Posts Tagged ‘wereldbeeld’

Wat is er? Niets.

zondag 22 juli, 2007

Boven ons ligbad geeft een venster in het plafond uitzicht op de hemel.
Behalve ’s avonds of op winterochtenden; dan zie je de weerkaatsing van kaarsen en waxinelichtjes in het gewelfde venster van het daklicht.
Sterrenlicht wordt sowieso al niet meer geleverd in Rotterdam. De sterren stralen alleen nog in arme niet geïndustrialiseerde landen, en dat verschaft weer de troost dat er toch ook nog iets sociaals aan de schepping valt toe te dichten. Bij daglicht zag je vroeger een paar takken van de eik die voor het huis stond, tot de deelgemeente besloot dat er toch maar beter een paar parkeerplaatsen bij konden komen. En dus verdween vrijwel al het groen uit de straat.
Tijdens de werkzaamheden kregen we nog een briefje in de bus van een ijverig deelgemeenteraadslid, die zich er op beroemde, dat hij ons dit aangedaan had. Groeneweg heette de man ook nog en hij zat met gestolen SP-stemmen in de deelraad.
Nu de eik (en met hem vele kastanjes en linden) weg zijn, rest het zwerk, een enkele passerende vogel en de condensstrepen van hun grotere metalen collega’s. Maar echt genieten is het als het uitgesproken slecht weer is en de hagel tegen het raampje ratelt, terwijl jij daar tot aan je oren in naar Franse Varens geurend water van 38° C ligt.
Zelfs ik kan dan wel eens tot drie minuten aaneengesloten ontspannen. Hoewel de hele badkamerinrichting voornamelijk bedoeld was om mijn bruid te behagen.
Op een dag dat ik het bad van mijn bruid gebruikte, en me weer eens realiseerde dat het bad rechtstreeks uitzicht bood op het heelal en (niet voor de eerste keer) vaststelde dat in principe élk venster uitzicht geeft op het heelal, maar dat je er wel oog voor moet hebben, kwam ik op het verontrustende idee dat er – misschien wel voor hetzelfde geld – ook wel eens een ‘helemaalniets‘ in plaats van een ‘heelal‘ had kunnen zijn.
Dat was zó’n verontrustend idee, dat het onmiddellijk afgelopen was met de staat van baarmoederlijke genade die het bad mij even gegund had. Ik hoefde op weg van het bad naar de maatschappij, zelfs niet eens op de weegschaal te gaan staan om te weten dat ik iets had om ernstig over na te denken.

De dagen daarna had ik zo veel te doen, dat het me niet lukte een consistente gedachtenlijn te ontwikkelen over de consequenties van een geheelniets. En die drukke dagen groeiden uit tot drukke weken. Maar achter in mijn hoofd liet de gedachte eraan regelmatig merken dat hij er nog was.

Was er niet iemand geweest die gesteld had, dat er met termen die golden binnen een systeem niet iets objectiefs te zeggen was over dat systeem zelf.
Dat was nou zo’n onderwerp waar ik tot nu toe altijd maar omheen was gelopen, als het bij me opkwam. Maar stel dat dit klopte, dan had ik nu een onderwerp waar je wel iets geldigs over kon beweren.
Maar dat viel tegen:
Niet bestaan, daar kon je nog iets mee.
Mijn broer bijvoorbeeld, die bestaat niet, bestond niet en zal ook nooit bestaan omdat mijn ouders zaliger maar één zoon kregen.
Maar het concept mijn broer is denkbaar, en als mijn verhaal er beter van wordt voer ik zonder wroeging mijn broer op.
Maar onbestaan, dat bleek heel andere koek.
De eerste kuil waar ik in viel was dat zodra ik me een situatie probeerde voor te stellen van een totale alomvattende leegte, ik zelf ook weg hoorde te zijn. Dus er was ook niets of niemand meer die zich iets kon voorstellen.
Met recht einde voorstelling dus.

Ik probeerde het met een paar hulpconstructies.
In de mechanica kon je prettig theoretiseren door zoiets als een stoffelijk punt te bedenken dat je – niet gehinderd onpraktische zaken als afmetingen – door een wrijvingsloos medium kon laten excerseren .

Als ik nu eens een onstoffelijk punt van waarneming bedacht?
Ik schoot er niets mee op.
Iets onstoffelijks kan moeilijk waarnemen. En zelfs als het dat op enige exotische manier wel zou kunnen, dan zou het die waarnemingen niet kunnen vastleggen.

