Gelukkig in Holset II

donderdag 3 augustus, 2006

“Kan ontspannen ook uit de hand lopen?” vroeg ik, toen we na onze eerste wandeling weer op het terras van de herberg zaten.
Dan zou ik dat misschien best wel eens willen proberen.
Door gebeurtenissen die buiten het bestek van dit stukje vallen hadden we het gevoel dat we nog niet helemaal klaar waren met onze ontspanningskuur en dus zaten we twee weken na ons vertrek uit Holset weer op dezelfde plek.

Na wat weidegrond, begrenst door boomranden, ging het landschap waar we op uit keken over in het bosgebied achter de sportvelden van Lemiers.
Het vergezicht werd bekroond met een weidse helling met immense kilometerbrede korenvelden.
Het grootste deel was al gemaaid maar op een brede strook stond het graan er nog.
Af en toe verdween de zon of scheen minder fel en dan veranderden de kleuren in een andere even fraaie combinatie.

Elke keer dat ik in dit deel van Limburg kom, heb ik het gevoel thuis te komen. Of dat een echo is van de gelukkige jaren op La Palma, of dat ik gewoon thuis hoor in een landschap waar de horizon niet recht loopt, ik weet het niet.
In ieder geval vervult het me met een gevoel van intense tevredenheid als ik naar iets in de verte kan staren, dat het zicht wegneemt op iets in een nog verrere verte.
Het hoeven geen bergen te zijn, heuvels of duinen werken net zo goed en het lukt zelfs met een hoge dijk.
Ze produceren allemaal dat raadselachtige voldoening gevende gevoel, dat er iets is wat je nog doen kan of misschien wel doen moet, namelijk ontdekken hoe die wereld daarachter er uitziet, maar dat dat absoluut niet nu hoeft te gebeuren.
Sterker nog, dat het beter is om daar nog even mee te wachten.

Het aangename van deze afwijking is dat hij ook werkt als ik de wereld achter die berg ken.
Als de magie van mijn verbeelding toeslaat (en daar is maar weinig voor nodig gelukkig) is het geen kunst te veronderstellen dat die wereld daar sinds mijn laatste bezoek compleet veranderd is in een nieuw terra incognita.
Soms lukt het als ik lang kijk, te vergeten waar ik ben en te verblijven in wat ik zie. Geleidelijk ontstaat er zo een tweede – paracartesiaanse – wereld, waarin zoals op de oude zeekaarten bekende kapen en kusten door een netwerk van zichtlijnen verbonden zijn met andere bekende stukken, het geheel ingebed tussen vage continenten en bedekt door de hemel.
Tijdens onze wandeltochten levert dit toch nog een bruikbaar navigatiesysteem op, bestaande uit kerktorens en de vlakverdelingen die door de boeren – onbewust opererend als grafische kunstenaars – neergelegd zijn.
Dat de kerk nog zo’n rol in mijn leven zou gaan spelen had ik niet verwacht.

De verwondering slaat toe

Bij ons eerste bezoek aan Holset en omgeving hadden we de Sint Cunibertuskerk in Wahlwiller al bezocht, maar verzuimd op te schrijven hoe je een rondleiding aan kon vragen.
Tegenover de kerk ontdekten we een café dat “De Verwondering“ heet.
Dat is een naam die blijft haken als een van je levensmotto’s is dat het wonder de verwonderde nodig heeft.
Het stak de naam naar de kroon die de eigenaar van een kleine supermarkt had bedacht in het dorpje Tazacorte op het geliefde eiland van weleer: ‘Almacén El Encanto’ Magazijn De Betovering.
Het café was gesloten, maar ik maakte een foto van het uithangbord.

img_0081.jpg

Bij ons tweede bezoek aan de Cunibertus bleek er een mis gaande, maar we konden zonder te storen de informatie die wij zochten vinden in het voorportaal. Terwijl we daarmee bezig waren begon de preek die, mirabile dictu, ging over de hernieuwde belangstelling voor het wonder.

Het café was deze keer wel open. We dronken een kopje koffie op het terras en bekeken de spijskaart. Daar stond een aantal gerechten op die ons aantrokken tegen prijzen die ons niet afschrikten. Dus besloten we na onze wandeltocht boven Ubachsberg hier te gaan eten.

Eind van de middag landden we op het terras en toen het wat begon te spatten werden we uitgenodigd onder de parasol te komen waar de waard met een paar andere gasten in gesprek was. Het werd gezellig en we vernamen en passant dat er ook weer een nieuwe Deken was voor Gulpen en omgeving, nadat de vorige in dat gebied enige beoordelingsfouten gemaakt leek te hebben.

Toen de spatten zich ontwikkelden tot een volwassen gietbui en de andere bezoekers vertrokken, gingen we naar binnen en daar werd het gevoel compleet, wat we buiten op het terras al een beetje voelden aankomen, dat we hier eigenlijk al jaren stamgast waren.

Een Akai taperecorder produceerde de ene na de andere lauwwarme ballade van Billy Holiday, en dat is zoals men weet extra balsem op de ziel van een toch al gelukkige oudere heer op een zondagmiddag dat het regent en er een smakelijk maal in aantocht is. Zo wil je wel dagen wachten. De tijd kan eigenlijk niet lang genoeg duren.

Maar het eten kwam toch en voor de tweede keer werden mijn verwachtingen overtroffen.
”Ik houd van koken,” zei de eigenaar in een bijzinnetje, toen hij wat over zijn zaak vertelde. (Ik wilde natuurlijk meer over die naam weten). Nou, dat mocht hij wel zeggen, ja. Dat proefde je in ieder hapje dat je nam.

Volgens Iens is De Verwondering op maandag en dinsdag gesloten, maar momenteel -augustus 2006- is dit woensdag ook het geval. Maar wie het precies wil weten moet maar even bellen 043 4511128.

Ik moet eigenlijk maar eens weer wat teksten gaan verkopen, want ik wil wel elke maand een weekend naar Limburg…

Naschrift 2010:

Bij een bezoek dit jaar, bleek De Verwondering in andere handen over te zijn gegaan en ook niet meer zo te heten.

Gelukkig in Holset I

maandag 24 juli, 2006

Het gebeurt maar zelden dat iets waar je verlangend naar uitgekeken hebt helemaal voldoet aan je hoog gespannen verwachtingen als het lang verbeide moment dan eindelijk aanbreekt.
Ook nu was dat niet het geval.
Onze verwachtingen werden ruimschoots overtroffen.

Een paar jaar geleden hadden we op onze fietstochten door Zuid Limburg het kerkje van Holset al ontdekt en waren daar onmiddellijk voor gevallen, ook al was het binnen niet zoals je buiten zou vermoeden.
Vorig jaar viel ons op dat er een aantrekkelijk ogende herberg tegenover het kerkje lag en toen we daar een drankje gebruikten zagen we aan de diverse opschriften dat we met een herberg in de ware zin des woords te maken hadden en dat er ook bed en ontbijt genoten kon worden.
We kregen een kaart mee met een verwijzing naar http://www.oud-holset.nl en die bewaarden we goed omdat we er al jaren over droomden om eens een keer samen – zonder kinderen – op vakantie te gaan en dit leek ons dan een ideale plek om te beginnen.
Dit jaar deed die gelegenheid zich voor. Onze enige nog thuis wonende zoon kon met een vriend mee op vakantie en dus reden wij op de avond van de finale van het WK voetbal over aangenaam stille wegen van Rotterdam naar Limburg.

img_0100.jpg

De dagen daarop verkenden we veel plekjes die we al van eerdere bezoeken kenden, maar vonden ook weer nieuwe weggetjes. En hoewel we beiden heidenen zijn is ons bestand van favoriete kerkjes van twee naar drie gegaan in deze vakantie.
Het kerkje van Holset zelf werd al genoemd, maar het mooiste kerkje van Nederland is misschien wel dat van Lemiers, dat trouwens ook aan een van de lelijkste kerken plaats biedt.

Het oude kerkje van Lemiers is op afspraak te bezichtigen en herbergt een verrrasing, die hier dan ook niet onthuld wordt.

Op aanraden van de aimabele waard van Oud Holset gingen we naar Wahlwiller om de kruiswegstatie en verdere beschildering van de St. Cunibertus kerk door Aad de Haas te bekijken.
Dat is wat moeilijk omdat een hoog hek je verhindert de kerk te betreden en de kerk vrij donker is. Het inwerpen van een munt zorgt er voor dat er vijf minuten wat zuinig licht wordt ontstoken, dus dat zal bij een volgend verblijf een rondleiding moeten worden.

