Posts Tagged ‘identiteit’

De Orde van de Nederlandse Haas

woensdag 1 november, 2006

Het begon met de millennium bug.
Op de TV werd een insteekkaart met geheugen chips aan de toenmalige directeur van Philips getoond en de presentator van Buitenhof vroeg/constateerde dat daar dus een fout in zat en de uitvinder van “Let’s make things better” beaamde dit.
Dus moesten we toch maar op nieuwjaarsochtend op het werk zijn om te zorgen dat er geen gekke dingen gebeurden. Natuurlijk wist ik als bouwer dat er met mijn applicaties niets mis kon gaan omdat een datum daar alleen maar een volgnummer is dat voor de gebruiker aangekleed wordt als een tijdstip. Maar mijn baas was een manager en geen informaticus.
Hij vertelde ooit een grap over een stel ballonvaarders die verdwaald waren en daarom afdaalden om een wandelaar de weg te vragen. Op de vraag “kunt u mij ook zeggen waar wij zijn” antwoordde deze: “U bevindt zich in het mandje van een ballon die op ongeveer vijf meter boven de aarde zweeft.” Daarop vroeg de ballonvaarder of de wandelaar soms een computerdeskundige was, waarop deze zei dat dat klopte, hoezo? “Omdat u een antwoord geeft dat voor 100% juist is, maar waar ik niets aan heb,” antwoordde de ballonvaarder.
Toen mijn chef deze grap voor de derde keer vertelde, vertelde ik dat hij nog verder ging. De wandelaar vroeg op zijn beurt of de ballonvaarder misschien manager was. Bleek ook te kloppen, hoezo? “Omdat u niet weet welke kant u op moet, zelfs niet waar u bent en dan de automatiseringsafdeling maar de schuld geeft,” maar die vond hij niet zo leuk als zijn mop.


Vandaag bleek dat de aanval op een ambulance geen aanval was, maar een verzoek om hulp. Hulp die uitbleef omdat het ambulancepersoneel verwachtte aangevallen te worden.


Over een paar weken weken moet in 35 gemeenten met lei en griffel worden gestemd omdat een mini lobby met een hack tic de Nederlandse Haas ervan heeft kunnen overtuigen dat je stem met een Sdu computer afgeluisterd zou kunnen worden. We wachten nu op de fraude beschuldigingen en hertellingen in 35 gemeenten waaronder Amsterdam.
Hier in Rotjeknor zijn de computers minder lek, dus daar kan mijn stem niet afgeluisterd worden. Dus onthul ik hier maar (mede gezien eerdere twijfels aan de SP) dat het toch maar Agnes Kant wordt. Als haar baas (die het zo waardeerde dat Balkenende het fatsoen weer op de agenda heeft gezet) zijn plakkers instrueert om dat zelfde fatsoen te tonen en ook op de verkiezingsborden het ‘eerlijk delen’ te praktiseren.


Nu nog de Postbank.
De directeur van die instelling stuurde me nu al voor de tweede keer een brief dat ik nodig naar het postkantoor moest om te bewijzen dat ik ik ben.
Blijkbaar weet hij dat niet zeker, maar nu vraag ik mij af of die brief dan wel voor mij bedoeld is.
Wat moet ik hier nu mee. Ik heb al ruim twintig jaar een rekening bij die gasten. Zelfs een hypotheek van ze gehad en helemaal afgelost. Moet dit nu allemaal over of wordt alles teniet gedaan omdat ze al die tijd met een spookidentiteit handel hebben gedreven.
Ik zal hier nog lang over na moeten denken.
Zou Bas Haring hier misschien een oplossing voor weten? Want het gaat hier toch over diep filosofische kwesties.
Ben ik degene die ik denk te zijn? Of ben ik degene die de de anderen denken, dat ik ben? Toch een vraag om bij stil te staan. (Hoewel Bas vaak een beetje heen en weer loopt als hij het over zulke dingen heeft).
Ik durf ook niet terug te schrijven naar de Postbank want ik ben bang dat de directeur er misschien helemaal niet meer uitkomt als hij vermoedt dat een derde zich ten onrechte achter mijn reeds betwijfelde identiteit verschuilt.