Afgezien daarvan, wie zou die waarnemingen kunnen interpreteren?
In al die pogingen bleef ik zelf hinderlijk aanwezig.
Het enige wat overbleef van mijn theoretische heelniets was een verderniets.
Dus ík was er dan, en verder was er niets. Vooruit, mijn lichaam was er ook niet meer, alleen mijn bewustzijn.

Een moeilijk met onze ervaring te rijmen situatie, maar misschien als gedachtenexperiment aanvaardbaar.
Zou er dan zoiets als tijd zijn? En was er dan zoiets als ruimte?
Een lege ruimte leek nog te kunnen. Maar waaraan ijk je ruimte als er geen materie is?
En dan tijd.

Tijd is iets waar ik uitstekend mee om kan gaan, maar waarvan ik het wezen niet begrijp.
Een van de eerste boeken die ik in het Engels las, was “Time Must Have a Stop” van Aldous Huxley. Ik leerde er als onervaren puber veel van, maar niet waarom hij die titel had gekozen, en of de er in verwoorde stelling klopte.

Het riep later wel de vraag op of tijd ook een begin kon hebben?
Het enige wat ik tot nu toe over tijd had kunnen bedenken dat stand hield, was dat je tijd altijd beschrijft in relatie met verandering.

In mijn surrogaat heelniets, het verderniets zou
door het ontbreken van materie
→geen verandering bestaan
→geen tijd bestaan
en bijgevolg zou mijn onstoffelijke bewustzijn ook niet functioneren omdat bewustzijn een vergelijking van waarneming en bestaande kennis is, en dus een proces, en dus tijd vergt.

Maar klopte het wel wat ik dacht over tijd? Of had ik alleen maar een kenmerk te pakken over tijdservaring?

Als ik nu weer eens in bad stapte en door het dakraam keek? Dan zag ik een heelal waarvan ik vrij zeker wist dat het in beweging was. Dus er was verandering en had ik een middel om tijd te ervaren.

Geleerden speculeren over iets als ‘het ontstaan van het heelal’.
Eens zou het er dus niet – of niet in deze vorm- geweest zijn.

Was dat eens het begin van de tijd?
Was er tot het moment van die oerknal die men veronderstelt een periode dat er niets veranderde? Stond de tijd toen als het ware stil, maar was er wel een inerte materie?
En begon de klok te lopen toen de boel losbarstte?

Dan zou het zogenaamde ontstaan van het heelal alleen maar het moment van de faseverandering van een reeds aanwezige vorm van materie zijn geweest en zou alles er al geweest zijn, zij het in een andere vorm.
Een bevroren heelal als het ware.

Het ontstaan van het door ons gekende heelal zou dus alleen maar het begin van een verandering geweest zijn die een voor ons waarneembare tijd creëerde.
Als er al een niet-heelal-situatie zou zijn geweest, dan zou dat niet voorafgaande aan de oerknal geweest zijn. Omdat er toen nog geen tijd bestond zou er ook geen voorafgaande zijn. En ontstond het door ons gekende heelal uit de eeuwigheid. Dus was er ook geen scheppingsmoment, maar hooguit een begin van de verandering, zo u wilt van de evolutie.

Schiet ik hier nu iets mee op?
Nou ja, ik word er een beetje rustiger van.
Blijkbaar zijn er zaken als het niet bestaande die voor mij als bestaande blijkbaar niet kenbaar zijn.
Moet ik er van uitgaan dat Alles betekent datgene wat er is.
En dat datgene wat er is in principe te begrijpen, of op z’n minst te ervaren is. En dat dat -als je daar aanleg voor hebt- het materiaal is, waardoor je gelukkig wordt.
En dat dat wat er niet is, niet te begrijpen is. En dat je dat -als je daar aanleg voor hebt- kunt laten rusten.

In de beginne was de stof.
En de stof kwam in beweging.

Eigenlijk wel een mooie voorstelling.

Ritueel en Ratio

dinsdag 27 februari, 2007

Toen ik een jaar geleden klaar was met wat een boek zou moeten worden, had ik het gevoel dat ik nu ook wel zo’n beetje klaar was met de vragen over het bestaan.
Dat was een comfortabel gevoel. Zoiets van ‘mij kan niets meer gebeuren’.
Ik had het gevoel dat ik nu – als het per se moest – zou kunnen sterven, zonder het gevoel te hebben niet klaar te zijn met het leven. En daarnaast had ik het gevoel dat ik volledig wist wat ik aan mezelf had.

