon voor ons. Niet omdat het prachtig verzorgd Nederlands was, dat hoorde je ook wel op de radio. Maar ze had soms iets theatraals in haar dictie. Vooral als het om dingen ging die haar emotioneel raakten.

Wij vonden dat een beetje raar. En thuis imiteerden we haar ook wel, maar ik had daar wel een dubbel gevoel bij. Het was toch een licht gevoel van verraad, wat ik toen niet- maar nu wel begrijp.

Ze kon vertellen hoe ze door een boek meegesleept was, hoe ze haar ontbijt vergat, de lunch vergat en maar las, maar las, de nacht kwam en maar door las.
Een ervaring die ik later herkende toen ik aan romans toe was.
Toen ik inmiddels een jaar of zeventien was en een boek van Du Perron leende, vertelde ze me hoe ze in het begin van de oorlog had moeten vernemen dat Ter Braak zelfmoord had gepleegd en in die zelfde dagen Marsman om het leven kwam omdat de boot waarop hij hoopte te ontkomen getorpedeerd werd. En ik zag hoe de tranen haar in de ogen sprongen.

Het was weer zo’n sleutel ervaring. Dat je zo betrokken kunt zijn bij een schrijver die je niet persoonlijk kent. Dat die blijkbaar door zijn werk een deel van je leven is geworden. En dat zij mij, een jochie van 17, belangrijk genoeg vond om mij te deelgenoot te maken van die beleving.
Ze liet me groeien. En ik hoop maar dat er nog steeds zulke bibliothecaressen zijn die in volksbuurten jochies als ik een zetje geven.
Juffrouw van Eck schroomde niet om je leesgedrag te sturen. Ze beval je niet alleen maar boeken aan, maar ontraadde ze soms ook. “Oh nee meneer, dat is helemaal geen boek voor u”, meende ik haar ooit eens te hebben horen zeggen. Maar ik zelf had alleen maar plezier van haar coaching.
Voor mij was De Gids  niet een literair tijdschrift, maar een levende persoon.

Toen ze merkte dat ik niet alleen maar de Anton Wachter romans, maar alles van Vestdijk wilde lezen, wees ze me op het bestaan van Swordplay Wordplay een kwatrijnen battle tussen Vestdijk en Roland Holst en leende ze dat voor me in de hoofdvestiging.
Bij een andere gelegenheid vertelde ze me over een ontmoeting met Nescio, waarbij die vertelde dat hij als kind (net als mijn vader overigens) gespeeld had op het driehoekige veldje aan de Pontanusstraat. En dat dat zijn eerste dichtregel had opgeleverd:
Ik en Jaapje
speelden schaapje
op een veld vol koeien….

Het p-woord mocht een kind niet hardop zeggen.

Omdat ik me niet kon voorstellen dat juffrouw van Eck alleen in mijn herinnering sporen achtergelaten had, zocht ik al eens op het internet naar vermeldingen over haar, maar ik vond niets omdat ik dacht dat haar voornaam met y geschreven werd. Maar als je op Waldie van Eck zoekt blijkt dat ze schreef en vertaalde en betrekkingen onderhield met de Wereldbibliotheek en de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde en ooit met Sinterklaas een boekje met opdracht van Nico van Suchtelen kreeg.
Ik zal vanavond een kaarsje voor haar branden.

Naschrift 2010:

Inmiddels ben ik er achter gekomen dat beide boekjes nog wel eens herdrukt zijn, maar inmiddels is De Wortelkindertjes  al weer uitverkocht. Het boekje wordt nog wel tweedehands aangeboden. Hansje in ’t bessenland is nog wel verkrijgbaar in de boekhandel. Kwam te laat voor mijn kinderen, maar gelukkig wel op tijd voor mijn kleinkind.

Hieronder een pagina uit de wortelkindertjes:

mailtobutton

Nog bedankt, mr De Waard…

zondag 4 november, 2007

Omdat wij beiden werden genoemd in een nogal merkwaardige scriptie over de relaties tussen Nederland en de DDR, zocht ik het telefoonnummer op van mijn oude strijdmakker Fries de Vries, die ik schat ik zo’n 30 jaar niet gesproken had.
In de e-mails die volgden maakte hij gewag van een zekere steen met een adreskaartje. Maar uit wat er op volgde kreeg ik de indruk dat hij het tweede deel van het verhaal niet kende. En omdat dat juist het mooiste deel van het verhaal is, vertel ik het hier (voor hem en voor andere lefhebbers van politieke archeologie) nog eens in z’n geheel.

De chronologie van de Vietnam oorlog heb ik niet meer in m’n hoofd, maar ik weet wel dat er verschillende incidenten waren, waardoor de situatie escaleerde of dreigde dit te doen.
Een van die gebeurtenissen was het eerste Amerikaanse bombardement op een Noord-Vietnamees doel, waarbij een gebouw van de Chinese ambassade geraakt werd.
Volgens de Amerikanen was dat niet de bedoeling geweest en hadden ze de ‘suburbs’ of de haven installaties of zoiets bedoeld.
Ik schrok me wezenloos toen ik dat hoorde, want ik dacht, als China en misschien daarna ook de Sovjet-Unie actief mee gaan doen is de derde wereldoorlog een feit.

Ik was in die tijd al behoorlijk actief in de vredesbeweging, maar ik kon op dat moment niet het geduld opbrengen om met anderen iets te organiseren. Ik wilde iets doen.
Iets wat duidelijk maakte met wat voor krankzinnig gevaarlijke dingen we daar bezig waren.
En op dat moment drong het tot me door dat het woord “demonstratie” behalve een optocht van mensen met spandoeken ook kon betekenen dat je bijvoorbeeld aan de hand van een schaalmodel duidelijk maakt hoe iets werkt of in elkaar steekt.
Ik wist wat me te doen stond.