Nogmaals die kus

zondag 13 augustus, 2006

Jongeren, en dan heb ik het over 65-minners en zo, die het stukje “Kus” gelezen hebben, hebben zich misschien verbaasd over de wereldvreemdheid van die twee tieners die elkaars lippen wilden kussen en op elkaars neus botsten.
Maar de gebeurtenis die daar beschreven werd speelde zich dan ook af rond 1950. Niet direct een mythische periode (de dinosauriërs waren bijvoorbeeld al lang uitgestorven) maar hoe het leven toen was lijkt me niet na te voelen als je het niet meegemaakt hebt, ook al hou je van een film als “The Last Picture Show”.

Eigenlijk betwijfel ik of mensen die iets altijd gehad hebben zich echt kunnen voorstellen hoe het is om dat niet te hebben.
Neem het vermogen om te zien. Weten wij hoe het is om blind te zijn vanaf je geboorte? Wij stellen ons iets voor als voortdurende duisternis. Maar duisternis is de afwezigheid van licht en als je geen licht kan ervaren kan je dan duisternis ervaren?
Stel er komen nog eens wezens vanuit een buitenaardse beschaving en die hebben geen reukzin, maar wel drie zintuigen die wij weer niet hebben. Gaan we ons dan gehandicapt voelen? Of zij, omdat ze niet merken hoe het in de metro naar deo en aftershave stinkt?

Hoe dan ook, je moet je gewoon realiseren, dat veel kinderen van die tijd nog nooit mensen hadden gezien die elkaar kusten.
Ja, we kenden wel de klapzoen die je – ongewild – van een tante op je wang kreeg op je verjaardag, maar niet die geheimzinnige, magische kus waarover je gelezen had in zinnen als ‘hun lippen vonden elkaar’ en waar misschien zelfs wel het woord ‘versmolten’ in voor kwam.
Mogelijkerwijs werden zulke kussen wel gewisseld in bioscoopfilms, maar dat weet ik niet, want wij waren arm en gingen niet naar de bioscoop. We hadden ook geen beelden van Rodin in de tuin, al was het alleen maar omdat je op drie hoog geen tuin had, en die kus van Klimt zie je ook alleen maar van achter.

Wat er aan de hand was, was dat in die tijd je visuele ervaring voornamelijk bestond uit wat je zelf gezien had. Je moest het doen met de indrukken die je eigen ogen hadden opgenomen en in je herinnering hadden achtergelaten, aangevuld met wat je ‘geestesoog’ produceerde op basis van beschrijvingen van anderen.
Hoewel er wel afbeeldingen bestonden, waren die spaarzaam, vaak niet natuurgetrouw, slecht toegankelijk en duur.

Later zou iemand (ik geloof Malraux) spreken over ‘le musée imaginaire’ duidend op de reproductie techniek die het mondiale kunstbezit in principe voor iedereen ontsloot, maar wij behoorden toen niet tot de klasse voor wie dat betaalbaar was

De eerste bibliotheek die wij bezochten was de St. Vincentius bibliotheek in de Ambonstraat achter ons. Een katholieke bibliotheek, maar als ze je niet een jaargang van De Engelbewaarder meegaven – want veel uit te zoeken had je daar niet – merkte je daar niet zo veel van. De kinderboeken hadden soms plaatjes en je kon meteen zien waar die zaten want die waren op glad papier gedrukt. Die bekeek je dus eerst, al had je een vaag besef dat dat niet mocht. Maar veel meer dan vier per boek waren dat er meestal niet. En dan waren het nog zwart-wit tekeningen.

Fotoreproducties stonden pas in de boeken die we later bij de Openbare Leeszaal en Bibliotheek in de Molukkenstraat haalden.
Over juffrouw van Eck (ze stond op dat juffrouw) hoop ik nog eens een klein monumentje te schrijven *), want ze was in mijn ogen een gezegende onder de vrouwen.