Niet dat dat nu allemaal over is, maar de afgelopen maanden stuitte ik toch op iets wat ik niet begreep van mezelf.
Het ging over de rol die rituelen spelen in mijn leven.

Een paar maanden geleden stierf een dierbare vriendin van ons. Het was een niet geheel onaangekondigde dood.
Er ging een lange ziektegeschiedenis aan vooraf waarin vaak het perspectief van genezing aanwezig leek.

Ik kende haar lang. In eerste instantie van mijn werk, en in de loop der jaren evolueerde onze relatie zich van een goede werkrelatie, via een vriendelijke- tot een vriendschappelijke relatie, en uiteindelijk tot een zeer warme relatie tussen ons en haar.
In de openheid die in haar laatste levensjaar tussen ons groeide, vertelde ze hoe ze haar laatste tijd op aarde dacht door te willen brengen.
Ik zei dat ik haar rolstoel graag zou duwen wanneer ze het Arboretum Trompenburg of het Kralingse Bos wilde zien, en dat ik ook heel mooi kon voorlezen.

Die rolstoel is wel in huis gekomen, maar uiteindelijk zag ze dat niet zitten, maar aan dat voorlezen werd ik herinnerd.
Dus las ik elke zaterdag rond het middaguur een tijd voor uit een boek dat zij net gekregen had.
Maar de ziekte was sneller en het eind van het boek haalden we niet.
Toen dat duidelijk werd, stond voor mij vast dat ik het boek voor haar zou uit lezen. En dat deed ik ook, op zaterdag omstreeks dezelfde tijd als het kon. Op de begraafplaats.

Ik heb geen moment getwijfeld dat ik dit moest doen. En ik voel dat nu het boek uit is nog steeds zo. Maar op de een of andere manier begreep ik het niet, waarom een redelijk rationeel persoon (om ook eens een pleonasme te gebruiken) zoals ik denk te zijn, wil voorlezen aan iemand die er niet meer is.

Mijn eerste verweer was, dat zij in mijn herinnering nog wel degelijk leefde. Maar in de regel lees je niet voor aan je herinnering. Dan was er natuurlijk ook de voor de hand liggende symboliek, van het boek dat nog niet gesloten was, die zich opdrong.
Kon me ook niet overtuigen.
Wat ik wel begreep, was dat ik aan het rekken was. Ik ben geen held in het afscheid nemen.
Maar waar ik over struikelde, was over het irrationele van het ritueel dat ik gekozen had.

Met rituelen heb ik nooit moeite gehad. In tegendeel, ik vond en vind ze heel waardevol. Maar ik riep wel altijd; “Ik heb niets tegen rituelen, als het maar je eigen rituelen zijn”. Ik beschouwde ze als sierlijke toevoegingen aan het bestaan. Een soort cadeau verpakking die van alledaagse gebeurtenissen iets bijzonders konden maken.
Ik had nooit het idee om met een ritueel iets anders te veranderen dan de aandacht of de stemming.

Maar nu begreep ik dat ik ook een helende werking zocht in het ritueel.
Niet dat ik de oorzaak van mijn verdriet er mee te niet kon doen, maar ik kon het verdriet zelf wat polijsten, waardoor het minder pijn deed.

Toen ik daar langer over nadacht kreeg ik een ander beeld van de wijze waarop ik met de werkelijkheid om ga.

Ik besef dat de werkelijkheid in zijn totaliteit en doorlopende verandering onmogelijk te bevatten is, en dat wij stervelingen het dus moeten doen met een model.
Veel van de elementen van dat model worden ons bijgebracht door onze ouders en het onderwijs wat we krijgen en wat verder horen zien en lezen.
Ons model wordt dus steeds beter. Moesten mijn grootouders nog naar de lucht kijken om te beslissen of ze wel of geen paraplu mee zouden nemen, wij kijken naar pagina 702 van de teletekst.
Maar daarnaast, besef ik, wordt een groot gedeelte van mijn beeld van alles-wat-er-is door mij zelf bepaald.
Het beeldscherm waar ik tegen aan kijk is niet zoals in de grot van Plato alleen het gevolg van een extern projectie-mechanisme, maar het beeld wordt ook sterk beïnvloed door mijn eigen ‘optiek’.
Mijn eigen ervaringen en opvattingen over het bestaan kleuren, filteren het beeld, of maken het naar behoefte scherper of waziger.

En dat bevalt best. Van de nood – dat wij zoals Paulus dat noemt, zien als in een spiegel, in raadselen – maak ik een deugd. Ik maak een eigen beeld waar geen plasma TV en geen Dolby Surround tegen op kan.

OK, als het er om gaat een electrisch apparaat te repareren, of belastingaangifte te doen dan gelden de fysieke en de maatschappelijke wetten ten volle en uitsluitend. Maar wanneer mijn beleving in het geding is dan ik acht ik me daar niet uitsluitend door gebonden.

Wanneer er een bepaalde bezigheid of omstandigheid met grote regelmaat in je leven terugkeert kan je dit als eentonig, vervelend of saai ervaren, als je je beperkt tot de alledaagse logische inhoud. Dan fiets je jaar in jaar uit dezelfde weg naar je werk. En een camera die mij gevolgd zou hebben zou inderdaad dat beeld kunnen suggereren. Maar vanuit mijn ‘projectiecabine’ bekeken ziet het er nooit hetzelfde uit.
Ten eerste omdat die weg er nooit hetzelfde uitziet en er altijd dingen zijn die aanleiding tot interessante vragen geven. (Zou die man die daar fietst een hond hebben. En zou hij wel een bosje bloemen voor dat beest gekocht hebben?) En mocht er niet zo’n aanleiding zijn dan kan ik altijd nog de automatische wielrijder aanzetten en me bezig kan houden met het mogelijke gedachtenleven van de vogel die ik net voorbij zag scheren.

Over geluk en over werken I

zondag 17 december, 2006

Als je geluk ziet als behagen scheppen in je bestaan, dan is het niet zo vreemd dat voor iemand met de lijfspreuk “Je bent wat je doet” werken en geluk veel met elkaar te maken hebben.
Immers als zijn en doen sterk verbonden zijn dan is behagen scheppen in het zijn, sterk afhankelijk van de kwaliteit van het doen.
In een eerdere levensfase heb ik ook wel eens geopperd: “Werken is liefde, liefde is werken”.
Dat is een tamelijk drastische uitspraak, maar ook nu kan ik er eigenlijk niet zo heel veel tegen in brengen.
Ja, je zou kunnen zeggen: “Net had je het nog over geluk en werken en nu heb je het over liefde. Waar gaat het nou eigenlijk over?”
Hier, in dit verband bedoel ik met zijn en bestaan niet de van buiten af ervaren stoffelijke aanwezigheid van iets of iemand, maar de van binnenuit ervaren bewuste eigen aanwezigheid.
Wanneer je daarbij tot de grenzen van je eigen bewustzijnsmogelijkheden gaat, doemt daar bij de onpeilbare complexiteit en onwaarschijnlijkheid van het bestaan van ‘alles’ en in het bijzonder van jóuw aanwezigheid daarbij op.
En voor het beschrijven van het daarbij horende gevoel, behoren voor mij dan termen als geluk, liefde en dankbare verwondering tot de minst onbeholpene om die staat van alomvattende aanwezigheid te beschrijven.
Komt nog iets bij. Het perspectief.
Ik weet niet precies wanneer het gebeurde.
Het moet ergens in de oorlogsjaren zijn geweest. En als oudere mensen dat zeggen, dan hebben ze het over de tweede wereldoorlog.
In die tijd woonden wij in Amsterdam, in de Indische buurt. En op zaterdagavond gingen wij – de kinderen – één voor één in bad.
Dat bad was een verzinkte wasteil, die gevuld werd met warm water. Dat kwam in die jaren nog niet rechtstreeks uit de kraan, althans niet in de arbeiderswoningen in de Palembangstraat, maar werd per pan en fluitketel op het gasstel aangemaakt.
Na het bad werden de haren (enigszins hardhandig, vond ik) gekamd, werd een schone pyjama aangedaan, en wilde onze moeder nog wel eens iets voorlezen of navertellen uit een boek dat ze uit de Openbare Leeszaal en Bibliotheek in de Molukkenstraat had gehaald.
Ik denk dat die avonden tot de rijkste en gelukkigste momenten uit mijn jeugd behoren.
We zaten in de keuken, de wanden en de ramen nog beslagen van het koken van het badwater.
De keukenmuur was tot op twee derde van de hoogte geel geschilderd en daar boven gewit.
In de condenslaag op het geverfde deel kon je met je nagel tekenen. Koersen uitzetten tussen de eilanden in de verflaag die daar als archeologische sporen van vele opknapbeurten zichtbaar waren. En ondertussen vertelde mijn moeder.
Op een keer had ze een boek over het wereldruim meegebracht. Ik geloof dat het “De sterrenwereld in een notedop” heette.
Dat was het moment dat het begrip oneindigheid in mijn leven werd gebracht.
Wat er toen gebeurde is misschien heet best te omschrijven als een explosie in slow motion.
Het heelal was dus oneindig. Dat was tegelijk onvoorstelbaar en had het ook een dwingende logica. Want, stelde ik voor, als je aan het einde van het heelal kwam dan zou daar waarschijnlijk wel een soort hek of muur staan, met misschien wel een bordje er op “Einde Heelal”, maar dan moest er achter die muur toch ook weer iets zijn en alles wat er was hoorde nou eenmaal bij het heelal. Het woord zegde het al.

Ik herinner me dat ik naar buiten probeerde te kijken naar de sterren, maar het raam was beslagen.
Maar ik wist dat daar achter het kolenhok op veranda de ruimte begon. En die was dus oneindig!
Jeetje…
Ik kreeg een beetje kriebelig gevoel in mijn maag en begon te lachen. Een zenuwachtig lachje, wat ze geloof ik een beetje vreemd vonden. Maar wat moet je ook ineens met de oneindigheid in een jongenshoofd?

Later ontdekte ik dat die oneindigheid niet alleen in de ruimte, maar ook in de tijd bestaat, althans gedacht kan worden.
En naar mate ik ouder werd is de verwondering over die twee onpeilbare dimensies en mijn onwaarschijnlijke ervarende aanwezigheid daarin alleen maar toegenomen.
Nu zou je dit kunnen ervaren als een overweldigend gevoel van nietigheid, maar tot mijn plezier werkt dit bij mij niet zo en voel ik het meer zo dat ik zo lang mijn eindigheid duurt deelneem ben aan een proces dat géén einde heeft.
Een proces waarvan niet bekend is waar het toe leidt, maar waar je waarschijnlijk mag aannemen dat de complexiteit en de onpeilbaarheid en daarmee voor mij ook schoonheid toeneemt.
De uitspraak “Ik ben deelnemer aan het grootste project aller tijden” lijkt grootspraak, maar is kleinspraak, want in het licht van de oneindigheid zijn zowel groot als tijd weinig betekenisvolle begrippen.

In dit licht is het werk dat ik doe dus belangrijk werk, omdat het werk in een belangrijke context is. En is om die zelfde reden elk werk wat ik doe belangrijk werk.
Daarnaast is elk werk wat ik doe interessant werk, en wel om de simpele reden dat ik me er voor interesseer.
Veel mensen lijken te denken dat er zoiets als interessant en oninteressant werk bestaat en je je voor dingen interesseert omdat ze interessant zijn, maar het is andersom, jouw interesse maakt iets interessant.
Voor geïnteresseerde mensen bestaat er dus alleen maar interessant werk en zullen ongeïnteresseerde mensen nooit iets interessants meemaken.

De Orde van de Nederlandse Haas

woensdag 1 november, 2006

Het begon met de millennium bug.
Op de TV werd een insteekkaart met geheugen chips aan de toenmalige directeur van Philips getoond en de presentator van Buitenhof vroeg/constateerde dat daar dus een fout in zat en de uitvinder van “Let’s make things better” beaamde dit.
Dus moesten we toch maar op nieuwjaarsochtend op het werk zijn om te zorgen dat er geen gekke dingen gebeurden. Natuurlijk wist ik als bouwer dat er met mijn applicaties niets mis kon gaan omdat een datum daar alleen maar een volgnummer is dat voor de gebruiker aangekleed wordt als een tijdstip. Maar mijn baas was een manager en geen informaticus.
Hij vertelde ooit een grap over een stel ballonvaarders die verdwaald waren en daarom afdaalden om een wandelaar de weg te vragen. Op de vraag “kunt u mij ook zeggen waar wij zijn” antwoordde deze: “U bevindt zich in het mandje van een ballon die op ongeveer vijf meter boven de aarde zweeft.” Daarop vroeg de ballonvaarder of de wandelaar soms een computerdeskundige was, waarop deze zei dat dat klopte, hoezo? “Omdat u een antwoord geeft dat voor 100% juist is, maar waar ik niets aan heb,” antwoordde de ballonvaarder.
Toen mijn chef deze grap voor de derde keer vertelde, vertelde ik dat hij nog verder ging. De wandelaar vroeg op zijn beurt of de ballonvaarder misschien manager was. Bleek ook te kloppen, hoezo? “Omdat u niet weet welke kant u op moet, zelfs niet waar u bent en dan de automatiseringsafdeling maar de schuld geeft,” maar die vond hij niet zo leuk als zijn mop.


Vandaag bleek dat de aanval op een ambulance geen aanval was, maar een verzoek om hulp. Hulp die uitbleef omdat het ambulancepersoneel verwachtte aangevallen te worden.


Over een paar weken weken moet in 35 gemeenten met lei en griffel worden gestemd omdat een mini lobby met een hack tic de Nederlandse Haas ervan heeft kunnen overtuigen dat je stem met een Sdu computer afgeluisterd zou kunnen worden. We wachten nu op de fraude beschuldigingen en hertellingen in 35 gemeenten waaronder Amsterdam.
Hier in Rotjeknor zijn de computers minder lek, dus daar kan mijn stem niet afgeluisterd worden. Dus onthul ik hier maar (mede gezien eerdere twijfels aan de SP) dat het toch maar Agnes Kant wordt. Als haar baas (die het zo waardeerde dat Balkenende het fatsoen weer op de agenda heeft gezet) zijn plakkers instrueert om dat zelfde fatsoen te tonen en ook op de verkiezingsborden het ‘eerlijk delen’ te praktiseren.


Nu nog de Postbank.
De directeur van die instelling stuurde me nu al voor de tweede keer een brief dat ik nodig naar het postkantoor moest om te bewijzen dat ik ik ben.
Blijkbaar weet hij dat niet zeker, maar nu vraag ik mij af of die brief dan wel voor mij bedoeld is.
Wat moet ik hier nu mee. Ik heb al ruim twintig jaar een rekening bij die gasten. Zelfs een hypotheek van ze gehad en helemaal afgelost. Moet dit nu allemaal over of wordt alles teniet gedaan omdat ze al die tijd met een spookidentiteit handel hebben gedreven.
Ik zal hier nog lang over na moeten denken.
Zou Bas Haring hier misschien een oplossing voor weten? Want het gaat hier toch over diep filosofische kwesties.
Ben ik degene die ik denk te zijn? Of ben ik degene die de de anderen denken, dat ik ben? Toch een vraag om bij stil te staan. (Hoewel Bas vaak een beetje heen en weer loopt als hij het over zulke dingen heeft).
Ik durf ook niet terug te schrijven naar de Postbank want ik ben bang dat de directeur er misschien helemaal niet meer uitkomt als hij vermoedt dat een derde zich ten onrechte achter mijn reeds betwijfelde identiteit verschuilt.

Nogmaals die kus

zondag 13 augustus, 2006

Jongeren, en dan heb ik het over 65-minners en zo, die het stukje “Kus” gelezen hebben, hebben zich misschien verbaasd over de wereldvreemdheid van die twee tieners die elkaars lippen wilden kussen en op elkaars neus botsten.
Maar de gebeurtenis die daar beschreven werd speelde zich dan ook af rond 1950. Niet direct een mythische periode (de dinosauriërs waren bijvoorbeeld al lang uitgestorven) maar hoe het leven toen was lijkt me niet na te voelen als je het niet meegemaakt hebt, ook al hou je van een film als “The Last Picture Show”.

Eigenlijk betwijfel ik of mensen die iets altijd gehad hebben zich echt kunnen voorstellen hoe het is om dat niet te hebben.
Neem het vermogen om te zien. Weten wij hoe het is om blind te zijn vanaf je geboorte? Wij stellen ons iets voor als voortdurende duisternis. Maar duisternis is de afwezigheid van licht en als je geen licht kan ervaren kan je dan duisternis ervaren?
Stel er komen nog eens wezens vanuit een buitenaardse beschaving en die hebben geen reukzin, maar wel drie zintuigen die wij weer niet hebben. Gaan we ons dan gehandicapt voelen? Of zij, omdat ze niet merken hoe het in de metro naar deo en aftershave stinkt?

Hoe dan ook, je moet je gewoon realiseren, dat veel kinderen van die tijd nog nooit mensen hadden gezien die elkaar kusten.
Ja, we kenden wel de klapzoen die je – ongewild – van een tante op je wang kreeg op je verjaardag, maar niet die geheimzinnige, magische kus waarover je gelezen had in zinnen als ‘hun lippen vonden elkaar’ en waar misschien zelfs wel het woord ‘versmolten’ in voor kwam.
Mogelijkerwijs werden zulke kussen wel gewisseld in bioscoopfilms, maar dat weet ik niet, want wij waren arm en gingen niet naar de bioscoop. We hadden ook geen beelden van Rodin in de tuin, al was het alleen maar omdat je op drie hoog geen tuin had, en die kus van Klimt zie je ook alleen maar van achter.

Wat er aan de hand was, was dat in die tijd je visuele ervaring voornamelijk bestond uit wat je zelf gezien had. Je moest het doen met de indrukken die je eigen ogen hadden opgenomen en in je herinnering hadden achtergelaten, aangevuld met wat je ‘geestesoog’ produceerde op basis van beschrijvingen van anderen.
Hoewel er wel afbeeldingen bestonden, waren die spaarzaam, vaak niet natuurgetrouw, slecht toegankelijk en duur.

Later zou iemand (ik geloof Malraux) spreken over ‘le musée imaginaire’ duidend op de reproductie techniek die het mondiale kunstbezit in principe voor iedereen ontsloot, maar wij behoorden toen niet tot de klasse voor wie dat betaalbaar was

De eerste bibliotheek die wij bezochten was de St. Vincentius bibliotheek in de Ambonstraat achter ons. Een katholieke bibliotheek, maar als ze je niet een jaargang van De Engelbewaarder meegaven – want veel uit te zoeken had je daar niet – merkte je daar niet zo veel van. De kinderboeken hadden soms plaatjes en je kon meteen zien waar die zaten want die waren op glad papier gedrukt. Die bekeek je dus eerst, al had je een vaag besef dat dat niet mocht. Maar veel meer dan vier per boek waren dat er meestal niet. En dan waren het nog zwart-wit tekeningen.

Fotoreproducties stonden pas in de boeken die we later bij de Openbare Leeszaal en Bibliotheek in de Molukkenstraat haalden.
Over juffrouw van Eck (ze stond op dat juffrouw) hoop ik nog eens een klein monumentje te schrijven *), want ze was in mijn ogen een gezegende onder de vrouwen.

Toen mijn vader werk vond gingen we op een zondag voor het eerst met de trein. Een stoomtrein die ons van het Muiderpoortstation naar het station Naarden-Bussum zou brengen. En daar zouden we naar een bos gaan!
Ergens onderweg, ik geloof tussen Weesp en Naarden lag dichtbij de spoorlijn een kwekerij. Ik geloof dat er de naam Bendien op een bord stond. Daar stonden een aantal boompjes bij elkaar op een akkertje.
“Is dat nou een bos?“ vroeg ik. Want het geheel voldeed wel aan de definitie van bos ‘stel bomen bijelkaar’ maar enigszins teleurgesteld was ik wel. Ik had het me veel groter voorgesteld. De coupé lachte hartelijk. En hoewel het Spanderswoud beter Spandersbos had kunnen heten was ik van dit eerste bos in mijn leven best onder de indruk.

Later in 19zoveelen60 riepen Parijse studenten uit dat nu de verbeelding aan de macht was.
Maar voor de visuele verbeelding was het toen al afgelopen.
De voor-beelding kwam aan de macht en zal niet meer verdwijnen.
Hoe ziet het er uit als een leeuw in volle ren een antilope naar de keel vliegt? Ik denk dat die beelden wel een keer of acht per week vertoond worden op een van de kanalen die in Nederland te ontvangen zijn. Hoe slaat een race auto over de kop? Als het maar één keer gebeurt, herhalen we het gewoon een paar keer, desnoods in slow motion om maar geen detail te missen.
Een kus? Alle mogelijke vervolgen worden ook vertoond. Bosbranden, vulkaanuitbarstingen, vloedgolven, moord en doodslag, kinderen die van de wip vallen (da’s pas lachen) we worden er soms vanaf de kleuterstoel al mee doodgegooid.

Is het dan nog mogelijk het oog te verrassen?
Als je goed kijkt, gelukkig wel.
Maar dan moet je wel ophouden met zappen als je off-line bent en dwars door een stuk werkelijkheid loopt.

*)
Dat is inmiddels gebeurd: Monumentje voor Waldie van Eck