Posts Tagged ‘geluk’

Monumentje voor Waldie van Eck

zondag 18 november, 2007

Terugdenkende aan de tijd dat ik een jonge man was (ergens omstreeks het Carboon dus), en een lange reeks van liefdes en verliefdheden mijn leven zoet dan wel droevig maakten, realiseer ik me, dat opvallend veel bibliothecaressen een rol in mijn leven speelden.
Nu zullen er misschien mensen zijn die denken, nou, die man viel gewoon op bibliothecaressen. Maar dat is onzin. Bibliothecaressen zijn alleen een type in slechte films en tv-series.
Al moet ik toegeven dat er wel iets bijzonders aan hun vak is:
Zij hoeden, beheren en verspreiden het woord.
Een soort priesteressen zijn het dus eigenlijk wel.
Dat is weliswaar een nog al romantisch beeld, maar wat zou mijn leven zijn zonder romantische beelden?
Wat misschien wel een rol speelt, is dat ik – toen ik nog zo klein was dat verliefdheid nog geen rol speelde en ik het woord nog niet eens kende een bibliothecaresse al grote indruk op mij maakte.
Het was juffrouw van Eck. (Ze stond er op dat je juffrouw zei, in plaats van mevrouw).
Zij beheerde het filiaal Molukkenstraat van de Amsterdamse Openbare Leeszaal en Bibliotheek.
Ik kon nog niet lezen, toen ik daar voor het eerst kwam. Maar mijn moeder las graag en las ons ook voor en vertelde ook na uit boeken die ze bij de ‘bieb’ in de Molukkenstraat haalde.

Voor juffrouw van Eck was het geen bezwaar dat ik niet kon lezen, die eerste keer dat ik daar kwam. Ze haalde een sleutel te voorschijn, opende daarmee de deur van een ondiepe kast en pakte daar twee boeken uit, die ik mocht lenen.
Er stonden wel wat letters in, maar het belangrijkste van die boeken waren de illustraties.

Moeder las ze natuurlijk vele malen voor, terwijl ik de platen bekeek en als ik me goed herinner heetten ze “Hansje in het Bessenland” en “De Wortelkindertjes”.
Het eerste vond ik geloof ik het mooist.
De illustraties – zoals ik me die nu tenminste herinner – kan ik het beste omschrijven als ‘Rie Cramer-achtig’.
In die tijd moet mijn latere waardering voor de Prerafaelieten geworteld zijn en ook mijn thans nog geldende voorkeur voor mauve-achtige- blauwgrijze- en leverkleurige tinten, fluwelen grijzen en nuances van abrikoos.

Later, veel later, is het tot me doorgedrongen dat dit boeken van juffrouw van Eck zelf waren.
Ik weet niet wat ze gezegd heeft toen ik die boeken meekreeg, en of ik wat terug gezegd heb. Waarschijnlijk niets, want ik was in die tijd zo verlegen als de introvertste onder de muizen. Al zal mijn moeder me wel geprompt hebben met een watzegjedan.

Maar het zaad was gezaaid. Ik was hooked and booked. Een druksverslaafde voor het leven.

Ik herinner me juffrouw van Eck als een rijzige vrouw, maar dat zegt niets, want ik heb de neiging mensen waar ik ontzag voor heb ook groot te zíen.
Zij arriveerde bij de bieb kaarsrecht gezeten op een fiets met hoog stuur en ik denk dat dat ook dat beeld van haar versterkte.

De taal die zij gebruikte, was heel ongewoon voor ons. Niet omdat het prachtig verzorgd Nederlands was, dat hoorde je ook wel op de radio. Maar ze had soms iets theatraals in haar dictie. Vooral als het om dingen ging die haar emotioneel raakten.

Wij vonden dat een beetje raar. En thuis imiteerden we haar ook wel, maar ik had daar wel een dubbel gevoel bij. Het was toch een licht gevoel van verraad, wat ik toen niet- maar nu wel begrijp.