Toen mijn vader werk vond gingen we op een zondag voor het eerst met de trein. Een stoomtrein die ons van het Muiderpoortstation naar het station Naarden-Bussum zou brengen. En daar zouden we naar een bos gaan!
Ergens onderweg, ik geloof tussen Weesp en Naarden lag dichtbij de spoorlijn een kwekerij. Ik geloof dat er de naam Bendien op een bord stond. Daar stonden een aantal boompjes bij elkaar op een akkertje.
“Is dat nou een bos?“ vroeg ik. Want het geheel voldeed wel aan de definitie van bos ‘stel bomen bijelkaar’ maar enigszins teleurgesteld was ik wel. Ik had het me veel groter voorgesteld. De coupé lachte hartelijk. En hoewel het Spanderswoud beter Spandersbos had kunnen heten was ik van dit eerste bos in mijn leven best onder de indruk.

Later in 19zoveelen60 riepen Parijse studenten uit dat nu de verbeelding aan de macht was.
Maar voor de visuele verbeelding was het toen al afgelopen.
De voor-beelding kwam aan de macht en zal niet meer verdwijnen.
Hoe ziet het er uit als een leeuw in volle ren een antilope naar de keel vliegt? Ik denk dat die beelden wel een keer of acht per week vertoond worden op een van de kanalen die in Nederland te ontvangen zijn. Hoe slaat een race auto over de kop? Als het maar één keer gebeurt, herhalen we het gewoon een paar keer, desnoods in slow motion om maar geen detail te missen.
Een kus? Alle mogelijke vervolgen worden ook vertoond. Bosbranden, vulkaanuitbarstingen, vloedgolven, moord en doodslag, kinderen die van de wip vallen (da’s pas lachen) we worden er soms vanaf de kleuterstoel al mee doodgegooid.

Is het dan nog mogelijk het oog te verrassen?
Als je goed kijkt, gelukkig wel.
Maar dan moet je wel ophouden met zappen als je off-line bent en dwars door een stuk werkelijkheid loopt.

*)
Dat is inmiddels gebeurd: Monumentje voor Waldie van Eck

Vrijheid IV: De last van de identiteit

zondag 14 mei, 2006

Het begon allemaal met de zelfontplooiing.
Dat moest wel, want we waren al ontzuild en ontketend, alleen het pure goud moest nog onttrokken worden aan het rijke erts van onze identiteit. Maar voorop stond vast: Ik was O.K. en Jij was O.K. En vandaag was de eerste dag van de rest van je leven.
We stonden aan het begin van iets wat een tijd lang het Ik-tijdperk genoemd zou worden. En het bijzondere is dat die naam vanzelf weer verdween. Niet omdat het Ik denken verdween, maar omdat het de standaard werd.
Dat ontplooien werkte eigenlijk niet zo best tijdens kantooruren. Een baan kon altijd nog, dus bleef je lang studeren, althans ingeschreven bij een onderwijs instelling, overwoog je een jaartje naar India te gaan en als overbrugging vroeg je een uitkering aan, tenzij je in de BKR kwam.
Een huishouden runnen en kinderen verzorgen was in wezen nog tijdrovender dan een kantoorbaan dus gingen tegen die tijd voor het eerst kinderen mee naar de (bij voorkeur nieuw oudbruine) kroeg.

