Archive for the ‘Uncategorized’ Category

Potketelmuziek

zondag 16 december, 2007

De politieagenten willen meer loon. Terecht, ze doen nuttig en moeilijk werk en ondervinden daarbij niet altijd de waardering die ze verdienen. Hun wensen vinden bij de regering onvoldoende gehoor en daarom voeren ze actie. De burgemeesters van Amsterdam en Rotterdam vinden het daarom niet verantwoord om in hun stad twee eredivisiewedstrijden door te laten gaan.

Nu komt er een meneer van de KNVB op de televisie en die is daar pisnijdig over. Hij wil zich er niet mee bemoeien zegt ie, doet dat vervolgens toch en vindt dat de minister “die verwende kereltjes geen cent meer” moet geven.

Die representeert de organisatie die er voor zorgt dat een aantal met miljoenen euro’s verwende kereltjes (maar wel zijn verwende kereltjes) wekelijks tegen een bal en de tegenstander schopt zodat een horde bezoekers zo opgehitst wordt dat ze voor en na zo’n duel op elkaar in rammen of hier en daar een treinstel slopen.

Het doet me denken aan Balkenende die Bots geloofwaardigheid in twijfel trekt omdat die aan de krant vertelde dat Balkenende tegen hem had gezegd dat eerlijk je fouten toegeven iets voor de studeerkamer is, maar niet voor de politiek.

Een groot bestuurder is iemand met een scherp oog voor splinters in de ogen van anderen.

Monumentje voor Waldie van Eck

zondag 18 november, 2007

Terugdenkende aan de tijd dat ik een jonge man was (ergens omstreeks het Carboon dus), en een lange reeks van liefdes en verliefdheden mijn leven zoet dan wel droevig maakten, realiseer ik me, dat opvallend veel bibliothecaressen een rol in mijn leven speelden.
Nu zullen er misschien mensen zijn die denken, nou, die man viel gewoon op bibliothecaressen. Maar dat is onzin. Bibliothecaressen zijn alleen een type in slechte films en tv-series.
Al moet ik toegeven dat er wel iets bijzonders aan hun vak is:
Zij hoeden, beheren en verspreiden het woord.
Een soort priesteressen zijn het dus eigenlijk wel.
Dat is weliswaar een nog al romantisch beeld, maar wat zou mijn leven zijn zonder romantische beelden?
Wat misschien wel een rol speelt, is dat ik – toen ik nog zo klein was dat verliefdheid nog geen rol speelde en ik het woord nog niet eens kende een bibliothecaresse al grote indruk op mij maakte.
Het was juffrouw van Eck. (Ze stond er op dat je juffrouw zei, in plaats van mevrouw).
Zij beheerde het filiaal Molukkenstraat van de Amsterdamse Openbare Leeszaal en Bibliotheek.
Ik kon nog niet lezen, toen ik daar voor het eerst kwam. Maar mijn moeder las graag en las ons ook voor en vertelde ook na uit boeken die ze bij de ‘bieb’ in de Molukkenstraat haalde.

Voor juffrouw van Eck was het geen bezwaar dat ik niet kon lezen, die eerste keer dat ik daar kwam. Ze haalde een sleutel te voorschijn, opende daarmee de deur van een ondiepe kast en pakte daar twee boeken uit, die ik mocht lenen.
Er stonden wel wat letters in, maar het belangrijkste van die boeken waren de illustraties.

Moeder las ze natuurlijk vele malen voor, terwijl ik de platen bekeek en als ik me goed herinner heetten ze “Hansje in het Bessenland” en “De Wortelkindertjes”.
Het eerste vond ik geloof ik het mooist.
De illustraties – zoals ik me die nu tenminste herinner – kan ik het beste omschrijven als ‘Rie Cramer-achtig’.
In die tijd moet mijn latere waardering voor de Prerafaelieten geworteld zijn en ook mijn thans nog geldende voorkeur voor mauve-achtige- blauwgrijze- en leverkleurige tinten, fluwelen grijzen en nuances van abrikoos.

Later, veel later, is het tot me doorgedrongen dat dit boeken van juffrouw van Eck zelf waren.
Ik weet niet wat ze gezegd heeft toen ik die boeken meekreeg, en of ik wat terug gezegd heb. Waarschijnlijk niets, want ik was in die tijd zo verlegen als de introvertste onder de muizen. Al zal mijn moeder me wel geprompt hebben met een watzegjedan.

Maar het zaad was gezaaid. Ik was hooked and booked. Een druksverslaafde voor het leven.

Ik herinner me juffrouw van Eck als een rijzige vrouw, maar dat zegt niets, want ik heb de neiging mensen waar ik ontzag voor heb ook groot te zíen.
Zij arriveerde bij de bieb kaarsrecht gezeten op een fiets met hoog stuur en ik denk dat dat ook dat beeld van haar versterkte.

De taal die zij gebruikte, was heel ongewoon voor ons. Niet omdat het prachtig verzorgd Nederlands was, dat hoorde je ook wel op de radio. Maar ze had soms iets theatraals in haar dictie. Vooral als het om dingen ging die haar emotioneel raakten.

Wij vonden dat een beetje raar. En thuis imiteerden we haar ook wel, maar ik had daar wel een dubbel gevoel bij. Het was toch een licht gevoel van verraad, wat ik toen niet- maar nu wel begrijp.

Ze kon vertellen hoe ze door een boek meegesleept was, hoe ze haar ontbijt vergat, de lunch vergat en maar las, maar las, de nacht kwam en maar door las.
Een ervaring die ik later herkende toen ik aan romans toe was.
Toen ik inmiddels een jaar of zeventien was en een boek van Du Perron leende, vertelde ze me hoe ze in het begin van de oorlog had moeten vernemen dat Ter Braak zelfmoord had gepleegd en in die zelfde dagen Marsman om het leven kwam omdat de boot waarop hij hoopte te ontkomen getorpedeerd werd. En ik zag hoe de tranen haar in de ogen sprongen.

Het was weer zo’n sleutel ervaring. Dat je zo betrokken kunt zijn bij een schrijver die je niet persoonlijk kent. Dat die blijkbaar door zijn werk een deel van je leven is geworden. En dat zij mij, een jochie van 17, belangrijk genoeg vond om mij te deelgenoot te maken van die beleving.
Ze liet me groeien. En ik hoop maar dat er nog steeds zulke bibliothecaressen zijn die in volksbuurten jochies als ik een zetje geven.
Juffrouw van Eck schroomde niet om je leesgedrag te sturen. Ze beval je niet alleen maar boeken aan, maar ontraadde ze soms ook. “Oh nee meneer, dat is helemaal geen boek voor u”, meende ik haar ooit eens te hebben horen zeggen. Maar ik zelf had alleen maar plezier van haar coaching.
Voor mij was De Gids  niet een literair tijdschrift, maar een levende persoon.

Toen ze merkte dat ik niet alleen maar de Anton Wachter romans, maar alles van Vestdijk wilde lezen, wees ze me op het bestaan van Swordplay Wordplay een kwatrijnen battle tussen Vestdijk en Roland Holst en leende ze dat voor me in de hoofdvestiging.
Bij een andere gelegenheid vertelde ze me over een ontmoeting met Nescio, waarbij die vertelde dat hij als kind (net als mijn vader overigens) gespeeld had op het driehoekige veldje aan de Pontanusstraat. En dat dat zijn eerste dichtregel had opgeleverd:
Ik en Jaapje
speelden schaapje
op een veld vol koeien….

Het p-woord mocht een kind niet hardop zeggen.

Omdat ik me niet kon voorstellen dat juffrouw van Eck alleen in mijn herinnering sporen achtergelaten had, zocht ik al eens op het internet naar vermeldingen over haar, maar ik vond niets omdat ik dacht dat haar voornaam met y geschreven werd. Maar als je op Waldie van Eck zoekt blijkt dat ze schreef en vertaalde en betrekkingen onderhield met de Wereldbibliotheek en de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde en ooit met Sinterklaas een boekje met opdracht van Nico van Suchtelen kreeg.
Ik zal vanavond een kaarsje voor haar branden.

Naschrift 2010:

Inmiddels ben ik er achter gekomen dat beide boekjes nog wel eens herdrukt zijn, maar inmiddels is De Wortelkindertjes  al weer uitverkocht. Het boekje wordt nog wel tweedehands aangeboden. Hansje in ’t bessenland is nog wel verkrijgbaar in de boekhandel. Kwam te laat voor mijn kinderen, maar gelukkig wel op tijd voor mijn kleinkind.

Hieronder een pagina uit de wortelkindertjes:

mailtobutton

Nog bedankt, mr De Waard…

zondag 4 november, 2007

Omdat wij beiden werden genoemd in een nogal merkwaardige scriptie over de relaties tussen Nederland en de DDR, zocht ik het telefoonnummer op van mijn oude strijdmakker Fries de Vries, die ik schat ik zo’n 30 jaar niet gesproken had.
In de e-mails die volgden maakte hij gewag van een zekere steen met een adreskaartje. Maar uit wat er op volgde kreeg ik de indruk dat hij het tweede deel van het verhaal niet kende. En omdat dat juist het mooiste deel van het verhaal is, vertel ik het hier (voor hem en voor andere lefhebbers van politieke archeologie) nog eens in z’n geheel.

De chronologie van de Vietnam oorlog heb ik niet meer in m’n hoofd, maar ik weet wel dat er verschillende incidenten waren, waardoor de situatie escaleerde of dreigde dit te doen.
Een van die gebeurtenissen was het eerste Amerikaanse bombardement op een Noord-Vietnamees doel, waarbij een gebouw van de Chinese ambassade geraakt werd.
Volgens de Amerikanen was dat niet de bedoeling geweest en hadden ze de ‘suburbs’ of de haven installaties of zoiets bedoeld.
Ik schrok me wezenloos toen ik dat hoorde, want ik dacht, als China en misschien daarna ook de Sovjet-Unie actief mee gaan doen is de derde wereldoorlog een feit.

Ik was in die tijd al behoorlijk actief in de vredesbeweging, maar ik kon op dat moment niet het geduld opbrengen om met anderen iets te organiseren. Ik wilde iets doen.
Iets wat duidelijk maakte met wat voor krankzinnig gevaarlijke dingen we daar bezig waren.
En op dat moment drong het tot me door dat het woord “demonstratie” behalve een optocht van mensen met spandoeken ook kon betekenen dat je bijvoorbeeld aan de hand van een schaalmodel duidelijk maakt hoe iets werkt of in elkaar steekt.
Ik wist wat me te doen stond.

Het was die volgende ochtend onwezenlijk stil op het Amsterdamse Museumplein. Ik geloof dat het zondag was of kerst of zo’n soort rare dag, waar actievelingen niet goed mee om weten te gaan.
De steen was ingepakt in papier en er zat een briefje bij dat het de bedoeling was de buitenwijken of de haveninstallaties te raken. Gevolgd door naam en adres.

Ik ging op een plek staan waar ik wel eens eerder had gestaan met mensen als Hans Bruggeman en Fred van der Spek met een bord op een stokje, en wierp het pakketje met alle kracht in de richting van het slotenstelsel dat wij in Amsterdam het oostelijke havengebied noemden.
Of het nu aan de elevatie of aan de beginsnelheid lag weet ik niet, maar mijn steen kwam via het ruitje boven de deur niet verder dan de deurmat van het Amerikaanse Consulaat.
Niemand deed open, dus er was geen mogelijkheid om me persoonlijk te verontschuldigen en te proberen om het de tweede keer beter te doen.

De gevolgen bleven niet uit:
Niet dat de Amerikanen tot inkeer kwamen, dat duurde nog jaren. Maar de volgende dag stond er al twee speurders bij mij op de stoep die vroegen of ik even mee wilde naar het bureau.
Daar werd proces verbaal opgemaakt en enige tijd later werd ik uitgenodigd om voor de kantonrechter te verschijnen.

Bij het betreden van de rechtszaal zag ik dat het mr. R. (Romke) de Waard was, die zitting hield.
Nadat vastgesteld was dat ik inderdaad degene was die hij daar verwachtte, werd me verteld waar ik van verdacht werd en gaf ik toe dat ik dat inderdaad gedaan had.
Waarom ik dat gedaan had wilde de rechter weten, en ik vertelde van mijn bezorgdheid en angst, die ontstaan was door dat bombardement.
“Maar daar had u toch ook wel op een andere manier uiting aan kunnen geven?” suggereerde de rechter.
Ik legde uit dat mijn middelen beperkt waren om een effectief signaal te geven. Dat ik als ik de Paus was geweest natuurlijk onmiddellijk een encycliek geschreven zou hebbeb, dat het dan ook wel afgelopen zou zijn geweest met dat gedonderjaag, maar dat ik helaas niet in die positie verkeerde.
Omdat De Waard me niet leek te willen onderbreken, legde ik uit hoe moeilijk het voor mij was geweest om naar een gewelddadig middel te grijpen. En dat hij mijn daad moest zien als een kleinschalige demonstratie van wat de Verenigde Staten in het groot hadden gedaan. Maar dat ik begreep dat hij mijn daad niet kon goedkeuren.
De rechter knikte instemmend.

En ik vervolgde dat hij derhalve als hij mij straks uit naam van de koningin of de staat der Nederlanden zou veroordelen dezen daarmee naar rato het gedrag van de Verenigde Staten zouden veroordelen.

Ik meende twee edelachtbare mondhoeken licht te zien trillen, maar onmiddellijk daarna verklaarde mr. de Waard met vaste stem dat ik dat absoluut niet zo mocht interpreteren.
Ik wierp nog tegen dat ik met mijn beperkte logica het toch niet anders kon zien, waarop de kantonrechter toch zo sportief was om aan mijn verzoek tegemoet te komen en mij (en dus ons) te veroordelen.
Met een nog wel op te brengen geldboete.

Er stond die avond of de volgende dag een stukje in een van de Amsterdamse kranten, waarin onze dialoog keurig werd samengevat.

Epiloog

Ter geruststelling kan ik meedelen dat ik in de jaren die er sindsdien verstreken zijn, me nooit meer aan vernielingen of andere vormen van geweld heb schuldig gemaakt.
Desondanks denk ik niet dat ik ooit nog de Verenigde Staten in zal komen, ook al heb ik daar geen grote behoefte aan.
Hoewel, de architectuur van Chicago zou ik wel eens in het echt willen zien en als ik dan toch in Illinois ben zou ik er graag een keer bij zijn als Barack Obama de retorische fakkel van Martin Luther King weer eens laat opvlammen.

Na het hierboven staande verhaal op basis van herinnering te hebben opgeschreven, heb ik op het internet nog wat naar de feitelijke toedracht gezocht.
Daaruit blijkt dat er in tegenstelling tot wat ik schrijf al veel langer bombardementen op Noord-Vietnam plaats vonden, maar dat Hanoi pas op 13 december 1966 voor het eerst doelwit was. Het bombardement waarbij de ambassade geraakt is, lijkt op 15 december plaatsgevonden te hebben. Misschien werd het hier pas op 16 december bekend en 17 december 1966 was inderdaad een zondag, kerst valt nooit op die datum, maar hangt dan alleen nog maar in de lucht.
In Noord-Vietnam waren het B-52’s die in de lucht hingen, in de periode die aangeduid wordt als ‘The Christmas Bombings’.

Interessante achtergronden en parallellen rond dit stukje bommenwerper diplomatie zijn te vinden in Unintentional Bombing Repeats a Familiar Pattern door de Canadese oud-diplomaat Peter Dale Scott.

Tenslotte voor echte (en, als ik zo vrij mag zijn, prachtig geschreven) rechtbankverslagen verwijs ik graag naar de weblog van Rob Zijlstra.

mailtobutton

Rare vraag eigenlijk; wat is de zin van het leven

donderdag 25 oktober, 2007

Rare vraag eigenlijk; “Wat is de zin van het leven?”, of zoals sommige mensen zeggen, “Wat is de zin van het bestaan?” En vaak schrijven ze dan de zelfstandige naamwoorden in die zin nog met een hoofdletter.
Blijkbaar gaat de vraagsteller er van uit dat er een zin is, maar dat hem of haar onthouden is wat die zin is.
Het zij met opzet, dan wel door een slordigheid of misverstand.

Opzet of nalatigheid van wie?
Wie het weet mag het zeggen.
Voor je fysieke bestaan zou je je ouders aansprakelijk kunnen stellen, maar voor de zin van dat nieuwe leven kun je ze toch moeilijk verantwoordelijk houden.

Omdat die zinsvraag zo vaak terug blijft komen, zijn er blijkbaar mensen die in een algemene of hogere zin geloven, die voor alle mensen zou gelden. Een overtuiging die vaak gekoppeld is aan het geloof in het bestaan van een zingever.
Ik ken die overtuiging onvoldoende, om te weten of men dan ook denkt dat er een zin is van het leven van elke hond, zijderups of pantoffeldiertje.
Het moet voor die mensen een lastig idee zijn dat degene die die hogere zin ontworpen heeft, hen zo in onzekerheid laat over de inhoud ervan.
Want erg eenduidig zijn de heilige boeken hier niet in.

Neemt niet weg dat het woord “zin” bestaat en dat dat woord in het dagelijkse leven veel praktische gebruiksmogelijkheden kent.
Heeft het zin uitgebreid te stofzuigen op de dag dat je voor twee weken met vakantie gaat?
In beide gevallen kom je terug in een stoffig huis.
Heeft het zin om een nieuwe versnellingsbak te laten zetten in een auto die misschien nog maar een paar jaar mee kan?
Daar kunnen we allemaal zelf over nadenken.
Zin is dus een product van het menselijk bewustzijn en de zin of onzin van de gemaakte keuze hangt dus af van de vraag in kwestie en de persoon die de keuze maakt.

Dat wat betreft de zin. Nu nog het leven.
Over welk leven hebben we het dan?
Zoiets als Het Leven, zou alleen kunnen bestaan als er zoiets was als De Mens c.q. Het Pantoffeldiertje.
Je hebt tenslotte ook mensen die denken dat er zoiets als De Nederlander bestaat.
Er zijn zelfs anthropotecten geweest die zo’n type dachten te kunnen maken.
De Sovjetburger en de Uebermensch waren daar de meest recente voorbeelden van. Maar die ontwerpers waren zulke akelige lieden dat we ze maar verder buiten onze discussie houden voor we pijnlijke vergelijkingen gaan maken.

Waar mensen zich eventueel wel op kunnen bezinnen (let op dat laatste woord) is wat de zin is van hùn leven.
Wellicht heeft niet iedereen daar behoefte aan. Misschien zijn er wel mensen die het leven beschouwen als een enorme flipperkast, waarin zij de bal zijn, en vinden ze dat hartstikke spannend.

De meer beschouwelijke types zullen iets moeten doen om de zin van hun leven te bepalen.
Ik denk dat daarvoor in principe twee hoofdwegen te bewandelen zijn:
Je zou de zin van jouw leven kunnen proberen te vinden. Of je kunt proberen die er zelf aan te geven.
Er zijn mensen die denken dit laatste het beste te kunnen doen door hun leven grotendeels te wijden aan een bepaald doel. Sommige spreken ook van een roeping.
Eerlijk gezegd weet ik niet precies wat ik met dat idee van roeping aan moet.
Er zou dus een externe roeper moeten zijn die bepaalde mensen wèl en anderen niet van een zingeving voorziet.
Dat lijkt me iets voor de Commissie Gelijke Behandeling.

Waar ik nog steeds een beetje over twijfel is of er een fundamenteel verschil is tussen het zoeken naar- en het geven van een zin aan jouw leven.
Veel lezen en nadenken (en voor mij ook schrijven, want dat dwingt me tot eerlijkheid) kunnen je brokstukjes opleveren waaruit een perspectief ontstaat, waarin jouw leven een logisch aandoende plek of rol lijkt te hebben.

Heb je dan de zin van je leven gevonden, of heb je jouw leven zin gegeven?

mailtobutton

Wat is er? Niets.

zondag 22 juli, 2007

Boven ons ligbad geeft een venster in het plafond uitzicht op de hemel.
Behalve ’s avonds of op winterochtenden; dan zie je de weerkaatsing van kaarsen en waxinelichtjes in het gewelfde venster van het daklicht.
Sterrenlicht wordt sowieso al niet meer geleverd in Rotterdam. De sterren stralen alleen nog in arme niet geïndustrialiseerde landen, en dat verschaft weer de troost dat er toch ook nog iets sociaals aan de schepping valt toe te dichten. Bij daglicht zag je vroeger een paar takken van de eik die voor het huis stond, tot de deelgemeente besloot dat er toch maar beter een paar parkeerplaatsen bij konden komen. En dus verdween vrijwel al het groen uit de straat.
Tijdens de werkzaamheden kregen we nog een briefje in de bus van een ijverig deelgemeenteraadslid, die zich er op beroemde, dat hij ons dit aangedaan had. Groeneweg heette de man ook nog en hij zat met gestolen SP-stemmen in de deelraad.
Nu de eik (en met hem vele kastanjes en linden) weg zijn, rest het zwerk, een enkele passerende vogel en de condensstrepen van hun grotere metalen collega’s. Maar echt genieten is het als het uitgesproken slecht weer is en de hagel tegen het raampje ratelt, terwijl jij daar tot aan je oren in naar Franse Varens geurend water van 38° C ligt.
Zelfs ik kan dan wel eens tot drie minuten aaneengesloten ontspannen. Hoewel de hele badkamerinrichting voornamelijk bedoeld was om mijn bruid te behagen.
Op een dag dat ik het bad van mijn bruid gebruikte, en me weer eens realiseerde dat het bad rechtstreeks uitzicht bood op het heelal en (niet voor de eerste keer) vaststelde dat in principe élk venster uitzicht geeft op het heelal, maar dat je er wel oog voor moet hebben, kwam ik op het verontrustende idee dat er – misschien wel voor hetzelfde geld – ook wel eens een ‘helemaalniets‘ in plaats van een ‘heelal‘ had kunnen zijn.
Dat was zó’n verontrustend idee, dat het onmiddellijk afgelopen was met de staat van baarmoederlijke genade die het bad mij even gegund had. Ik hoefde op weg van het bad naar de maatschappij, zelfs niet eens op de weegschaal te gaan staan om te weten dat ik iets had om ernstig over na te denken.

De dagen daarna had ik zo veel te doen, dat het me niet lukte een consistente gedachtenlijn te ontwikkelen over de consequenties van een geheelniets. En die drukke dagen groeiden uit tot drukke weken. Maar achter in mijn hoofd liet de gedachte eraan regelmatig merken dat hij er nog was.

Was er niet iemand geweest die gesteld had, dat er met termen die golden binnen een systeem niet iets objectiefs te zeggen was over dat systeem zelf.
Dat was nou zo’n onderwerp waar ik tot nu toe altijd maar omheen was gelopen, als het bij me opkwam. Maar stel dat dit klopte, dan had ik nu een onderwerp waar je wel iets geldigs over kon beweren.
Maar dat viel tegen:
Niet bestaan, daar kon je nog iets mee.
Mijn broer bijvoorbeeld, die bestaat niet, bestond niet en zal ook nooit bestaan omdat mijn ouders zaliger maar één zoon kregen.
Maar het concept mijn broer is denkbaar, en als mijn verhaal er beter van wordt voer ik zonder wroeging mijn broer op.
Maar onbestaan, dat bleek heel andere koek.
De eerste kuil waar ik in viel was dat zodra ik me een situatie probeerde voor te stellen van een totale alomvattende leegte, ik zelf ook weg hoorde te zijn. Dus er was ook niets of niemand meer die zich iets kon voorstellen.
Met recht einde voorstelling dus.

Ik probeerde het met een paar hulpconstructies.
In de mechanica kon je prettig theoretiseren door zoiets als een stoffelijk punt te bedenken dat je – niet gehinderd onpraktische zaken als afmetingen – door een wrijvingsloos medium kon laten excerseren .