Het beste moment van de vakantie kwam voor mij op een weggetje nabij Melleschet, waar kort na elkaar twee vogels een sierlijk gekalligrafeerde bocht over de weg vlogen.
Niemand had ze daarom gevraagd.
Nooit was te voorzien geweest dat uit de oerknal net al die materie zo bij elkaar zou komen dat op 11 juli 2006 Limburg er zo uit zou zien, dat ik er die dag zou lopen op het moment dat zij hun vlucht uitvoerden en ik ook nog eens de goeie kant uitkeek.

Je hoeft geen gelovig mens te zijn om totaal ondersteboven van de schepping te zijn.
Een schepping waarvan het meest opwindende is, dat hij niet voltooid is maar nog op volle sterkte explodeert.
Overal.
Altijd.

Bijvoorbeeld in Holset.

Close encounters

zaterdag 3 juni, 2006

1.

Het eiland waar ik een paar jaar verblijf wordt gedomineerd door een vraagtekenvormige bergrug. De kromming van het vraagteken omsluit een ketelvormige krater die ter plekke dan ook de Caldera wordt genoemd, maar volgens hedendaagse geologen is het geen krater.
Ik besluit een paar dagen in de Caldera door te brengen waarvan ik tot dan toe slechts enkele stukjes van de bovenrand kende en de eerste nacht breng ik door op de bodem.
Liggend op mijn rug kijk ik recht het heelal in.
De bergrand tekent zich als een volmaakt zwarte ring af tegen de met sterren bezaaide hemel. Omdat ik van mijn tochten langs de rand de diepte van de Caldera ken, versterkt dit het gevoel van verpletterende afstand tot de sterren.
De bergrand werkt als een lens voor de bijna fysiek voelbare ruimte.
Eerst probeer ik het gevoel van nietigheid dat mij overvalt als deze kegel van oneindigheid op mijn navel rust van me af te vechten, maar krijg dan zonder te weten waar vandaan de moed dit te ervaren. Ik voel tot mijn geruststelling dat de Aarde mijn rug tegenhoudt.

2.

Als ik de volgende dag omhoog loop vind ik een waterstroompje. Ik heb praktisch niets meegenomen en heb dus niets om water mee op te scheppen en zoek een steen uit die groot genoeg is om op te liggen en laag genoeg om rechtstreeks uit het stroompje te kunnen drinken.
Daar lig ik, mijn armen wijd uitgespreid als een priester die gewijd wordt en drink.
Ik besef ten volle waarom het Moeder Aarde is.

3.

Op een ander punt van de tijd kom ik vanaf de andere kant van het eiland uit de tunnel te voorschijn op mijn lichte motorfietsje. Ik rij de ondergaande zon tegemoet door een paar heerlijk moeilijke bochten en zie als ik de achteruitkijkspiegel scan de weg achter mij verdwijnen. Mijn hoofd is licht en vrolijk en ik leun in de bochten behaaglijk tegen de de middelpuntvliedende kracht aan. En ineens realiseer ik me dat de ondergaande zon net zo relatief is als de weg die in mijn achteruitkijkspiegel verdwijnt.
Ik voel wat er werkelijk aan de hand is:
Als een rugzwemmer die in slow motion een keerpunt maakt, maakt de aarde een langzame achterwaartse koprol naar de nachtelijke duisternis.

Epiloog

(dat doet Epi wel vaker, maar dat vergeven we hem)

Het mooie van van het oneindige is dat het geen grenzen heeft, en dat het daarom ook niet één middelpunt heeft.
Van uit elk punt in het universum kan je oneindig ver reizen in elke gekozen richting en dus ben je in zekere zin op elk punt van het universum het middelpunt van een universum.

Het is geen kleinigheid om deel uit te maken van het universum.
Of is het juist de ultieme kleinigheid?
Dan is het wel een grootse kleinigheid.

Ik raak er nooit over uitgedacht.
Maar zonder verwonderde geen wonderen.