Een uitdrukking die de geest van die tijd goed weergeeft is “moet kunnen”.
Je moet die uitdrukking proeven:
Kunnen betekent dat iets mogelijk is, dat er aan de benodigde voorwaarden die het mogelijk maken voldaan is. Het kan.
Moeten betekent dat het hoe dan ook zal gebeuren!
“Moet kunnen” maakt het mogelijk zijn ondergeschikt aan de drift.
Het is de logica van de driftig stampvoetende kleuter. Maar ik WIL het!
En die onvolwassen drammerigheid is dan ook in het collectieve gedrag van veel volwassenen terug te vinden.
Naar mate er vaker ‘moet kunnen’ werd geroepen ontstond bij een aantal mensen het beeld dat alles moest kunnen.
De mensen die zich dat het eerst konden veroorloven waren de kunstenaars of de genen die zich daar voor uitgaven, die stonden traditioneel al een beetje boven de wet.
Toen W. F. Hermans een van zijn romanfiguren de katholieken voor rotte vis liet uitmaken veroorzaakte dat in het dan nog vrij beleefde Nederland veel opschudding, maar uiteindelijk had het geen gevolgen, want het was een romanfiguur die dat zei en dat hoefde niet de persoonlijke mening van de heer Hermans zelf weer te geven.
Toen jaren later Van het Reve het katholieke en protestante volksdeel kwetste leidde dat nog even tot een rechtszaak tegen hem omdat hij zich niet achter een romanfiguur verschool, maar persoonlijke geloofsopvattingen mochten toen nog en Van het Reve ging vrijuit. Over de ronduit racistische passages in ander werk van deze schrijver repte al niemand.
Moest kunnen, was kunst.
Dan dienen de columnisten zich aan. Dat zijn eigenlijk geen kunstenaars, maar toch wel een beetje schrijvers. Dus mogen zij eigenlijk óók wel beledigen en bovendien: de een kampt met een psychiatrisch verleden, de ander met zijn seksuele identiteit, de derde met het lot van zijn familie, de vierde met zijn geboorteland en de vijfde en de zesde zijn ongeveer de twee lelijkste mannen van Nederland en dus zijn ze op een of andere manier slachtoffer en kunnen ze dus nooit ergens schuldig aan zijn.
En zo ontstaat er langzamerhand een giftige atmosfeer waarin iedereen alles maar kan roepen over iedereen en het slechts toewensen van blijvende invaliditeit al van een zekere zachtmoedigheid getuigt.
Toch is er wel sprake van normen in de verwensingsindustrie. Als de zakenman Knevel het in zijn tv programma voor elkaar krijgt een zelfbenoemde Hollandse imam te ontlokken dat hij niet treurt om de dood van een politieke tegenstander, kan dát nou weer helemaal niet in dit land.

De ontplooiingsgedachte uit zich ook op een andere manier.
“Al onze klanten zijn uniek,” hoor ik een uitvaartverzorger vanochtend nog in een reclamespotje zeggen. En hij wil wel een keer bij ons langs komen met zijn checklist, zodat wij de uitvaart krijgen die bij ons past. ( Ja, op het moment dat wij ondanks onze uniciteit te maken krijgen met de grootste gelijkheid van alle leven, denk ik dan).
Zover is het dus al gekomen. Met een herkenbare lifestyle ben je er nog niet. Zonder een passende afterlifestyle blijf je nergens.
Blijkbaar is er een tot cultuur uitgegroeid misverstand ontstaan, dat waar iedereen uniek is dat dat dan ook vooral zichtbaar of hoorbaar moet zijn.
Dat gaat niet iedereen even gemakkelijk af, dus ontstaat er al snel een hele industrie die je daar bij wil helpen.

Je pro-dukt be-ne-den peil
Koop je gauw een nieu-we stijl
Lo-go Lo-go!

In een boek over reclame uit de 50er jaren las ik dat textiel met een print van bougies er op uitermate populair was in Afrika, omdat de eenvoudige mensen die daar woonden geloofden dat de kracht die die bougie symboliseerde op de drager van die stof zou afstralen.
Dit animisme is nu algemeen Europees cultuurgoed. Dus dragen we de merken van onze idolen, en kopiëren we hun kapsel, hun kleding, hun lichaamsversieringen en hun motoriek.
Privacy wordt tegelijkertijd een van de grootste paradoxen van deze tijd. We protesteren tegen elke inbreuk op onze privacy, maar tegelijkertijd doen we van alles om maar met onze kop (dat wil zeggen in het gunstigste geval alleen die kop) op de buis te komen. Wordt de buurt vol geplakt om te melden dat we 40 zijn geworden. Wordt de video van de bevalling op verjaardagsfeestjes vertoont, komen er manshoge ooievaars in de tuin en wordt er aan de pui vermeld of het hoera, een jongen, dan wel een meisje is.
Maar een flitspaal, of een camera in de openbare ruimte is een ergerlijke inbreuk op onze privacy, want daar mee kan je ter verantwoording worden geroepen.

En omdat al deze toegevoegde identiteitsprothesen niet echt werken worden ze steeds uitbundiger. De gekte breidt zich niet alleen in de diepte maar ook in de breedte uit.
In de breedte omdat nu ook mijn deftige avondblad al geloof ik een jaar op zaterdag een lifestyle katern heeft met beuzelpraat over sterren en hun jurken.
In de diepte door de inflatie van de aanprijzingen. Super is zo’n beetje middeleeuwen, mega iets van de zestiger jaren, giga kan eigenlijk ook al niet meer, hoewel mijn spellingchecker daar nog wel een kringellijntje onder zet.

Extreem heeft het tot merk geschopt, maar wat een rare mensen zijn die extremisten toch.
Net als bij de privacy is de norm of iets wel of niet kan samengevallen met de beoordeling: heb ik er lol van of heb ik er last van.

En dat allemaal, terwijl de hele identiteitskwestie samen te vatten valt met vijf woorden:

Je bent wat je doet.

Niet wat je zegt, niet wat je gelooft, niet wat je draagt, niet wat je koopt, niet wat je van plan bent te gaan doen.
Nee, je bent wat je doet. Niets meer en niets minder. Zo simpel is het.
Je bent zelfs niet wat je denkt. Al is wat je denkt en voelt van grote invloed op wat je doet.

Wie dit te mager vindt heeft te veel naar het individuele aspect gekeken. Wat je doet vindt plaats in ruimte en tijd.
In de ruimte omdat het zich in het sociale weefsel afspeelt, in de tijd omdat je sporen achter laat..

mailtobutton

Vrijheid II: Een wevend tapijt

zaterdag 13 mei, 2006

Geïnspireerd door het paradijsverhaal, de Alevieten en tot op zekere hoogte door de gedachten van Teilhard de Chardin zou je ook het beeld kunnen oproepen van een doorlopende schepping.
Dat idee is ook denkbaar zonder een afzonderlijke persoonlijke of bovenpersoonlijke scheppende kracht te veronderstellen.
De enige onbewijsbare veronderstellingen waarmee je dan genoegen moet nemen is dat er tijd bestaat, en dat er mogelijk een begin en een eind der tijden was of zal zijn, maar dat beide een raadsel zullen blijven.
Waar wel al tamelijk stevige aanwijzingen voor bestaan is dat er in de tijd achtereenvolgens materie en leven zijn ontstaan en dat het leven zich ontwikkeld heeft tot een bewuste vorm van leven: de mens.

Op zich is dat al een indrukwekkende stamboom voor een individu, maar ik vind het idee ronduit opwindend worden als je je voorstelt dat het scheppingsproces zich voortzet in de ontwikkeling van een samenleving.

Waar de ontwikkelingsrichting van de tijd vast ligt, ligt de richting waarin de schepping zich voortzet echter open, omdat wij gezamenlijk meebouwen aan de jongste ontwikkelingsvorm: de samenleving

Van die trits materie, leven, bewustzijn samenleving zijn we dus allemaal onderdeel!
Je zou dus ’s ochtends op kunnen staan en zeggen:

Ik neem deel aan de schepping:

Ik ben opgenomen in de kringloop van de materie.

Ik ben een schakel in de keten van het eeuwige leven.

Ik ben een knooppunt in het web van kennis.

Ik weef een draad in het tapijt van de samenleving.

Als je dit met volle overtuiging kunt zeggen, ben je stevig in het leven geworteld…
Maar kan iedereen dat zeggen?

Iedereen is deel van de materie.
Iedereen leeft. Maar niet iedereen leeft even lang en even plezierig.
Lichamelijk en geestelijk lijden kunnen maken dat iemand zelfs naar het einde van zijn leven verlangt.
Ook de hoeveelheid kennis waarover mensen kunnen beschikken verschilt per persoon. Door verschillen in aanleg en verschillen in ontplooiingsmogelijkheden.
En waarschijnlijk zijn er tallozen die niet ervaren dat ze deel uitmaken van een samenleving.

Het is duidelijk dat de samenleving – de jongste ontwikkeling van het scheppingsproces – nog een onvolkomen product is. Maar het is ook tegelijk het deel waar we iets aan kunnen veranderen. En daarmee kunnen we ook iets doen aan de kwaliteit van het leven en het niveau van de kennis waartoe de mensen toegang hebben.

Wanneer we het over het begrip samenleving hebben, dan doen we dat meestal met het bepaalde lidwoord de ervoor: de samenleving.
Maar de samenleving is een theoretisch begrip. Als je verschillende mensen vraagt om de huidige samenleving te karakteriseren, zullen ze daar onderling zeer verschillend op reageren. En hun antwoord zal zeker beïnvloed worden door hun maatschappelijke positie, hun politieke en levensbeschouwelijke opvattingen, hun levenservaring, hun karakter of misschien zelfs door hun gemoedsgesteldheid van het moment.
Afgezien van al die verschillen in perspectief is er ook nog iets anders dat de samenleving van nature pluriform maakt: Je beleeft het samenleven op meerdere plaatsen:
Een relatie, een gezin, een vriendenkring, een werkkring, een geloofsgemeenschap, een taalgebied, zij hebben alle kenmerken van een samenleving en kunnen de voedingsbodem zijn van even zoveel deelculturen.
Eén persoon kan op die manier deelnemen aan meerdere samenlevingsvormen en zal derhalve (meer of minder strikt) de normen van de bijbehorende (sub)culturen naleven, of op z’n minst respecteren.
Dat dit werkt komt omdat het individu zo’n cultuur niet alleen ondergaat, maar ook deel uitmaakt van al die kringen, er in participeert.
Dit moet een schokkende constatering zijn voor mensen die een multiculturele samenleving niet levensvatbaar achten: Eén enkel persoon is al multicultureel, tenzij hij of zij volstrekt monomaan, autistisch en bovendien nog kluizenaar is. Waarmee ik niet wil zeggen dat zij die de multiculturele samenleving verwerpen monomaan, of autistisch zijn. Maar in cultureel opzicht zijn ze toch wel enigszins gekluisterd.

Natuurlijk zullen er verschillen in betrokkenheid bij al die deelculturen zijn: “Het hemd is nu eenmaal nader dan de rok”, roepen we al eeuwen in dit land. Maar dat wil helemaal niet zeggen dat we niets om de rok geven.
Het hoeft ook helemaal niet zo te zijn dat nader ook liever betekent. Sociale afstand is misschien een begrip dat een in een theoretisch model gemeten of vergeleken kan worden, in individuele gevallen wordt het per persoon op eigen wijze ervaren..
Iemand kan zich eerder een Europeaan voelen dan een Zuid-Hollander. Kan zijn werk belangrijker vinden dan zijn gezin. Zijn politieke engagement belangrijker dan zijn carrièremogelijkheden, zijn overtuiging zelfs belangrijker dan zijn leven.

Het geheel van al die grotere en kleinere betrokkenheden, bindingen en patronen die gezamenlijk de samenleving vormen, zou je je kunnen voorstellen als een weefsel. En elk weefsel bevat minimaal twee garensystemen, de schering en de inslag.
De schering is de dragende structuur. De inslag zorgt voor de kleuren en patronen in het weefsel.
Je zou die inslagdraden kunnen zien als de sporen die de individuele mensenlevens aanbrengen en achterlaten. Sommige daarvan zijn langer dan andere. Sommige vallen meer op dan andere, al hangt dat ook af van wat het oog dat kijkt wil zien. Soms wordt de kleur van één bepaalde draad overgenomen door de opvolgers van die draad, soms hebben nabijgelegen draden ook die kleur overgenomen. Maar interessante patronen ontstaan vooral daar waar verschillende kleuren, materialen, diktes en bindingen elkaar spelend afwisselen.

De sterkte van het weefsel wordt bepaald door de dichtheid en sterkte van de schering (die moet de inslag tenslotte dragen) en de mate waarin schering en inslag met elkaar verweven zijn. In de textiel wordt die interactie ‘de binding’ genoemd en dat is ook voor ons onderwerp geen slecht woord.
Individuele burgers moeten zich met de maatschappelijke structuren verbonden voelen, wil het weefsel stand houden.
Bijdragen gaat gemakkelijker als je het idee hebt dat je zelf ook gedragen wordt.

Dat gevoel van binding lijkt de laatste vijftig jaar voor velen minder vanzelfsprekend te zijn geworden.
Voor we daar verder op ingaan is het misschien goed nog eens na te gaan wat we ons moeten voorstellen bij die structuren die de schering van onze samenleving vormen.
We hebben het dan niet alleen over zaken die van de overheid komen in de vorm van zekerheden en verplichtingen, maar ook over alle structuren en omgangsvormen die in het intermenselijk verkeer zijn ontstaan en die zowel van commerciële, als van maatschappelijke of culturele aard kunnen zijn en tot een min of meer vast patroon gestold zijn.
Het gaat dus niet alleen om grote zaken als de kinderbijslag en de Ramadan, maar ook over de woensdagse markt, het sturen van kerstkaarten en de oranjegekte rond een voetbaltoernooi.
Wanneer die binding in sommige groepen of perioden verzwakt is, kan dat verschillende oorzaken hebben. Het kan zijn dat de structuren het laten afweten zodat bepaalde groepen uit de boot vallen (of er uitgeduwd worden) zoals dat met de ‘illegalen’ of de ‘minima’ gebeurt.[1]
Het kan ook dat een groep mensen z’n sociale contract eenzijdig opzegt: “Jouw rechtsorde is de mijne niet.”[2]

—-

[1]Alleen de gewoonte om een mens in al zijn volheid aan te duiden met één kenmerk is al een acte van verstoting.
We hebben het hier over mensen, die in de ongelukkige omstandigheid verkeren (nog) niet over een geldige verblijfsvergunning te beschikken. Als we ze illegalen noemen – onwettigen – dan ligt dat wel erg dicht tegen outlaws aan.
Het is misschien ook goed te bedenken dat de nazi’s en hun Nederlandse medewerkers verzetsmensen illegalen noemden.
Minima zijn mensen met een minimum inkomen, die voor het overige wellicht maximaal fuctioneren. Door ze alleen op basis van hun inkomen als minima te karakteriseren, minimaliseer je ze. En minimaliseren is zoveel als maximaal kleineren.
[2] ‘Argument’ van de gewelddadige tak van de Amsterdamse krakersbeweging rond 1980, waaruit blijkt dat extremisme niet alleen een importproduct is.

mailtobutton

Kus

zaterdag 6 mei, 2006

Het is een vreemd en onwelkom idee, dat alle meisjes uit mijn jeugd nu vrouwen van rond de zeventig zijn.
Niet dat er iets mis is met vrouwen van rond de zeventig. Mijn moeder was een schat op die leeftijd, maar mijn herinnering aan de meisjes van toen is toch van een andere aard.
Lang behoorden ze tot een andere wereld, waarvan ik me niet kon voorstellen dat ik er ooit contact mee zou maken. Maar toch moet ik een keer de moed gehad hebben een afspraak te maken.
Anja heette ze. Een stil meisje met donker haar.
De afspraak behelsde om bij zonsopgang vogels te kijken op de Diemerzeedijk.
De Diemerzeedijk – toen nog een natuurgebied – lag op een uurtje lopen van de buurt waar wij allebei woonden, de Indische Buurt in het oosten van Amsterdam.
We kenden elkaar uit de NJN, de Nederlandse Jeugdbond voor Natuurstudie.
Een erg fanatiek lid was ik niet en ik was eerder een plantjesmens dan een vogelaar, maar een dergelijke excursie was in ieder geval een uiterst eerbaar voorstel.

Het tochtje kwam niet zomaar uit de lucht vallen. Ik was al een keertje bij Anja thuis geweest. Wat ik dáár voor aanleiding voor bedacht had weet ik niet meer.
Tegen een meisje zeggen dat je d’r wel lief vond, deed je niet zomaar in die tijd. En als het toen wel gedaan zou worden, zou ik het zeker niet gedurfd hebben.

Het was een prettig huis waar Anja woonde. Heel anders dan bij ons. Er waren boeken.
Het soort interieur had ik wel eerder gezien, bij andere NJN-ers thuis.
Geen zeil op de vloer, maar gebeitste planken. Gordijnen van Dobby stof, vaak met een aangenaaid lusje in plaats van ringen. Reproducties van Toorop of Jan Veth. Een bakstenen schoorsteen en boeken. Veel boeken. Bij Anja’s ouders stonden zelfs werken van Reich en Bart de Ligt.
Anja’s vader bejegende me op onverwachte wijze. Het leek haast wel of hij het niet erg vond dat ik kwam. Hij praatte met me en vroeg dingen alsof het belangrijk of interessant was wat ik vond en wat ik was.
Het was eigenlijk wel aangenaam om zo behandeld te worden, maar wel vreemd vond ik.
De zondagochtend brak aan en het was behoorlijk koud.
Van vogels kan ik me niet veel herinneren. Zoals ik al zei, ik wist niet zo veel van vogels en Anja ook niet. Maar ik weet wel dat we een stukje hand in hand liepen.
Hoe dat zo gekomen was, weet ik niet. Had ik haar de hand gereikt bij het beklimmen van een talud? Hadden onze handen elkaar per ongeluk geraakt?
Het was wel een heel bijzonder gevoel, die hand van haar in de mijne. Een warme levende hand die in de jouwe lag, dat voelde je ook door onze gebreide handschoenen heen.
Op de terugweg – enigszins verkleumd – kwamen we langs een speeltuintje.
We waren nog genoeg kind om op die verleiding in te gaan en we konden ook wel wat beweging gebruiken om weer warm te worden.
Dat laatste lukte het beste toen we samen op de schommel stonden.
Anja was nu wel heel dicht bij me. En die kus – mijn eerste – was geloof ik het idee van de kus zelf. Ik kan me tenminste niet herinneren dat een van ons het initiatief nam.
Het eerste moment was heel anders dan we verwachtten. Onze neuzen bleken in de weg te zitten. Maar dat leerde snel. De eerste verrukking was dat ze zo lekker rook. Zoet kruidig en in de verte ook een beetje bitter.
Ik wist dat meisjes heel bijzonder waren, maar dat ze zo lekker zouden ruiken…

De kus zelf was niet zo speciaal als ik verwacht had, maar alle omstandigheden er omheen brachten voldoende plezierige verwarring.
Toch bleef het bij die ene kus tussen Anja en mij. Ik kan me ook geen verdere afspraken herinneren.
Het was nog te vroeg voor ons, denk ik.
Niet veel later moest ik voor het eindexamen een aantal romans lezen.
Boeken las ik al lang, en veel, maar romans dacht ik waren romantische verhalen en dat trok me niet aan.
Door de verplichte kennismaking kwam ik echter al snel op andere gedachten: Romans gingen over mensen en over het leven!

Een van de eerste boeken die ik in het Duits las was een novelle “ Ungeduld des Herzens”, van Stefan Zweig geloof ik.
Het ging over een man die zijn verlangen om van iemand te houden verwarde met de liefde zelf, begreep ik er van.

Ik snapte het leven weer een beetje beter na dat boek.
Was ik niet zelf ook in de war geweest over die lichtere vorm, verliefdheid?

_____

Later is er nog een vervolg op dit stukje geschreven: “Nogmaals die kus”

mailtobutton


%d bloggers liken dit: