Over geluk en over werken I

zondag 17 december, 2006

Als je geluk ziet als behagen scheppen in je bestaan, dan is het niet zo vreemd dat voor iemand met de lijfspreuk “Je bent wat je doet” werken en geluk veel met elkaar te maken hebben.
Immers als zijn en doen sterk verbonden zijn dan is behagen scheppen in het zijn, sterk afhankelijk van de kwaliteit van het doen.
In een eerdere levensfase heb ik ook wel eens geopperd: “Werken is liefde, liefde is werken”.
Dat is een tamelijk drastische uitspraak, maar ook nu kan ik er eigenlijk niet zo heel veel tegen in brengen.
Ja, je zou kunnen zeggen: “Net had je het nog over geluk en werken en nu heb je het over liefde. Waar gaat het nou eigenlijk over?”
Hier, in dit verband bedoel ik met zijn en bestaan niet de van buiten af ervaren stoffelijke aanwezigheid van iets of iemand, maar de van binnenuit ervaren bewuste eigen aanwezigheid.
Wanneer je daarbij tot de grenzen van je eigen bewustzijnsmogelijkheden gaat, doemt daar bij de onpeilbare complexiteit en onwaarschijnlijkheid van het bestaan van ‘alles’ en in het bijzonder van jóuw aanwezigheid daarbij op.
En voor het beschrijven van het daarbij horende gevoel, behoren voor mij dan termen als geluk, liefde en dankbare verwondering tot de minst onbeholpene om die staat van alomvattende aanwezigheid te beschrijven.
Komt nog iets bij. Het perspectief.
Ik weet niet precies wanneer het gebeurde.
Het moet ergens in de oorlogsjaren zijn geweest. En als oudere mensen dat zeggen, dan hebben ze het over de tweede wereldoorlog.
In die tijd woonden wij in Amsterdam, in de Indische buurt. En op zaterdagavond gingen wij – de kinderen – één voor één in bad.
Dat bad was een verzinkte wasteil, die gevuld werd met warm water. Dat kwam in die jaren nog niet rechtstreeks uit de kraan, althans niet in de arbeiderswoningen in de Palembangstraat, maar werd per pan en fluitketel op het gasstel aangemaakt.
Na het bad werden de haren (enigszins hardhandig, vond ik) gekamd, werd een schone pyjama aangedaan, en wilde onze moeder nog wel eens iets voorlezen of navertellen uit een boek dat ze uit de Openbare Leeszaal en Bibliotheek in de Molukkenstraat had gehaald.
Ik denk dat die avonden tot de rijkste en gelukkigste momenten uit mijn jeugd behoren.
We zaten in de keuken, de wanden en de ramen nog beslagen van het koken van het badwater.
De keukenmuur was tot op twee derde van de hoogte geel geschilderd en daar boven gewit.
In de condenslaag op het geverfde deel kon je met je nagel tekenen. Koersen uitzetten tussen de eilanden in de verflaag die daar als archeologische sporen van vele opknapbeurten zichtbaar waren. En ondertussen vertelde mijn moeder.
Op een keer had ze een boek over het wereldruim meegebracht. Ik geloof dat het “De sterrenwereld in een notedop” heette.
Dat was het moment dat het begrip oneindigheid in mijn leven werd gebracht.
Wat er toen gebeurde is misschien heet best te omschrijven als een explosie in slow motion.
Het heelal was dus oneindig. Dat was tegelijk onvoorstelbaar en had het ook een dwingende logica. Want, stelde ik voor, als je aan het einde van het heelal kwam dan zou daar waarschijnlijk wel een soort hek of muur staan, met misschien wel een bordje er op “Einde Heelal”, maar dan moest er achter die muur toch ook weer iets zijn en alles wat er was hoorde nou eenmaal bij het heelal. Het woord zegde het al.