Vrijheid IV: De last van de identiteit

zondag 14 mei, 2006

Het begon allemaal met de zelfontplooiing.
Dat moest wel, want we waren al ontzuild en ontketend, alleen het pure goud moest nog onttrokken worden aan het rijke erts van onze identiteit. Maar voorop stond vast: Ik was O.K. en Jij was O.K. En vandaag was de eerste dag van de rest van je leven.
We stonden aan het begin van iets wat een tijd lang het Ik-tijdperk genoemd zou worden. En het bijzondere is dat die naam vanzelf weer verdween. Niet omdat het Ik denken verdween, maar omdat het de standaard werd.
Dat ontplooien werkte eigenlijk niet zo best tijdens kantooruren. Een baan kon altijd nog, dus bleef je lang studeren, althans ingeschreven bij een onderwijs instelling, overwoog je een jaartje naar India te gaan en als overbrugging vroeg je een uitkering aan, tenzij je in de BKR kwam.
Een huishouden runnen en kinderen verzorgen was in wezen nog tijdrovender dan een kantoorbaan dus gingen tegen die tijd voor het eerst kinderen mee naar de (bij voorkeur nieuw oudbruine) kroeg.

Een uitdrukking die de geest van die tijd goed weergeeft is “moet kunnen”.
Je moet die uitdrukking proeven:
Kunnen betekent dat iets mogelijk is, dat er aan de benodigde voorwaarden die het mogelijk maken voldaan is. Het kan.
Moeten betekent dat het hoe dan ook zal gebeuren!
“Moet kunnen” maakt het mogelijk zijn ondergeschikt aan de drift.
Het is de logica van de driftig stampvoetende kleuter. Maar ik WIL het!
En die onvolwassen drammerigheid is dan ook in het collectieve gedrag van veel volwassenen terug te vinden.
Naar mate er vaker ‘moet kunnen’ werd geroepen ontstond bij een aantal mensen het beeld dat alles moest kunnen.
De mensen die zich dat het eerst konden veroorloven waren de kunstenaars of de genen die zich daar voor uitgaven, die stonden traditioneel al een beetje boven de wet.
Toen W. F. Hermans een van zijn romanfiguren de katholieken voor rotte vis liet uitmaken veroorzaakte dat in het dan nog vrij beleefde Nederland veel opschudding, maar uiteindelijk had het geen gevolgen, want het was een romanfiguur die dat zei en dat hoefde niet de persoonlijke mening van de heer Hermans zelf weer te geven.
Toen jaren later Van het Reve het katholieke en protestante volksdeel kwetste leidde dat nog even tot een rechtszaak tegen hem omdat hij zich niet achter een romanfiguur verschool, maar persoonlijke geloofsopvattingen mochten toen nog en Van het Reve ging vrijuit. Over de ronduit racistische passages in ander werk van deze schrijver repte al niemand.
Moest kunnen, was kunst.
Dan dienen de columnisten zich aan. Dat zijn eigenlijk geen kunstenaars, maar toch wel een beetje schrijvers. Dus mogen zij eigenlijk óók wel beledigen en bovendien: de een kampt met een psychiatrisch verleden, de ander met zijn seksuele identiteit, de derde met het lot van zijn familie, de vierde met zijn geboorteland en de vijfde en de zesde zijn ongeveer de twee lelijkste mannen van Nederland en dus zijn ze op een of andere manier slachtoffer en kunnen ze dus nooit ergens schuldig aan zijn.
En zo ontstaat er langzamerhand een giftige atmosfeer waarin iedereen alles maar kan roepen over iedereen en het slechts toewensen van blijvende invaliditeit al van een zekere zachtmoedigheid getuigt.
Toch is er wel sprake van normen in de verwensingsindustrie. Als de zakenman Knevel het in zijn tv programma voor elkaar krijgt een zelfbenoemde Hollandse imam te ontlokken dat hij niet treurt om de dood van een politieke tegenstander, kan dát nou weer helemaal niet in dit land.

De ontplooiingsgedachte uit zich ook op een andere manier.
“Al onze klanten zijn uniek,” hoor ik een uitvaartverzorger vanochtend nog in een reclamespotje zeggen. En hij wil wel een keer bij ons langs komen met zijn checklist, zodat wij de uitvaart krijgen die bij ons past. ( Ja, op het moment dat wij ondanks onze uniciteit te maken krijgen met de grootste gelijkheid van alle leven, denk ik dan).
Zover is het dus al gekomen. Met een herkenbare lifestyle ben je er nog niet. Zonder een passende afterlifestyle blijf je nergens.
Blijkbaar is er een tot cultuur uitgegroeid misverstand ontstaan, dat waar iedereen uniek is dat dat dan ook vooral zichtbaar of hoorbaar moet zijn.
Dat gaat niet iedereen even gemakkelijk af, dus ontstaat er al snel een hele industrie die je daar bij wil helpen.

Je pro-dukt be-ne-den peil
Koop je gauw een nieu-we stijl
Lo-go Lo-go!

In een boek over reclame uit de 50er jaren las ik dat textiel met een print van bougies er op uitermate populair was in Afrika, omdat de eenvoudige mensen die daar woonden geloofden dat de kracht die die bougie symboliseerde op de drager van die stof zou afstralen.
Dit animisme is nu algemeen Europees cultuurgoed. Dus dragen we de merken van onze idolen, en kopiëren we hun kapsel, hun kleding, hun lichaamsversieringen en hun motoriek.
Privacy wordt tegelijkertijd een van de grootste paradoxen van deze tijd. We protesteren tegen elke inbreuk op onze privacy, maar tegelijkertijd doen we van alles om maar met onze kop (dat wil zeggen in het gunstigste geval alleen die kop) op de buis te komen. Wordt de buurt vol geplakt om te melden dat we 40 zijn geworden. Wordt de video van de bevalling op verjaardagsfeestjes vertoont, komen er manshoge ooievaars in de tuin en wordt er aan de pui vermeld of het hoera, een jongen, dan wel een meisje is.
Maar een flitspaal, of een camera in de openbare ruimte is een ergerlijke inbreuk op onze privacy, want daar mee kan je ter verantwoording worden geroepen.

En omdat al deze toegevoegde identiteitsprothesen niet echt werken worden ze steeds uitbundiger. De gekte breidt zich niet alleen in de diepte maar ook in de breedte uit.
In de breedte omdat nu ook mijn deftige avondblad al geloof ik een jaar op zaterdag een lifestyle katern heeft met beuzelpraat over sterren en hun jurken.
In de diepte door de inflatie van de aanprijzingen. Super is zo’n beetje middeleeuwen, mega iets van de zestiger jaren, giga kan eigenlijk ook al niet meer, hoewel mijn spellingchecker daar nog wel een kringellijntje onder zet.

Extreem heeft het tot merk geschopt, maar wat een rare mensen zijn die extremisten toch.
Net als bij de privacy is de norm of iets wel of niet kan samengevallen met de beoordeling: heb ik er lol van of heb ik er last van.

En dat allemaal, terwijl de hele identiteitskwestie samen te vatten valt met vijf woorden:

Je bent wat je doet.

Niet wat je zegt, niet wat je gelooft, niet wat je draagt, niet wat je koopt, niet wat je van plan bent te gaan doen.
Nee, je bent wat je doet. Niets meer en niets minder. Zo simpel is het.
Je bent zelfs niet wat je denkt. Al is wat je denkt en voelt van grote invloed op wat je doet.

Wie dit te mager vindt heeft te veel naar het individuele aspect gekeken. Wat je doet vindt plaats in ruimte en tijd.
In de ruimte omdat het zich in het sociale weefsel afspeelt, in de tijd omdat je sporen achter laat..

mailtobutton

Vrijheid III: Het begin van de ont-binding

zondag 14 mei, 2006

Al tijdens de bezetting waren er gezagsdragers bezig met plannen voor het naoorlogse Nederland, zo bleek later. Een aantal van die plannen waren van een tamelijk autoritair karakter, en gelukkig zijn ze geen van alle doorgegaan.
Niettemin veranderde Nederland vóór de zestiger jaren op sommige gebieden al aanmerkelijk.
Sommige van die veranderingen waren het resultaat van bewuste keuzes van bestuurders andere een nasleep van de tweede wereldoorlog.
Zo was een van de grootste plagen van de naoorlogse jaren de woningnood.
Ook nu is er een tekort aan bepaalde typen woningen, maar toen was er vrijwel niets en moesten jong getrouwde stellen jaren lang op zolderkamertjes hokken tussen een geïmproviseerd keukentje en drogend wasgoed en dat ook nog vaak in het huis van de ouders van een van de twee.
Een gevolg was dat wanneer je ook maar ergens een woning kon krijgen je hem ook meteen nam waar je ook terecht kwam.
Was het voor de oorlog nog zo, dat er buurten waren waar families al generaties lang woonden, na de oorlog verdween dit fenomeen grotendeels.
Je zou het het begin van de ontbuurting kunnen noemen.
Een proces dat later versterkt is door het verdwijnen van buurtwinkels en postkantoren en de concentratie van scholen en andere voorzieningen, de scheiding van wonen en werken in de stedenbouw en de daar mee samenhangende automobilisering.

Rond 1960 begon er een andere belangrijke ontwikkeling waarvan de naschokken nu nog in het omroepbeleid te beleven zijn, de ontzuiling.
Lange tijd hebben we de ontzuiling gezien als een emancipatiebeweging. Een bevrijding uit de knellende banden van het levenbeschouwelijke milieu waarvan men ongewild bij geboorte deel van uitmaakte, en waar je moeilijk aan kon ontsnappen omdat de maatschappij tot in het absurde op levenbeschouwelijke grondslag georganiseerd was.
De R.K. Geitenfokvereniging was daar het spreekwoordelijke voorbeeld van.Waar echter weinig over bekend is, is wat we daarvoor terugkregen. Kwamen er oecumenische geitenfokverenigingen voor terug? Of kwam ontzuiling neer op afbrokkeling van het verenigingsleven en vormen van maatschappelijke zorg?
Ik denk dat de ontzuiling een ontwikkeling was die uit de zelfde onderstroom voortkwam als de doorbraakgedachte, die tot het verdwijnen van een duidelijke klassepartij als de SDAP leidde en daar de Partij van de Arbeid voor teruggaf.
Het was modern om je breed te oriënteren. De welvaart steeg, de televisie verbreedde je horizon en het grootste gevaar na de Russen dat ons bedreigde was ‘het probleem der vrijetijdsbesteding’.

Toen de Sociaal Democratische Arbeiders Partij veranderde in een Partij van de Arbeid, verdween met het woord arbeider ook het begrip arbeider uit ons bewustzijn.
In Nederland had je alleen nog werknemers, nou ja en tijdelijk wat ‘gastarbeiders’ maar die gingen over een tijdje weer weg. Dus bij gebrek aan een echte arbeidersklasse was er ook geen noodzaak die te ‘verheffen’.
Later in het postfortuinlijke tijdperk zou links nog wel schoorvoetend toegeven dat ze ‘bepaalde ontwikkelingen’ te lang genegeerd hadden, of woorden van gelijke slapte, maar dan doelden ze er op dat ze maar toegelaten hadden dat die mensen maar niet integreerden. Terwijl natuurlijk het punt was dat zij tekort geschoten waren die nieuwe arbeidersklasse te integreren in hun maatschappijbeeld.
En zo werd in die naoorlogse jaren de bijl gelegd aan die hele schitterende omgeving van de socialistische beweging: de vakbond, de woningbouw corporaties (Laat licht en lucht uw woning binnentreden…), de wereldbibliotheek, de talloze verenigingen, de op de natuur gerichte bewegingen (voorlopers van de milieubeweging), de geheelonthouders, de esperantisten, misschien niet allemaal officieel geaccrediteerd aan het socialisme, maar wel voortkomend uit het vooral na de eerste wereldoorlog oprecht beleefde verlangen naar een betere wereld, zo niet voor ons, dan voor onze kinderen.

In de zestiger jaren tijd werd dat soort dingen al geassocieerd met spruitjeslucht. Om in 1995 door oud vakbondsman Wim Kok als ‘ideologische veren’ afgeserveerd te worden.
De ideologie werd trouwens al in 1966 als een hinderlijk blok aan het been van een politicus bevonden, met de oprichting van D’66. Het pragmatisme deed zijn intrede. Geeft u ons nou maar uw stem dan maken wij wel uit wat wij er mee doen. In dit opzicht heeft die partij dan ook niet teleurgesteld.
En zo verdwenen de buurt, de kerk, de klasse en de politieke overtuiging al halverwege de vorig eeuw voor een goed deel als bindend element.

Maar eind zestiger en begin zeventiger jaren doken er nieuwe bewegingen en idealen op: flower power, de vredesbeweging, provo, de kritische psychiatrie, de tweede feministische golf, de milieubeweging.
Was deze editie van ‘de nieuwe mens’ dan de definitief sociale versie?

