Spandoeken maar weer uit de kast halen?

woensdag 17 september, 2008

Waar ik een beetje wee van wordt, is hoe iedereen die McCain aanvalt eerst begint om zijn heldendom tijdens de Vietnamoorlog te prijzen.
De Vietnamoorlog dat was toch die oorlog waartegen we demonstreerden met leuzen als Johnson moordenaar?
Waarom vraagt nou nooit eens een journalist aan McCain (als hij tenminste ooit nog een persconferentie geeft) wat hij nou eigenlijk het liefst deed vóór hij neergeschoten werd.
Biologische wapens als Agent Orange uitstrooien, kindertjes affikken met napalm, of gewone clusterbommen afwerpen?

Waar ik een beetje eng van wordt, is dat we – tegenwoordig zelfs met de zegen van de SP – nog steeds lid zijn van dat koude oorlog pact, de NAVO. En dat we dat steeds meer zijn in het gezelschap van twijfelachtige regimes aan de grenzen van Rusland. Zodat wanneer een van de kopstukken daar het met het oog op aanstaande verkiezingen handig vindt zich aan te laten vallen door Rusland, wij op grond van artikel 5 verplicht zijn aan die oorlog mee te doen.

Als pacifist (ja, waar vind je die nog, en wat moet zo iemand stemmen?) geloof ik niet zo in legers en en militaire verdragsorganisaties, maar als we dan toch iets nodig hebben, dan maar een Europese vredesmacht. Voor dat de Europese leiders het over iets eens worden hebben diplomaten dan ruim de tijd om het conflict op te lossen.

Nederland uit de Navo.
Die De Hoop Scheffer hoeven we niet terug.

mailtobutton

Waar de zwarte plooi der duinen…

woensdag 10 september, 2008

Toelichting
Dit verhaal publiceerde ik in 1973. Het was een intermezzo bedoeld om de lezers van ‘De demokratisering van het geluk’ te belonen, dat ze het al zo ver hadden volgehouden. Toen ik het onlangs weer eens las, moest ik lachen om de gedateerdheid. Het is duidelijk dat ik toen nog nooit een computer in het echt had gezien, en ik denk dat nu ook nog maar weinig mensen snappen waar de speldenprik ‘Nieuw Links in DS’70’ op sloeg. Maar verder is er geen woord gelogen aan dit verhaal. Het is echt zo gegaan. Alleen weten wij dit niet omdat wij vandaag 10 september 2009 in een parallel universum zijn beland, omdat een stel mad scientists op de grens van voormalig Frankrijk en voormalig Zwitserland met elementaire deeltjes gingen knoeien…

Let man be free, but may not hemp your windpipe suffocate.
Shakespeare, Henry VIII.

Alfred Nussbaum stond met zijn rug tegen de deurpost geleund. De zon was allang weg uit de daktuin, maar de warmte was er nog achtergebleven. Als de planten water hadden gekregen, bleef er een geur achter van vochtige aarde, een spoor koemest en de groene lucht van duizenden klierhaartjes op de bladeren. Een lucht die hem altijd in een merkwaardige staat van opwinding bracht.
Op zulke momenten, als Alfred in een contemplatief evenwicht terecht kwam, was hij een totaal andere figuur dan de schichtige oude jongeman die lichtgebogen trappen op en af liep, mensen bezocht en weer verliet, zonder ooit veel indruk achter te laten.
Alfred was niet lelijk. Zijn zwarte krulhaar was zelfs aantrekkelijk te noemen; Maar de voortdurende geur van selfdefence die hij uitstraalde maakte het moeilijk tot hem door te dringen. En de warmte die hij geneerde doorliep een intern circuit.
Op momenten als nu, in de daktuin, was hij nog op zijn best. De confrontatie met de vruchtbaarheid, Alfreds grootste probleem, zette de zachte computer in volle werking. Maar de uitkomst, dat voelde hij, stond al vast. Creativiteit zou er wel weer uitkomen als baarmoedernijd.
De run werd deze keer niet afgemaakt. Een geblaf in de tuin beneden doorbrak de gedachtentrein van Alfred en hij belandde met zijn bewuste denken weer bij de planten die hij net water gegeven had. Officieel werden ze benoemd als Cannabis Sativa L puntje.
Dat laatste vanwege Linnaeus. Het tijdperk van de oogst begon te naderen, en Alfred vroeg zich af, hoe hij de mannelijke en vrouwelijke exemplaren van zijn gewas zou moeten onderscheiden. De hennepmythe wilde dat nu eenmaal, dat er verschil werd gemaakt.
Misschien, dacht hij, zou de Flora er iets over zeggen. Bij wijze van uitzondering voegde hij de daad maar eens bij de gedachte en zocht hij het meteen op.
Het bleek dat hennep erin stond, en het bleek ook dat deze plant een lid van de familie of het geslacht of hoe noem je zo iets der Urticaceeën was.
Op zichzelf is dat niets bijzonders. Maar als je dan leest dat die Urticaceeën verder onderdak bieden aan hop, glaskruid, moerbei, hennepnetel en grote en kleine brandnetel, dan begin je te denken, tenminste als je zo iemand als Alfred bent.
Alfred dácht dan ook. Maar hij verwierp het resultaat onmiddellijk. ‘Dat kan niet’, dacht hij. ‘Dat moet meer mensen opgevallen zijn. Nee, onzin.’
Maar de gedachte bleef doorzeuren. ‘Kijk’, dacht Alfred tot zichzelf, ‘velen zijn geroepen en weinigen uitverkoren; velen hebben gedacht, en maar weinigen gedaan, en het nieuwe ontstaat altijd door een kans te geven aan het onbekende’.
Het kwam erop neer dat Alfred enige dagen later gewapend met een grasschaar en een keukenhandschoen in de Amsterdamse natuur verdween en een paar uur later terugkwam met vier plastic zakjes vol plantendelen, bevattende ‘toppen van de bloeiende en/of vruchtdragende vrouwelijke en mannelijke planten van de grote en kleine brandnetel’.