Ik herinner me dat ik naar buiten probeerde te kijken naar de sterren, maar het raam was beslagen.
Maar ik wist dat daar achter het kolenhok op veranda de ruimte begon. En die was dus oneindig!
Jeetje…
Ik kreeg een beetje kriebelig gevoel in mijn maag en begon te lachen. Een zenuwachtig lachje, wat ze geloof ik een beetje vreemd vonden. Maar wat moet je ook ineens met de oneindigheid in een jongenshoofd?

Later ontdekte ik dat die oneindigheid niet alleen in de ruimte, maar ook in de tijd bestaat, althans gedacht kan worden.
En naar mate ik ouder werd is de verwondering over die twee onpeilbare dimensies en mijn onwaarschijnlijke ervarende aanwezigheid daarin alleen maar toegenomen.
Nu zou je dit kunnen ervaren als een overweldigend gevoel van nietigheid, maar tot mijn plezier werkt dit bij mij niet zo en voel ik het meer zo dat ik zo lang mijn eindigheid duurt deelneem ben aan een proces dat géén einde heeft.
Een proces waarvan niet bekend is waar het toe leidt, maar waar je waarschijnlijk mag aannemen dat de complexiteit en de onpeilbaarheid en daarmee voor mij ook schoonheid toeneemt.
De uitspraak “Ik ben deelnemer aan het grootste project aller tijden” lijkt grootspraak, maar is kleinspraak, want in het licht van de oneindigheid zijn zowel groot als tijd weinig betekenisvolle begrippen.

In dit licht is het werk dat ik doe dus belangrijk werk, omdat het werk in een belangrijke context is. En is om die zelfde reden elk werk wat ik doe belangrijk werk.
Daarnaast is elk werk wat ik doe interessant werk, en wel om de simpele reden dat ik me er voor interesseer.
Veel mensen lijken te denken dat er zoiets als interessant en oninteressant werk bestaat en je je voor dingen interesseert omdat ze interessant zijn, maar het is andersom, jouw interesse maakt iets interessant.
Voor geïnteresseerde mensen bestaat er dus alleen maar interessant werk en zullen ongeïnteresseerde mensen nooit iets interessants meemaken.

De Orde van de Nederlandse Haas

woensdag 1 november, 2006

Het begon met de millennium bug.
Op de TV werd een insteekkaart met geheugen chips aan de toenmalige directeur van Philips getoond en de presentator van Buitenhof vroeg/constateerde dat daar dus een fout in zat en de uitvinder van “Let’s make things better” beaamde dit.
Dus moesten we toch maar op nieuwjaarsochtend op het werk zijn om te zorgen dat er geen gekke dingen gebeurden. Natuurlijk wist ik als bouwer dat er met mijn applicaties niets mis kon gaan omdat een datum daar alleen maar een volgnummer is dat voor de gebruiker aangekleed wordt als een tijdstip. Maar mijn baas was een manager en geen informaticus.
Hij vertelde ooit een grap over een stel ballonvaarders die verdwaald waren en daarom afdaalden om een wandelaar de weg te vragen. Op de vraag “kunt u mij ook zeggen waar wij zijn” antwoordde deze: “U bevindt zich in het mandje van een ballon die op ongeveer vijf meter boven de aarde zweeft.” Daarop vroeg de ballonvaarder of de wandelaar soms een computerdeskundige was, waarop deze zei dat dat klopte, hoezo? “Omdat u een antwoord geeft dat voor 100% juist is, maar waar ik niets aan heb,” antwoordde de ballonvaarder.
Toen mijn chef deze grap voor de derde keer vertelde, vertelde ik dat hij nog verder ging. De wandelaar vroeg op zijn beurt of de ballonvaarder misschien manager was. Bleek ook te kloppen, hoezo? “Omdat u niet weet welke kant u op moet, zelfs niet waar u bent en dan de automatiseringsafdeling maar de schuld geeft,” maar die vond hij niet zo leuk als zijn mop.