Ik ben vergeten in welk jaar het was, begin zestiger jaren geloof ik, dat wij met de Haagse Ban de Bom groep de eerste sit down aktie in Nederland hielden op de kruising Anna Paulownastraat / Laan van Meerdervoort.
Uren hebben we toen vooraf gediscussieerd over de vraag of dat eigenlijk wel kon. Was dit wel geweldloos? Het ging niet over de vraag wat we moesten doen als we opgepakt werden, nee of het daar zitten en het verkeer blokkeren wel geweldloos was, was de vraag.
Wat me behalve die gewetensvolheid van die tijd bijgebleven is, is de vanzelfsprekendheid waarmee iedereen elkaar steunde. Dat je de overeenstemming zocht in plaats van verschillen als je met mensen te maken kreeg die uit een heel andere hoek van de maatschappij kwamen. Quakers, oude SDAP-ers die weer helemaal opbloeiden, scholieren en 65+ers, leden van de Pinkstergemeente en humanisten het liep allemaal door elkaar en steunde elkaar en dat was nodig want je deed dingen die je nooit gedacht had te kunnen doen. Je stelde je bloot met zo’n spandoek of sandwich bord en het was maar afwachten hoe het publiek of het gezag zou reageren.
In alle andere actiegroepen waar ik in verzeild raakte, trof je die zelfde gelijkheid, solidariteit en warmte aan in de beginjaren.

Maar dat bleef niet zo.
Als de beweging groeide en aandacht kreeg in de media meldde zich meestal een tweede lichting.
En die was iets radicaler dan de mensen die de beweging gestart hadden. Naarmate die tweede richting talrijker werd begon er zich een richtingenstrijd te ontwikkelen.
Ik kreeg de indruk dat die tweede lichting meer aangetrokken werd door de aandacht die de beweging trok, dan door de uitgangspunten er van.
En in het verlengde daarvan trad vaak ook een vermientjanisering van de beweging op. De carrièreactivisten meldden zich. Soms kwamen die uit de lucht vallen en bleken zij opeens je woordvoerder te zijn en kon je tot je verbazing vast stellen dat ze op een dag zonder last of ruggespraak hun duivenveren afschudden. Soms ook groeiden ze in de beweging zelf op.

Ik herinner me dat een vrouw – die tijdelijk in het zelfde pand woonde als ik – een boek over haar leven en feministische ontwikkeling schreef en daarbij alle personen uit haar omgeving met name noemde en beschreef. Zo ook de vrouw van haar minnaar waar ze haar lesbische stage bij liep. Alleen de minnaar zelf verscheen onder pseudoniem want die vervulde een politieke functie, zoals de schrijfster dit nu ook zelf doet.

In die tijd waren er ook verschillende initiatieven om een feministisch tijdschrift op te richten.
Twee meiden die met een van die bladen bezig waren ontdekten dat er ergens een subsidiepotje bestond waarvan zij dachten dat ze daar aanspraak op konden maken. Dus wendden zij zich in goed vertrouwen tot een ervaren zuster die goed thuis was in bestuurlijke en politieke kringen en vroegen aan haar hoe ze dit het beste aan de vork konden steken.
Deze zuster was echter zelf bezig een blad op te zetten en had daarvoor al een financier gevonden in een goedlopende uitgeverij. Nog die zelfde avond stuurde ze de subsidie-aanvraag voor haar eigen blad in en kreeg die ook. Zij schopte het in de politiek een stuk verder dan de schrijfster.

Het kortst was de politieke loopbaan van de jongen die ik in de vredesbeweging voor het eerst ontmoette en die later de meest geïnterviewde Sponti-theoretiker van een alternatieve Amsterdamse beweging werd die later zelfs in de gemeenteraad kwam.
“Ik zie je nog wel eens wethouder worden,” zei ik een keer tegen hem op een avondje van de Amsterdamse Voorleesclub, omdat ik toch wel tekenen op zijn voorhoofd meende te ontwaren.
Hij keek me een tijdje aan en zei toen “Denk je dat?”
Ik kreeg echt de indruk dat hij dacht dat hij een antwoord vermeden had.
Hij heeft het maar kort uitgehouden in de politiek.

Wat ik maar wil zeggen, is dat er vaak een bepaalde invloed aan de bewegingen van de zestiger en zeventiger jaren wordt toegeschreven, maar dat de ideeën van de inspirators niet altijd overeind blijven naar mate de beweging groeit.

mailtobutton