Iris, die anders was dan haar naam doet vermoeden, kreeg een redelijk ontbijt van Alfred. Een samenloop van twee zeldzaamheden, want Alfred had niet zo vaak ontbijt in huis, en fris bleef niet zo vaak.
Ze had geen verplichtingen die ochtend en wilde daarom ook wel wat langer blijven zoals Alfred voorstelde. Alfred zelf had wel iets om half tien, waarvan bij dacht dat het nuttig was, en dus was zij nu alleen in huis.
Zij voelde zich wel gerechtigd wat rond te snuffelen. Papiertjes op een bureau, half afgemaakte brieven; de hele sedimentatie van ooit gebruikte en weer neergelegde voorwerpen vertellen meer van iemand dan de afgestemde mededelingen die zelfs in de meest vertrouwde communicatie worden uitgewisseld.
Wat Iris elke keer weer frappeerde, was de grote tegenstelling tussen Alfreds systematische monologen waarmee hij haar tegelijk boeide en verveelde, en de volstrekt chaotische environment waarin zijn fysieke bestaan zich afspeelde.
Tegen het eerste leek voorlopig geen kruid gewassen. Aan de omgeving viel iets te doen, althans tijdelijk. ‘Kom’, dacht Iris, ‘laten we eens ons best doen, dat is leuk voor zo’n jongen’.

Toen Alfred ‘s middags thuis kwam, was zijn vriendin verdwenen. Zijn kamer was nou ja niet onherkenbaar, maar wel duidelijk veranderd. Hoewel hij er zelf niet in slaagde de zaak op orde te houden, voelde hij zich wel duidelijk meer thuis in een cleane omgeving dan in een ordeloze troep. Het ontroerde Alfred dan ook zeer dat iemand anders bereid was datgene te doen waar hij zelf niet toe kon komen en hij was ook niet zo boos toen hij merkte dat Iris de vier zorgvuldig gescheiden varianten op het thema gedroogde brandnetel gezamenlijk in één chinees theeblikje had ondergebracht.

In het Groot Auditorium van het United States Data Processing Control Centre heerste een gespannen atmosfeer. Hoewel de testruns zonder moeilijkheden waren verlopen kon er toch altijd van alles misgaan bij zo’n uitgebreide schakeling.
Alle elektronische schakelingen richten nu eenmaal niets uit tegen een dragline die per abuis een transmissiekabel doorhapt. En iedereen in wetenschap kent het demonstratie-effect.

Zeker zes van de twintig aanwezige hoge militaire en industriële functionarissen wisten overigens welke vraag de President zou gaan stellen en het antwoord was al vele malen op de repetities gegeven. In geval van nood kon dus altijd een antwoord van de vorige keer uit het geheugen gehaald en uitgeprint worden.
De inleidende ceremonieel verliepen vlekkeloos en Mr. President liep vastberaden naar het toetsenbord en typte zijn vraag in. Op de nixie-tubes boven de desk van de President gloeide zijn vraag voor iedereen leesbaar op.

