Archive for mei, 2006

Vrijheid IV: De last van de identiteit

zondag 14 mei, 2006

Het begon allemaal met de zelfontplooiing.
Dat moest wel, want we waren al ontzuild en ontketend, alleen het pure goud moest nog onttrokken worden aan het rijke erts van onze identiteit. Maar voorop stond vast: Ik was O.K. en Jij was O.K. En vandaag was de eerste dag van de rest van je leven.
We stonden aan het begin van iets wat een tijd lang het Ik-tijdperk genoemd zou worden. En het bijzondere is dat die naam vanzelf weer verdween. Niet omdat het Ik denken verdween, maar omdat het de standaard werd.
Dat ontplooien werkte eigenlijk niet zo best tijdens kantooruren. Een baan kon altijd nog, dus bleef je lang studeren, althans ingeschreven bij een onderwijs instelling, overwoog je een jaartje naar India te gaan en als overbrugging vroeg je een uitkering aan, tenzij je in de BKR kwam.
Een huishouden runnen en kinderen verzorgen was in wezen nog tijdrovender dan een kantoorbaan dus gingen tegen die tijd voor het eerst kinderen mee naar de (bij voorkeur nieuw oudbruine) kroeg.

Een uitdrukking die de geest van die tijd goed weergeeft is “moet kunnen”.
Je moet die uitdrukking proeven:
Kunnen betekent dat iets mogelijk is, dat er aan de benodigde voorwaarden die het mogelijk maken voldaan is. Het kan.
Moeten betekent dat het hoe dan ook zal gebeuren!
“Moet kunnen” maakt het mogelijk zijn ondergeschikt aan de drift.
Het is de logica van de driftig stampvoetende kleuter. Maar ik WIL het!
En die onvolwassen drammerigheid is dan ook in het collectieve gedrag van veel volwassenen terug te vinden.
Naar mate er vaker ‘moet kunnen’ werd geroepen ontstond bij een aantal mensen het beeld dat alles moest kunnen.
De mensen die zich dat het eerst konden veroorloven waren de kunstenaars of de genen die zich daar voor uitgaven, die stonden traditioneel al een beetje boven de wet.
Toen W. F. Hermans een van zijn romanfiguren de katholieken voor rotte vis liet uitmaken veroorzaakte dat in het dan nog vrij beleefde Nederland veel opschudding, maar uiteindelijk had het geen gevolgen, want het was een romanfiguur die dat zei en dat hoefde niet de persoonlijke mening van de heer Hermans zelf weer te geven.
Toen jaren later Van het Reve het katholieke en protestante volksdeel kwetste leidde dat nog even tot een rechtszaak tegen hem omdat hij zich niet achter een romanfiguur verschool, maar persoonlijke geloofsopvattingen mochten toen nog en Van het Reve ging vrijuit. Over de ronduit racistische passages in ander werk van deze schrijver repte al niemand.
Moest kunnen, was kunst.
Dan dienen de columnisten zich aan. Dat zijn eigenlijk geen kunstenaars, maar toch wel een beetje schrijvers. Dus mogen zij eigenlijk óók wel beledigen en bovendien: de een kampt met een psychiatrisch verleden, de ander met zijn seksuele identiteit, de derde met het lot van zijn familie, de vierde met zijn geboorteland en de vijfde en de zesde zijn ongeveer de twee lelijkste mannen van Nederland en dus zijn ze op een of andere manier slachtoffer en kunnen ze dus nooit ergens schuldig aan zijn.
En zo ontstaat er langzamerhand een giftige atmosfeer waarin iedereen alles maar kan roepen over iedereen en het slechts toewensen van blijvende invaliditeit al van een zekere zachtmoedigheid getuigt.
Toch is er wel sprake van normen in de verwensingsindustrie. Als de zakenman Knevel het in zijn tv programma voor elkaar krijgt een zelfbenoemde Hollandse imam te ontlokken dat hij niet treurt om de dood van een politieke tegenstander, kan dát nou weer helemaal niet in dit land.

De ontplooiingsgedachte uit zich ook op een andere manier.
“Al onze klanten zijn uniek,” hoor ik een uitvaartverzorger vanochtend nog in een reclamespotje zeggen. En hij wil wel een keer bij ons langs komen met zijn checklist, zodat wij de uitvaart krijgen die bij ons past. ( Ja, op het moment dat wij ondanks onze uniciteit te maken krijgen met de grootste gelijkheid van alle leven, denk ik dan).
Zover is het dus al gekomen. Met een herkenbare lifestyle ben je er nog niet. Zonder een passende afterlifestyle blijf je nergens.
Blijkbaar is er een tot cultuur uitgegroeid misverstand ontstaan, dat waar iedereen uniek is dat dat dan ook vooral zichtbaar of hoorbaar moet zijn.
Dat gaat niet iedereen even gemakkelijk af, dus ontstaat er al snel een hele industrie die je daar bij wil helpen.

Je pro-dukt be-ne-den peil
Koop je gauw een nieu-we stijl
Lo-go Lo-go!

In een boek over reclame uit de 50er jaren las ik dat textiel met een print van bougies er op uitermate populair was in Afrika, omdat de eenvoudige mensen die daar woonden geloofden dat de kracht die die bougie symboliseerde op de drager van die stof zou afstralen.
Dit animisme is nu algemeen Europees cultuurgoed. Dus dragen we de merken van onze idolen, en kopiëren we hun kapsel, hun kleding, hun lichaamsversieringen en hun motoriek.
Privacy wordt tegelijkertijd een van de grootste paradoxen van deze tijd. We protesteren tegen elke inbreuk op onze privacy, maar tegelijkertijd doen we van alles om maar met onze kop (dat wil zeggen in het gunstigste geval alleen die kop) op de buis te komen. Wordt de buurt vol geplakt om te melden dat we 40 zijn geworden. Wordt de video van de bevalling op verjaardagsfeestjes vertoont, komen er manshoge ooievaars in de tuin en wordt er aan de pui vermeld of het hoera, een jongen, dan wel een meisje is.
Maar een flitspaal, of een camera in de openbare ruimte is een ergerlijke inbreuk op onze privacy, want daar mee kan je ter verantwoording worden geroepen.

En omdat al deze toegevoegde identiteitsprothesen niet echt werken worden ze steeds uitbundiger. De gekte breidt zich niet alleen in de diepte maar ook in de breedte uit.
In de breedte omdat nu ook mijn deftige avondblad al geloof ik een jaar op zaterdag een lifestyle katern heeft met beuzelpraat over sterren en hun jurken.
In de diepte door de inflatie van de aanprijzingen. Super is zo’n beetje middeleeuwen, mega iets van de zestiger jaren, giga kan eigenlijk ook al niet meer, hoewel mijn spellingchecker daar nog wel een kringellijntje onder zet.

Extreem heeft het tot merk geschopt, maar wat een rare mensen zijn die extremisten toch.
Net als bij de privacy is de norm of iets wel of niet kan samengevallen met de beoordeling: heb ik er lol van of heb ik er last van.

En dat allemaal, terwijl de hele identiteitskwestie samen te vatten valt met vijf woorden:

Je bent wat je doet.

Niet wat je zegt, niet wat je gelooft, niet wat je draagt, niet wat je koopt, niet wat je van plan bent te gaan doen.
Nee, je bent wat je doet. Niets meer en niets minder. Zo simpel is het.
Je bent zelfs niet wat je denkt. Al is wat je denkt en voelt van grote invloed op wat je doet.

Wie dit te mager vindt heeft te veel naar het individuele aspect gekeken. Wat je doet vindt plaats in ruimte en tijd.
In de ruimte omdat het zich in het sociale weefsel afspeelt, in de tijd omdat je sporen achter laat..

mailtobutton

Advertenties

Vrijheid III: Het begin van de ont-binding

zondag 14 mei, 2006

Al tijdens de bezetting waren er gezagsdragers bezig met plannen voor het naoorlogse Nederland, zo bleek later. Een aantal van die plannen waren van een tamelijk autoritair karakter, en gelukkig zijn ze geen van alle doorgegaan.
Niettemin veranderde Nederland vóór de zestiger jaren op sommige gebieden al aanmerkelijk.
Sommige van die veranderingen waren het resultaat van bewuste keuzes van bestuurders andere een nasleep van de tweede wereldoorlog.
Zo was een van de grootste plagen van de naoorlogse jaren de woningnood.
Ook nu is er een tekort aan bepaalde typen woningen, maar toen was er vrijwel niets en moesten jong getrouwde stellen jaren lang op zolderkamertjes hokken tussen een geïmproviseerd keukentje en drogend wasgoed en dat ook nog vaak in het huis van de ouders van een van de twee.
Een gevolg was dat wanneer je ook maar ergens een woning kon krijgen je hem ook meteen nam waar je ook terecht kwam.
Was het voor de oorlog nog zo, dat er buurten waren waar families al generaties lang woonden, na de oorlog verdween dit fenomeen grotendeels.
Je zou het het begin van de ontbuurting kunnen noemen.
Een proces dat later versterkt is door het verdwijnen van buurtwinkels en postkantoren en de concentratie van scholen en andere voorzieningen, de scheiding van wonen en werken in de stedenbouw en de daar mee samenhangende automobilisering.

Rond 1960 begon er een andere belangrijke ontwikkeling waarvan de naschokken nu nog in het omroepbeleid te beleven zijn, de ontzuiling.
Lange tijd hebben we de ontzuiling gezien als een emancipatiebeweging. Een bevrijding uit de knellende banden van het levenbeschouwelijke milieu waarvan men ongewild bij geboorte deel van uitmaakte, en waar je moeilijk aan kon ontsnappen omdat de maatschappij tot in het absurde op levenbeschouwelijke grondslag georganiseerd was.
De R.K. Geitenfokvereniging was daar het spreekwoordelijke voorbeeld van.Waar echter weinig over bekend is, is wat we daarvoor terugkregen. Kwamen er oecumenische geitenfokverenigingen voor terug? Of kwam ontzuiling neer op afbrokkeling van het verenigingsleven en vormen van maatschappelijke zorg?
Ik denk dat de ontzuiling een ontwikkeling was die uit de zelfde onderstroom voortkwam als de doorbraakgedachte, die tot het verdwijnen van een duidelijke klassepartij als de SDAP leidde en daar de Partij van de Arbeid voor teruggaf.
Het was modern om je breed te oriënteren. De welvaart steeg, de televisie verbreedde je horizon en het grootste gevaar na de Russen dat ons bedreigde was ‘het probleem der vrijetijdsbesteding’.