Als ik nu eens een onstoffelijk punt van waarneming bedacht?
Ik schoot er niets mee op.
Iets onstoffelijks kan moeilijk waarnemen. En zelfs als het dat op enige exotische manier wel zou kunnen, dan zou het die waarnemingen niet kunnen vastleggen.

Afgezien daarvan, wie zou die waarnemingen kunnen interpreteren?
In al die pogingen bleef ik zelf hinderlijk aanwezig.
Het enige wat overbleef van mijn theoretische heelniets was een verderniets.
Dus ík was er dan, en verder was er niets. Vooruit, mijn lichaam was er ook niet meer, alleen mijn bewustzijn.

Een moeilijk met onze ervaring te rijmen situatie, maar misschien als gedachtenexperiment aanvaardbaar.
Zou er dan zoiets als tijd zijn? En was er dan zoiets als ruimte?
Een lege ruimte leek nog te kunnen. Maar waaraan ijk je ruimte als er geen materie is?
En dan tijd.

Tijd is iets waar ik uitstekend mee om kan gaan, maar waarvan ik het wezen niet begrijp.
Een van de eerste boeken die ik in het Engels las, was “Time Must Have a Stop” van Aldous Huxley. Ik leerde er als onervaren puber veel van, maar niet waarom hij die titel had gekozen, en of de er in verwoorde stelling klopte.

Het riep later wel de vraag op of tijd ook een begin kon hebben?
Het enige wat ik tot nu toe over tijd had kunnen bedenken dat stand hield, was dat je tijd altijd beschrijft in relatie met verandering.

In mijn surrogaat heelniets, het verderniets zou
door het ontbreken van materie
→geen verandering bestaan
→geen tijd bestaan
en bijgevolg zou mijn onstoffelijke bewustzijn ook niet functioneren omdat bewustzijn een vergelijking van waarneming en bestaande kennis is, en dus een proces, en dus tijd vergt.

Maar klopte het wel wat ik dacht over tijd? Of had ik alleen maar een kenmerk te pakken over tijdservaring?

Als ik nu weer eens in bad stapte en door het dakraam keek? Dan zag ik een heelal waarvan ik vrij zeker wist dat het in beweging was. Dus er was verandering en had ik een middel om tijd te ervaren.

Geleerden speculeren over iets als ‘het ontstaan van het heelal’.
Eens zou het er dus niet – of niet in deze vorm- geweest zijn.

Was dat eens het begin van de tijd?
Was er tot het moment van die oerknal die men veronderstelt een periode dat er niets veranderde? Stond de tijd toen als het ware stil, maar was er wel een inerte materie?
En begon de klok te lopen toen de boel losbarstte?

Dan zou het zogenaamde ontstaan van het heelal alleen maar het moment van de faseverandering van een reeds aanwezige vorm van materie zijn geweest en zou alles er al geweest zijn, zij het in een andere vorm.
Een bevroren heelal als het ware.

Het ontstaan van het door ons gekende heelal zou dus alleen maar het begin van een verandering geweest zijn die een voor ons waarneembare tijd creëerde.
Als er al een niet-heelal-situatie zou zijn geweest, dan zou dat niet voorafgaande aan de oerknal geweest zijn. Omdat er toen nog geen tijd bestond zou er ook geen voorafgaande zijn. En ontstond het door ons gekende heelal uit de eeuwigheid. Dus was er ook geen scheppingsmoment, maar hooguit een begin van de verandering, zo u wilt van de evolutie.

Schiet ik hier nu iets mee op?
Nou ja, ik word er een beetje rustiger van.
Blijkbaar zijn er zaken als het niet bestaande die voor mij als bestaande blijkbaar niet kenbaar zijn.
Moet ik er van uitgaan dat Alles betekent datgene wat er is.
En dat datgene wat er is in principe te begrijpen, of op z’n minst te ervaren is. En dat dat -als je daar aanleg voor hebt- het materiaal is, waardoor je gelukkig wordt.
En dat dat wat er niet is, niet te begrijpen is. En dat je dat -als je daar aanleg voor hebt- kunt laten rusten.

In de beginne was de stof.
En de stof kwam in beweging.

Eigenlijk wel een mooie voorstelling.