Waar heeft ieder mens recht op, en waarom?

woensdag 26 februari, 2014

Door het volgen van een aantal colleges theologie en filosofie aan de Akense RWTH de afgelopen jaren is mijn onwetendheid op een prettige manier toegenomen.
Zaken waarvan ik aannam dat ik ze wel globaal begreep, of waarvan ik tenminste dacht ik wist wat de woorden waarmee ze omschreven werden betekenden, zoals tijd, mens, leven, recht en vrijheid, bleken een stuk raadselachtiger te zijn dan ik dacht.
Normaal gesproken ben je niet blij als iets wat je gedaan hebt, of wat je gekocht hebt niet blijkt te werken, en vind je het zonde van de moeite of het geld. Maar in dit geval ligt het iets anders.
Als je filosofie probeert te beoefenen, ben je niet op zoek naar hapklare kennis of wijsheid, maar probeer je te leren om kritisch naar je eigen oppervlakkige oordelen te kijken. Tenminste, dat denk ik. Voor mij betekent filosofie oefenen in tegenspraak. Dat is niet bedoeld als oefenen in het tegenspreken van anderen, maar kritisch te zijn jegens je eigen overtuigingen.
Uit dien hoofde (wat kan een beetje ouderwets Nederlands toch mooi zijn) uit dien hoofde dus, heb ik zelden geld beter besteed dan aan een toehoorderskaart voor het Senioren Studium van de RWTH.

Wat me steeds meer bezig houdt na twee semesters politieke filosofie van twee verschillende docenten, is de indruk dat er niet bij het begin begonnen wordt.
Ik bedoel niet dat er niet ver genoeg in de geschiedenis terug wordt gegaan, maar dat er niet helemaal onder aan de opbouw van begrippen wordt begonnen.
Met name die uiteenzettingen in de politieke filosofie die uitgaan van de Verlichting accepteren een aantal grond- of oer rechten zonder discussie over hun herkomst en houdbaarheid.
Wat ik bedoel is dat , wanneer je wilt discussiëren over een rechtvaardige samenleving, je moet nadenken wat rechten precies zijn.

  • Waar rechten vandaan komen
  • Op welke gronden je rechten hebt
  • Bij wie je ze kunt opeisen
  • En welke voorwaarden er eventueel aan verbonden zijn om op die rechten aanspraak te maken.

Veel van die vragen zijn volgens mij niet beantwoord wanneer er gesproken wordt over die grondrechten waar  met name de liberale politieke filosofen op voortbouwen.

Hoe aannemelijk rechten kunnen lijken en hoe weinig ze dat bij nader inzicht lijken te zijn wil ik duidelijk maken door hier een discussie met mijzelf aan te gaan over een van die grondrechten, waar naar het lijkt iedereen zonder meer vanuit gaat: het recht op leven.
Het feit dat ik daar zelf ook helemaal achter sta, doet hier niet te zake. De vraag is op welke grond ik denk daar achter te moeten staan.

Dit verhaal is een live verslag van die discussie. Op het moment dat ik deze zin  schrijf weet ik dus nog niet waar ik terecht zal komen.

Waarom kies ik deze vorm?
Wel ik denk er over om volgend semester te kijken of er een college over rechtsfilosofie wordt gegeven, waar fundamenteel op het begrip recht wordt ingegaan.
Maar voor ik daar heen ga, wil ik mijn eigen redenering opbouwen in de verwachting dat een vergelijking tussen mijn bouwsel met het bouwwerk van echte architecten van de gedachte misschien interessante valkuilen of vergezichten aan het licht kunnen brengen, waaruit weer ideeën kunnen ontstaan over bruikbare loopbruggen of tunnels tussen die twee, of balustrades met een beter uitzicht.

Ik bedoel maar, op z’n minst zal het verschil een inzicht opleveren, waar ik het spoor bijster ben geraakt.

Het recht op leven dus.

In een vorig artikel haalde ik de Onafhankelijkheidsverklaring van de Verenigde  Staten in oprichting al aan. Daar staan een aantal uitspraken in die door de opstellers ‘self-evident truths’ vanzelfsprekende waarheden worden genoemd: Namelijk dat alle mensen gelijk geschapen zijn en dat ze door hun schepper zijn uitgerust met een aantal onvervreemdbare rechten, en dat daar toe behoren leven, vrijheid en het nastreven van geluk.

Tja, vanzelfsprekende waarheden, als dat zou kunnen…

De denkers van die tijd hadden het gemakkelijk als ze het over fundamentele zaken hadden. Die konden ze aan hun schepper toeschrijven. Toen de Verlichting echter voortschreed en een aantal filosofen voorzichtig als atheïst of als beetje-theïst uit de kast durfden te komen, bleven die grondrechten hun leven leidden.
Niet helemaal onbegrijpelijk. Als een aantal grote geesten je uitrusten met een aantal eigenschappen en mogelijkheden die voor het gevoel heel behaaglijk aankomen, moet je wel een oorwurm zijn om daar moeilijk over te gaan doen.
Dat is zo’n beetje hetzelfde als tegen die man die met een cheque van vier ton van de Postcodeloterij aan de deur komt te zeggen, “Sorry, u vergist u, ik heb helemaal niet meegedaan met uw loterij.”
Maar zo’n type ben ik blijkbaar.

In het zo-even genoemde stuk is al voldoende getornd aan dat andere konijn uit de hoge hoed, het recht op eigendom, dus beperk ik me hier tot het recht op leven.
Als je iemand de vraag stelt ‘heb jij recht op leven?’ dan zal het antwoord in eerste instantie meestal ja zijn. Dat is wel begrijpelijk, want je stelt die vraag aan iemand die al leeft. De persoon aan wie de vraag gesteld wordt zal deze dan ook opvatten als  ‘vind je dat je het recht hebt om in leven te blijven?’ en ook hierop zullen de meeste mensen zoiets zeggen als , ‘voorlopig wel, ja’.
Die vraag te stellen aan een niet-levend persoon is niet mogelijk en niemand zal ook overwegen om te proberen dat te doen en dat doet het vermoeden rijzen dat recht en persoon en leven  iets met elkaar te maken hebben.
Zodra er leven is in een vorm die zich van dat leven bewust is, zodra er dus sprake is van een persoon en niet van bijvoorbeeld een pantoffeldiertje, dan kan er blijkbaar bij die persoon een gevoel ontstaan dat hij er recht op heeft in leven te blijven zo lang het leven strekt. Weinig mensen zullen menen dat ze recht hebben op een eeuwig leven, althans niet in de aardse biologische vorm.

Wat zegt dat? Dat het hebben van leven niet zo zeer een recht is (wat al dan niet universeel is, en al dan niet vervuld wordt) maar dat het een eigenschap is die bepaalde vormen van materie gedurende een bepaalde tijd hebben, totdat zij tot stof wederkeren zogezegd.
Het hoe en waarom van die transformatie van dode naar levende materie ligt grotendeels buiten het bereik van onze (nou ja, in ieder geval mijn) kennis.
Wat we weten is dat het leven er sinds lange tijd is en dat twee belangrijke kenmerken er van zijn dat het zich zelf vermeerdert, dat die vermeerdering tot het ontstaan van meerdere vormen leidt, dat het bestaan van leven in een bepaald exemplaar tijdelijk is, en dat mettertijd een vorm van bewustzijn is ontstaan in de levensvorm ‘mens‘.

Dat bewustzijn bij de mens is ontwikkeld tot een zelfbewustzijn dat zich nog verder vult en vormt nadat het bestaan als levend wezen begonnen is. Mede dank zij de ontwikkeling van dat bewustzijn en via kennis die tijdens het leven wordt opgedaan en dankzij het geheugen toegankelijk blijft, kan het levende wezen zich bekwamen om het leven zo lang mogelijk te behouden.
Nu is dat leven iets waar een nieuwgeborene niet om gevraagd heeft. Dat is logisch, wie niet bestaat kan niets vragen. Het leven valt je dus toe.
Je leest wel eens de tekst dat ‘een moeder het leven schonk aan een gezonde zoon of dochter’ maar dat is een vorm van romantisch taalgebruik: Noch bij de bevalling noch bij de conceptie (zelfs wanneer dit in een Petrischaaltje gebeurt) wordt leven geschonken, hooguit gehoopt dat het doorgegeven wordt. In plaats van een eigenschap die aan een bepaalde hoeveelheid stof is toegevallen, zou je dus ook kunnen zeggen dat het leven een gegeven is. Niet in de zin van iets wat door een gever aan een ontvanger is overhandigd, maar een gegeven zoals je zegt dat het een gegeven is dat er even en oneven getallen zijn of dat er links – en rechtsdraaiend melkzuur bestaat.

Nu zou je het volgende kunnen concluderen:
Op iets dat zonder voorwaarden vooraf aan ieder levend wezen op dezelfde wijze en in dezelfde mate toevalt, kan logischerwijs de een niet meer of minder aanspraak maken dan de ander.
(Laten we dit de gelijkheidsstelling noemen)
En uit deze stelling vloeit zowel
1.  een fundamenteel gelijkheidsargument, en
2. een bepaald rechtsargument voort.

ad 1.  Die gelijkheid heeft vooralsnog alleen betrekking op onze relatie als persoon tot het verschijnsel leven.
Ik bedoel je kunt niet op grond hiervan zeggen dat alle mensen gelijk zijn, maar wel dat ze in zoverre gelijk zijn dat ze het in leven zijn gemeen hebben en dat ze dat leven hebben verkregen los van welke voorwaarde of verdienste dan ook.
ad 2. Het rechtsargument slaat ten gevolge van de gelijkheidsstelling niet op het mogen verkrijgen van dat leven, maar op het behoud daarvan binnen de natuurlijke duur.
Anders gezegd, iedereen heeft onder gelijke voorwaarden het leven toegevallen gekregen en kan weliswaar geen recht doen gelden op dat verkrijgen daarvan (wat op zichzelf al een onzinnige eis zou zijn want het leven is er al) maar kan wel op grond van de gelijke situatie een gelijk recht op het behoud ervan claimen.

In filosofische zin zou het grondrechtsbeginsel  dus kunnen luiden.

Ieder (bewust) levend wezen heeft voor de natuurlijke duur ervan recht op het in stand houden van dat leven.

Waarom staat hier nu bewust tussen haakjes?
Omdat ik buiten dit verhaal wil houden of hier ook over ongeboren leven, dieren en planten gaat.

Als mijn redenering klopt, dan zou dat verstrekkende gevolgen hebben. Immers geen enkel individu is in staat – in het huidige ontwikkelingsstadium van zowel de mens als de maatschappij – voort te bestaan zonder gebruik te maken van de hulp en de voortbrengselen van anderen, omdat zowel ons lichaam als onze geest gevoed moet worden en we die voedingsstoffen onmogelijk meer zelf kunnen produceren.
We zijn dus afhankelijk van elkaar en die onderlinge afhankelijkheid pleit er voor dat we dat recht op het in stand houden van het leven ook als een wederkerige verplichting moeten ervaren, wil het persoonlijke recht ook vervuld worden.

Omdat het menselijke leven uit twee lagen bestaat, een materiële en een geestelijke laag, en beide gevoed moeten worden is er enerzijds een gezond biologisch milieu nodig en anderzijds een gezond cultureel milieu. Dat betekent dat de samenleving zodanig ingericht behoort te zijn dat de middelen die daarvoor nodig zijn voor iedereen toegankelijk moeten zijn en dat bij schaarste een zo rechtvaardig mogelijke verdeling ontworpen moet worden, waarbij objectieve behoefte vooralsnog het meest logische uitgangspunt lijkt.

Als we deze uitgangspunten honoreren, dan ontstaat er een heel ecosysteem van mensenrechten.
Van recht op schoon drinkwater tot recht op betaalde arbeid, van recht op gezondheidszorg tot recht op onderwijs.

Dat ik links was, wist ik al lang, maar ik begin te vermoeden dat nog terecht is ook.

Overigens, tijdens het schrijven is het zomerprogramma uitgekomen en er staat geen cursus rechtsfilosofie bij. De universiteit van Maastricht heeft al helemaal geen onderwijs voor ouderen programma en de hogeschool in de buurt behandelt mijn onderwerp niet.

De lemen voeten van het liberalisme

woensdag 25 december, 2013

In 1973 publiceerde ik een boekje dat (conform de toenmalige spellingsregels) “De demokratisering van het geluk” heette. Het kreeg vriendelijke recensies en slechte verkoopcijfers.
In een van de eindnoten van het boekje verwijs ik naar de Amerikaanse onafhankelijkheidsverklaring en met name de tweede alinea, die begint met: We hold these truths to be self-evident, that all men are created equal, that they are endowed by their Creator with certain unalienable Rights, that among these are Life, Liberty and the pursuit of Happiness.
Wij beschouwen deze waarheden als vanzelfsprekend, dat alle mensen als gelijken worden geschapen, dat zij door hun schepper met zekere onvervreemdbare rechten zijn begiftigd, dat zich daaronder bevinden het leven, de vrijheid en het nastreven van geluk.

Een belangrijke tekst, en het zou mooi zijn als de leiders van sommige Amerikaanse instituten deze tekst nog eens nalazen en ontdekten dat er verdikkeme staat dat alle mensen met onvervreemdbare rechten uitgerust zijn en niet alleen US citizens.

De opstellers van de onafhankelijkheidsverklaring stoelden hun opvattingen op de filosofen van de Verlichting en in het noemen van het nastreven van geluk in één adem met leven en vrijheid heeft waarschijnlijk het werk van de Ierse filosoof Francis Hutcheson een rol gespeeld, voor wie ethiek inhoudt het streven naar “the greatest happiness for the greatest number”.  Een uitspraak waarmee hij vooruitloopt op Bentham die meestal als de grondlegger genoemd wordt van dit idee, dat bekend staat als utilitarisme.
Die verlichtingsfilosofen en met name degenen die zich met de rol van de staat hebben beziggehouden spelen een grote rol in het denken van latere beoefenaars van de politieke filosofie en het is vooral de bron waaruit de grondleggers en verdedigers van het liberalisme graag drinken.
Hier dient opgemerkt te worden dat de woorden liberaal en liberalisme hier gebruikt worden in de Europese betekenis van het woord en niet in de betekenis van linkse losbandigheid die veel Amerikanen aan ‘liberals’ toeschrijven.

Wat wel opvalt, is dat de latere politieke filosofen (van de 20ste eeuw) minder over dat geluk spreken maar bij het opsommen van grondrechten veel nadruk leggen op het door Locke geïntroduceerde recht op individuele eigendom.
En in hun geschriften worden die grondrechten vaak als natuurlijke rechten betiteld.

Dit wordt vrees ik een lang artikel, maar om onnodig leeswerk te voorkomen vertel ik maar meteen waar ik naar toe wil. Wat ik wil beargumenteren, zodat wie de conclusie niet bevalt op kan houden te lezen, voor hij zich laat overtuigen.

Die lemen voeten slaan natuurlijk op de uitdrukking ‘een reus op leen voeten’ en wie wil weten waar die uitdrukking vandaan komt, omdat hij dat niet van huis heeft meegekregen, leze het boek Daniël, vers 2 over de droom van Nebukadnezar.
Maar waarom vind ik dat het liberalisme lemen voeten heeft? Omdat die grondrechten niet met een logische redenering te rechtvaardigen zijn.
We hold these truths to be self-evident, heet het, Wij beschouwen deze waarheden als vanzelfsprekend.
Ja, dat is een deftige manier om te zeggen ‘dat is nu eenmaal zo’ wat ongeveer neer komt op:  ‘dat kan ik niet bewijzen, en daarom zeg ik maar dat ik het daarom ook niet hoef te bewijzen’.
Maar zo makkelijk gaat het hier niet. Blijkbaar voelden de Founding Fathers en de meeste filosofen uit die tijd dat ook wel aan, want ze voegden er meestal aan toe dat die dingen die vanzelfsprekend zijn dat waren omdat het geschenken van hun (en volgens hen ook uw) schepper waren.
Nu kan je de schepper van alles in de schoenen schuiven en daar kom je in een sharia samenleving of ander theocratisch regime misschien nog wel mee weg, maar in een democratisch stelsel, kan je je toch moeilijk baseren op een van de vele interpretaties van de bedoelingen van een veronderstelde schepper.
Goed, laten we die schepper even buiten beschouwing, hoe kom je dan weg met vanzelfsprekende waarheden?
Van zelf sprekend? Een soort onzichtbare autonome luidsprekertjes die ons de ganse dag de waarheid zeiden? In sommige beroepen zou dit als een hel op aarde worden ervaren, vrees ik.
Laten we de schepper wel toe in ons verhaal, dan kan je je afvragen, had die schepper ook niet bepaalde verwachtingen van zijn schepselen? Zouden we dan misschien ook niet moeten spreken van natuurlijke plichten?
Het lijkt me duidelijk dat aan de basis van de filosofie van het liberalisme een aantal met de hand geplukte uitgangspunten staan die geen enkele redelijke onderbouwing hebben.

Maar is het überhaupt mogelijk om rechten te onderbouwen?
Ik heb daar nog niet zo veel over gelezen, maar er schijnen meerdere stromingen te bestaan.
De eenvoudigste manier om recht te definiëren is te zeggen: recht is wat in de wet staat. Maar daar schiet je niets mee op want dat vertelt je nog niet wat er in die wet staat of liever gezegd zou moeten staan. En als je die vraag probeert te beantwoorden, kom je altijd uit bij moraal en ethiek. Als je gelovig bent zal je daarbij een openbaring als de voornaamste bron beschouwen, maar zelfs Thomas van Aquino stelde dat er naast een eeuwige wet (van goddelijke oorsprong) ook nog een natuurlijke wet en een menselijke wet op ons van toepassing is.

Dat laatste probeerde John Rawls (1921-2002) die in de 20ste eeuw de politieke filosofie weer leven inblies weer op de agenda te zetten met zijn opvatting van ‘justice as fairness’ en in het algemeen voor een socialer liberalisme pleitte, waarin wel plaats was voor ongelijkheid in economisch opzicht mits dat verschil ook ten goede zou komen van de minstbedeelden.

Dit ging echter zijn critici al te ver en zij beriepen zich op op John Locke die een soort oertoestand schetste, waarin de mensen zich een deel van alles wat de schepper aan de mensheid geschonken had in de vorm van de natuur konden toe-eigenen door hun arbeid te mengen met de natuur.
De simpele handeling van het plukken van een appel van een ergens in het wild groeiende appelboom, maakte jouw de rechthebbende exclusieve eigenaar van die appel, omdat jij de inspanning van het plukken had opgebracht.

OK, valt nog iets voor te zeggen. Iets verder gaat het idee dat je op een stuk land komt, dat van niemand hoort, en je gaat dat bewerken. Gevolg: het stuk grond is nu van jou.
Kost al wat meer moeite. Land wat van niemand is? Stel dat daar mensen wonen die nog niet in termen van grondbezit denken?
Maar goed laten we niet flauw zijn . Onbewoond en onbewerkt stukje land. Je zaait er een paar jaar mais op tot de bodem uitgeput is en gaat dan dood. Zullen al je nakomelingen dan ook voor een deel eigenaar zijn,  ook als ze er nooit een poot naar hebben uitgestoken?

Trouwens, wat heb je aan dit soort theorieën als elk stukje aarde al in het kadaster vermeld staat met een eigenaar?
Nozick, een van de meest uitgesproken criticasters van Rawls ‘ sociale liberalisme poneert een rechtvaardigingsprincipe voor privé-eigendom dat berust op drie vereisten: rechtmatige verwerving, rechtmatige overdracht, en een mechanisme om tekortkomingen in de voorgaande twee te herstellen.

Het vervelende is echter, dat zowel in de theorie van Nozick als in de huidige economische en politieke praktijk die dingen niet uitgewerkt noch toegepast zijn of worden. De rechtmatig  verwerving volgens de theorie sowieso al niet omdat er nauwelijks nog natuurlijke bronnen zijn die vrij van eigendom zijn, en de rechtvaardige overdracht niet omdat vererving al helemaal niet strookt met de initiële eis van arbeid die tot bezit leidt.
Kortom, kaartenhuis.

Het beginsel van Rawls dat eigendomsverschillen gerechtvaardigd zijn als die in het voordeel van de minstbedeelden werken, zien we in populaire uiteenzettingen vaak verpakt in een verhaal over het verdelen van een koek. Het komt er op neer dat de grootkoekbezitters er door hun ondernemingsgeest en hun deskundigheid en bereidheid risico’s te nemen die koek laten groeien en dat daardoor iedereen, ook de kruimelhouders er op vooruitgaan.
Dat is een mooie gedachte, zij het dan dat de kruimelhouders er minder op vooruit gaan dan de grootkoekbezitters. Waar ook niet over gepraat wordt, is dat de belangrijkste oorzaak van de groei van de koek de factor arbeid is. Wat ook niet vermeld wordt in het verhaal is dat dat wie een groot deel van de koek bezit ook de meeste macht heeft en kan bepalen hoe de koek verdeeld wordt. Dat als de grootkoekbezitters in meerdere landen opereren fiscale en wettelijke controle bijzonder moeilijk is. Dat naarmate de parten van de koek groeien monopolies en handelsverdragen de uitdrukking vrije markt een steeds grotere leugen doen worden.

Hoewel corruptie fraude en kartelvorming met steeds grotere regelmatigheid aan het licht komen, moet je toch constateren dat een groot gedeelte van handel en productie volgens nationale en internationale regels plaatsvinden. Dat wil zeggen dat uitbuiting door middel van hongerlonen en lage grondstoffenprijzen legaal zijn. En hieruit blijkt dat rechtmatigheid en rechtvaardigheid twee verschillende dingen zijn.

Hier vinden wij het normaal, ja zelfs noodzakelijk dat een kind naar school gaat. (Al zullen sommige kinderen het daar misschien niet altijd mee eens zijn). Kinderarbeid vinden we daarom moreel verwerpelijk.  Niettemin was in de 19e eeuw kinderarbeid  in ons land heel gewoon. Totdat de liberale(!) politicus Van Houten in 1874 een wet indiende ‘houdende maatregelen tot het tegengaan van overmatigen arbeid en verwaarloozing van kinderen’. Wat niet wegnam dat kinderarbeid toch bleef doorgaan omdat er weinig controle op werd uitgeoefend. Huishoudelijke arbeid en veldarbeid vielen sowieso al niet onder het verbod en kinderen van boven de twaalf jaar mochten wel te werk gesteld worden. Pas de invoering van de algemene leerplicht van 6 tot 12 jaar in 1900 bracht hierin verandering.

Dit voorbeeld illustreert duidelijk dat ons gevoel van rechtvaardigheid aan ontwikkeling onderhevig is. En dat houdt in dat het dat je daar in de politieke filosofie rekening mee moet houden. Een filosofie die dit niet doet is een ondeugdelijke filosofie en een politieke stroming die zich baseert op een ondeugdelijke filosofie is een ondeugdelijke politieke stroming. Politiek is een activiteit die dient om de dynamiek van een samenleving in een optimale vorm van rechtvaardigheid te laten resulteren. Je kunt daarom niet volstaan om terug te grijpen op gedachteconstructies die in de Verlichting werden geformuleerd over de oer toestand en het gedrag van de daarin levende mens. Die mens hebben we achter ons gelaten. Wij moeten voortdurend beseffen dat wij een tussenstadium zijn in een evolutionair proces dat leidt naar de sociale mens. Het is trouwens niet alleen de politieke filosofie waarin dit inzicht ontbreekt.

Waarom heet het eigenlijk liberalisme?
Het woord liberalisme is gebaseerde op het Latijnse woord voor vrijheid: libertas.
Liberalisme is dus te vertalen met vrijheidsliefde, vrijzinnigheid of zelfs vrijheidsstrijd. Het is een populaire term onder oprichters van politieke partijen. Wat voor partijen er dan ontstaan hangt af van het soort vrijheid dat men beoogt en wat voor middelen men wil gebruiken om die vrijheid te bewerkstelligen.

Toen ik noch niet zo lang bekend was in Aken, waar ik als toehoorder colleges volg, dacht ik een kortere fietsroute gevonden te hebben die wat minder druk was. Ik stuitte toen echter op een bord waarop een fiets was afgebeeld met het woord Frei er naast. Ik twijfelde; bedoelden ze hier mee vrij zoals wij dat gebruiken in ‘autovrije zondag’? Of bedoelden ze vrije toegang voor fietsen? Het bleek het laatste te zijn. Later zou ik op een van die colleges leren dat die twee gezichten van vrijheid door Isaiah Berlin als  negatieve vrijheid en positieve vrijheid zijn beschreven, waarbij dan de negatieve vrijheid  bestaat uit het vrij zijn of bevrijd zijn van iets en positieve vrijheid de vrijheid tot iets.
Dat is nog al een verschil, en dat betekent dat je onder de vlag van vrijheid alle kanten op kan. En je hoeft maar de beginselprogramma’s van twee politieke partijen die het woord vrijheid in hun naam hebben te bekijken om te zien wat vrijheid allemaal vermag.
En zo geschakeerd als het gebruik van het woord vrijheid is, is ook het palet van liberale stromingen.

Maar over welk soort vrijheid hebben de Urheber van het liberalisme het nu.
Het is dan gebruikelijk om terug te grijpen op John Locke maar soms gaat men nog verder terug te weten tot Thomas Hobbes, die zijn ideeën over de staat als noodzakelijk kwaad ontwikkeld op grond van een door hem geschilderde oer toestand waarin iedereen in oorlog is met iedereen, je dus altijd gevaar loopt en hij omschrijft het leven als ‘solitary, poore, nasty, brutish, and short’.  Dan is het nog beter vindt hij om te leven onder een heerser die een geweldsmonopolie heeft en zich daardoor kan opwerpen als beslechter van geschillen.

De bewoners van de vrijbuitersstaat leveren hierbij een deel van vrijheid (te weten die om elkaar te beroven en de koppen in te slaan) en krijgen daar een zekere mate van veiligheid voor terug.

Dit is een interessant gegeven, want die uitruil van individuele vrijheid tegen maatschappelijke zekerheid is iets wat in heel veel praktische politieke tot op de dag van vandaag een rol speelt. Of het nu gaat om de vraag hoeveel je van je verdiende geld inlevert aan de fiscus of om de vraag tot hoever een overheid zijn burgers mag  bespieden.
En je zou dus kunnen zeggen dat Hobbes als een soort proto-liberaal een vorm van negatieve vrijheid op het oog had.
Dat persoonlijke belang en de afscherming daarvan ten opzicht van de rest is een thema wat altijd in het liberalisme een rol is blijven spelen. Individuele vrijheid is een woord wat vaak in de mond genomen wordt, al laat men er als de eeuwen voorbij gaan steeds vaker op volgen dat dit natuurlijk niet de vrijheid van een ander mag beperken.

Het is goed zo’n uitspraak vanuit het perspectief van Isaiah Berlin te bezien. Die individuele vrijheid (ook vaak in een adem genoemd met individuele ontplooiing) is een positieve vrijheid. Een vrijheid tot, alleen begrenst door de aantasting van die vrijheid van iemand anders door de negatieve vrijheid van de ander dus.

Dit ligt wel ver af van dat mooie begrip van Hutcheson waarmee we begonnen, “the greatest happiness for the greatest number”.
Is het vreemd dat ik het liberalisme alleen maar kan ervaren als een bundel stromingen die in gradaties van bruut tot redelijk beschaafd zich bezighoudt met het verdedigen van het eigenbelang?

Gelukkig in Holset V; Drie culturen onder één dak

donderdag 24 oktober, 2013

Die drie culturen onder één dak hebben niets te maken met het drielandenpunt hier om de hoek en ook niet met de Euregio waar ze het hier vaak over hebben.

Het gaat over drie verschillende families bacteriën, die hier logeren en voor mij respectievelijk zuurdesem, yoghurt en zuurkool bereiden.
Het is een behoorlijk genoeglijke bezigheid om deze drie te onderhouden.
De zuurkool beestjes zijn het minst veeleisend. Eigenlijk hoef ik alleen maar te zorgen dat het waterslot op het zuurkoolvat gevuld blijft en dan moet er over nu een week of vier zuurkool zijn. Mijn moeder die in het land van de zuurkool bij uitstek opgroeide, citeerde wel eens een lokaal gezegde: Wer auf Gott vertraut, und sich Kappes klaut, der hat im Winter Sauerkraut.
Kappes is in het platduuts spitskool, maar ook hier in de buurt is het woord niet onbekend, Zoals Wikipedia zegt:
Mèt kappes wirt in deile van Limburg ‘ne sjpitskeuël bedoeld. ’t Woord kappes is aafgeleijd van ’t Latiense woord caputia of capitata wat keuël of “Witte keuël” beteikent.

In onze zuurkool is echter geen gewone spitskool gegaan maar Filderkraut. Dat is een variëteit waarvan de bewoners van het Fildertal nabij Stuttgart denken, dat hij het daar alleen maar goed doet.  Nou, dat is niet het geval. Hier heb ik ook Filderkraut gezaaid en dat werden forse kolen. Waarschijnlijk omdat het hier ook Löss grond is.
Dus stonden we op de dag dat daar het Filderkrautfest 2013 uitbundig gevierd werd hier ook kolen te schaven. Het vat van 16 liter dat wij in Beegden gekocht hadden, bleek een beetje te klein voor de 14,6 kilo kool, omdat we dachten dat 2 kilo kool geschaafd in 1 liter zou passen. Dus het is even afwachten.

De zuurdesem kolonie is een vastere klant. Dagelijks wordt deze bijgevoerd en ik heb nu een stabiele cultuur op roggemeel.
Het mooie van zo’n stabiele cultuur is dat hij steeds beter wordt. In het begin ruikt en smaakt hij alleen maar zuur, maar naar een week ontstaat er al een nootachtig bouquet.
De belangstelling voor zuurdesem ontstond omdat ik al jaren de ambitie had om een stokbrood te bakken zoals dat met name door God in Frankrijk bedoeld is, maar omdat dit een zeer lastig proces is schoof ik het voor me uit.
Het was me duidelijk een paar dingen essentieel zijn voor echt stokbrood. Bloem van harde tarwe zonder bijvoegingen, zuurdesem, stoom en geduld.
Op stoom na, allemaal schaarse producten. Uiteindelijk vond ik – nota bene in Rotterdam – een bakker die mij Tradition Française wilde verkopen en kon het experiment beginnen, en begon het het oefenen van zuurdesem en geduld.
Het eindpunt is echter nog niet bereikt. Wat ik maak ziet er uit als een stokbrood, ruikt als een stokbrood, heeft al enigszins de korst van een stokbrood, maar nog niet het kruim. Door stiekem wat gist te gebruiken komt er wel meer lucht in, maar dat mag officieel niet en in sommige dingen kan ik heel steil in de leer zijn.
Maar de vorderingen in het kweken van geduld zijn niet helemaal ontmoedigend. Soms denk ik wel eens , dat ik als ik nog heel lang leef, wel eens een ontspannen vriendelijke oude baas zou kunnen worden, maar ik vraag me af om de mensen me dan nog wel zouden herkennen.

Die yoghurtmakerij heb ik in Rotterdam ook al een tijdje bedreven, maar onlangs weer opgevat omdat er hier steeds vaker met muesli wordt ontbeten. En het kopen van yoghurt in een supermarkt een bezigheid is die me elke keer weer uit m’n humeur brengt, omdat het aanbod van 83 verschillende soorten yoghurt voor mij een symbool is van de verspillende waanzin van onze manier van produceren.
Rustig Beus. Daar heb je nu geen last meer van.

Het was weer even oefenen, voordat het werkte zoals ik wil. Wat ik geleerd heb, is dat je geen extra houdbare melk, Duitse melk of melk van de Aldi moet gebruiken. Misschien is het de microfiltratie, maar op de een of andere manier krijg je dan yoghurt waarbij de vaste stof zich splitst van de wei.
Wil je dikke yoghurt, dan moet je ook dikke yoghurt als starter gebruiken. Er zijn in Bio-winkels ook poedertjes te krijgen als starter, maar daar vragen ze vaak woekerprijzen voor.

Er zit nog een andere vrolijke kant aan het yoghurt verhaal:
Destijds (in de Rotterdamse tijd)  was ik tijdens een vakantie in Aken tegen een yoghurtmaak apparaat aangelopen van het merk Krups. Het is een thermostatisch geregeld warmhoudplaatje met zes potjes die zo groot zijn dat als je een zo’n potje met yoghurt toevoegt aan een liter melk je weer precies die zes potjes kunt vullen.
Nu dacht ik af en toe, als er maar nooit eens een van die potjes sneuvelt. En dat had ik misschien beter niet kunnen denken, want dat was precies wat er gebeurde.
Dus ik aan het rekenen, “vijfde zesde liter melk, dat is….” Kortom een heel gedoe, maar toen gebeurde het wonder: Ineens had ik weer zes potjes.
Dat gebeurde na een mysterie. Ik had een potje waarin bakgember had gezeten in de afwasmachine gezet en de volgende dag alleen maar het dekseltje teruggevonden. Alle huisgenoten die ik pleeg te beschuldigen als ik iets kwijt ben, ontkenden bij hoog en bij laag een glazen potje in de glasbak verzamel tas of erger gedaan te hebben, dus bleef de poes als enig verdachte over. Maar die zweeg ook in alle talen.

Een dag later zag ik het verband: Het gemberpotje was gereïncarneerd als yoghurtpotje!
Bewaren die dingen dus.
Vandaag was ik voor het eerst helemaal tevreden over de yoghurt. Gemaakt van volle melk, yoghurt op Turkse wijze en ik heb na het pasteuriseren van de melk twee eetlepels magere melkpoeder in de nog warme melk opgelost.

Al met al begint het leven hier behoorlijk te lijken op het leven zoals ik het me had voorgesteld.
Het is een dubbele herfst. Die van mijn leven en momenteel die van het jaar.

Buiten deze biologische dingen is er de afgelopen weken ook druk ingemaakt, gegeleert, gemoest, gedroogd en gebakken.
Wie die heerlijk kinderboekjes van de Bramenbuiurt serie kent, kan zich voorstellen welk gevoel zich in dit huis soms van ons meester maakt.

Niet beschrijvend ervaren; kan dat?

donderdag 17 oktober, 2013

Het is de meesten van ons maar zelden (en sommigen misschien wel nooit) gegund iets mee te maken waar je totaal in opgaat.
Ik bedoel een ervaring waarbij er geen scheiding meer is tussen jou en wat je meemaakt en wat of wie de aanleiding is tot die ervaring.

Wat wel met een beetje geluk redelijk vaak kan voorkomen is dat je zo in je bezigheden opgaat dat je de tijd vergeet, Een prettige ervaring die wel ‘flow‘ genoemd wordt. Maar dat is niet wat ik bedoel. Je bent dan nog bewust met het onderwerp van je bezigheden bezig, en dat kan van alles zijn van koper poetsen tot programmeren, van het tekenen van een duinlandschapje tot erwten doppen. Ondertussen weet je wel wat je doet. Neem je voortdurend beslissingen, maak je voortdurend bewuste keuzes.

Het gaat om meer. Ik zal proberen een paar belevingen aan te geven die in de buurt komen.
Dat je wandelt in het landschap op het schilderij dat je zo-even nog als toeschouwer aan het bekijken was.
Dat het toneelstuk of de film waar je naar het kijken was iets wordt wat zich nu afspeelt in het leven waar jij ook deel van uitmaakt.
Dat je de ik-figuur bent geworden in het boek dat je leest.
De momenten waarin je ontsnapt aan het toeschouwer zijn , maar dat je onderdeel bent geworden.

Afhankelijk van de situatie waarin dit gebeurt en de persoon die je bent kan zo’n ervaring een moment van vervoering opleveren, maar het kan ook een angstaanjagende ervaring zijn of een genezende, een troostende, of een verlichtende of iets tussen dit alles in. Het kan maken dat je je verbonden voelt met het heelal en dus eigenlijk net zo groot bent, of dat je zo klein voelt als een zandkorrel in een woestijn onder de sterrenhemel. Of dat je tot het onthutsende inzicht komt dat beide het geval zijn.

Maar al die belevingen hebben met elkaar gemeen dat je verbonden bent.

Nu is het, meen ik, een vrij algemene behoefte van mensen om ergens mee verbonden te zijn:
Met een ander persoon, met een groep, met een god, met een ideologie, of met een een andere abstractie zoals nationaliteit of cultuur. En het kan variëren hoe vaak en hoe lang en hoe diep we die verbintenis willen laten zijn.

Wat dat betreft vertonen we hierin het zelfde patroon als waar het gaat om onze behoefte aan vrijheid.

Dat is niet zo tegenstrijdig als het lijkt, want we hebben beiden nodig. Niet naast elkaar, maar om elkaar te ontdekken te ervaren en te waarderen.

En net als met vrijheid lukt het ons niet altijd om de gewenste vorm van verbonden zijn te bereiken.

Wat staat ons eigenlijk in de weg, waarom is zo’n onderdompelende ervaring niet op afroep beschikbaar?

Laten we eens wat proberen:

Ik vermoed dat er in elk geval twee belemmeringen een rol spelen: Onze taligheid en ons ik-bewustzijn.

De beschrijvende waarneming

We doen het gelukkig niet hardop, maar we zijn wel geneigd om onze omgeving waar te nemen als en verzameling of een stroom van objecten en/of processen. En vrijwel al die objecten en processen kunnen we van een of meer labels voorzien. We zien mensen, waarvan sommigen een naam hebben anderen geen naam maar wel herkend worden, sommigen een gekende functie hebben. We zien dingen met wisselende eigenschappen. Het kan hard of zacht regenen. Praktisch alles wat we zien heeft een naam, een betekenis een functie en kan een gevoelsmatige lading hebben: bruikbaar, nuttig, van mij of niet van mij, bereikbaar, nutteloos, bedreigend, onduidelijk, interessant.
Ons waarnemen is bewust,  benoemend en categoriserend. En daarmee beheren, zo niet beheersen we onze omgeving, en sluiten we ook verrassingen mij of meer uit.

Het Nederlandse woord tuin is afgeleid van het woord ‘tuun’ dat omheining betekende. Later is dat het woord geworden voor het gebied binnen die omheining.

Het ik kan je ook zien als een tuin.
Maar wat is ik eigenlijk? Het is de negatie van alles wat niet ik is. Van al het omringende. De wereld (ook wel de buitenwereld genoemd) is iets wat om je heen, buiten je zelf is.Het ik is dus een afgezonderd, omheind domein, waarbij het ons ontgaat dat dit omheinde tevens de omheining vormt, zo niet de omheining is.
Zolang we ik zijn, zijn we geen geheel met de rest.

Je mag dus veronderstellen dat er in ieder geval twee wegen zijn die je zou kunnen beproeven om dichter bij een onderdompelende ervaring te komen:
De taal het zwijgen op te leggen en je ik op stand-by te zetten.
Ga er maar aan staan.

De ironie van dit verhaal is dat het hierna probeert te beschrijven hoe je tot een niet beschrijvende vorm van waarnemen kan komen. Maar mime werkt nu eenmaal niet in dit medium.
Op en verjaardagsfeestje (als je daar ooit al komt) werkt de volgende techniek niet. Maar op een wandeling of tijdens een rustpauze in die wandeling valt het te proberen om je omgeving niet te zien als een landschap maar als een vorm of een verzameling vormen.

Als dat niet lukt, neem dan een kleiner stukje, een boom, een veldje, een stukje van een helling, of kijk naar de schaduwplekken tussen het gebladerte. Probeer je gevoel te verplaatsen naar die ruimtes die niet-boom zijn.
Stilte om je heen zal hierbij helpen, zoals stilte überhaupt helpt.
Lastiger is het om de ik-illusie uit te schakelen. Zeker omdat wij mensen het idee hebben dat wij dat ik zijn. Dus als dat ik verdwijnt, we er zelf ook niet eer zijn. Dat zou bijna zoiets zijn als sterven.
Maar dit is een zelfbegoocheling. Als de ik-gewaarwording verdwijnt, verdwijnt alle maar de heg om de tuin. Maar de tuin is er nog steeds, alleen het is niet meer zo duidelijk waar die ophoudt en de natuur begint.

Niet te min valt het niet mee om dat ouwe trouw  af en toe wat opdringerige ik in de pauzestand te zetten. Het is denk ik ook niet iets wat je van de ene op de andere dag zal lukken.

Wat misschien zal helpen, is om aan die tuin metafoor te blijven denken.
Of je kunt proberen de ruimte in dat beeld te vervangen door de tijd.
Jouw tuin is dan jouw leven; een stukje in de tijd.

En hiermee zijn we terecht gekomen in het vorige artikel.
Als je jouw leven sub species aeternitatis beziet, is de heg van de tuin.
Het hek van de dam.

Ooggetuige van de schepping

woensdag 3 juli, 2013

De eerste scheppingsdag, het ontstaan van hemel en aarde, duurt nu al 13.810.000.000 jaar en we weten nog steeds niet of het ochtend of middag is.

Het is met dit soort hybride constateringen dat iemand moet omgaan die astrofysica en christelijke overlevering met elkaar probeert te verzoenen.
En eerlijk gezegd kan ik niet geloven dat er mensen zijn die werkelijk deze twee visies op het bestaan kunnen verenigen.
Dit komt niet omdat ik geen begrip kan opbrengen voor religie.
Ik begrijp de behoefte aan religie heel goed vanuit mijn eigen onderzoekingen naar de essentie van het bestaan en de raadselachtigheid daarvan, die niet te ontlopen schijnt te zijn.

Nee, waar ik niet bij kan, is dat iemand die zich bekend heeft tot de logische discipline die wetenschap in haar beste vorm kenmerkt, zo’n luie oplossing als religie voor alles wat nog niet verklaard is kan accepteren.
Ik wil allerminst beweren, dat iemand die een godsdienst aanvaardt voor een makkelijke manier van leven kiest. Misschien wel in tegendeel. Maar ik vind wel dat hij of zij filosofisch tekortschiet door voor alle nog niet (of misschien wel nooit) logisch te beantwoorden vragen met één containerverklaring te komen.
Maar bovenal verbaas ik me over de manier waarop ‘de mensen van het Boek’ over de schepping denken.
OK op een paar zeer orthodoxe stromingen na, wil de gemiddelde christen wel toegeven dat het scheppingsverhaal zoals opgetekend in Genesis een metafoor  is, maar zij gaan wel uit van een door God voltooid werk. En in dat woord voltooid zit bij mij de kern van mijn onbegrip.

Wanneer ik hier en in de titel het woord schepping gebruik voor de ontwikkeling van het heelal en omstreken en alles wat zich daarop -in, -boven of -onder bevindt, dan is dat omdat dit nu eenmaal een ingeburgerd begrip is. Ik zelf zou dit woord echter liever niet gebruiken omdat het het optreden van een schepper veronderstelt en bovendien uit de geschriften bekend is als iets wat voltooid is. In plaats daarvan zou ik liever over de wording spreken.

Dat de joden, christenen en moslims wél uitgaan van een voltooide schepping is begrijpelijk als je bedenkt dat zij die schepping zien als het werk van een almachtige en tevens onfeilbare god.
Het zou niet passen om een dergelijke schepper te zien als een werker die continu bezig is aan een werk waarvan het einde niet in zicht is en het eindresultaat onbekend.
Nee het werk van een onfeilbare kracht kan niet anders zijn dan volmaakt. In één woord: af.

Als je nu terugkijkt naar de tijd waarin de grote monotheïstische godsdiensten zijn ontstaan, en daarbij in ogenschouw neemt dat de mensen het niet zichtbare meestal proberen te beschrijven met metaforen uit de zichtbare wereld, dan is het niet verrassend dat de Almachtige wordt aangeduid met termen als de Koning der koningen of de Heer der heren. (zie Daniël 8 :25, 1Timotheüs 6:15, Openbaring 17:14, 19:16).

Die metafoor werkt trouwens naar twee kanten:
De toenmalige wereldlijke heersers waren niet de onschuldige lintenknippers van nu, die voorzien in de spirituele behoeften van operetteliefhebbers. maar autoritaire figuren die met harde hand de wetten handhaafden waar zij zelfs boven stonden, zoals de almachtige ook boven de natuurwetten stond als dat zo uitkwam.
Het kwam dus goed uit om hun macht te ‘legitimeren’ door zich zelf als uitvoerder van god’s wil te presenteren.
En zo evolueerde het christendom in Rome in de kortste keren van vervolgde sekte tot staatsgodsdienst die geen andere geloven naast zich duldde. En tot op de dag als vandaag kan het dus dat Guantánamo Bay gevestigd is in een voorpost van Gods Own Country, terwijl de Westbank en de Gazastrook tot het toen al Beloofde Land van het Joodse Volk behoren, zijn de Britse monarchen Verdediger des (inmiddels aangepaste) Geloofs, en zal de Gratie Gods er t.z.t. voor zorgen dat het nageslacht van de huizen Von Lippe Bisterfeld en Zorreguieta de Nederlandse Troon zal bestijgen.

Het is eigenlijk ook niet zo heel opmerkelijk, dat de opkomst van het monotheïsme (lees de alleenheersende goden) gepaard ging met grote geopolitieke ambities uitmondend in een profeet die tevens veldheer was, een Heilig Rooms Rijk, kruistochten kortom tot conflicten die tot op de dag van vandaag levens verwoesten en ons denken vergiftigen.

Je kunt dus zeggen dat de omhelzing van kerk en staat, of op z’n minst de vermenging van religie en politieke ideologieën niet bepaald in het voordeel van de rechten van de mens hebben gewerkt.
Je zou je dus kunnen afvragen als het monotheïsme niet beter had kunnen ontstaan in een tijdperk waarin de politieke en bestuurlijke ontwikkeling verder gevorderd was. Laten we zeggen in een goed functionerende democratie, waarin ook wat meer inzicht bestond in de oorzaken en wetmatigheden van wat wij om ons heen waarnemen.
Maar vraag je je dan meteen af, zou er in zo’n tijdperk dan nog wel behoefte zijn aan een autocratische religie?

Als de behoefte aan religie alleen zou voortkomen uit een zoektocht naar de onzichtbare hand die de sterren beweegt, dan is die kans natuurlijk klein. Maar de behoefte aan religie is niet alleen terug te voeren tot het zoeken naar dat antwoord. Religie ontstaat misschien nog wel meer uit een behoefte aan transcendentie.
Het is echter te eenvoudig om die behoefte aan transcendentie te reduceren tot het hebben van moeite met de eigen eindigheid.
Maar het gegeven dat wij slechts een korte tijd getuigen zijn van ‘alles wat er is’ en verstoken zullen blijven van ‘alles wat er mogelijk zal zijn’ zal bij de denkende en voelende mens al gauw de vraag oproepen wat daarvan de consequenties zijn.
Het antwoord hierop kan zijn zich een deur te denken die toch toegang biedt tot het ‘namijmaals’.  Of te kiezen voor de spanning tussen het gezichtspunt van een groter geheel en het besef van eigen eindigheid.
De stap om naar het eigen leven te kijken in het licht van het voortdurende (wellicht eeuwige) wat door Spinoza ‘sub specie aeternitatis’ is genoemd is voor veel filosofen, maar ook voor veel mensen zoals jij en ik aanleiding geweest om over de zin en invulling van het eigen leven na te denken.
Wat de uitkomst van die gedachtegang is verschilt per filosoof. Er zijn er die tot de conclusie komen dat vanuit dat perspectief bezien elke persoonlijke overweging, elke persoonlijke handeling onbetekenend is, terwijl anderen dat juist ontkennen.

Een prettig leesbare samenvatting hiervan is te vinden op
http://www.tandfonline.com/doi/pdf/10.1080/00048402.2010.527354
Iddo Landau (2011): The Meaning of Life Sub Specie Aeternitatis, Australasian Journal of Philosophy, 89:4, 727-734.

In dit artikel wordt onder meer verwezen naar Thomas Nagel die tegenover sub specie aeternitatis het perspectief  sub specie humanitatis stelt. Dus vanuit het zicht van de mens (of de mensheid, dat is niet helemaal duidelijk).

Het eerste perspectief zijnde: van buiten af, objectief, afstandelijk en onpersoonlijk – het tweede van binnen uit, subjectief, betrokken en persoonlijk. En hij zegt dat die twee benaderingen met elkaar conflicteren.

Daar valt wel een en ander tegen in te brengen:

In de eerste plaats is de constructie van die externe, objectieve, afstandelijke onpersoonlijke blik een product van de interne, subjectieve, betrokken, persoonlijke geest van de tot de mensheid behorende heer Nagel.
Maar er wringt bij mij nog iets meer:

In de filosofie colleges die ik de afgelopen semesters op hoge leeftijd (75+) als toehoorder gevolgd heb, ben ik zonder voorafgaande scholing midden in zo’n leergang gevallen en heb ik natuurlijk heel wat moeten naslaan om me de strekking van vele gebezigde termen eigen te maken.
Maar ik heb daarbij ontdekt, dat ook dit nadeel (zoals een bekende Amsterdamse filosoof al stelde) zijn voordeel heeft.

Zonder beïnvloed c.q. geïmponeerd te zijn door erkende filosofen, heb ik in mijn bestaan een eigen visie op het ‘er zijn’ kunnen ontwikkelen.

De confrontatie van deze amateur bevindingen met het grote werk leverde heel af en toe “zèg ik” ervaringen, maar veel vaker “Oh, zit dat zo” of “Nou snap ik het” ervaringen op.

Maar er bleven twee dingen schuren.
Ten eerste, de neiging om antwoorden te zoeken van binaire aard:
Iets is wel waar of niet waar. Iets bestaat wel of niets.
Terwijl antwoorden met woorden als ‘ten dele’ of ‘soms’ of ‘dat ‘hangt er van af” als zijnde niet filosofisch worden afgewezen.

Ook de categorie ‘niet (door mensen) beantwoordbare vragen’ wordt ontkend of naar de afdeling kennistheorie (een soort asielzoekers opvangcentrum van de filosofie) verwezen.
Het tweede wat mij opgevallen is dat er toch wel heel sterk vanuit en over de individuele mens gedacht wordt, en de mens niet gezien wordt als een momentopname van een biologisch, cultureel en historisch proces. Als een neuron van en zich ontwikkelend collectief brein.
Een verschijnsel dat voortgekomen is uit de oerknal en opgevat kan worden als materie die (zich) een bewustzijn ontwikkelt.
Iets wat me zelfs sub specie aeternitatis een behoorlijk spectaculaire ontwikkeling lijkt!

Het mag dan zo zijn dat het wel of niet bestaan van één individu een minimale of helemaal geen invloed zal hebben, het bestaan van de mensheid in zijn geheel heeft dit wel. Ook al zal dat in strikt materiële zin een kleine invloed zijn.
We zullen wellicht de baan van een meteoriet kunnen veranderen, maar niet van een planeet, ster of zonnestelsel.
Maar het toevoegen van bewustzijn aan de materie is wel iets waaraan wij gezamenlijk deelnemen of bijdragen.
De tweedeling van Nagel, is dus niet meer dan een tegenstelling van twee vooringenomenheden.

Betekent dit nu ook iets voor het individu?
Ik denk van wel. Immers, de mensheid bestaat bij de gratie van a) alle mensen en b) hun interactie.
Het scanderen van “Wir sind das Volk” heeft de muur doen instorten. En elk van die dappere mensen die besloot om hier aan mee te doen heeft door dit besluit het bestaan van de vrije wil aangetoond, heeft het rechtsgevoel laten zegevieren over de angst voor mogelijke gevolgen, heeft zijn eigen belang ondergeschikt gemaakt aan een groter doel en heeft zo meegeschreven aan een positieve episode van de geschiedenis der mensheid.

Het aantal mensen dat meedeed was doorslaggevend voor het resultaat, maar dat aantal bestond uit al die individuen die die eenzame beslissing namen.
De mensheid bestaat uit alle mensen te samen en hun interactie. Dat betekent dat ieder individu een even belangrijke rol speelt. Ook niets doen is bepalend voor het eindresultaat.

Wie nadenkt over de zin van zijn bestaan, denkt dus ook na over de bestemming van de mensheid.
Alles wat wij doen en laten bepaalt mede het eindresultaat. Weliswaar niet in die mate dat dat wij het kunnen meten. Maar hoewel ons leven te kort is om het eindresultaat te kennen is het lang genoeg om ontwikkelingsrichtingen te kunnen onderscheiden en de richting van ons eigen streven te kunnen bepalen.

Dit besef is een realistisch transcendentie besef. Het geeft ook een nuchter antwoord op de vraag of er leven is na de dood.
Natuurlijk is dat er. (Tenzij jij toevallig de allerlaatste mens bent). Juist dat ‘najoumaals‘ is de zin van jouw hier en nu.

De troost voor de eindigheid van jouw leven is dat je het geluk hebt gehad dat de atomen en moleculen waar jij uit bestaat, in die tijd niet in een plant, een waterval of een stationsgebouw terecht zijn gekomen. Maar terecht zijn gekomen in een constellatie die bewust is en kan waarnemen, denken en genieten. Misschien wel van stationsgebouwen.

Maar door dat bewust zijn mee kan doen aan de voortzetting van wat mensen vroeger en sommigen nog steeds de schepping noemden.

En hier mee hoop ik de tegenstelling tussen aeternitas en humanitas te hebben opgeheven.

Religare noemen ze dat geloof ik.