Toen de Sociaal Democratische Arbeiders Partij veranderde in een Partij van de Arbeid, verdween met het woord arbeider ook het begrip arbeider uit ons bewustzijn.
In Nederland had je alleen nog werknemers, nou ja en tijdelijk wat ‘gastarbeiders’ maar die gingen over een tijdje weer weg. Dus bij gebrek aan een echte arbeidersklasse was er ook geen noodzaak die te ‘verheffen’.
Later in het postfortuinlijke tijdperk zou links nog wel schoorvoetend toegeven dat ze ‘bepaalde ontwikkelingen’ te lang genegeerd hadden, of woorden van gelijke slapte, maar dan doelden ze er op dat ze maar toegelaten hadden dat die mensen maar niet integreerden. Terwijl natuurlijk het punt was dat zij tekort geschoten waren die nieuwe arbeidersklasse te integreren in hun maatschappijbeeld.
En zo werd in die naoorlogse jaren de bijl gelegd aan die hele schitterende omgeving van de socialistische beweging: de vakbond, de woningbouw corporaties (Laat licht en lucht uw woning binnentreden…), de wereldbibliotheek, de talloze verenigingen, de op de natuur gerichte bewegingen (voorlopers van de milieubeweging), de geheelonthouders, de esperantisten, misschien niet allemaal officieel geaccrediteerd aan het socialisme, maar wel voortkomend uit het vooral na de eerste wereldoorlog oprecht beleefde verlangen naar een betere wereld, zo niet voor ons, dan voor onze kinderen.

In de zestiger jaren tijd werd dat soort dingen al geassocieerd met spruitjeslucht. Om in 1995 door oud vakbondsman Wim Kok als ‘ideologische veren’ afgeserveerd te worden.
De ideologie werd trouwens al in 1966 als een hinderlijk blok aan het been van een politicus bevonden, met de oprichting van D’66. Het pragmatisme deed zijn intrede. Geeft u ons nou maar uw stem dan maken wij wel uit wat wij er mee doen. In dit opzicht heeft die partij dan ook niet teleurgesteld.
En zo verdwenen de buurt, de kerk, de klasse en de politieke overtuiging al halverwege de vorig eeuw voor een goed deel als bindend element.

Maar eind zestiger en begin zeventiger jaren doken er nieuwe bewegingen en idealen op: flower power, de vredesbeweging, provo, de kritische psychiatrie, de tweede feministische golf, de milieubeweging.
Was deze editie van ‘de nieuwe mens’ dan de definitief sociale versie?

Ik ben vergeten in welk jaar het was, begin zestiger jaren geloof ik, dat wij met de Haagse Ban de Bom groep de eerste sit down aktie in Nederland hielden op de kruising Anna Paulownastraat / Laan van Meerdervoort.
Uren hebben we toen vooraf gediscussieerd over de vraag of dat eigenlijk wel kon. Was dit wel geweldloos? Het ging niet over de vraag wat we moesten doen als we opgepakt werden, nee of het daar zitten en het verkeer blokkeren wel geweldloos was, was de vraag.
Wat me behalve die gewetensvolheid van die tijd bijgebleven is, is de vanzelfsprekendheid waarmee iedereen elkaar steunde. Dat je de overeenstemming zocht in plaats van verschillen als je met mensen te maken kreeg die uit een heel andere hoek van de maatschappij kwamen. Quakers, oude SDAP-ers die weer helemaal opbloeiden, scholieren en 65+ers, leden van de Pinkstergemeente en humanisten het liep allemaal door elkaar en steunde elkaar en dat was nodig want je deed dingen die je nooit gedacht had te kunnen doen. Je stelde je bloot met zo’n spandoek of sandwich bord en het was maar afwachten hoe het publiek of het gezag zou reageren.
In alle andere actiegroepen waar ik in verzeild raakte, trof je die zelfde gelijkheid, solidariteit en warmte aan in de beginjaren.

Maar dat bleef niet zo.
Als de beweging groeide en aandacht kreeg in de media meldde zich meestal een tweede lichting.
En die was iets radicaler dan de mensen die de beweging gestart hadden. Naarmate die tweede richting talrijker werd begon er zich een richtingenstrijd te ontwikkelen.
Ik kreeg de indruk dat die tweede lichting meer aangetrokken werd door de aandacht die de beweging trok, dan door de uitgangspunten er van.
En in het verlengde daarvan trad vaak ook een vermientjanisering van de beweging op. De carrièreactivisten meldden zich. Soms kwamen die uit de lucht vallen en bleken zij opeens je woordvoerder te zijn en kon je tot je verbazing vast stellen dat ze op een dag zonder last of ruggespraak hun duivenveren afschudden. Soms ook groeiden ze in de beweging zelf op.