Vandaag bleek dat de aanval op een ambulance geen aanval was, maar een verzoek om hulp. Hulp die uitbleef omdat het ambulancepersoneel verwachtte aangevallen te worden.


Over een paar weken weken moet in 35 gemeenten met lei en griffel worden gestemd omdat een mini lobby met een hack tic de Nederlandse Haas ervan heeft kunnen overtuigen dat je stem met een Sdu computer afgeluisterd zou kunnen worden. We wachten nu op de fraude beschuldigingen en hertellingen in 35 gemeenten waaronder Amsterdam.
Hier in Rotjeknor zijn de computers minder lek, dus daar kan mijn stem niet afgeluisterd worden. Dus onthul ik hier maar (mede gezien eerdere twijfels aan de SP) dat het toch maar Agnes Kant wordt. Als haar baas (die het zo waardeerde dat Balkenende het fatsoen weer op de agenda heeft gezet) zijn plakkers instrueert om dat zelfde fatsoen te tonen en ook op de verkiezingsborden het ‘eerlijk delen’ te praktiseren.


Nu nog de Postbank.
De directeur van die instelling stuurde me nu al voor de tweede keer een brief dat ik nodig naar het postkantoor moest om te bewijzen dat ik ik ben.
Blijkbaar weet hij dat niet zeker, maar nu vraag ik mij af of die brief dan wel voor mij bedoeld is.
Wat moet ik hier nu mee. Ik heb al ruim twintig jaar een rekening bij die gasten. Zelfs een hypotheek van ze gehad en helemaal afgelost. Moet dit nu allemaal over of wordt alles teniet gedaan omdat ze al die tijd met een spookidentiteit handel hebben gedreven.
Ik zal hier nog lang over na moeten denken.
Zou Bas Haring hier misschien een oplossing voor weten? Want het gaat hier toch over diep filosofische kwesties.
Ben ik degene die ik denk te zijn? Of ben ik degene die de de anderen denken, dat ik ben? Toch een vraag om bij stil te staan. (Hoewel Bas vaak een beetje heen en weer loopt als hij het over zulke dingen heeft).
Ik durf ook niet terug te schrijven naar de Postbank want ik ben bang dat de directeur er misschien helemaal niet meer uitkomt als hij vermoedt dat een derde zich ten onrechte achter mijn reeds betwijfelde identiteit verschuilt.

De strijkbout

vrijdag 27 oktober, 2006

De strijkbout had een houten handvat. Links vooraan zat naast het handvat een geheimzinnig zwart dopje. Als je er op drukte gebeurde er niets, want de ingewikkelde strijkijzers werden pas lang na de oorlog uitgevonden. Desondanks bleef ik het van tijd tot tijd controleren. Want dopjes zijn net als knopjes toch om er op te drukken. Toen ik een kleine eeuw ouder was snapte ik dat het dopje niets anders dan een duimsteun was. Ik was toen al een zevenplusser. Een jongetje met veel te grote oren en een sterke neiging om schroefjes los te draaien. En na een tijdje kon ik de meeste huishoudelijke apparaten repareren. Als m’n moeder me niet voor was tenminste. Die had ook iets met mechaniekjes. Ik heb het van haar.

Die strijkbout zou ik zo kunnen uittekenen, als ik kòn tekenen. De landkaart van verf op het handvat: bruin – oker grondlak – hout was de volgorde van versletenheid. Het knopje/dopje wat bovendien iets van een dropje had en een beetje los zat. Het aan een kant afgebroken stuk aardewerk waaruit de kontaktpennen staken. Het getwiste snoer met een glanzende geweven omkleding. Bruin met een wit werkje.

Meerdere malen heb ik er een nieuw ‘element’ in moeten zetten. Een element zo heette dat. Dan moest je de zool van de bout schroeven. Die zool met twee gleufjes voor aan de punt voor de knoopjes en de bruin ingebrande plekken van het te lang persen.

