(Waaruit) bestaat de geest?

dinsdag 7 mei, 2013

Als ik in dit stuk het woord geest gebruik, dan doe ik dat omdat ik dat het woord vindt dat nog het dichtst bij de betekenis van het Engelse mind komt.
Ik bedoel dus de omgeving waarin het bewustzijn van ieder mens actief is.
Wat de precieze aard van het fenomeen geest is, is in kringen van filosofen en neurologen een onderwerp van discussie, en het is de vraag of er door mensen ooit een antwoord op gegeven kan worden is maar zeer de vraag, want als er zo’n antwoord komt, dan zal dit een product van die onderafdeling van de geest zijn die men kennis of wetenschap noemt, en dan hebben we te maken met een geval van (nee, niet weer die slager) van een parlementaire enquête naar het functioneren van de Tweede Kamer.
Misschien is het wel wijsheid er in te berusten dat er een aantal dingen in het bestaan zijn, – zoals het bestaan zelf, en het weten dat we bestaan, en het kunnen denken over wat nog niet bestaat – die we nooit volledig zullen doorgronden. Maar dat hoeft ons er niet van te weerhouden om er zo veel mogelijk van te proberen te begrijpen of op ze minst ons er over te verbazen en te genieten van het mysterie dat in ons woont.

Wat we in elk geval wel weten van de menselijke geest is dat hij werkt zo lang we leven.
Dat wil zeggen zo lang die specifieke dynamiek in ons stoffelijk lichaam heerst die we ‘leven’ noemen.
Waarom ‘specifieke’ dynamiek?
Omdat er na de dood in het ontbindingsproces ook sprake is van een dynamiek, zei het dat die volledig onderworpen is aan het entropie beginsel. Anders gezegd dan vervalt de materie waaruit ons lichaam bestond van geordendheid naar chaos.
Tijdens het leven is er een energietoevoer door onze stofwisseling die ons hoog georganiseerd stelsel van samenwerkende organen verdedigt tegen het terugvallen in de chaos. En op deze manier kunnen we het leven fysisch energetisch verklaren.
Maar wanneer is er nu sprake van geest?
Tijdens de slaap
Ik denk het wel, want ik zie neuronen nog niet in staat om me al dan niet samenhangende verhalen te vertellen, of situaties voor me bedenken waarin ik kiezen moet.
Trouwens, wat dromen betreft, nu ik dit schrijf besef ik ineens dat ik zelf altijd in de eerste persoon aanwezig ben. En ik heb eigenlijk nog nooit iets gehoord over mensen die zichzelf als derde persoon in een droom aantreffen of  situaties dromen waarin ze zelfs helemaal niet voorkomen. Bovendien reageer ik in mijn dromen moreel en ethisch in grote lijnen net zo zoals ik wakend in een soortgelijke situatie doe.  Zij het, dat ik soms in noodgevallen een auto bestuur, terwijl ik geen rijbewijs heb. Maar daar voel ik me in die droom dan ook passend schuldig over.
Kortom er valt in mijn dromen een bij mijn persoon behorend patroon te herkennen die je als mijn karakter of persoonlijkheid zou kunnen benoemen.
Ik hoor wel dat er mensen zijn die in hun dromen andere dingen doen dan zij in wakende toestand zouden doen.
Ik denk dat dat dezelfde mensen zijn die als ze gedronken hebben zich ook anders uiten en/of gedragen.

Kan je nu zeggen dat de geest het zelfde is als de persoon of persoonlijkheid?
Ik denk van niet, maar wel dat beide een relatie tot het bewustzijn hebben.
Dat bewustzijn blijkt als je er over nadenkt (met het ding zelf!) een complex gelaagd fenomeen te zijn.

Je kunt verschillende functies of capaciteiten er in onderscheiden:

  • Het zintuiglijk bewustzijn
  • Het logisch/cognitief bewustzijn
  • Het emotioneel bewustzijn
  • Het zelfbewustzijn

en ik geloof dat je ook zoiets als een associatief bewustzijn kunt onderscheiden, waar je intuïtie woont je vermogen tot patroonherkenning, en je creativiteit.

Het is duidelijk dat zowel de mix als de ontwikkelingsgraad van deze vormen van bewustzijn per individu kan verschillen. En dat maakt dan ook een voor een deel hun persoonlijkheid uit.

Collectief bewustzijn?