Ik herinner me dat een vrouw – die tijdelijk in het zelfde pand woonde als ik – een boek over haar leven en feministische ontwikkeling schreef en daarbij alle personen uit haar omgeving met name noemde en beschreef. Zo ook de vrouw van haar minnaar waar ze haar lesbische stage bij liep. Alleen de minnaar zelf verscheen onder pseudoniem want die vervulde een politieke functie, zoals de schrijfster dit nu ook zelf doet.

In die tijd waren er ook verschillende initiatieven om een feministisch tijdschrift op te richten.
Twee meiden die met een van die bladen bezig waren ontdekten dat er ergens een subsidiepotje bestond waarvan zij dachten dat ze daar aanspraak op konden maken. Dus wendden zij zich in goed vertrouwen tot een ervaren zuster die goed thuis was in bestuurlijke en politieke kringen en vroegen aan haar hoe ze dit het beste aan de vork konden steken.
Deze zuster was echter zelf bezig een blad op te zetten en had daarvoor al een financier gevonden in een goedlopende uitgeverij. Nog die zelfde avond stuurde ze de subsidie-aanvraag voor haar eigen blad in en kreeg die ook. Zij schopte het in de politiek een stuk verder dan de schrijfster.

Het kortst was de politieke loopbaan van de jongen die ik in de vredesbeweging voor het eerst ontmoette en die later de meest geïnterviewde Sponti-theoretiker van een alternatieve Amsterdamse beweging werd die later zelfs in de gemeenteraad kwam.
“Ik zie je nog wel eens wethouder worden,” zei ik een keer tegen hem op een avondje van de Amsterdamse Voorleesclub, omdat ik toch wel tekenen op zijn voorhoofd meende te ontwaren.
Hij keek me een tijdje aan en zei toen “Denk je dat?”
Ik kreeg echt de indruk dat hij dacht dat hij een antwoord vermeden had.
Hij heeft het maar kort uitgehouden in de politiek.

Wat ik maar wil zeggen, is dat er vaak een bepaalde invloed aan de bewegingen van de zestiger en zeventiger jaren wordt toegeschreven, maar dat de ideeën van de inspirators niet altijd overeind blijven naar mate de beweging groeit.

mailtobutton

Vrijheid II: Een wevend tapijt

zaterdag 13 mei, 2006

Geïnspireerd door het paradijsverhaal, de Alevieten en tot op zekere hoogte door de gedachten van Teilhard de Chardin zou je ook het beeld kunnen oproepen van een doorlopende schepping.
Dat idee is ook denkbaar zonder een afzonderlijke persoonlijke of bovenpersoonlijke scheppende kracht te veronderstellen.
De enige onbewijsbare veronderstellingen waarmee je dan genoegen moet nemen is dat er tijd bestaat, en dat er mogelijk een begin en een eind der tijden was of zal zijn, maar dat beide een raadsel zullen blijven.
Waar wel al tamelijk stevige aanwijzingen voor bestaan is dat er in de tijd achtereenvolgens materie en leven zijn ontstaan en dat het leven zich ontwikkeld heeft tot een bewuste vorm van leven: de mens.

Op zich is dat al een indrukwekkende stamboom voor een individu, maar ik vind het idee ronduit opwindend worden als je je voorstelt dat het scheppingsproces zich voortzet in de ontwikkeling van een samenleving.

Waar de ontwikkelingsrichting van de tijd vast ligt, ligt de richting waarin de schepping zich voortzet echter open, omdat wij gezamenlijk meebouwen aan de jongste ontwikkelingsvorm: de samenleving

Van die trits materie, leven, bewustzijn samenleving zijn we dus allemaal onderdeel!
Je zou dus ’s ochtends op kunnen staan en zeggen:

Ik neem deel aan de schepping:

Ik ben opgenomen in de kringloop van de materie.

Ik ben een schakel in de keten van het eeuwige leven.

Ik ben een knooppunt in het web van kennis.

Ik weef een draad in het tapijt van de samenleving.

Als je dit met volle overtuiging kunt zeggen, ben je stevig in het leven geworteld…
Maar kan iedereen dat zeggen?

Iedereen is deel van de materie.
Iedereen leeft. Maar niet iedereen leeft even lang en even plezierig.
Lichamelijk en geestelijk lijden kunnen maken dat iemand zelfs naar het einde van zijn leven verlangt.
Ook de hoeveelheid kennis waarover mensen kunnen beschikken verschilt per persoon. Door verschillen in aanleg en verschillen in ontplooiingsmogelijkheden.
En waarschijnlijk zijn er tallozen die niet ervaren dat ze deel uitmaken van een samenleving.

Het is duidelijk dat de samenleving – de jongste ontwikkeling van het scheppingsproces – nog een onvolkomen product is. Maar het is ook tegelijk het deel waar we iets aan kunnen veranderen. En daarmee kunnen we ook iets doen aan de kwaliteit van het leven en het niveau van de kennis waartoe de mensen toegang hebben.

Wanneer we het over het begrip samenleving hebben, dan doen we dat meestal met het bepaalde lidwoord de ervoor: de samenleving.
Maar de samenleving is een theoretisch begrip. Als je verschillende mensen vraagt om de huidige samenleving te karakteriseren, zullen ze daar onderling zeer verschillend op reageren. En hun antwoord zal zeker beïnvloed worden door hun maatschappelijke positie, hun politieke en levensbeschouwelijke opvattingen, hun levenservaring, hun karakter of misschien zelfs door hun gemoedsgesteldheid van het moment.
Afgezien van al die verschillen in perspectief is er ook nog iets anders dat de samenleving van nature pluriform maakt: Je beleeft het samenleven op meerdere plaatsen:
Een relatie, een gezin, een vriendenkring, een werkkring, een geloofsgemeenschap, een taalgebied, zij hebben alle kenmerken van een samenleving en kunnen de voedingsbodem zijn van even zoveel deelculturen.
Eén persoon kan op die manier deelnemen aan meerdere samenlevingsvormen en zal derhalve (meer of minder strikt) de normen van de bijbehorende (sub)culturen naleven, of op z’n minst respecteren.
Dat dit werkt komt omdat het individu zo’n cultuur niet alleen ondergaat, maar ook deel uitmaakt van al die kringen, er in participeert.
Dit moet een schokkende constatering zijn voor mensen die een multiculturele samenleving niet levensvatbaar achten: Eén enkel persoon is al multicultureel, tenzij hij of zij volstrekt monomaan, autistisch en bovendien nog kluizenaar is. Waarmee ik niet wil zeggen dat zij die de multiculturele samenleving verwerpen monomaan, of autistisch zijn. Maar in cultureel opzicht zijn ze toch wel enigszins gekluisterd.

Natuurlijk zullen er verschillen in betrokkenheid bij al die deelculturen zijn: “Het hemd is nu eenmaal nader dan de rok”, roepen we al eeuwen in dit land. Maar dat wil helemaal niet zeggen dat we niets om de rok geven.
Het hoeft ook helemaal niet zo te zijn dat nader ook liever betekent. Sociale afstand is misschien een begrip dat een in een theoretisch model gemeten of vergeleken kan worden, in individuele gevallen wordt het per persoon op eigen wijze ervaren..
Iemand kan zich eerder een Europeaan voelen dan een Zuid-Hollander. Kan zijn werk belangrijker vinden dan zijn gezin. Zijn politieke engagement belangrijker dan zijn carrièremogelijkheden, zijn overtuiging zelfs belangrijker dan zijn leven.

Het geheel van al die grotere en kleinere betrokkenheden, bindingen en patronen die gezamenlijk de samenleving vormen, zou je je kunnen voorstellen als een weefsel. En elk weefsel bevat minimaal twee garensystemen, de schering en de inslag.
De schering is de dragende structuur. De inslag zorgt voor de kleuren en patronen in het weefsel.
Je zou die inslagdraden kunnen zien als de sporen die de individuele mensenlevens aanbrengen en achterlaten. Sommige daarvan zijn langer dan andere. Sommige vallen meer op dan andere, al hangt dat ook af van wat het oog dat kijkt wil zien. Soms wordt de kleur van één bepaalde draad overgenomen door de opvolgers van die draad, soms hebben nabijgelegen draden ook die kleur overgenomen. Maar interessante patronen ontstaan vooral daar waar verschillende kleuren, materialen, diktes en bindingen elkaar spelend afwisselen.

De sterkte van het weefsel wordt bepaald door de dichtheid en sterkte van de schering (die moet de inslag tenslotte dragen) en de mate waarin schering en inslag met elkaar verweven zijn. In de textiel wordt die interactie ‘de binding’ genoemd en dat is ook voor ons onderwerp geen slecht woord.
Individuele burgers moeten zich met de maatschappelijke structuren verbonden voelen, wil het weefsel stand houden.
Bijdragen gaat gemakkelijker als je het idee hebt dat je zelf ook gedragen wordt.

Dat gevoel van binding lijkt de laatste vijftig jaar voor velen minder vanzelfsprekend te zijn geworden.
Voor we daar verder op ingaan is het misschien goed nog eens na te gaan wat we ons moeten voorstellen bij die structuren die de schering van onze samenleving vormen.
We hebben het dan niet alleen over zaken die van de overheid komen in de vorm van zekerheden en verplichtingen, maar ook over alle structuren en omgangsvormen die in het intermenselijk verkeer zijn ontstaan en die zowel van commerciële, als van maatschappelijke of culturele aard kunnen zijn en tot een min of meer vast patroon gestold zijn.
Het gaat dus niet alleen om grote zaken als de kinderbijslag en de Ramadan, maar ook over de woensdagse markt, het sturen van kerstkaarten en de oranjegekte rond een voetbaltoernooi.
Wanneer die binding in sommige groepen of perioden verzwakt is, kan dat verschillende oorzaken hebben. Het kan zijn dat de structuren het laten afweten zodat bepaalde groepen uit de boot vallen (of er uitgeduwd worden) zoals dat met de ‘illegalen’ of de ‘minima’ gebeurt.[1]
Het kan ook dat een groep mensen z’n sociale contract eenzijdig opzegt: “Jouw rechtsorde is de mijne niet.”[2]

—-

[1]Alleen de gewoonte om een mens in al zijn volheid aan te duiden met één kenmerk is al een acte van verstoting.
We hebben het hier over mensen, die in de ongelukkige omstandigheid verkeren (nog) niet over een geldige verblijfsvergunning te beschikken. Als we ze illegalen noemen – onwettigen – dan ligt dat wel erg dicht tegen outlaws aan.
Het is misschien ook goed te bedenken dat de nazi’s en hun Nederlandse medewerkers verzetsmensen illegalen noemden.
Minima zijn mensen met een minimum inkomen, die voor het overige wellicht maximaal fuctioneren. Door ze alleen op basis van hun inkomen als minima te karakteriseren, minimaliseer je ze. En minimaliseren is zoveel als maximaal kleineren.
[2] ‘Argument’ van de gewelddadige tak van de Amsterdamse krakersbeweging rond 1980, waaruit blijkt dat extremisme niet alleen een importproduct is.

mailtobutton

Vrijheid I: De Vopo en de Prins der Dichters

zaterdag 13 mei, 2006

Eind jaren zestig vormde zich in Amsterdam een Comité ter Bevordering van de erkenning van de DDR. En daar was ik ‘lid’ van.
Zulke activiteiten waren destijds niet populair. De koude oorlog woedde nog hevig en ook in koude oorlogen is de waarheid altijd het eerste slachtoffer.
Een waarheid die toen niet mocht bestaan, was dat geen van de mensen die ik in dat comité leerde kennen ook maar enige sympathie had voor het regime van de DDR.
Wij hadden echter het idee dat er ontspanning nodig was en dat je die nooit zo kunnen bereiken als je niet begon met te erkennen dat je tegenstander bestond. Maar alleen al deze gedachtegang leverde je het predikaat meeloper op.
We leefden in een klimaat waarin het woord ‘genuanceerd’ met hoorbare aanhalingsteken en op smalende toon werd uitgesproken.
Ongeveer op de toon waarop rechtse scherpslijpers nu ‘politiek correct’ of ‘multicultureel’ uitspreken.

Goed, we bereikten dus niets ten aanzien van de ‘Genossen’, en het werd zelfs onaangenaam als je merkte dat zij je voor hun politieke karretje probeerden te spannen en dan van de weeromstuit de Nederlandse pendant van de Stasi hier in je spullen zat te snuffelen.
Nee, wat dat betreft waren de Nederlandse zakenlieden die de Leipziger Messe in dat niet bestaande land frequenteerden succesvoller.

Hoe dan ook, ik bevond me op een dag in Oost-Berlijn in een eethuis achter een groot bord zuurkool, toen een Vopo (Volkspolizist ) mijn tafeltje naderde en vroeg of hij aan mocht schuiven.
Dat mocht.
Waar ik vandaan kwam, vroeg hij.
Nou, dat ik uit het Westen kwam, was wel duidelijk. Als non-conformist droeg ik natuurlijk het non-conformisten uniform bestaande uit baard, lang haar en spijkerpak.
Wat ik al eerder had gemerkt, was dat de kaders daar bijzonder geïntrigeerd leken door een fenomeen als Provo.
Dat leek namelijk op een revolte, maar dan wel een volgens een recept dat niet in het kookboek van Karl Marx voor kwam.
Hoe zat dat nou ideologisch? Nee, een beweging zonder ideologie, dat ging er niet in.
De nieuwsgierigheid van de Vopo was van de zelfde aard.
Toen ik in mijn pogingen duidelijk te maken wat de Provo’s bezielde een paar keer het woord vrijheid had gebruikt, onderbrak hij me beleefd en vroeg wat volgens mij dan vrijheid was.

Ik moet zeggen dat ik de situatie erg pikant vond.
Daar zat ik oog in oog met een geüniformeerde vertegenwoordiger van een dictatuur , die belangstellend vroeg wat ik onder vrijheid verstond.
En hoe achterlijk dat nu ook klinkt, ik wist daar niet zo gauw antwoord op.
Blijkbaar was vrijheid voor mij zoiets gewoons dat je er niet diep over nadacht, als je in vrijheid leefde. Zoiets als schone lucht en schoon water vroeger ook gewoon waren. Vrijheid was meer een gevoel dan een filosofisch begrip voor me in die tijd. Vrijheid was er gewoon, en hield pas op waar het de vrijheid van anderen dreigde te beperken.

Maar als vertegenwoordiger van het Vrije Westen moest ik natuurlijk wel met iets voor de dag komen, dus begon ik te improviseren over de mogelijkheid je te ontplooien zover je kon en wilde zolang je de vrijheid van anderen maar niet belemmerde.
Entschuldige, viel de Vopo me in de rede, maar je kunt in een definitie niet het te definiëren begrip als limiet gebruiken.
Ja, daar had hij gelijk in. Meneer was blijkbaar beter geschoold dan ik.
Ik kwam er ter plekke niet uit. Dus vroeg ik maar eens wat híj dan wel onder vrijheid verstond.
Daar hoefde hij geen seconde over na te denken: “Die Erkenntniss der Notwendigkeit”.

Notwendigkeit?
Ja, zei hij en er volgden acht minuten Marx.
Ik kon het allemaal niet volgen.

Een dag later liep ik langs een grote boekhandel en zag daar een boekje in de etalage dat Klein politisches Wörterbuch heette. Het kostte – zoals alle boeken daar – een habbekrats.
Ik schafte het aan en zoals u al vermoedt was het eerste wat ik opzocht Freiheit.
En inderdaad Freiheit was Die Erkenntniss der Notwendigkeit*. En dat sterretje betekende dat Notwendigkeit ook in het woordenboekje opgezocht kon worden.
Dat leverde echter niet veel meer inzicht op dan het betoog van mijn tafelgenoot mij verschaft had.
Als ik het me goed herinner verwees Notwendigkeit naar de wetmatige onontkoombaarheid van het Marxistische maatschappijmodel, waar gezien de historische ontwikkeling toch een foutje in gezeten schijnt hebben gezeten. Ik zie tenminste wel een hoop ineenstorten om me heen, maar niet het kapitalisme.

Toch is het een onverdraaglijke gedachte om vrijheid enerzijds zo essentieel als ademhaling te ervaren en tegelijkertijd het wezen er van niet te doorgronden.
Zeker in een periode dat het vrijheidsbegrip ter sprake komt wanneer het recht verdedigd wordt om vanuit een behaaglijke maatschappelijke positie toch al gefrustreerde bevolkingsgroepen te beledigen of te provoceren.

Zonder het te beseffen liep ik echter al jaren rond met de sleutel tot mijn huidige vrijheidsopvatting.
Er zullen niet veel mensen zijn die de tekst van Roland Holst op het Nationaal Monument op de Dam uit hun hoofd kennen.
Ik ook niet op de eerste regels na:

Nimmer van erts tot arend was enig schepsel vrij onder de zon, noch de zon zelve, noch de gesternten. Maar geest brak wet en stelde op de geslagen bres de mens.

Wat wordt hier veel gezegd in twee regels.
Volgens mijn interpretatie van de dichter ontstaat vrijheid op het moment dat de mens ontstaat, omdat geest wet breekt.

Wet betekent dan de natuurwetten waaraan de materie onderworpen is, en waarin geen keuzemomenten aanwezig zijn. Maar wanneer geest wet breekt, dat wil zeggen bewustzijn en kennis en zelfreflectie ontstaan, ontstaat de mogelijkheid te kiezen en de mogelijkheid om te kiezen zou je vrijheid kunnen noemen.
Dat is een heel prikkelende gedachte want onmiddellijk doemen er allerlei vragen en associaties op.

De trits erts arend mens beschrijft de schepping of zo u wil de evolutie hier op aarde tegen de achtergrond van zon en gesternten, het eerder ontstane heelal.
En natuurlijk denk je dan in dit werelddeel onmiddellijk aan de scheppingsweergave in Genesis, waarin de bewustwording wordt bestraft met verdrijving uit het paradijs.
Daarnaast zijn er echter ook andere interpretaties van de schepping. Zoals bij voorbeeld in het Alevitisme, voortgekomen uit de Sufi beweging die weer ontsproten is aan de shi’itische stroming van de Islam. “Volgens de Alevitische filosofie zijn de schepper en het geschapene identiek, met andere woorden exact hetzelfde.” en wordt de schepping geassocieerd met het bewustwordingsproces “Door de mens te scheppen werd God zich bewust van zijn eigen existentie. Want God kon vanuit een onbekendheid alleen door middel van de denkende en deze gedachten uitdrukkende mens zich bewust worden van zijn eigen bestaan. Als god de mens niet had geschapen, was hij zich ook niet bewust worden van zijn eigen existentie.”
Beide citaten zijn ontleend aan de internet site alevieten.nl die echter niet meer bestaat.

Wel vond ik de tekst terug op http://turksnl.net/forum/viewtopic.php?f=7&t=12319&st=0&sk=t&sd=a&start=30 in de bijdrage van Ebru op 1 november 2005.

Ook als je niet een bepaalde religie belijdt zijn er uit religieuze opvattingen wel ideeën te halen die als katalysator voor je eigen denkproces kunnen dienen.

Iedereen die wel eens twijfelt, ervaart dat de mogelijkheid om keuzes te maken vergezeld kan gaan van de noodzaak een keuze te maken.
En naarmate je kennis toeneemt begin je ook te ervaren dat sommige keuzes te prefereren zijn boven andere.
Er zijn betere en slechtere keuzes mogelijk.
Dus zodra je kunt kiezen hebben goed en kwaad intrede in je denken gedaan.

Je kunt het christelijke scheppingsverhaal dan ook geen ongelijk geven: Kennis (van goed en kwaad) maakt een eind aan het zorgeloos bestaan.

En bij elk nieuwgeboren kind zien we dat proces zich herhalen.
Elke goed verzorgde baby leeft aanvankelijk in paradijselijke omstandigheden, maar naarmate het kind ouder wordt en meer kan, hebben we de plicht het op te voeden en het te leren die mogelijkheden goed te gebruiken.
Vrijheid blijkt dus een geschenk met een gebruiksaanwijzing.
Een gebruiksaanwijzing die echter niet in de verpakking aanwezig was.
We zullen hem zelf moeten schrijven1)

Vrijheid is niet alleen kunnen kiezen maar vaak ook moeten kiezen.
Kiezen betekent je zelf de vraag stellen wat goed is.
Je kunt dus spreken van een gelijktijdige geboorte van vrijheid en verantwoordelijkheid.

Dus toch zoiets als Erkenntniss der Notwendigkeit?

Om praktisch nut te hebben van zo’n conclusie, zal je toch antwoord moeten geven op de vraag wat die noodzaak of verantwoordelijkheid dan in concreto inhoudt.

Wat is goed. En voor wie?


[1] Overigens vraag ik me af hoe aanhangers van het Intelligent Design dit zien. Wanneer ik een menselijk product beoordeel dan is een belangrijk criterium of de bediening er van zonder meer duidelijk is en zo niet of er dan een gebruikershandleiding bij zit die glashelder is en elk misverstand uitsluit.
Misschien zullen die aanhangers van de Intelligent Design idee dan zeggen dat de Bijbel die Intelligent User Manual is, maar je kunt niet volhouden dat dat boek niet tot misverstanden geleid heeft. Alleen op het punt van het bestaan van de vrije wil zelf al, geeft de Schrift blijkbaar niet iedere gelovige het zelfde uitsluitsel.

mailtobutton

Het zaterdagmiddag gevoel

zondag 7 mei, 2006

Het klinkt misschien gek, maar ik ben wel vaker vrolijk. Maar deze keer viel het me op dat ik op een bepaalde manier vrolijk was. Een soort vrolijkheid die ik van vroeger kende. Veel vroeger.
Aan het eind van de Anthony Lion weg wist ik ineens wat het was, het Zaterdagmiddag gevoel.
En inderdaad met een hoofdletter, omdat het stamde uit een tijd dat de zaterdag nog een hoofdletter had.
Nu was het ook op een zaterdag dat dit gevoel me besprong, maar het verschil met andere zaterdagen was dat ik van mijn werk naar huis fietste.
Doorgaans werk ik niet op zaterdag en op de andere dagen van de week werk ik zelfs niet eens de hele dag. Als zeventigplusser vind ik 12 tot 20 uur per week zat. Maar nu kwam het beter uit er op zaterdag wel te zijn en was het om een uur of twaalf afnokken en naar huis.
Feierabend!
Toen ik op mijn vijfenzestigste zonder werk raakte had ik eerst gedurende een paar maanden de dagen voornamelijk met fietstochten gevuld, maar toen ik alle fietspaden binnen 50 kilometer van Rotterdam twee tot acht keer gehad had, was ik maar weer gaan werken. En ineens bestonden er weer weekenden.
Als je ophoudt met werken lever je behalve een flink stuk inkomen ook nog eens je weekenden in!
Nooit doen dus.

Toen de vrije zaterdagmiddag werd ingevoerd was er zaterdagochtends op het werk een heel andere sfeer. Er hing iets lichts, iets vrolijks in de lucht. Vaak was de aard van het werk ook anders. Opruimen, onderhoud van de machines waren typische zaterdagochtend klussen.
De koffiepauze duurde wat langer, en het onderwerp ‘wat ga jij doen?’ stond natuurlijk vaak op de agenda.
Zaterdagochtend stond voor voorpret.

In het gezin stond die dag ook in het teken van in het groot boodschappen doen. Sommige vriendjes hadden het geluk dat hun moeder boodschappen bij de Gruijter deed, maar bij ons waren ze tegen Piet de Dief. Dus ook geen snoepje van de week en geen kleurplaten van koffiepotten. Dat snoepje van de week ging vergezeld van een klein kadootje wat steeds vaker bestond uit voorwerpen van dat wonderbaarlijke nieuwe materiaal: plastic!

Voor mij bestond de zaterdagmiddagdroom uit een bezoek aan de Javastraat. Daar was niet ver van de hoek met de Sumatrastraat een radio- en electrazaak gevestigd. Radio Schoordijk heette de zaak geloof ik, en de uitbater had trots op zijn winkelruit had laten schilderen dat hij voorheen Chef bij Aurora was geweest. En Aurora was het Walhalla van iedereen die geïnteresseerd was in wat toen nog niet electronica heette. Daar stond je dan verlangend te kijken naar de uitgestalde radio onderdelen. En je tekende nog eens in je hoofd het schema van een éénkringer met de Amroh 402N spoel, omdat de dure zelf bouwpaketten van Maxwell voor een ‘driebanden superheterodyne ontvanger’ zelfs voor dromen te ver buiten je bereik lagen.

Als de middag vorderde werd de lucht vervuld van de lucht van gebakken vis. Meestal schol. Omdat de Amsterdammer op zaterdag niet graag kookte, maar het hield op brood met een gebakken vissie.
Kortom de zaterdag hing echt in de lucht.

mailtobutton


%d bloggers liken dit: