Rare vraag eigenlijk; wat is de zin van het leven

donderdag 25 oktober, 2007

Rare vraag eigenlijk; “Wat is de zin van het leven?”, of zoals sommige mensen zeggen, “Wat is de zin van het bestaan?” En vaak schrijven ze dan de zelfstandige naamwoorden in die zin nog met een hoofdletter.
Blijkbaar gaat de vraagsteller er van uit dat er een zin is, maar dat hem of haar onthouden is wat die zin is.
Het zij met opzet, dan wel door een slordigheid of misverstand.

Opzet of nalatigheid van wie?
Wie het weet mag het zeggen.
Voor je fysieke bestaan zou je je ouders aansprakelijk kunnen stellen, maar voor de zin van dat nieuwe leven kun je ze toch moeilijk verantwoordelijk houden.

Omdat die zinsvraag zo vaak terug blijft komen, zijn er blijkbaar mensen die in een algemene of hogere zin geloven, die voor alle mensen zou gelden. Een overtuiging die vaak gekoppeld is aan het geloof in het bestaan van een zingever.
Ik ken die overtuiging onvoldoende, om te weten of men dan ook denkt dat er een zin is van het leven van elke hond, zijderups of pantoffeldiertje.
Het moet voor die mensen een lastig idee zijn dat degene die die hogere zin ontworpen heeft, hen zo in onzekerheid laat over de inhoud ervan.
Want erg eenduidig zijn de heilige boeken hier niet in.

Neemt niet weg dat het woord “zin” bestaat en dat dat woord in het dagelijkse leven veel praktische gebruiksmogelijkheden kent.
Heeft het zin uitgebreid te stofzuigen op de dag dat je voor twee weken met vakantie gaat?
In beide gevallen kom je terug in een stoffig huis.
Heeft het zin om een nieuwe versnellingsbak te laten zetten in een auto die misschien nog maar een paar jaar mee kan?
Daar kunnen we allemaal zelf over nadenken.
Zin is dus een product van het menselijk bewustzijn en de zin of onzin van de gemaakte keuze hangt dus af van de vraag in kwestie en de persoon die de keuze maakt.

Dat wat betreft de zin. Nu nog het leven.
Over welk leven hebben we het dan?
Zoiets als Het Leven, zou alleen kunnen bestaan als er zoiets was als De Mens c.q. Het Pantoffeldiertje.
Je hebt tenslotte ook mensen die denken dat er zoiets als De Nederlander bestaat.
Er zijn zelfs anthropotecten geweest die zo’n type dachten te kunnen maken.
De Sovjetburger en de Uebermensch waren daar de meest recente voorbeelden van. Maar die ontwerpers waren zulke akelige lieden dat we ze maar verder buiten onze discussie houden voor we pijnlijke vergelijkingen gaan maken.

Waar mensen zich eventueel wel op kunnen bezinnen (let op dat laatste woord) is wat de zin is van hùn leven.
Wellicht heeft niet iedereen daar behoefte aan. Misschien zijn er wel mensen die het leven beschouwen als een enorme flipperkast, waarin zij de bal zijn, en vinden ze dat hartstikke spannend.

De meer beschouwelijke types zullen iets moeten doen om de zin van hun leven te bepalen.
Ik denk dat daarvoor in principe twee hoofdwegen te bewandelen zijn:
Je zou de zin van jouw leven kunnen proberen te vinden. Of je kunt proberen die er zelf aan te geven.
Er zijn mensen die denken dit laatste het beste te kunnen doen door hun leven grotendeels te wijden aan een bepaald doel. Sommige spreken ook van een roeping.
Eerlijk gezegd weet ik niet precies wat ik met dat idee van roeping aan moet.
Er zou dus een externe roeper moeten zijn die bepaalde mensen wèl en anderen niet van een zingeving voorziet.
Dat lijkt me iets voor de Commissie Gelijke Behandeling.

Waar ik nog steeds een beetje over twijfel is of er een fundamenteel verschil is tussen het zoeken naar- en het geven van een zin aan jouw leven.
Veel lezen en nadenken (en voor mij ook schrijven, want dat dwingt me tot eerlijkheid) kunnen je brokstukjes opleveren waaruit een perspectief ontstaat, waarin jouw leven een logisch aandoende plek of rol lijkt te hebben.

Heb je dan de zin van je leven gevonden, of heb je jouw leven zin gegeven?

mailtobutton

Links en rechts; maar dan niet politiek

donderdag 23 augustus, 2007

Toen ik klein was, leek het me wel handig om alles te weten, dus vroeg ik alles.
Dat moet tamelijk vermoeiend geweest zijn voor de mensen om me heen. Zeker toen ik nog niet kon lezen.

“Wat staat daar?” vroeg ik doorlopend als we op straat liepen, en ik wees dan bijvoorbeeld op de letters die op de luifel stonden boven een rij winkels op de Insulindeweg.
“De Poppendokter” zei mijn moeder.
“En wat staat hier?” vroeg ik om de hoek in de Molukkenstraat, wijzende naar de ruit van een winkel waar ze sigaren verkochten, maar waar je ook horloges kon laten repareren. “De Goede Oude Tijd” zei mijn moeder geduldig.

Niet iedereen was echter altijd zo geduldig. Toen ik zelf kon lezen schoot dat natuurlijk flink op, maar lang niet alles wat ik weten wilde stond in de boeken die ik te pakken kon krijgen.
Ongeduldige types deden mijn waarom-vragen soms af met de wedervraag “Waarom zijn de bananen krom?

Misschien hoopten ze wel dat ik er in zou trappen en mijn eigen vraag net zo dom zou gaan als hun reactie.
Toen me dat voldoende ging vervelen gaf ik ze maar een antwoord op die vraag: Omdat ze anders niet in hun schil zouden passen.
You ask a silly question. You get a silly answer.

Later maakte ik mee dat mensen een serieuze discussie over oorzaak en gevolg probeerden te ontvluchten, door de vraag op te werpen wat er nou eerder was, de kip of het ei.
Nou dat moeten dan wel creationisten zijn geweest, want iedere Darwinist weet dat vogels voortgekomen zijn uit ander eileggend gedierte.

Nog later kwam ik er achter dat er zoiets bestaat als een retorische vraag. Een vraag die je stelt, zonder dat het de bedoeling is dat hij beantwoord wordt.
Nou, aan zulke onzin doe ik niet mee! Als je geen antwoord wil, moet je ook geen vraag stellen.
Dus geen onzin van ‘Wie schets mijn verbazing?’ want dat weet je best: Niemand, dat moet je gewoon zelf doen. Zoals ik dat hier in deze stukjes ook zelf doe.

Nu ik het grootste deel van mijn leven achter de rug heb, is mijn verlangen om alles te willen weten getemperd.
Na de vakantie lees ik nog wel alle kranten die ik achter ben geraakt, maar vaak blijft het dan bij koppensnellen.
Zelfs de ambitie om dan op zijn minst te willen weten waar ik allemaal weinig of niets van weet, heb ik als onvervulbaar moeten erkennen.
Dus beperk ik mij tot vragen die mij aantrekken. Bijvoorbeeld

omdat het essentiële vragen zijn

omdat ze mij nog geheimzinniger voorkomen dan andere vragen,

of omdat ik me ineens realiseer dat ik ze al vijftig jaar geleden had kunnen stellen, maar ze in al die tijd niet ontdekt heb.

Eén van die vragen van de laatste categorie, en waar ik pas een paar jaar over nadenk, is wat is eigenlijk links en rechts?
En dan heb ik het niet over politiek, maar over links en rechts zoals gebruikt in links- en rechtsdraaiend melkzuur.

Nu weet ik zelf best wat links en rechts is, en als ik het vergeten zou, hoef ik alleen maar een schrijfbeweging te maken om te weten wat mijn linkerhand is. En ik kan het ook aan andere mensen uitleggen. Mijn kinderen hebben evenmin moeite met links en rechts en dat komt omdat ik het ze geleerd heb.

Zelfs als een van ons zowel links- als rechtshandig was geweest, zou ik het ze kunnen uitleggen, maar het zou al iets meer werk zijn.

“Links ist wo das Herz ist”, zeggen de Duitsers en daar hebben ze in elk geval anatomisch en hopelijk politiek gelijk in. En als ik het nog ingewikkelder zou willen maken zou ik willen maken zou ik kunnen vertellen dat de zon zich dagelijks van links naar rechts lijkt te bewegen.

Maar dat zijn allemaal geen definities. Als ik tegen mijn peuters zei, “kijk daar een hondje” en “ach, kijk eens wat een lief poesje” dan leerde ik ze wel honden van katten te onderscheiden, maar daarmee geef ik geen definitie van die dieren.

Een Australische vader zou het helemaal verkeerd doen als hij zijn kinderen vertelde dat je de zon van links naar rechts ziet bewegen.
Ik kan dus alleen maar aanwijzen, maar niet uitleggen wat links en rechts is!

Als een mens op deze planeet een ander mens op deze planeet een beeld wil geven van iets wat nog niet bestaat, maar met behulp van machines of werktuigen gemaakt moet worden, dan gebruikt hij daar een tekening voor.
Bij simpele voorwerpen volstaat een bovenaanzicht een zijaanzicht en een vooraanzicht met ingetekende maten.
Bij ingewikkelder vormen kan je ook nog doorsneden tekenen.
Op school kreeg ik een vak dat beschrijvende meetkunde heette en daarin leerde je o.a. de grondslagen van het maken van zo’n tekening. Plaats en afmetingen van een lichaam (elk ding werd om duistere redenen een lichaam genoemd) kon je door aan te gaven hoe ze op drie elkaar loodrecht snijdende vlakken geprojecteerd werden.
Ik was in die tijd nog aan het leren hoe je abstract moest denken en vertaalde dat voor me zelf dat in “hoe de schaduw van zo’n ding er uit zou zien op twee wanden van een kamer en de vloer”.

In de wiskunde heette de hoek van de muur voor mij en links van mij de Z-as.
De plint van de muur vóór mij was de X-as en de plint van de muur links stond in de wiskunde bekend als de Y-as, zo werd mij verteld.
De hoek waar die drie elkaar ontmoetten heette de Oorsprong en als je op die drie assen een maatverdeling uitzette dan kreeg de Oorsprong de waarde 0 en de maatstreepjes en hogere waarde naarmate je verder van dat nulpunt afkwam.
De x- y- en z- waarden liepen dus op naarmate je respectievelijk meer naar rechts, naar achteren en naar boven ging.

Ging je ondergronds, door de muur vóór je of naar de buren links dan kwam je in de negatieve getallen terecht.
Dat was allemaal een afspraak. Het had ook A- B- en C-as kunnen heten. Maar iedereen heeft het zo geaccepteerd en ik kan dus met een gerust hart een tekening naar China sturen en 12.000 priktollen bestellen en hoeft niet bang te zijn dat ik dan tollen krijg die alleen maar op de wand of het plafond willen draaien.

Toch blijf ik er moeite mee hebben.
Ten eerste moet ik altijd weer denken wat x en wat y is en ten tweede zou ik als ik het bedacht had, van uit de oorsprong vooruit naar rechts en naar boven positieve waarden hebben gegeven hebben.
Waarom?
Omdat een mens naar voren kijkt en loopt, naar boven groeit en naar rechts schrijft denk ik. Maar goed, wie ben ik? (Niet te verwarren met de vraag wie ben ik, die hebben we al beantwoord).

Maar ook dit hele model berust op de aanname dat iedereen op deze wereld – ongeacht het halfrond waarop hij of zij woont, met welke hand hij schrijft en aan welke kant van het papier hij dan begint – met links en rechts hetzelfde bedoelt.

Dat is toch wel sterk dat alle mensen zo eensgezind zijn in het begrip van iets wat je niet eens kunt definiëren.

Misschien wordt het toch nog wat met deze wereld.

Wat is er? Niets.

zondag 22 juli, 2007

Boven ons ligbad geeft een venster in het plafond uitzicht op de hemel.
Behalve ’s avonds of op winterochtenden; dan zie je de weerkaatsing van kaarsen en waxinelichtjes in het gewelfde venster van het daklicht.
Sterrenlicht wordt sowieso al niet meer geleverd in Rotterdam. De sterren stralen alleen nog in arme niet geïndustrialiseerde landen, en dat verschaft weer de troost dat er toch ook nog iets sociaals aan de schepping valt toe te dichten. Bij daglicht zag je vroeger een paar takken van de eik die voor het huis stond, tot de deelgemeente besloot dat er toch maar beter een paar parkeerplaatsen bij konden komen. En dus verdween vrijwel al het groen uit de straat.
Tijdens de werkzaamheden kregen we nog een briefje in de bus van een ijverig deelgemeenteraadslid, die zich er op beroemde, dat hij ons dit aangedaan had. Groeneweg heette de man ook nog en hij zat met gestolen SP-stemmen in de deelraad.
Nu de eik (en met hem vele kastanjes en linden) weg zijn, rest het zwerk, een enkele passerende vogel en de condensstrepen van hun grotere metalen collega’s. Maar echt genieten is het als het uitgesproken slecht weer is en de hagel tegen het raampje ratelt, terwijl jij daar tot aan je oren in naar Franse Varens geurend water van 38° C ligt.
Zelfs ik kan dan wel eens tot drie minuten aaneengesloten ontspannen. Hoewel de hele badkamerinrichting voornamelijk bedoeld was om mijn bruid te behagen.
Op een dag dat ik het bad van mijn bruid gebruikte, en me weer eens realiseerde dat het bad rechtstreeks uitzicht bood op het heelal en (niet voor de eerste keer) vaststelde dat in principe élk venster uitzicht geeft op het heelal, maar dat je er wel oog voor moet hebben, kwam ik op het verontrustende idee dat er – misschien wel voor hetzelfde geld – ook wel eens een ‘helemaalniets‘ in plaats van een ‘heelal‘ had kunnen zijn.
Dat was zó’n verontrustend idee, dat het onmiddellijk afgelopen was met de staat van baarmoederlijke genade die het bad mij even gegund had. Ik hoefde op weg van het bad naar de maatschappij, zelfs niet eens op de weegschaal te gaan staan om te weten dat ik iets had om ernstig over na te denken.

De dagen daarna had ik zo veel te doen, dat het me niet lukte een consistente gedachtenlijn te ontwikkelen over de consequenties van een geheelniets. En die drukke dagen groeiden uit tot drukke weken. Maar achter in mijn hoofd liet de gedachte eraan regelmatig merken dat hij er nog was.

Was er niet iemand geweest die gesteld had, dat er met termen die golden binnen een systeem niet iets objectiefs te zeggen was over dat systeem zelf.
Dat was nou zo’n onderwerp waar ik tot nu toe altijd maar omheen was gelopen, als het bij me opkwam. Maar stel dat dit klopte, dan had ik nu een onderwerp waar je wel iets geldigs over kon beweren.
Maar dat viel tegen:
Niet bestaan, daar kon je nog iets mee.
Mijn broer bijvoorbeeld, die bestaat niet, bestond niet en zal ook nooit bestaan omdat mijn ouders zaliger maar één zoon kregen.
Maar het concept mijn broer is denkbaar, en als mijn verhaal er beter van wordt voer ik zonder wroeging mijn broer op.
Maar onbestaan, dat bleek heel andere koek.
De eerste kuil waar ik in viel was dat zodra ik me een situatie probeerde voor te stellen van een totale alomvattende leegte, ik zelf ook weg hoorde te zijn. Dus er was ook niets of niemand meer die zich iets kon voorstellen.
Met recht einde voorstelling dus.

Ik probeerde het met een paar hulpconstructies.
In de mechanica kon je prettig theoretiseren door zoiets als een stoffelijk punt te bedenken dat je – niet gehinderd onpraktische zaken als afmetingen – door een wrijvingsloos medium kon laten excerseren .

Als ik nu eens een onstoffelijk punt van waarneming bedacht?
Ik schoot er niets mee op.
Iets onstoffelijks kan moeilijk waarnemen. En zelfs als het dat op enige exotische manier wel zou kunnen, dan zou het die waarnemingen niet kunnen vastleggen.

Afgezien daarvan, wie zou die waarnemingen kunnen interpreteren?
In al die pogingen bleef ik zelf hinderlijk aanwezig.
Het enige wat overbleef van mijn theoretische heelniets was een verderniets.
Dus ík was er dan, en verder was er niets. Vooruit, mijn lichaam was er ook niet meer, alleen mijn bewustzijn.

Een moeilijk met onze ervaring te rijmen situatie, maar misschien als gedachtenexperiment aanvaardbaar.
Zou er dan zoiets als tijd zijn? En was er dan zoiets als ruimte?
Een lege ruimte leek nog te kunnen. Maar waaraan ijk je ruimte als er geen materie is?
En dan tijd.

Tijd is iets waar ik uitstekend mee om kan gaan, maar waarvan ik het wezen niet begrijp.
Een van de eerste boeken die ik in het Engels las, was “Time Must Have a Stop” van Aldous Huxley. Ik leerde er als onervaren puber veel van, maar niet waarom hij die titel had gekozen, en of de er in verwoorde stelling klopte.

Het riep later wel de vraag op of tijd ook een begin kon hebben?
Het enige wat ik tot nu toe over tijd had kunnen bedenken dat stand hield, was dat je tijd altijd beschrijft in relatie met verandering.

In mijn surrogaat heelniets, het verderniets zou
door het ontbreken van materie
→geen verandering bestaan
→geen tijd bestaan
en bijgevolg zou mijn onstoffelijke bewustzijn ook niet functioneren omdat bewustzijn een vergelijking van waarneming en bestaande kennis is, en dus een proces, en dus tijd vergt.

Maar klopte het wel wat ik dacht over tijd? Of had ik alleen maar een kenmerk te pakken over tijdservaring?

Als ik nu weer eens in bad stapte en door het dakraam keek? Dan zag ik een heelal waarvan ik vrij zeker wist dat het in beweging was. Dus er was verandering en had ik een middel om tijd te ervaren.

Geleerden speculeren over iets als ‘het ontstaan van het heelal’.
Eens zou het er dus niet – of niet in deze vorm- geweest zijn.

Was dat eens het begin van de tijd?
Was er tot het moment van die oerknal die men veronderstelt een periode dat er niets veranderde? Stond de tijd toen als het ware stil, maar was er wel een inerte materie?
En begon de klok te lopen toen de boel losbarstte?

Dan zou het zogenaamde ontstaan van het heelal alleen maar het moment van de faseverandering van een reeds aanwezige vorm van materie zijn geweest en zou alles er al geweest zijn, zij het in een andere vorm.
Een bevroren heelal als het ware.

Het ontstaan van het door ons gekende heelal zou dus alleen maar het begin van een verandering geweest zijn die een voor ons waarneembare tijd creëerde.
Als er al een niet-heelal-situatie zou zijn geweest, dan zou dat niet voorafgaande aan de oerknal geweest zijn. Omdat er toen nog geen tijd bestond zou er ook geen voorafgaande zijn. En ontstond het door ons gekende heelal uit de eeuwigheid. Dus was er ook geen scheppingsmoment, maar hooguit een begin van de verandering, zo u wilt van de evolutie.

Schiet ik hier nu iets mee op?
Nou ja, ik word er een beetje rustiger van.
Blijkbaar zijn er zaken als het niet bestaande die voor mij als bestaande blijkbaar niet kenbaar zijn.
Moet ik er van uitgaan dat Alles betekent datgene wat er is.
En dat datgene wat er is in principe te begrijpen, of op z’n minst te ervaren is. En dat dat -als je daar aanleg voor hebt- het materiaal is, waardoor je gelukkig wordt.
En dat dat wat er niet is, niet te begrijpen is. En dat je dat -als je daar aanleg voor hebt- kunt laten rusten.

In de beginne was de stof.
En de stof kwam in beweging.

Eigenlijk wel een mooie voorstelling.

Over geluk en over werken II

zaterdag 3 maart, 2007

De laatste week van 2006 hoorde ik ’s ochtends op weg naar mijn werk een uil drie keer roepen, maar verder is er niet veel te beleven tijdens die donkere tochten in deze tijd van het jaar.
Als het lichter wordt breekt het seizoen van de dagelijkse vakantie weer aan. Er is dan altijd wel iets wat anders is.
De planten en bomen, de lucht en de aanblik van de Rotte, die ik vrijwel dagelijks kruis en vervolgens een stukje volg.
Het eerste stukje van de route is niet bijster opwindend. De wijk waar wij wonen en die ik wel eens met Saaiwijk Noord aanduid, is per saldo een bijzonder aangename wijk om te wonen. Praktisch geen graffiti, relatief weinig kerstdecoraties aan de gevel, alleen een onaangenaam hoog aantal Leefbaar Rotterdam kiezers.

Na één kilometer echter kruis ik een drukke verkeersweg met alle grootsteedse parafernalia die er te bedenken zijn:
Woonmall, lichtmasten, energiecentrale, spoorweg viaduct en even verderop een oprit naar de A-zoveel. Naar mijn smaak zijn dit eerder infernalia, maar toch voel ik me altijd lekker als ik daar (maximaal 2’20“) voor het rode licht sta te wachten.
’s Winters ben ik dan net op temperatuur, ’s zomers kan ik daar als ik vroeg ben verderop 4 tot 7 haasjes verwachten, waarvan één zwart en elke dag dat ik die zwarte zie denk ik dat ik nou eindelijk eens een keer moet uitzoeken of dat eigenlijk wel kan wat ik zie, een zwart haasje.

Maar de belangrijkste bron van dat prettige gevoel is dat ik me realiseer dat ik werk, dat ik er bij hoor, dat ik nuttig ben, dat ik behoor bij die groep van mensen die voor dag en dauw hun huis uit gaan om iets te produceren wat andere mensen nodig kunnen hebben. Ik werk dus ik ben.

Het werk wat ik nu doe verschilt sterk van wat ik vroeger deed. (Dat is trouwens ook al direct voelbaar bij het tikken van dit stuk, omdat ik gister bij het doorzagen van een PVC leiding per ongeluk ook een vingertop inzaagde).
Maar, wat ik vroeger deed wilde ook wel eens variëren:
Afgezien van wat korte baan werk was ik bezig als boekverkoper, documentalist, journalist, kinderoppas, docent, voorlichter en automatiseerder en voor het grootste deel speelde zich dit af buiten het terrein waarin ik een volledige vakopleiding volgde; de grafische techniek.

Toen ik bij mijn eerste pensionering op mijn loopbaan terugkeek bleek er echter wel een rode draad door mijn wisselvallige bezigheden heen te lopen: het ging altijd over het overdragen van informatie.

Die rode draad is in mijn huidige werk niet meer te vinden. Het enige rode is daar het eindproduct. Ik werk namelijk in de glastuinbouw. Bij een mooi bedrijf dat tomaten teelt.
Nu, na vijf jaar heb ik wel wat opgestoken van de tuinbouw, maar ik kwam daar als een onbeschreven blad. Heel erg was dat niet omdat ik maar nauwelijks bij de teelt zelf betrokken ben. In het begin deed ik veel schoonmaak werk, maar geleidelijk is het accent meer komen te liggen op onderhoud en reparatie.

Nu heb ik ook geen vakkennis op het gebied van techniek, maar hoe het komt weet ik niet, machines zijn altijd aardig voor me. Als ik ze open schroef openbaren ze me meestal hun innerlijke logica en in acht van de tien gevallen lukt het me ze weer aan de praat te krijgen, zoals me dat ook met computers in de meeste gevallen lukt.

Als het me lukt om iets te repareren kan m’n dag niet meer stuk. En het is helemaal kicken als het me lukt met onderdelen die eigenlijk niet bedoeld waren voor de toepassing die ik ze nu geef. Wat ik namelijk genetisch van mijn vader meegekregen heb, is de gewoonte om alles ‘wat nog wel eens bruikbaar zou kunnen zijn’, te bewaren. En dat combineert weer mooi met de genengift van mijn moeder om dingen onorthodox te gebruiken.
(Toen mijn zuster ziek was en niet op de tocht mocht liggen, en wij maar niet leerden om de deur achter ons dicht te doen, construeerde zij uit een stuk je touw, twee schroefoogjes en een combinatietang ingenaaid in een zakje een dranger).
Nu ik toch afdwaal:
Mijn oudste zoon is zich in het kader van zijn studie aan het verdiepen in taalfilosofie en stuitte op het woord ‘ontologisch’ en omdat ik dichter bij was dan de Van Dale vroeg hij mij wat dat betekende. Leek hem sneller.
Ik had er echter meer woorden voor nodig dan het woordenboek. Ik stelde het ook tegenover ‘teleologisch’, dus wezenskenmerken tegenover gezien in het licht van de bestemming.

Ik kwam er op dat moment niet op, maar zijn oma’s benadering van de combinatietang zou een prachtig voorbeeld zijn geweest.

Wat me trouwens opvalt, als ik over mijn werk praat, is dat nog al wat mensen een negatief beeld van de glastuinbouw hebben. En ook dat ze vinden dat tomaten nergens meer naar smaken.
Nou dan hebben die mensen òf al 15 jaar geen tomaten meer gekocht, òf ze bewaren ze in de koelkast, òf het zijn rokers.
En wat de milieubezwaren die men aanvoert: die slaan in elk geval niet op het bedrijf waar ik werk:

De elektrische energie die daar gebruikt wordt, komt van een een met andere bedrijven gezamenlijk geëxploiteerde warmte kracht koppeling die dus zowel warmte als stroom levert.
De CO2 die daarbij onstaat wordt aan de planten gevoerd, die daarvoor weer zuurstof en tomaten voor teruggeven.
Mooi toch?

Plagen worden er vrijwel volledig biologisch bestreden en een vernuftig systeem van bovengrondse èn ondergrondse wateropslag (niet op z’n Almeers, maar netjes met alle vergunningen) zorgt er voor dat er maar zelden leidingwater gebruikt wordt.

Grapje van het lot.

Juist toen ik deel I in mijn hoofd rond had en dacht ‘vanavond maar eens gaan schrijven’ gaf mijn fysiek een hikje, waardoor het leek dat werken voorlopig even van de baan zou zijn. Maar gelukkig bleek het een hikje van voorbijgaande aard te zijn.
Toen aflevering twee in handschrift klaar was en ik bedacht ik dat ik de tekst maar eens in moest gaan kloppen, zag ik me genoopt zelf te stoppen.

Het veel goedkopere uitzendbureau waar ik naar verhuisd was bleek zo goedkoop te kunnen zijn door de CAO te ontduiken.
Dat flik je een vakbondslid niet. Dus kreeg ik de FNV onmiddellijk achter me. De uitzendmeneer krabbelde terug en betaalt alsnog mijn vakantie-uren, maar aan mij zal hij niets meer verdienen.

Ik zoek dus ander werk!

Mijn loopbaanbeschrijving (CV) staat hier

Ritueel en Ratio

dinsdag 27 februari, 2007

Toen ik een jaar geleden klaar was met wat een boek zou moeten worden, had ik het gevoel dat ik nu ook wel zo’n beetje klaar was met de vragen over het bestaan.
Dat was een comfortabel gevoel. Zoiets van ‘mij kan niets meer gebeuren’.
Ik had het gevoel dat ik nu – als het per se moest – zou kunnen sterven, zonder het gevoel te hebben niet klaar te zijn met het leven. En daarnaast had ik het gevoel dat ik volledig wist wat ik aan mezelf had.

Niet dat dat nu allemaal over is, maar de afgelopen maanden stuitte ik toch op iets wat ik niet begreep van mezelf.
Het ging over de rol die rituelen spelen in mijn leven.

Een paar maanden geleden stierf een dierbare vriendin van ons. Het was een niet geheel onaangekondigde dood.
Er ging een lange ziektegeschiedenis aan vooraf waarin vaak het perspectief van genezing aanwezig leek.

Ik kende haar lang. In eerste instantie van mijn werk, en in de loop der jaren evolueerde onze relatie zich van een goede werkrelatie, via een vriendelijke- tot een vriendschappelijke relatie, en uiteindelijk tot een zeer warme relatie tussen ons en haar.
In de openheid die in haar laatste levensjaar tussen ons groeide, vertelde ze hoe ze haar laatste tijd op aarde dacht door te willen brengen.
Ik zei dat ik haar rolstoel graag zou duwen wanneer ze het Arboretum Trompenburg of het Kralingse Bos wilde zien, en dat ik ook heel mooi kon voorlezen.

Die rolstoel is wel in huis gekomen, maar uiteindelijk zag ze dat niet zitten, maar aan dat voorlezen werd ik herinnerd.
Dus las ik elke zaterdag rond het middaguur een tijd voor uit een boek dat zij net gekregen had.
Maar de ziekte was sneller en het eind van het boek haalden we niet.
Toen dat duidelijk werd, stond voor mij vast dat ik het boek voor haar zou uit lezen. En dat deed ik ook, op zaterdag omstreeks dezelfde tijd als het kon. Op de begraafplaats.

Ik heb geen moment getwijfeld dat ik dit moest doen. En ik voel dat nu het boek uit is nog steeds zo. Maar op de een of andere manier begreep ik het niet, waarom een redelijk rationeel persoon (om ook eens een pleonasme te gebruiken) zoals ik denk te zijn, wil voorlezen aan iemand die er niet meer is.

Mijn eerste verweer was, dat zij in mijn herinnering nog wel degelijk leefde. Maar in de regel lees je niet voor aan je herinnering. Dan was er natuurlijk ook de voor de hand liggende symboliek, van het boek dat nog niet gesloten was, die zich opdrong.
Kon me ook niet overtuigen.
Wat ik wel begreep, was dat ik aan het rekken was. Ik ben geen held in het afscheid nemen.
Maar waar ik over struikelde, was over het irrationele van het ritueel dat ik gekozen had.

Met rituelen heb ik nooit moeite gehad. In tegendeel, ik vond en vind ze heel waardevol. Maar ik riep wel altijd; “Ik heb niets tegen rituelen, als het maar je eigen rituelen zijn”. Ik beschouwde ze als sierlijke toevoegingen aan het bestaan. Een soort cadeau verpakking die van alledaagse gebeurtenissen iets bijzonders konden maken.
Ik had nooit het idee om met een ritueel iets anders te veranderen dan de aandacht of de stemming.

Maar nu begreep ik dat ik ook een helende werking zocht in het ritueel.
Niet dat ik de oorzaak van mijn verdriet er mee te niet kon doen, maar ik kon het verdriet zelf wat polijsten, waardoor het minder pijn deed.

Toen ik daar langer over nadacht kreeg ik een ander beeld van de wijze waarop ik met de werkelijkheid om ga.

Ik besef dat de werkelijkheid in zijn totaliteit en doorlopende verandering onmogelijk te bevatten is, en dat wij stervelingen het dus moeten doen met een model.
Veel van de elementen van dat model worden ons bijgebracht door onze ouders en het onderwijs wat we krijgen en wat verder horen zien en lezen.
Ons model wordt dus steeds beter. Moesten mijn grootouders nog naar de lucht kijken om te beslissen of ze wel of geen paraplu mee zouden nemen, wij kijken naar pagina 702 van de teletekst.
Maar daarnaast, besef ik, wordt een groot gedeelte van mijn beeld van alles-wat-er-is door mij zelf bepaald.
Het beeldscherm waar ik tegen aan kijk is niet zoals in de grot van Plato alleen het gevolg van een extern projectie-mechanisme, maar het beeld wordt ook sterk beïnvloed door mijn eigen ‘optiek’.
Mijn eigen ervaringen en opvattingen over het bestaan kleuren, filteren het beeld, of maken het naar behoefte scherper of waziger.

En dat bevalt best. Van de nood – dat wij zoals Paulus dat noemt, zien als in een spiegel, in raadselen – maak ik een deugd. Ik maak een eigen beeld waar geen plasma TV en geen Dolby Surround tegen op kan.

OK, als het er om gaat een electrisch apparaat te repareren, of belastingaangifte te doen dan gelden de fysieke en de maatschappelijke wetten ten volle en uitsluitend. Maar wanneer mijn beleving in het geding is dan ik acht ik me daar niet uitsluitend door gebonden.

Wanneer er een bepaalde bezigheid of omstandigheid met grote regelmaat in je leven terugkeert kan je dit als eentonig, vervelend of saai ervaren, als je je beperkt tot de alledaagse logische inhoud. Dan fiets je jaar in jaar uit dezelfde weg naar je werk. En een camera die mij gevolgd zou hebben zou inderdaad dat beeld kunnen suggereren. Maar vanuit mijn ‘projectiecabine’ bekeken ziet het er nooit hetzelfde uit.
Ten eerste omdat die weg er nooit hetzelfde uitziet en er altijd dingen zijn die aanleiding tot interessante vragen geven. (Zou die man die daar fietst een hond hebben. En zou hij wel een bosje bloemen voor dat beest gekocht hebben?) En mocht er niet zo’n aanleiding zijn dan kan ik altijd nog de automatische wielrijder aanzetten en me bezig kan houden met het mogelijke gedachtenleven van de vogel die ik net voorbij zag scheren.