Ze kon vertellen hoe ze door een boek meegesleept was, hoe ze haar ontbijt vergat, de lunch vergat en maar las, maar las, de nacht kwam en maar door las.
Een ervaring die ik later herkende toen ik aan romans toe was.
Toen ik inmiddels een jaar of zeventien was en een boek van Du Perron leende, vertelde ze me hoe ze in het begin van de oorlog had moeten vernemen dat Ter Braak zelfmoord had gepleegd en in die zelfde dagen Marsman om het leven kwam omdat de boot waarop hij hoopte te ontkomen getorpedeerd werd. En ik zag hoe de tranen haar in de ogen sprongen.

Het was weer zo’n sleutel ervaring. Dat je zo betrokken kunt zijn bij een schrijver die je niet persoonlijk kent. Dat die blijkbaar door zijn werk een deel van je leven is geworden. En dat zij mij, een jochie van 17, belangrijk genoeg vond om mij te deelgenoot te maken van die beleving.
Ze liet me groeien. En ik hoop maar dat er nog steeds zulke bibliothecaressen zijn die in volksbuurten jochies als ik een zetje geven.
Juffrouw van Eck schroomde niet om je leesgedrag te sturen. Ze beval je niet alleen maar boeken aan, maar ontraadde ze soms ook. “Oh nee meneer, dat is helemaal geen boek voor u”, meende ik haar ooit eens te hebben horen zeggen. Maar ik zelf had alleen maar plezier van haar coaching.
Voor mij was De Gids  niet een literair tijdschrift, maar een levende persoon.

Toen ze merkte dat ik niet alleen maar de Anton Wachter romans, maar alles van Vestdijk wilde lezen, wees ze me op het bestaan van Swordplay Wordplay een kwatrijnen battle tussen Vestdijk en Roland Holst en leende ze dat voor me in de hoofdvestiging.
Bij een andere gelegenheid vertelde ze me over een ontmoeting met Nescio, waarbij die vertelde dat hij als kind (net als mijn vader overigens) gespeeld had op het driehoekige veldje aan de Pontanusstraat. En dat dat zijn eerste dichtregel had opgeleverd:
Ik en Jaapje
speelden schaapje
op een veld vol koeien….

Het p-woord mocht een kind niet hardop zeggen.

Omdat ik me niet kon voorstellen dat juffrouw van Eck alleen in mijn herinnering sporen achtergelaten had, zocht ik al eens op het internet naar vermeldingen over haar, maar ik vond niets omdat ik dacht dat haar voornaam met y geschreven werd. Maar als je op Waldie van Eck zoekt blijkt dat ze schreef en vertaalde en betrekkingen onderhield met de Wereldbibliotheek en de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde en ooit met Sinterklaas een boekje met opdracht van Nico van Suchtelen kreeg.
Ik zal vanavond een kaarsje voor haar branden.

Naschrift 2010:

Inmiddels ben ik er achter gekomen dat beide boekjes nog wel eens herdrukt zijn, maar inmiddels is De Wortelkindertjes  al weer uitverkocht. Het boekje wordt nog wel tweedehands aangeboden. Hansje in ’t bessenland is nog wel verkrijgbaar in de boekhandel. Kwam te laat voor mijn kinderen, maar gelukkig wel op tijd voor mijn kleinkind.

Hieronder een pagina uit de wortelkindertjes:

mailtobutton

Rare vraag eigenlijk; wat is de zin van het leven

donderdag 25 oktober, 2007

Rare vraag eigenlijk; “Wat is de zin van het leven?”, of zoals sommige mensen zeggen, “Wat is de zin van het bestaan?” En vaak schrijven ze dan de zelfstandige naamwoorden in die zin nog met een hoofdletter.
Blijkbaar gaat de vraagsteller er van uit dat er een zin is, maar dat hem of haar onthouden is wat die zin is.
Het zij met opzet, dan wel door een slordigheid of misverstand.

Opzet of nalatigheid van wie?
Wie het weet mag het zeggen.
Voor je fysieke bestaan zou je je ouders aansprakelijk kunnen stellen, maar voor de zin van dat nieuwe leven kun je ze toch moeilijk verantwoordelijk houden.

Omdat die zinsvraag zo vaak terug blijft komen, zijn er blijkbaar mensen die in een algemene of hogere zin geloven, die voor alle mensen zou gelden. Een overtuiging die vaak gekoppeld is aan het geloof in het bestaan van een zingever.
Ik ken die overtuiging onvoldoende, om te weten of men dan ook denkt dat er een zin is van het leven van elke hond, zijderups of pantoffeldiertje.
Het moet voor die mensen een lastig idee zijn dat degene die die hogere zin ontworpen heeft, hen zo in onzekerheid laat over de inhoud ervan.
Want erg eenduidig zijn de heilige boeken hier niet in.

Neemt niet weg dat het woord “zin” bestaat en dat dat woord in het dagelijkse leven veel praktische gebruiksmogelijkheden kent.
Heeft het zin uitgebreid te stofzuigen op de dag dat je voor twee weken met vakantie gaat?
In beide gevallen kom je terug in een stoffig huis.
Heeft het zin om een nieuwe versnellingsbak te laten zetten in een auto die misschien nog maar een paar jaar mee kan?
Daar kunnen we allemaal zelf over nadenken.
Zin is dus een product van het menselijk bewustzijn en de zin of onzin van de gemaakte keuze hangt dus af van de vraag in kwestie en de persoon die de keuze maakt.

Dat wat betreft de zin. Nu nog het leven.
Over welk leven hebben we het dan?
Zoiets als Het Leven, zou alleen kunnen bestaan als er zoiets was als De Mens c.q. Het Pantoffeldiertje.
Je hebt tenslotte ook mensen die denken dat er zoiets als De Nederlander bestaat.
Er zijn zelfs anthropotecten geweest die zo’n type dachten te kunnen maken.
De Sovjetburger en de Uebermensch waren daar de meest recente voorbeelden van. Maar die ontwerpers waren zulke akelige lieden dat we ze maar verder buiten onze discussie houden voor we pijnlijke vergelijkingen gaan maken.

Waar mensen zich eventueel wel op kunnen bezinnen (let op dat laatste woord) is wat de zin is van hùn leven.
Wellicht heeft niet iedereen daar behoefte aan. Misschien zijn er wel mensen die het leven beschouwen als een enorme flipperkast, waarin zij de bal zijn, en vinden ze dat hartstikke spannend.

De meer beschouwelijke types zullen iets moeten doen om de zin van hun leven te bepalen.
Ik denk dat daarvoor in principe twee hoofdwegen te bewandelen zijn:
Je zou de zin van jouw leven kunnen proberen te vinden. Of je kunt proberen die er zelf aan te geven.
Er zijn mensen die denken dit laatste het beste te kunnen doen door hun leven grotendeels te wijden aan een bepaald doel. Sommige spreken ook van een roeping.
Eerlijk gezegd weet ik niet precies wat ik met dat idee van roeping aan moet.
Er zou dus een externe roeper moeten zijn die bepaalde mensen wèl en anderen niet van een zingeving voorziet.
Dat lijkt me iets voor de Commissie Gelijke Behandeling.

Waar ik nog steeds een beetje over twijfel is of er een fundamenteel verschil is tussen het zoeken naar- en het geven van een zin aan jouw leven.
Veel lezen en nadenken (en voor mij ook schrijven, want dat dwingt me tot eerlijkheid) kunnen je brokstukjes opleveren waaruit een perspectief ontstaat, waarin jouw leven een logisch aandoende plek of rol lijkt te hebben.

Heb je dan de zin van je leven gevonden, of heb je jouw leven zin gegeven?

mailtobutton

Over geluk en over werken II

zaterdag 3 maart, 2007

De laatste week van 2006 hoorde ik ’s ochtends op weg naar mijn werk een uil drie keer roepen, maar verder is er niet veel te beleven tijdens die donkere tochten in deze tijd van het jaar.
Als het lichter wordt breekt het seizoen van de dagelijkse vakantie weer aan. Er is dan altijd wel iets wat anders is.
De planten en bomen, de lucht en de aanblik van de Rotte, die ik vrijwel dagelijks kruis en vervolgens een stukje volg.
Het eerste stukje van de route is niet bijster opwindend. De wijk waar wij wonen en die ik wel eens met Saaiwijk Noord aanduid, is per saldo een bijzonder aangename wijk om te wonen. Praktisch geen graffiti, relatief weinig kerstdecoraties aan de gevel, alleen een onaangenaam hoog aantal Leefbaar Rotterdam kiezers.

Na één kilometer echter kruis ik een drukke verkeersweg met alle grootsteedse parafernalia die er te bedenken zijn:
Woonmall, lichtmasten, energiecentrale, spoorweg viaduct en even verderop een oprit naar de A-zoveel. Naar mijn smaak zijn dit eerder infernalia, maar toch voel ik me altijd lekker als ik daar (maximaal 2’20“) voor het rode licht sta te wachten.
’s Winters ben ik dan net op temperatuur, ’s zomers kan ik daar als ik vroeg ben verderop 4 tot 7 haasjes verwachten, waarvan één zwart en elke dag dat ik die zwarte zie denk ik dat ik nou eindelijk eens een keer moet uitzoeken of dat eigenlijk wel kan wat ik zie, een zwart haasje.

Maar de belangrijkste bron van dat prettige gevoel is dat ik me realiseer dat ik werk, dat ik er bij hoor, dat ik nuttig ben, dat ik behoor bij die groep van mensen die voor dag en dauw hun huis uit gaan om iets te produceren wat andere mensen nodig kunnen hebben. Ik werk dus ik ben.

Het werk wat ik nu doe verschilt sterk van wat ik vroeger deed. (Dat is trouwens ook al direct voelbaar bij het tikken van dit stuk, omdat ik gister bij het doorzagen van een PVC leiding per ongeluk ook een vingertop inzaagde).
Maar, wat ik vroeger deed wilde ook wel eens variëren:
Afgezien van wat korte baan werk was ik bezig als boekverkoper, documentalist, journalist, kinderoppas, docent, voorlichter en automatiseerder en voor het grootste deel speelde zich dit af buiten het terrein waarin ik een volledige vakopleiding volgde; de grafische techniek.

Toen ik bij mijn eerste pensionering op mijn loopbaan terugkeek bleek er echter wel een rode draad door mijn wisselvallige bezigheden heen te lopen: het ging altijd over het overdragen van informatie.

Die rode draad is in mijn huidige werk niet meer te vinden. Het enige rode is daar het eindproduct. Ik werk namelijk in de glastuinbouw. Bij een mooi bedrijf dat tomaten teelt.
Nu, na vijf jaar heb ik wel wat opgestoken van de tuinbouw, maar ik kwam daar als een onbeschreven blad. Heel erg was dat niet omdat ik maar nauwelijks bij de teelt zelf betrokken ben. In het begin deed ik veel schoonmaak werk, maar geleidelijk is het accent meer komen te liggen op onderhoud en reparatie.

Nu heb ik ook geen vakkennis op het gebied van techniek, maar hoe het komt weet ik niet, machines zijn altijd aardig voor me. Als ik ze open schroef openbaren ze me meestal hun innerlijke logica en in acht van de tien gevallen lukt het me ze weer aan de praat te krijgen, zoals me dat ook met computers in de meeste gevallen lukt.

Als het me lukt om iets te repareren kan m’n dag niet meer stuk. En het is helemaal kicken als het me lukt met onderdelen die eigenlijk niet bedoeld waren voor de toepassing die ik ze nu geef. Wat ik namelijk genetisch van mijn vader meegekregen heb, is de gewoonte om alles ‘wat nog wel eens bruikbaar zou kunnen zijn’, te bewaren. En dat combineert weer mooi met de genengift van mijn moeder om dingen onorthodox te gebruiken.
(Toen mijn zuster ziek was en niet op de tocht mocht liggen, en wij maar niet leerden om de deur achter ons dicht te doen, construeerde zij uit een stuk je touw, twee schroefoogjes en een combinatietang ingenaaid in een zakje een dranger).
Nu ik toch afdwaal:
Mijn oudste zoon is zich in het kader van zijn studie aan het verdiepen in taalfilosofie en stuitte op het woord ‘ontologisch’ en omdat ik dichter bij was dan de Van Dale vroeg hij mij wat dat betekende. Leek hem sneller.
Ik had er echter meer woorden voor nodig dan het woordenboek. Ik stelde het ook tegenover ‘teleologisch’, dus wezenskenmerken tegenover gezien in het licht van de bestemming.

Ik kwam er op dat moment niet op, maar zijn oma’s benadering van de combinatietang zou een prachtig voorbeeld zijn geweest.

Wat me trouwens opvalt, als ik over mijn werk praat, is dat nog al wat mensen een negatief beeld van de glastuinbouw hebben. En ook dat ze vinden dat tomaten nergens meer naar smaken.
Nou dan hebben die mensen òf al 15 jaar geen tomaten meer gekocht, òf ze bewaren ze in de koelkast, òf het zijn rokers.
En wat de milieubezwaren die men aanvoert: die slaan in elk geval niet op het bedrijf waar ik werk:

De elektrische energie die daar gebruikt wordt, komt van een een met andere bedrijven gezamenlijk geëxploiteerde warmte kracht koppeling die dus zowel warmte als stroom levert.
De CO2 die daarbij onstaat wordt aan de planten gevoerd, die daarvoor weer zuurstof en tomaten voor teruggeven.
Mooi toch?

Plagen worden er vrijwel volledig biologisch bestreden en een vernuftig systeem van bovengrondse èn ondergrondse wateropslag (niet op z’n Almeers, maar netjes met alle vergunningen) zorgt er voor dat er maar zelden leidingwater gebruikt wordt.

Grapje van het lot.

Juist toen ik deel I in mijn hoofd rond had en dacht ‘vanavond maar eens gaan schrijven’ gaf mijn fysiek een hikje, waardoor het leek dat werken voorlopig even van de baan zou zijn. Maar gelukkig bleek het een hikje van voorbijgaande aard te zijn.
Toen aflevering twee in handschrift klaar was en ik bedacht ik dat ik de tekst maar eens in moest gaan kloppen, zag ik me genoopt zelf te stoppen.

Het veel goedkopere uitzendbureau waar ik naar verhuisd was bleek zo goedkoop te kunnen zijn door de CAO te ontduiken.
Dat flik je een vakbondslid niet. Dus kreeg ik de FNV onmiddellijk achter me. De uitzendmeneer krabbelde terug en betaalt alsnog mijn vakantie-uren, maar aan mij zal hij niets meer verdienen.

Ik zoek dus ander werk!

Mijn loopbaanbeschrijving (CV) staat hier

Over geluk en over werken I

zondag 17 december, 2006

Als je geluk ziet als behagen scheppen in je bestaan, dan is het niet zo vreemd dat voor iemand met de lijfspreuk “Je bent wat je doet” werken en geluk veel met elkaar te maken hebben.
Immers als zijn en doen sterk verbonden zijn dan is behagen scheppen in het zijn, sterk afhankelijk van de kwaliteit van het doen.
In een eerdere levensfase heb ik ook wel eens geopperd: “Werken is liefde, liefde is werken”.
Dat is een tamelijk drastische uitspraak, maar ook nu kan ik er eigenlijk niet zo heel veel tegen in brengen.
Ja, je zou kunnen zeggen: “Net had je het nog over geluk en werken en nu heb je het over liefde. Waar gaat het nou eigenlijk over?”
Hier, in dit verband bedoel ik met zijn en bestaan niet de van buiten af ervaren stoffelijke aanwezigheid van iets of iemand, maar de van binnenuit ervaren bewuste eigen aanwezigheid.
Wanneer je daarbij tot de grenzen van je eigen bewustzijnsmogelijkheden gaat, doemt daar bij de onpeilbare complexiteit en onwaarschijnlijkheid van het bestaan van ‘alles’ en in het bijzonder van jóuw aanwezigheid daarbij op.
En voor het beschrijven van het daarbij horende gevoel, behoren voor mij dan termen als geluk, liefde en dankbare verwondering tot de minst onbeholpene om die staat van alomvattende aanwezigheid te beschrijven.
Komt nog iets bij. Het perspectief.
Ik weet niet precies wanneer het gebeurde.
Het moet ergens in de oorlogsjaren zijn geweest. En als oudere mensen dat zeggen, dan hebben ze het over de tweede wereldoorlog.
In die tijd woonden wij in Amsterdam, in de Indische buurt. En op zaterdagavond gingen wij – de kinderen – één voor één in bad.
Dat bad was een verzinkte wasteil, die gevuld werd met warm water. Dat kwam in die jaren nog niet rechtstreeks uit de kraan, althans niet in de arbeiderswoningen in de Palembangstraat, maar werd per pan en fluitketel op het gasstel aangemaakt.
Na het bad werden de haren (enigszins hardhandig, vond ik) gekamd, werd een schone pyjama aangedaan, en wilde onze moeder nog wel eens iets voorlezen of navertellen uit een boek dat ze uit de Openbare Leeszaal en Bibliotheek in de Molukkenstraat had gehaald.
Ik denk dat die avonden tot de rijkste en gelukkigste momenten uit mijn jeugd behoren.
We zaten in de keuken, de wanden en de ramen nog beslagen van het koken van het badwater.
De keukenmuur was tot op twee derde van de hoogte geel geschilderd en daar boven gewit.
In de condenslaag op het geverfde deel kon je met je nagel tekenen. Koersen uitzetten tussen de eilanden in de verflaag die daar als archeologische sporen van vele opknapbeurten zichtbaar waren. En ondertussen vertelde mijn moeder.
Op een keer had ze een boek over het wereldruim meegebracht. Ik geloof dat het “De sterrenwereld in een notedop” heette.
Dat was het moment dat het begrip oneindigheid in mijn leven werd gebracht.
Wat er toen gebeurde is misschien heet best te omschrijven als een explosie in slow motion.
Het heelal was dus oneindig. Dat was tegelijk onvoorstelbaar en had het ook een dwingende logica. Want, stelde ik voor, als je aan het einde van het heelal kwam dan zou daar waarschijnlijk wel een soort hek of muur staan, met misschien wel een bordje er op “Einde Heelal”, maar dan moest er achter die muur toch ook weer iets zijn en alles wat er was hoorde nou eenmaal bij het heelal. Het woord zegde het al.

Ik herinner me dat ik naar buiten probeerde te kijken naar de sterren, maar het raam was beslagen.
Maar ik wist dat daar achter het kolenhok op veranda de ruimte begon. En die was dus oneindig!
Jeetje…
Ik kreeg een beetje kriebelig gevoel in mijn maag en begon te lachen. Een zenuwachtig lachje, wat ze geloof ik een beetje vreemd vonden. Maar wat moet je ook ineens met de oneindigheid in een jongenshoofd?

Later ontdekte ik dat die oneindigheid niet alleen in de ruimte, maar ook in de tijd bestaat, althans gedacht kan worden.
En naar mate ik ouder werd is de verwondering over die twee onpeilbare dimensies en mijn onwaarschijnlijke ervarende aanwezigheid daarin alleen maar toegenomen.
Nu zou je dit kunnen ervaren als een overweldigend gevoel van nietigheid, maar tot mijn plezier werkt dit bij mij niet zo en voel ik het meer zo dat ik zo lang mijn eindigheid duurt deelneem ben aan een proces dat géén einde heeft.
Een proces waarvan niet bekend is waar het toe leidt, maar waar je waarschijnlijk mag aannemen dat de complexiteit en de onpeilbaarheid en daarmee voor mij ook schoonheid toeneemt.
De uitspraak “Ik ben deelnemer aan het grootste project aller tijden” lijkt grootspraak, maar is kleinspraak, want in het licht van de oneindigheid zijn zowel groot als tijd weinig betekenisvolle begrippen.

In dit licht is het werk dat ik doe dus belangrijk werk, omdat het werk in een belangrijke context is. En is om die zelfde reden elk werk wat ik doe belangrijk werk.
Daarnaast is elk werk wat ik doe interessant werk, en wel om de simpele reden dat ik me er voor interesseer.
Veel mensen lijken te denken dat er zoiets als interessant en oninteressant werk bestaat en je je voor dingen interesseert omdat ze interessant zijn, maar het is andersom, jouw interesse maakt iets interessant.
Voor geïnteresseerde mensen bestaat er dus alleen maar interessant werk en zullen ongeïnteresseerde mensen nooit iets interessants meemaken.

De strijkbout

vrijdag 27 oktober, 2006

De strijkbout had een houten handvat. Links vooraan zat naast het handvat een geheimzinnig zwart dopje. Als je er op drukte gebeurde er niets, want de ingewikkelde strijkijzers werden pas lang na de oorlog uitgevonden. Desondanks bleef ik het van tijd tot tijd controleren. Want dopjes zijn net als knopjes toch om er op te drukken. Toen ik een kleine eeuw ouder was snapte ik dat het dopje niets anders dan een duimsteun was. Ik was toen al een zevenplusser. Een jongetje met veel te grote oren en een sterke neiging om schroefjes los te draaien. En na een tijdje kon ik de meeste huishoudelijke apparaten repareren. Als m’n moeder me niet voor was tenminste. Die had ook iets met mechaniekjes. Ik heb het van haar.

Die strijkbout zou ik zo kunnen uittekenen, als ik kòn tekenen. De landkaart van verf op het handvat: bruin – oker grondlak – hout was de volgorde van versletenheid. Het knopje/dopje wat bovendien iets van een dropje had en een beetje los zat. Het aan een kant afgebroken stuk aardewerk waaruit de kontaktpennen staken. Het getwiste snoer met een glanzende geweven omkleding. Bruin met een wit werkje.

Meerdere malen heb ik er een nieuw ‘element’ in moeten zetten. Een element zo heette dat. Dan moest je de zool van de bout schroeven. Die zool met twee gleufjes voor aan de punt voor de knoopjes en de bruin ingebrande plekken van het te lang persen.

Heel lang in het oerbegin van mijn leven, had ik tegen mijn moeder of mijn zuster of mijn vader kunnen zeggen “de strijkbout”, en zij hadden gedacht aan die ene, allerindividueelste strijkbout. Met al die bijzonderheden waarvan ik er echt maar een paar verteld heb. Die strijkbout is op een zeker moment verdwenen. Vervangen door een modern strijkijzer. Misschien wel een modern lichtgewicht strijkijzer. En dat weer door een nog moderner stoomstrijkijzer. En tegenwoordig zullen er wel strijkijzers zijn die zo licht zijn dat ze boven het strijkgoed zweven met automatische vochtsensors en computergestuurde vernevelingsautomatiek. En nooit zal er een kind later met warmte terugdenken aan ‘onze strijkbout’.

Historisch materialistische verklaring:
We waren arm dus thuis. Leefden van ‘het steun’. En ze hadden in die tijd de rare gewoonte om dingen te maken die lang mee gingen. Mijn naaimachine was nog jaren dezelfde die mijn moeder kreeg vijftig jaar daarvoor toen ze ‘moest trouwen’ en toen was die Singer al tweedehands.

Mijn jeugd is een onuitputtelijk reservoir van dat soort bodemschatten.
Herinneringen aan geuren en vormen, van dingen die met ons mee leefden. Net als de maan die over de bomen heen met je meeliep, die enkele spannende keer dat je in het donker buiten was. Goed er waren ook enge gaten en putten, maar de wanden schitterden van mineralen en al was dat geen goud het glansde wel, en ik heb nog steeds de sleutel naar dat gebied.

Nu had ik ook wel wat mee. Mijn vader was een reus en m’n moeder een godin, en dat is een goed begin voor een aankomend tovenaar.
Maar ik denk dat meer kinderen dat hebben.
Wat ik me als bijzonder weldadig herinner, is dat we vastigheid hadden.
Ons leven had patronen.
Om te beginnen woonden we altijd in hetzelfde huis. Gevuld met dezelfde dingen, die we ook op een vaste manier gebruikten. Hoewel mijn moeder daar soms op een opwindende manier doorheen kon breken.

De zondagochtenden waren bij ons geheiligd. Dat wil zeggen, de zondagen dat hij bij ons thuis was en niet in Brabant moest blijven in de ‘werkverschaffing’.
Mijn vader stond er op die dag zijn aandeel in het huishouden te hebben. “Kom Tine”, zei hij, “we zulle de zaak es effe opmarojeme”.
Of mijn moeder daar blij mee was, betwijfel ik.
Ze ging in de keuken aan de gang. M’n vader werkte met akelige precisie de kamer af, en wij, m’n zus en ik, hingen de beest uit.
Tegen half elf werd het spannend. Er werd koffie gezet.
Soms mocht ik malen. Anderhalf lood.
De keuken blonk.
De zon scheen laag door het raam terwille van de stoom uit de fluitketel waaruit mijn moeder opschonk.
Iedereen bevond zich in de keuken.
Daar gebeurde het.
De zondagochtend werd bevestigd.
We waren bij elkaar.