Q. WILL THERE BE A WAR.

Ondanks de waanzinnig hoge snelheden van de processing units, duurde de verwerking ruim 14 seconden. De transmissie tussen de computers die deel van het systeem uitmaakten en die in verschillende delen van de Verenigde Staten opgesteld waren, was relatief tijdrovend.
Toen, verscheen gelijk met het geratel van de printer het antwoord op het paneel:

A. BASED UPON DATA AVAILABLE 14H52'07" GMT *** YES *** PROBABILITY 97.2% *** CC ***

Er ging een gevoel van ongemak door de zaal. Hoe reageer je op zo’n moment?
De President van de Verenigde Staten is iemand die hoort te weten hoe je op dit soort momenten reageert. En hij aarzelde dan ook niet. Een zorgvuldig getimede pauze; na het binnenkomen van het antwoord draaide hij zijn stoel een halve slag naar het publiek.
Toen hij opstond was er een merkwaardige glans in zijn ogen.
Hij nam het woord:
‘Gentlemen, on this historical moment, I appreciate to declare, that as the President of the U…’
De rechterhand van de President graaide naar zijn vest en er kwam iets verbaasds in zijn blik. En terwijl hij een kwartslag naar rechts draaide, zakte hij in elkaar.

Toen het dode lichaam van de President over het toetsenbord zakte, duwde het een toets in die als opschrift RECHECK droeg. En dwars door de consternatie heen produceerden paneel en printer veertien seconden later het volgende bericht:

RECHECK Q. WILL THERE BE A WAR.
A.  BASED UPON DATA AVAILABLE 14H53'49" GMT *** NO PROBABILITY 68.2% *** CC ***

En zo kwam het dat er in Arkansas een fabrikant met een flinke voorraad onverkochte ontbladeringsmiddelen kwam te zitten.

Hoewel Alfred allang het geloof in zijn onderneming verloren had, besloot hij het experiment toch te volvoeren. Het wetenschappelijk deel van zijn persoonlijkheid vond dat je dit soort dingen af moet maken.
Hij bouwde een beschaafde stick van één vloeitje in de lengte en één dwars, en een vulling van halfzware met wat topjes uit het theeblikje.
De smaak was even wennen, maar aan de smerige smaak van tabak waren tenslotte ook een heleboel mensen gewend, dus dat zei niks.
Van een knal was echter nauwelijks sprake. Alfred maakte na een tijdje nog een tweede. En een halve LP later begon hij iets te merken. Eerst op een zacht pitje, maar er zat een stijgende lijn in.
En een uur later zweefde de geest van Alfred Nussbaum op allerplezierigste wijze boven deze snelveranderende maatschappij.

Toen Alfred de volgende dag zijn eerste experiment evalueerde, kwam hij tot de conclusie, dat zijn ontdekking een maatschappelijk effect zou hebben wat in de orde van grootte lag van de impact van het vuur en het wiel op onze samenleving.
Het leek hem dan ook beter om de ontdekking voor zichzelf te houden. En dus vertelde hij het alleen maar aan zijn allerbeste vrienden, die het ook alleen aan hún beste vrienden vertelden, en het duurde wel twee maanden voor de hele Amsterdamse scene op de hoogte was.
Het sonore geknip van heggescharen dat op zomeravonden uit de AmsterdamSe parken en plantsoenen opsteeg, kon niet onopgemerkt blijven. In het Gooi werden er al ras matrassen mee gevuld, Utrecht en Groningen vielen na drie weken en de rest volgde een dag of tien later. Alleen Zuid~Limburg bleef aan de pep.
Toen kwam het ook dr. Kruisinga ter ore.

Dr. Kruisinga, begonnen als neusarts, en via verkeersdeskundige opgeklommen tot Minister van Zieleheil, zag snel in dat er iets gebeuren moest. Toenemend brandnetelgebruik zou de geestelijke weerbaarheid van het Nederlandse volk ongetwijfeld ernstig aantasten. Maar het probleem was al zo uitgegroeid, dat het te zwaar leek om er één zetel mee te belasten. Zeker als dit de zetel was waarop hij nog jaren zou moeten doorbrengen voor hij hoofd van de WHO werd. En dus riep de minister het kabinet bijeen.
Dit kabinet deelde de bezorgdheid van de minister en besefte dat het probleem ook al te ver uitgegroeid was om het op eng-nationale schaal te behandelen en via Luns bracht men de zaak in de aandacht van de NAVO-raad.
De NAVO-raad deelde op zijn beurt de bezorgdheid van Nederland, concludeerde dat de vrijheid van het Westen uitgehold werd en adviseerde Nederland de brandnetel uit te roeien.
Formeel kon de delegatie natuurlijk niet voor honderd procent toezeggen dat dit zou gebeuren, maar praktisch stond wel vast dat het advies zou worden uitgevoerd. En nog tijdens de zitting van de Raad zorgde het uitstekende verbindingsapparaat van het militair-industrieel complex ervoor dat de Nederlandse regering offerte kreeg van een voordelige aanbieding ontbladeringsmiddelen van een fabriek in Arkansas — die als de regering snel besloot, tegen een geringe bijbetaling zelfs direkt te leveren zou zijn.

Na goedkeuring door het parlement van het Brandnetelbesluit, was het snel bekeken. De VS leverden behalve de defolianten ook wat helikopters aan de luchtmacht en na elf dagen sproeien was het gebeurd.
Omdat brandnetels praktisch overal groeien had men geen plekje overgeslagen en na enkele dagen begonnen de planten te vergelen.
De regering was erg verrast toen de eerste berichten binnenkwamen dat ook de rest van Neerlands vegetatie begonnen te verdwijnen.
Oorspronkelijk zag niemand veel bezwaren. Mansholt, de voorman van Nieuw Links in DS’70, had tenslotte al jaren geroepen dat die boeren eens op moesten houden. Maar de agrarische bonden hadden dit tot nu toe weten te voorkomen door Biesheuvel maandelijks een boerenroman toe te sturen.
Uit Amsterdam kwam nog enig verzet. Voor duur geld had men daar jaren in het westelijke havengebied kunstmatige kale grond aangelegd, en de waarde hiervan was nu in één klap gekelderd.

Het zou allemaal nog wel gegaan zijn, als het niet zo ontzettend was gaan stuiven.
Natuurlijk waren er onmiddellijk actiegroepen die hiertegen protesteerden, maar men wist dit na jaren protest tegen vliegtuiglawaai e.d. best op te vangen. Pas toen de gezamenlijke keel- neus- en oorartsen zich verontrust tot oud-collega Kruisinga wendden nam de regering maatregelen.
Een studiecommissie brak een snelheidsrecord door binnen een maand te rapporteren en als uitvloeisel van dit rapport werd Alkmaar’s burgemeester Roei de Wit, voordien wethouder van Publieke Werken in Amsterdam, naar Den Haag geroepen en geïnstalleerd tot minister van Bestratingen.
Het werden mooie tijden voor De Wit. Zijn oude droom – Nederland geheel te asfalteren – kon nu in vervulling gaan.

Het karwei nam acht maanden. En het resultaat was indrukwekkend. Consequentheid heeft een zekere esthetische kwaliteit, en de enige variatie die erover gebleven was – het hoogteverschil – won hierdoor aan dramatiek.
De zwarte bergen van de Utrechtse heuvelrug waren vooral bij zonsondergang van een adembenemende schoonheid.
Maar er ontstond een nieuw probleem.
Het eerste weekend dat de Nederlandse vlakte geopend was, kostte het verkeer enige honderden mensenlevens. Want ook al had men trouwhartig witte strepen over het asfalt getrokken van Amsterdam naar Utrecht en vandaar weer naar Arnhem en zo, de automobilisten trokken zich er niets van aan. Zodra ze die enorme asfaltvlakte voor hun neus zagen werden ze volslagen stoned en gingen ze proberen af te snijden.
De automobilistenreflex blijkt echter alleen te reageren op evenwijdige en loodrecht kruisende bewegingen en het aantal botsingen was catastrofaal.
Geschrokken stelde het kabinet een autostop buiten de bebouwde kom in. De situatie was moeilijk. De spoorwegen waren er niet op berekend alle vracht en personenvervoer van de weg over te nemen.
Maar het was minister Klompé die een oplossing vond.
Ze herinnerde zich dat vroeger ooit een Simon Stevin met een zeilwagen langs de Hollandse stranden gereden had. En dat bleek de oplossing te zijn.
Zeilers zijn gewend ook in andere hoeken dan 90° te denken, en het varen paste ook wel in de Nederlandse traditie.

De vinding van Stevin werd geperfectioneerd met alle middelen die de twintigste eeuw kent. Uitstekend gelagerde wielen, vering, verlichting en elektronische navigatiemiddelen maakten de landschepen tot betrouwbare en comfortabele voertuigen.
Desondanks bleven ze echter in zoverre wisselvallig, dat ze van de wind afhankelijk waren. Vooral als de wind draaide kon je veel tijd verliezen met kruisen en de vrachtvaarders hadden dan ook veel belang bij long term weervoorspellingen om hun routes uit te zetten.
De officiële meteorologie kon hier slechts ten dele aan voldoen, omdat er sinds de asfaltering veel meer hogedrukgebieden boven Nederland gemeten werden dan vroeger en het hele veranderingspatroon van weertypen nog niet bekend was. De electrische stormen rond het IJsselmeer waren bijvoorbeeld nog volstrekt onberekenbaar.
De volksmeteorologie kwam weer in zwang. En er waren heel wat oude boeren en vissers die in de kroegjes rond de rederskantoren opereerden en daar een flinke cent bijverdienden. Maar ook het beste orakel kon een windstilte alleen maar voorspellen en niet voorkomen.
Niet zelden bleef men een of twee dagen voor Zutphen liggen of moest men ergens midden op de vlakte voor zuignap gaan.
De meeste reizigers trok dit niet aan, en men zag het personenvervoer dan ook geleidelijk steeds meer inkrimpen.
De spoorwegen, die afgeschaft waren omdat de bovenleidingen een belemmering vormden voor de masten van de zeilwagens konden het personenvervoer niet meer overnemen en de geografische mobiliteit van de Nederlanders begon steeds meer af te nemen.

Het thuisblijven bracht een duidelijke verandering in de gewoonten van de mensen. Door het geringe contact tussen de woonkernen werd het gedrag niet meer doorlopend vergeleken, en zag men in diverse delen van het land verschillende culturen ontstaan. De geringere mobiliteit maakte ook dat men de huiselijke genoegens weer ging ontdekken en gezelschapsspelen en handenarbeid beleefden een nieuwe bloei.
De plaatselijke culturen gaven een folkloristische kleur aan deze uitingen en omdat de auto als statusobject verdwenen was, werd nu de plaatselijke handelsvloot het praalobject bij uitstek. Zeilen werden in de kleuren van de stad getaand en de rompen en wielen boden plaats aan fantastische drakenkoppen, rozetten en ander houtsnijwerk.
Het was een indrukwekkend gezicht om deze Fellini-achtige bouwsels met hoge snelheden over de asfaltvlakte te zien jagen. En het begon ook eigenlijk best gezellig in Nederland te worden.

Tot Alfred Nussbaum op een dag ontdekte, dat als je asfalt nu maar op de juiste manier prepareerde…

mailtobutton

De Nul gezien

woensdag 10 september, 2008

Helemaal stralend kwam ze naar beneden.
“Ik heb de nul gezien”, zei ze.

Ik had geen idee waar ze het over had.
Soms hebben mensen ineens het licht gezien. Of Sara, of Abraham, maar in het laatste geval reageren daar ze meestal niet stralend op.
Maar omdat ze zo blij was, besloot ik maar empathisch te reageren.
Misschien had het wel iets met Zen te maken, of zo.

“Zo dus je hebt je doel bereikt”, zei ik.

Haar gezicht betrok meteen.
“Nee, er stond nog het verkeerde cijfer vóór die nul.”

Op dat moment begreep ik waar ze de nul had gezien:

Op de weegschaal.

Gevoel en verstand (een onaffe gedachtengang)

zaterdag 28 juni, 2008

“Mijn gevoel zegt me dat die man niet deugt.”
Gevoelsmatig ben ik geneigd om ja te zeggen, maar m’n verstand zegt me dat ik daar toch beter nog een nachtje over kan slapen.”
Iedereen heeft mensen wel eens zulke dingen horen zeggen, en misschien hebben we zelf ook wel eens zo’n zin gebezigd.

Uit zulke uitspraken blijkt dat mensen over ten minste twee innerlijke raadgevers lijken te beschikken; een gevoel en en een verstand, en dat die twee het niet per se altijd met elkaar eens hoeven te zijn.

Sommige mensen zijn van mening dat bij bepaalde mensen een van die twee de overhand heeft. Ze noemen die mensen dan gevoelsmensen of rationalisten.
En zelfs nu heb je nog wel mensen die denken (of liever gezegd voelen en daarom “zeker weten”) dat bij het ene geslacht het gevoel de doorslag geeft, en dat bij het andere geslacht de ratio overheerst.

In de romantiek bestaat het beeld van mensen die innerlijk verscheurd worden door de tweestrijd die in in hun binnenste gevoerd wordt door deze twee krachten. Maar ook in deze tijd die we in elk geval niet als een hoogtij van de romantiek kunnen betitelen, zijn er nog zat mensen die een tegenstelling- of op zijn minst  een zekere hiërarchie  ervaren tussen gevoel en verstand.
Is dat juist, is dat zinvol?

Waar hebben we het eigenlijk over? Wat is gevoel? Waar houdt gevoel op en begint verstand?
Zijn het twee totaal verschillende dingen? Twee autonome faculteiten van het bewustzijn? Of zijn het twee nuances van het menselijk vermogen om zich een oordeel te vormen van iets of iemand.

Een opvallend verschil tussen een verstandelijk oordeel  en een gevoelsmatig oordeel is dat je een verstandelijk oordeel kunt beargumenteren, je kunt het aan een ander uitleggen. Of die ander het begrijpt is natuurlijk een ander ding, want daarvoor is om te beginnen nodig dat die argumenten zelf ook weer rationeel zijn. (En graag ook nog verifieerbaar juist zijn). Terwijl je bij emotionele overtuigingen meestal niet veel verder komt dan een ‘ja dat voel ik nou eenmaal zo’.

Soms blijkt het gevoel een voorloper te zijn van een redelijke overtuiging.

Ik merkte dat toen ik de afgelopen maanden een competitie tussen twee kandidaten voor een politieke functie volgde. Ik zei tegen iemand die die strijd ook volgde dat ik kandidaat A niet echt vertrouwde, maar ik kon toen niet uitleggen waarom. Later begon ik een aantal dingen op te merken:
Dat A op een pijnlijke vraag altijd reageerde met een hartelijke lach, terwijl met dat niet een logische reactie lijkt.
Dat A nooit aarzelde bj het beantwoorden van vragen.
Dat A als je het later na las of opnieuw bekeek vaak de vraag niet beantwoord bleek te hebben.
Waarschijnlijk zijn je zintuiglijke waarnemingen globaler en dring je pas na interpretatie tot de reële inhoud van het waargenomene door.

Met deze beschrijving van gevoel en verstand als twee aspecten van mijn beoordelingsvermogen kan ik aardig uit de voeten, totdat ik me realiseer dat een belangrijk onderdeel van mijn beoordeling van situaties en mensen bestaat uit waardeoordelen.
En wat zijn dat nou weer voor schimmige fenomenen.

Behoren waarden tot het domein van het gevoel of tot dat van de redelijke afweging?
Verhip, dat woord afweging had ik eigenlijk beter niet kunnen gebruiken, want ik houd meer van een een ratio die niet wikt en weegt, maar meet en weet.
Maar laten we even idealistisch blijven en uitgaan van een reine Vernunft tegenover een primair gevoel, behoren waarden tot een van beiden domeinen, wonen ze op de schaal tussen die twee of vormen zij een derde categorie?

Het is tamelijk lastig voor mij om die vraag te vermijden niet alleen al omdat ik hem hier publiekelijk stel, maar ook omdat ik niet kan ontkennen een moralist te zijn. Weliswaar een moralist die zijn eigen mores met regelmaat toetst, maar toch – het valt niet te ontkennen – een moralist, die ook niets anders zou willen zijn.

Niet een moralist in de zin van een zedenpreker, maar wel in de zin van iemand die zijn keuzes toetst aan een moraal.
Maar waar komt dat ding, die moraal in vredesnaam vandaan? En waar bestaat ie uit?

Mijn vader vertelde mij ooit dat zijn vader een groter stuk vlees kreeg dan zijn kinderen, en dat hij dat niet eerlijk vond. En dat hij zich toen voorgenomen had omdat later zelf nooit te doen.
Hij was ook de man die de opslag die hij als voorman alleen kreeg deelde met de twee mannen waar hij mee werkte omdat zij samen die betere productie veroorzaakt hadden. Een beslissing waar mijn moeder niet gelukkig mee was. Maar waar ik hem diep voor bewonder en die denk ik ook mijn waardenstelsel beïnvloed heeft. Maar uit dit hele verhaal blijkt dat zowel een vader waar je het niet mee eens bent, als een vader waar je het wel mee eens bent je in dezelfde richting kunnen duwen. Een halve punt dus voor nurture in het nature-nurture debat.

Als we – in een poging om het simpel te houden – moraliteit nu eens indikken tot de vraag hoe je kiest tussen eigen belang en algemeen belang als die twee niet samenvallen, dan hebben we in elk geval een redelijk instrument om je positie te bepalen en je koers uit te zetten.

Nu is het natuurlijk niet zo dat zelfs een moralist in elke situatie eerst een geschikte steen uitzoekt om daar in de peinshouding op te gaan zitten teneinde tot een ethisch verantwoord besluit te komen.
Nee in de meeste situaties handel je toch min of meer vanuit een automatisme. Je hebt in de loop van je leven toch een bepaalde manier van handelen ontwikkeld die mensen wel als je aard of karakter omschrijven. Ook al kan daar een zekere evolutie in zitten.

Zelf vind ik dat redelijk te vergelijken met software. Software die je voor een deel gekopieerd hebt, voor een deel zelf aangepast hebt, maar die voor een deel ook heel dicht aan je hardware gebakken lijkt te zijn.

Misschien brengt me dit ook wel iets dichter bij het anwoord waar om ik nou op het idee kom dat er toch zoiets is als betere en slechtere keuzes. Wat toch duidelijk op een overheersing van de emotie lijkt te wijzen.
Het is vreemd dat ik met een tamelijke zekerheid voel (alleen al die combinatie zekerheid voel !) dat kiezen voor het algemeen belang beter is dan kiezen voor het eigen belang, zonder dat ik dat strikt rationeel kan verantwoorden.

Alleen op deze manier. Het is in elk geval voor de soort beter.
Dat zou kunnen betekenen dat er een soort genetische moraal in ons zit die ons aanspoort om ons sociaal te gedragen, om dat wij zonder de soort als individu geen enkele kans maken.
In de computer analogie de firmware die zorgt dat de computer als zodanig zijn basis functie blijft uitoefenen zodat de gebruikerssoftware op het ding uitgevoerd kan blijven worden.

Mmm. Het loopt niet helemaal mank, maar ik vind het een beetje kale boel.
Zelf richt ik mijn leven liever in met een verwachting.

Daar hebben we het nog wel eens over.

Wildplassen of zelfcensuur

maandag 9 juni, 2008

Wat is het onzindelijke woord in deze titel ‘Wildplassen of zelfcensuur’?

Dat is het woordje ‘of’, want dat suggereert dat we het hier hebben over een keuze die er gemaakt zou moeten worden.
Een soortgelijke keuze werd de Nederlanders voorgehouden in 1937 door de NSB, die de verkiezingsleuze “Mussert of Moskou” voerde. Zonder veel succes overigens want ze gingen bij die verkiezingen achteruit.
Waarom bedenk ik hier nu een even demagogische keuze Wildplassen of Zelfcensuur?
Omdat er in Nederland blijkbaar weer in dat soort termen gedacht wordt.
Ik was bijvoorbeeld nog al geschokt toen in het programma Buitenhof waar in de regel denkende mensen aan het woord komen een columnist van Elsevier regelmatig het woord zelfcensuur (en een enkele keer ook zelfislamisering) in de mond nam, en niemand hem op demagogie aansprak.

Onderwerp van de discussie was de vrijheid van meningsuiting en een gebeurtenis die daarbij centraal stond was de weigering van een paar foto’s door een museumdirecteur.
In de discussie in Buitenhof en in de discussie daarbuiten wordt de vrijheid van meningsuiting regelmatig opgevoerd als een grondrecht, waarop geen enkele beperking mag worden toegepast. Andere vrijheden, zoals de vrijheid van onderwijs en godsdienstvrijheid moeten daar eventueel maar voor wijken. Terwijl een ander soort vrijheid, artistieke vrijheid weer tot de onaantastbare vrijheden behoort.

Bovendien duikt er in de discussie de laatste jaren iets op wat ‘het recht op beledigen’ heet en dit valt ook weer in de categorie grondrechten.

Opvallend is dat er algemeen van uit gegaan wordt dat er zoiets als een onbeperkte vrijheid van meningsuiting in de wet vastgelegd is, maar dat is niet het geval. Wel is er in eerste instantie wel een vrijheid van drukpers geformuleerd, die op dit moment als volgt geformuleerd is:

Artikel 7 Meningsuiting
1. Niemand heeft voorafgaand verlof nodig om door drukpers gedachten of gevoelens te openbaren, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.

Dit artikel is inmiddels uitgebreid met bepalingen die op de overige media slaan.

Maar wie goed leest ziet dat er twee beperkingen zijn:
De eerste schuilt in het woord voorafgaand. De wetgever houdt dus wel degelijk de mogelijkheid open om iemand achteraf aan te spreken op de inhoud van een publicatie.
De tweede beperking is verwoord in de toevoeging behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet”.
Smaad is bijvoorbeeld strafbaar.

Voor de helderheid van de discussie zou ik dus willen voorstellen dat we onder censuur de voorafgaande beperking van iemands uitingen door met macht beklede derden verstaan.

Op grond van artikel 7 kan je dus zeggen dat er in Nederland geen censuur bestaat. Althans geen overheidscensuur.

De censor hoeft echter niet per se de overheid te zijn. Het kan ook een omroepvereniging zijn, die in een aangekochte programmaserie knipt, omdat de daarin vermelde opvattingen strijdig zijn met de beginselen van die vereniging.

Een kwalijk bij-effect van censuur is, dat de ontvanger van gedrukte of anderszins verspreide uitingen niet altijd weet of ze gecensureerd zijn: Waardoor er niet alleen een vervalsing van de inhoud ontstaat, maar ook nog eens de opvattingen van de oorspronkelijke verspreider onjuist worden weergegeven.
Kijkers die een tv-uitzending bekijken zonder te weten dat die gecensureerd is, krijgen ten onrechte de indruk dat wat zij gezien hebben de opvattingen van de genen die in de aftiteling vermeld staan goed weergeeft.

Geen goed woord voor censuur dus.

Ik woon nu al dertig jaar niet meer in die stad, maar vroeger kreeg je in Amsterdam de vraag “Waar heb dat nou voor nodig?” om je oren, als je je te buiten ging aan onbehoorlijk gedrag.

Dat was nog niet zo’n slechte vraag, want hij impliceert dat gedrag ‘ergens voor nodig moet zijn’. Het doel heiligt de middelen niet, maar de middelen dienen wel door een doel gerechtvaardigd te worden. Je gedrag moet ergens op slaan.

Zinloos geweld (een term waar ik als pacifist enige moeite mee heb) werd dus al voor dat woord in zwang kwam, door die nuchtere Amsterdamse vraagstelling ter discussie gesteld.

Hé, waar ben je nou mee bezig, dat heb toch nergens voor nodig?

Nu was er in die tijd nog een algemeen geldende opvatting over wat je met goed fatsoen wel en niet deed. En daar golden termen voor als beschaving, fatsoen, omgangsvormen, goede smaak en manieren, en een belangrijk deel van de opvoeding bestond uit het bijbrengen van het leren hanteren van de regels die daar uit voortvloeiden en waar je je eigen gedrag dan mee reguleerde.
Kortom, een zekere zelfbeperking was een normaal, zo niet essentieel onderdeel van de weg naar volwassenheid, beschaving en sociaal gedrag.

De notie dat je niet zomaar alles wat bij je opkomt ook maar moet zeggen is overigens nog ouder dan de weg naar Rome, getuige Psalm 141:3 “HEERE! zet een wacht voor mijn mond, behoed de deur mijner lippen.

Nu hebben wij inmiddels de Verlichting  en de zestiger jaren doorgemaakt, maar dat neemt niet weg dat we in meerderheid nog steeds weinig zien in zinloos geweld en bijgevolg ook weinig mogen verwachten van zinloos verbaal geweld.

Zijn er nu vrijplaatsen waarin die  zelfbeperking ten behoeve van de lieve vrede niet in acht hoeft te worden genomen?

Sommige kunstenaars of mensen die zich als zodanig beschouwen, claimen wel eens een artistieke vrijheid die geen rekening met burgerlijke waarden hoeft te houden.
Zij eigenen zich het recht toe om te shockeren of taboes te doorbreken.
Of zoals ze het ook wel graag zeggen, grensverleggend bezig te zijn.

De motivatie (de uitleg waar dat voor nodig heb) hiervoor is niet altijd duidelijk.
Bijvoorbeeld als een popzangeres zich zogenaamd kruisigt. Of als een fotografe mannen fotografeert die homoseksuelen moeten verbeelden en ze dan voorziet van maskers die de profeet en diens schoonzoon moeten voorstellen.

Over smaak valt wel degelijk te twisten, en volgens mijn opvattingen vallen beide uitingen onder de noemer wansmaak. De fotografe geeft nog een politieke motivatie. Zij wil de hypocrisie t.a.v. homoseksualiteit in moslimlanden aan de kaak stellen.

Ik vraag me daarbij wel een paar dingen af:
Waarom doet zij dit in Nederland? Ik dacht dat homoseksuelen het hier niet zo slecht hadden. Of denkt zij dat homo’s in Iran het beter krijgen door in Den Haag foto’s op te hangen?
Ik vind het ook wel een erg veilige manier van dapperheid.

Het doet mij denken aan het gedrag van de Grote Wildplasser van Nederland, die zijn dapperheid vertoont van achter de brede ruggen van zijn beveiligers. En zich dan ook nog eens aan de gotspe te buiten gaat om zijn collega politici laf te noemen. Terwijl het wel die “laffe” collega’s van hem zijn die er voor zorgen dat GW veilig kan beledigen.

Hetzelfde gedrag zien wij trouwens ook bij zijn illustere voorgangster en zijn illustere navolgster van Bang voor Nederland.

Nog even over dat grens verleggend bezig zijn:
Ook hier doet zich de “Waar-heb-dat-nou-voor-nodig” vraag voor.

Hitler was ook grensverleggend bezig en dat vonden we hier aan onze kant van een zo’n grens – afgezien van dat handjevol NSB-ers – toch niet zo’n goed idee destijds.
Grenzen die op een legale manier tot stand gekomen zijn en breed als zodanig erkend worden, dienen alleen met algemene instemming gewijzigd te worden of anders gehandhaafd te worden.
Dit geldt niet alleen voor landsgrenzen, maar ook voor grenzen aan het gedrag.

mailtobutton