Heel lang in het oerbegin van mijn leven, had ik tegen mijn moeder of mijn zuster of mijn vader kunnen zeggen “de strijkbout”, en zij hadden gedacht aan die ene, allerindividueelste strijkbout. Met al die bijzonderheden waarvan ik er echt maar een paar verteld heb. Die strijkbout is op een zeker moment verdwenen. Vervangen door een modern strijkijzer. Misschien wel een modern lichtgewicht strijkijzer. En dat weer door een nog moderner stoomstrijkijzer. En tegenwoordig zullen er wel strijkijzers zijn die zo licht zijn dat ze boven het strijkgoed zweven met automatische vochtsensors en computergestuurde vernevelingsautomatiek. En nooit zal er een kind later met warmte terugdenken aan ‘onze strijkbout’.

Historisch materialistische verklaring:
We waren arm dus thuis. Leefden van ‘het steun’. En ze hadden in die tijd de rare gewoonte om dingen te maken die lang mee gingen. Mijn naaimachine was nog jaren dezelfde die mijn moeder kreeg vijftig jaar daarvoor toen ze ‘moest trouwen’ en toen was die Singer al tweedehands.

Mijn jeugd is een onuitputtelijk reservoir van dat soort bodemschatten.
Herinneringen aan geuren en vormen, van dingen die met ons mee leefden. Net als de maan die over de bomen heen met je meeliep, die enkele spannende keer dat je in het donker buiten was. Goed er waren ook enge gaten en putten, maar de wanden schitterden van mineralen en al was dat geen goud het glansde wel, en ik heb nog steeds de sleutel naar dat gebied.

Nu had ik ook wel wat mee. Mijn vader was een reus en m’n moeder een godin, en dat is een goed begin voor een aankomend tovenaar.
Maar ik denk dat meer kinderen dat hebben.
Wat ik me als bijzonder weldadig herinner, is dat we vastigheid hadden.
Ons leven had patronen.
Om te beginnen woonden we altijd in hetzelfde huis. Gevuld met dezelfde dingen, die we ook op een vaste manier gebruikten. Hoewel mijn moeder daar soms op een opwindende manier doorheen kon breken.

De zondagochtenden waren bij ons geheiligd. Dat wil zeggen, de zondagen dat hij bij ons thuis was en niet in Brabant moest blijven in de ‘werkverschaffing’.
Mijn vader stond er op die dag zijn aandeel in het huishouden te hebben. “Kom Tine”, zei hij, “we zulle de zaak es effe opmarojeme”.
Of mijn moeder daar blij mee was, betwijfel ik.
Ze ging in de keuken aan de gang. M’n vader werkte met akelige precisie de kamer af, en wij, m’n zus en ik, hingen de beest uit.
Tegen half elf werd het spannend. Er werd koffie gezet.
Soms mocht ik malen. Anderhalf lood.
De keuken blonk.
De zon scheen laag door het raam terwille van de stoom uit de fluitketel waaruit mijn moeder opschonk.
Iedereen bevond zich in de keuken.
Daar gebeurde het.
De zondagochtend werd bevestigd.
We waren bij elkaar.

Gelukkig in Holset III

vrijdag 8 september, 2006

Het was nooit eerder bij me opgekomen, de behoefte om beton te strelen, en het is zeker niet mijn gewoonte om aan iedere streelbehoefte gevolg te geven. Stel je voor.
Maar hier was geen weerstand aan te bieden.
De omstandigheden waren er ook naar.

Voor de derde keer dit jaar waren we voor een paar dagen vakantie richting Spanje vertrokken, en net als de vorige twee keer vonden we het in Limburg al mooi genoeg.
Onze pleisterplaats was als van ouds de herberg Oud-Holset, maar het accent lag deze keer minder op wandelen en meer op kunst.
Zelfs bij het winkelen in Aken werden we al gesticht:
We waren op zoek naar een boetiek waar we bij het vorige bezoek ein schönes Kleid in de etalage hadden gezien, maar dat was op onze voorlaatste avond en volgens een briefje op de deur zou de winkel de komende dagen gesloten zijn. Geen gelegenheid voor een bezoek dus. We hadden echter noch de naam van de winkel, noch die van de straat genoteerd.
Er zat niets anders op dan nu dezelfde route nog eens te lopen, dan moesten we er vanzelf komen.
Onderweg zagen we een flyer aangeplakt dat er een ikonen tentoonstelling was in de St. Michael kerk in de Jesuitenstrasse. Wilden we ook wel zien, maar eerst maar die boetiek.
Die vonden we inderdaad en hij bleek in de Jesuitenstrasse te liggen, twee huizen van de kerk die we zochten!
De jurk was er ook nog, maar zat niet zo mooi, maar gelukkig waren er nog een hele boel andere fraaie kleren.

De St. Michaelkerk – oorspronkelijk een Jezuietenkerk – was nu een Grieks-orthodoxe kerk en het interieur was daar aan aangepast en die schildering kon mij wel bekoren. De ikonen spraken mij minder aan. Misschien ben ik wel verwend, omdat ik ikonen tot nu toe uitsluitend kende van reproducties en het waarschijnlijk de topstukken zijn die gereproduceerd worden.

img_0050.jpg

Bij een eerder bezoek aan Limburg hadden we al eens de St. Catharinakapel in Lemiers bezichtigd, die aan de binnenzijde op een bijzondere manier beschilderd is.
Maar deze keer werden we vergezeld door een dierbare vriendin waarmee onze ervaring van destijds graag wilden delen. Dus gingen we op de tweede dag nog eens naar dit oudste kerkje van Nederland.
Om de verrassing bij binnenkomst te bewaren vertel ik er hier verder niets over.
Wie er meer over wil weten moet het recept op de kerkdeur maar volgen:

img_0092.jpg

Onze vriendin heeft iets met tuinen, en ze had een tijdschrift meegenomen met een lijst van alle tuinen in Nederland die op bepaalde tijden voor het publiek te bezichtigen zijn.
Onze laatste dag was een donderdag en op donderdag en vrijdag waren de tuinen van het kasteel van Wijlre open. Dat kwam mooi uit want dat was ook de dag dat we een afspraak hadden om de St. Cunibertuskerk in Wahlwiller te bezichtigen en dat viel ook weer mooi samen met de openstelling van De Verwondering (zie eerdere lyriek hierover in Gelukkig in Holset II).

De ingang voor bezoekers van de kasteeltuin was lastig te vinden en zag er toen we hem vonden ook niet zo duidelijk uit, dus ik betrad met enige schroom een ruimte die een boomgaard zou kunnen zijn, maar ook een gazon waar fruitbomen woonden. De paden langs het veld waren met gras overgroeid en schuin over het veld liep een strook waar het gras iets anders getint was en dit zou een pad kunnen zijn.
Aan het einde ervan lokte een bouwwerk van beton en glas.
Gelukkig verscheen er op dat moment een dame die ons verwelkomde en uitnodigde om het gebouw te betreden.
We werden langs een hellingbaan naar boven geleid en kwamen in een ontvangstruimte waar al enige bezoekers aanwezig waren.

Er werd nog wat informatie gegeven aan de mensen die mij vergezelden, maar dat ontging me omdat ik vanaf het moment dat ik het gebouw betrad in de ban raakte van deze omgeving.
Hier klopte echt alles. Het licht, het materiaal, de verhoudingen.

Een van de eerste dingen die bij me opkwam, was de herinnering aan het de Abdijkerk van het Benedictijner klooster in Mamelis.

mamelis.jpg

We waren daar heen gegaan op aanraden van de heer die ons in het kerkje van Lemiers rondleidde, omdat daar nog gregoriaans te horen was en je er het avondgebed – de vespers – mocht bijwonen.
Dat gezang viel, mede gezien de gemiddelde leeftijd van de monniken, enigszins tegen, maar het nieuwe gedeelte van het klooster, gebouwd door Dom Hans van der Laan maakte alles goed.

De rijke soberheid van de gekozen materialen en maatvorming deed me toen denken aan de beste typografie die ik gezien had, wat achteraf toen ik meer te weten kwam over de bouwmeester niet zo vreemd was. Want van der Laan heeft in zijn werk uitdrukking gegeven aan zijn verhoudingenleer gebaseerd op het ‘plastische getal’ een driedimensionale interpretatie van de gulden snede waarop de traditionele typografie berustte.

Het paviljoen (Hedge House geheten) deed me dan wel in eerste instantie aan de abdijkerk denken, maar als ik de herinnerde beelden wisselend op de binnenkant van mijn schedel projecteer, zijn er toch verschillen in beleving. Ingetogenheid en kwaliteit hebben ze gemeen, maar in de abdijkerk ontkom je ook als ongelovige niet aan het sacrale en gewijde waar dit gebouw een uitdrukking van is. Niet omdat je de vorm van het gewijde herkent, want van der Laan ontwierp ook alle bij de mis gebruikte voorwerpen opnieuw, maar omdat je het in de ademhaling van het gebouw ervaart. Terwijl het in het paviljoen een meer platonische schoonheidservaring is die je beleeft.

We bleken in een inleiding te vallen die de bewoner van het kasteel gaf aan de reeds aanwezige bezoekers. Een boeiend verhaal, dat ik echter toch nog liever na mijn bezoek had gehoord, want ik ga graag het liefst blanco zo’n ontmoeting aan. En ook het liefst alleen.
Ondertussen keek ik om me heen en kon niet genoeg krijgen van de subtiliteit van de verschillen in tint en textuur van het staal en het beton. Waar die materialen aan elkaar grensden was er vaak een spatiëring gesuggereerd door een kleine verdieping in het beton. Er waren dus eigenlijk drie materialen, beton staal en licht, of liever gezegd schaduw.
Op de tafel lag een catalogus met een bladspiegel van, ik schat, 18 x 18 cm waar van het voor en achterplat waren uitgevoerd in onbedrukt grijsbord, wat ook al weer prachtig paste in de omgeving.
De inleider maakte gewag van het ideaal een Gesamtkunstwerk te scheppen. Nou, dat leek hier in dit vertrek al aardig geslaagd.

Na deze inleiding konden we de expositie in het paviljoen en de tuinen bekijken.
Wij kozen voor het laatste.
Hoewel het formele tuingedeelte bijzonder fraai was werd ik het meest getroffen door het weidse gazon achter het kasteel, waarop enkele majesteitelijke bomen de ruimte maat gaven. Eigenlijk zou je niet verder moeten lopen, maar hier moeten blijven genieten van de juiste verhoudingen. Het zelfde dilemma dat zich in een museum altijd voordoet.
Eén boom is vaak al genoeg om het oog te vullen.
Er is iets met het licht of zo je wilt de schaduw onder een boom. Het heeft een tint.
Natuurlijk, licht heeft een kleur, maar hoewel ik het niet echt zie, ervaar ik wel de aanwezigheid van kleur in de schaduw (of een ander soort fijne materie) die onder een boom hangt. En naar ik vermoed vult die lichte stof ook die intrigerende ruimte tussen de takken en bladeren van een boomkruin, die een jonge merelmoeder doet besluiten om juist daar haar nest te bouwen.
Wel, van deze materie was er een overvloed op het gazon.

In een hoek van het gazon was de overgang van gazon naar het bos er achter zo geleidelijk dat je de merkwaardige belevenis ervoer dat je stond te genieten van het kijken naar iets wat niet zichtbaar was. Je zag wel de details waardoor het veroorzaakt werd: Een boom uit het bos was als niemand keek iets naar voren gekropen en groeide een tak als een doorluchtig gewelf over een deel van het gazon. Het gras daaronder ebde weg. En liep je een paar passen verder dan zag je een dode tak in het voorbos liggen die de kromming van de boomtak spiegelde.
Ik kon de verdenking niet onderdrukken dat de kasteelheer hier op een van z’n avondwandelingen ingegrepen heeft, omdat hij toch al zelf een onderdeel van het Gesamtkunstwerk geworden is.
Ik begon ook het begin van een idee te krijgen waar de laatste plaatjes van de stier-serie voor staan.

r_8-both-bull-and-self-transcended.gif r_9-reaching-the-source.gif r_10-in-the-world.gif
zie de post over deze plaatjes

Nu was mijn oog voorlopig wel even vol. Foto’s maken stond me tegen. Wat hier was, was niet in een foto te vangen. Ik wist zeker dat ik hier nog vele malen terug moest komen.

En nog was de dag niet voorbij.
In Wahlwiller hadden we een afspraak gemaakt met de heer Ploemen, die ons de beschildering en de kruiswegstatie van de Cunibertuskerk zou laten zien. We hadden daar al een blik op kunnen werpen vanuit het voorportaal, maar wilden het werk van nabij zien, ook al omdat er weinig licht in de kerk valt.
En het is ook eigenlijk de enig manier om dit werk in zijn volheid te ervaren. De beschildering is schitterend, in intrigerende paarse tinten voor een deel, zeker rond het oorspronkelijke altaar.
De inleiding en rondleiding van de heer Ploemen, voegt veel toe. Je krijgt begrip en respect voor schilder Aad de Haas en zeker voor een ongelovige is de toelichting op de panelen van de kruiswegstatie verhelderend en verdiepend. Ik besef als niet-gelovige een dimensie van dit werk niet te kunnen ervaren en wil er ook niet veel meer over zeggen om niet onbewust iets verkeerds te zeggen, maar het werk is zo overtuigend dat ik bij het naderen van het einde van de lijdensweg mijn tranen terug moest dringen.

Nogmaals die kus

zondag 13 augustus, 2006

Jongeren, en dan heb ik het over 65-minners en zo, die het stukje “Kus” gelezen hebben, hebben zich misschien verbaasd over de wereldvreemdheid van die twee tieners die elkaars lippen wilden kussen en op elkaars neus botsten.
Maar de gebeurtenis die daar beschreven werd speelde zich dan ook af rond 1950. Niet direct een mythische periode (de dinosauriërs waren bijvoorbeeld al lang uitgestorven) maar hoe het leven toen was lijkt me niet na te voelen als je het niet meegemaakt hebt, ook al hou je van een film als “The Last Picture Show”.

Eigenlijk betwijfel ik of mensen die iets altijd gehad hebben zich echt kunnen voorstellen hoe het is om dat niet te hebben.
Neem het vermogen om te zien. Weten wij hoe het is om blind te zijn vanaf je geboorte? Wij stellen ons iets voor als voortdurende duisternis. Maar duisternis is de afwezigheid van licht en als je geen licht kan ervaren kan je dan duisternis ervaren?
Stel er komen nog eens wezens vanuit een buitenaardse beschaving en die hebben geen reukzin, maar wel drie zintuigen die wij weer niet hebben. Gaan we ons dan gehandicapt voelen? Of zij, omdat ze niet merken hoe het in de metro naar deo en aftershave stinkt?

Hoe dan ook, je moet je gewoon realiseren, dat veel kinderen van die tijd nog nooit mensen hadden gezien die elkaar kusten.
Ja, we kenden wel de klapzoen die je – ongewild – van een tante op je wang kreeg op je verjaardag, maar niet die geheimzinnige, magische kus waarover je gelezen had in zinnen als ‘hun lippen vonden elkaar’ en waar misschien zelfs wel het woord ‘versmolten’ in voor kwam.
Mogelijkerwijs werden zulke kussen wel gewisseld in bioscoopfilms, maar dat weet ik niet, want wij waren arm en gingen niet naar de bioscoop. We hadden ook geen beelden van Rodin in de tuin, al was het alleen maar omdat je op drie hoog geen tuin had, en die kus van Klimt zie je ook alleen maar van achter.

Wat er aan de hand was, was dat in die tijd je visuele ervaring voornamelijk bestond uit wat je zelf gezien had. Je moest het doen met de indrukken die je eigen ogen hadden opgenomen en in je herinnering hadden achtergelaten, aangevuld met wat je ‘geestesoog’ produceerde op basis van beschrijvingen van anderen.
Hoewel er wel afbeeldingen bestonden, waren die spaarzaam, vaak niet natuurgetrouw, slecht toegankelijk en duur.

Later zou iemand (ik geloof Malraux) spreken over ‘le musée imaginaire’ duidend op de reproductie techniek die het mondiale kunstbezit in principe voor iedereen ontsloot, maar wij behoorden toen niet tot de klasse voor wie dat betaalbaar was

De eerste bibliotheek die wij bezochten was de St. Vincentius bibliotheek in de Ambonstraat achter ons. Een katholieke bibliotheek, maar als ze je niet een jaargang van De Engelbewaarder meegaven – want veel uit te zoeken had je daar niet – merkte je daar niet zo veel van. De kinderboeken hadden soms plaatjes en je kon meteen zien waar die zaten want die waren op glad papier gedrukt. Die bekeek je dus eerst, al had je een vaag besef dat dat niet mocht. Maar veel meer dan vier per boek waren dat er meestal niet. En dan waren het nog zwart-wit tekeningen.

Fotoreproducties stonden pas in de boeken die we later bij de Openbare Leeszaal en Bibliotheek in de Molukkenstraat haalden.
Over juffrouw van Eck (ze stond op dat juffrouw) hoop ik nog eens een klein monumentje te schrijven *), want ze was in mijn ogen een gezegende onder de vrouwen.

Toen mijn vader werk vond gingen we op een zondag voor het eerst met de trein. Een stoomtrein die ons van het Muiderpoortstation naar het station Naarden-Bussum zou brengen. En daar zouden we naar een bos gaan!
Ergens onderweg, ik geloof tussen Weesp en Naarden lag dichtbij de spoorlijn een kwekerij. Ik geloof dat er de naam Bendien op een bord stond. Daar stonden een aantal boompjes bij elkaar op een akkertje.
“Is dat nou een bos?“ vroeg ik. Want het geheel voldeed wel aan de definitie van bos ‘stel bomen bijelkaar’ maar enigszins teleurgesteld was ik wel. Ik had het me veel groter voorgesteld. De coupé lachte hartelijk. En hoewel het Spanderswoud beter Spandersbos had kunnen heten was ik van dit eerste bos in mijn leven best onder de indruk.

Later in 19zoveelen60 riepen Parijse studenten uit dat nu de verbeelding aan de macht was.
Maar voor de visuele verbeelding was het toen al afgelopen.
De voor-beelding kwam aan de macht en zal niet meer verdwijnen.
Hoe ziet het er uit als een leeuw in volle ren een antilope naar de keel vliegt? Ik denk dat die beelden wel een keer of acht per week vertoond worden op een van de kanalen die in Nederland te ontvangen zijn. Hoe slaat een race auto over de kop? Als het maar één keer gebeurt, herhalen we het gewoon een paar keer, desnoods in slow motion om maar geen detail te missen.
Een kus? Alle mogelijke vervolgen worden ook vertoond. Bosbranden, vulkaanuitbarstingen, vloedgolven, moord en doodslag, kinderen die van de wip vallen (da’s pas lachen) we worden er soms vanaf de kleuterstoel al mee doodgegooid.

Is het dan nog mogelijk het oog te verrassen?
Als je goed kijkt, gelukkig wel.
Maar dan moet je wel ophouden met zappen als je off-line bent en dwars door een stuk werkelijkheid loopt.

*)
Dat is inmiddels gebeurd: Monumentje voor Waldie van Eck