Het was die volgende ochtend onwezenlijk stil op het Amsterdamse Museumplein. Ik geloof dat het zondag was of kerst of zo’n soort rare dag, waar actievelingen niet goed mee om weten te gaan.
De steen was ingepakt in papier en er zat een briefje bij dat het de bedoeling was de buitenwijken of de haveninstallaties te raken. Gevolgd door naam en adres.

Ik ging op een plek staan waar ik wel eens eerder had gestaan met mensen als Hans Bruggeman en Fred van der Spek met een bord op een stokje, en wierp het pakketje met alle kracht in de richting van het slotenstelsel dat wij in Amsterdam het oostelijke havengebied noemden.
Of het nu aan de elevatie of aan de beginsnelheid lag weet ik niet, maar mijn steen kwam via het ruitje boven de deur niet verder dan de deurmat van het Amerikaanse Consulaat.
Niemand deed open, dus er was geen mogelijkheid om me persoonlijk te verontschuldigen en te proberen om het de tweede keer beter te doen.

De gevolgen bleven niet uit:
Niet dat de Amerikanen tot inkeer kwamen, dat duurde nog jaren. Maar de volgende dag stond er al twee speurders bij mij op de stoep die vroegen of ik even mee wilde naar het bureau.
Daar werd proces verbaal opgemaakt en enige tijd later werd ik uitgenodigd om voor de kantonrechter te verschijnen.

Bij het betreden van de rechtszaal zag ik dat het mr. R. (Romke) de Waard was, die zitting hield.
Nadat vastgesteld was dat ik inderdaad degene was die hij daar verwachtte, werd me verteld waar ik van verdacht werd en gaf ik toe dat ik dat inderdaad gedaan had.
Waarom ik dat gedaan had wilde de rechter weten, en ik vertelde van mijn bezorgdheid en angst, die ontstaan was door dat bombardement.
“Maar daar had u toch ook wel op een andere manier uiting aan kunnen geven?” suggereerde de rechter.
Ik legde uit dat mijn middelen beperkt waren om een effectief signaal te geven. Dat ik als ik de Paus was geweest natuurlijk onmiddellijk een encycliek geschreven zou hebbeb, dat het dan ook wel afgelopen zou zijn geweest met dat gedonderjaag, maar dat ik helaas niet in die positie verkeerde.
Omdat De Waard me niet leek te willen onderbreken, legde ik uit hoe moeilijk het voor mij was geweest om naar een gewelddadig middel te grijpen. En dat hij mijn daad moest zien als een kleinschalige demonstratie van wat de Verenigde Staten in het groot hadden gedaan. Maar dat ik begreep dat hij mijn daad niet kon goedkeuren.
De rechter knikte instemmend.

En ik vervolgde dat hij derhalve als hij mij straks uit naam van de koningin of de staat der Nederlanden zou veroordelen dezen daarmee naar rato het gedrag van de Verenigde Staten zouden veroordelen.

Ik meende twee edelachtbare mondhoeken licht te zien trillen, maar onmiddellijk daarna verklaarde mr. de Waard met vaste stem dat ik dat absoluut niet zo mocht interpreteren.
Ik wierp nog tegen dat ik met mijn beperkte logica het toch niet anders kon zien, waarop de kantonrechter toch zo sportief was om aan mijn verzoek tegemoet te komen en mij (en dus ons) te veroordelen.
Met een nog wel op te brengen geldboete.

Er stond die avond of de volgende dag een stukje in een van de Amsterdamse kranten, waarin onze dialoog keurig werd samengevat.

Epiloog

Ter geruststelling kan ik meedelen dat ik in de jaren die er sindsdien verstreken zijn, me nooit meer aan vernielingen of andere vormen van geweld heb schuldig gemaakt.
Desondanks denk ik niet dat ik ooit nog de Verenigde Staten in zal komen, ook al heb ik daar geen grote behoefte aan.
Hoewel, de architectuur van Chicago zou ik wel eens in het echt willen zien en als ik dan toch in Illinois ben zou ik er graag een keer bij zijn als Barack Obama de retorische fakkel van Martin Luther King weer eens laat opvlammen.

Na het hierboven staande verhaal op basis van herinnering te hebben opgeschreven, heb ik op het internet nog wat naar de feitelijke toedracht gezocht.
Daaruit blijkt dat er in tegenstelling tot wat ik schrijf al veel langer bombardementen op Noord-Vietnam plaats vonden, maar dat Hanoi pas op 13 december 1966 voor het eerst doelwit was. Het bombardement waarbij de ambassade geraakt is, lijkt op 15 december plaatsgevonden te hebben. Misschien werd het hier pas op 16 december bekend en 17 december 1966 was inderdaad een zondag, kerst valt nooit op die datum, maar hangt dan alleen nog maar in de lucht.
In Noord-Vietnam waren het B-52’s die in de lucht hingen, in de periode die aangeduid wordt als ‘The Christmas Bombings’.

Interessante achtergronden en parallellen rond dit stukje bommenwerper diplomatie zijn te vinden in Unintentional Bombing Repeats a Familiar Pattern door de Canadese oud-diplomaat Peter Dale Scott.

Tenslotte voor echte (en, als ik zo vrij mag zijn, prachtig geschreven) rechtbankverslagen verwijs ik graag naar de weblog van Rob Zijlstra.

mailtobutton