Tot nu toe hebben we bewustzijn en geest alleen maar in verband gebracht met het individu, maar dan houden we er geen rekening mee hoeveel van onze kennis en inzicht afkomstig is van onze voorgangers.
Neem alleen al het feit dat we zonder taal niet kunnen denken en dat het feit dat we een hoog ontwikkelde taal hebben en dat overal waar de mens tot ontwikkeling kwam er een taal ontstaan is, dat dove kinderen als ze dat niet geleerd wordt zelf een gebarentaal ontwikkelen, dat alles wijst er op dat communicatie een fundamenteel behoefte van de mens is. En dat de mens een sociaal wezen is dat alleen maar kan en wil bestaan in contact met anderen.
(Al hoef ik alleen maar naar mezelf te kijken om me te realiseren dat niet altijd bij iedereen onder alle omstandigheden duidelijk merkbaar is.)

Het bijzondere aan de taal (waar mee we ons van het dier onderscheiden) is dat die niet alleen bestaat uit een aantal klanken die bij dingen horen, maar dat er ook symbolen bestaan waarmee we een groep dingen kunnen aanduiden, dat we ook woorden hebben voor dingen die niet meer bestaan of nog niet bestaan en voor ontastbare en onstoffelijke zaken.

Dit heeft ons als mensen een enorme uitbreiding van onze mogelijkheden bezorgd. We konden werken met met dingen die er niet waren, omdat we vooruit konden denken. Zonder dat vermogen was er geen landbouw ontstaan en geen steden en universiteiten.

Zelfs in het begin al konden we door de taal kennis nemen van de ervaring van onze tijdgenoten en met de ontwikkeling van het schrift, waardoor we niet meer afhankelijk waren van de mondelinge overlevering, ontstond er versneld een menselijk erfgoed, waaruit in principe iedere nieuwe boreling meteen kon putten.

In principe. Maar dat wil nog niet zeggen dat dat ook op gaat al je niet in Principe, maar in Zutphen of Heerjansdam of welk ander prachtig oord dan ook woont.
De drukpers betekende al een forse stap verbreding van de toegang tot die kennis, en in onze tijd is het internet in de vrije en economisch ontwikkelde delen van de wereld en gelijksoortige sprong in schaal.
Die kennis waar we het hier over hebben gaat natuurlijk niet alleen over de kunst van het brood- of het pottenbakken, maar bijvoorbeeld ook over de loop van de geschiedenis en de gevolgen die die staatkundige politieke beslissingen voor mensen hebben gehad.

In die wolk van kennis die de generaties voor ons hebben verworven, getoetst en verfijnd is echter nog meer opgeslagen: inzichten, morele oordelen en het werk van de grote denkers en kunstenaars voor ons.
En die laatste zin mag je dan lezen als het werk van de grote denkers en kunstenaars vóór ons en als het werk van de grote denkers en kunstenaars voor óns.

In deze wolk van inzicht dus, groeit wat de Engelstaligen zo mooi ‘common sense’ noemen. Een uitdrukking die wij gewoonlijk met gezond verstand vertalen. Maar sense kan in het Engels zowel gevoel als verstand betekenen en common kan gewoon, algemeen en gemeenschappelijk betekenen. Je zou het ook dus kunnen vertalen met ‘de inzichten die de meeste mensen met elkaar delen’.

Kan je dit nu een collectief bewustzijn noemen?
Niet letterlijk, maar je kan het wel het algemeen aanvaard inzicht noemen, het huis van de tijdgeest, en de bron waaruit elk nieuw mens op een of andere manier uit put.

Doorlopend worden wij als individuen geïnspireerd door deze nog steeds groeiende en zich zelf zuiverende bron van kennis en inzicht.

Terug naar de geest

Zojuist is hier het woord inspiratie gevallen. Het is ontstaan uit het Latijnse spiritus wat zowel inademing als geest betekent. In het Nederlands lijkt ingeving een goede vertaling. In elk geval duidt het op iets wat van buitenaf komt.
Eerder heb ik ook al de wolk van menselijke kennis en inzicht als huis van de tijdgeest benoemt, maar gezien de doorlopende communicatie tussen de wolk en het individu, kan je die tijdgeest niet volledig in de wolk plaatsen hij vertakt zich ook in de individuen die in contact met hun tijd en hun omgeving leven.
Dat brengt met tot de veronderstelde definitie van de geest die niet een volledig individueel attribuut is, en evenmin een volledig collectief fenomeen, maar een proces wat zich afspeelt tussen individu en het algemene inzicht en weten.
En ter vermijding van verwarring met religieus getinte opvattingen van geest of de al dan niet onsterfelijk persoonlijk  ziel wil ik benadrukken dat we het hier hebben over de menselijke geest.

De scheppende geest

Het proces waarover ik het in de voorlopige definitie van de geest heb is een er een van interactie. Niet alleen werkt de menselijke geest door in het persoonlijke bewustzijn, vanuit het persoonlijke bewustzijn kan ook bijgedragen worden aan de uitbreiding van de menselijke geest.

Nu is niet iedereen een Shakespeare of een Bach of zelfs maar een Beatle.
Maar dat is ook niet nodig. De wolk groeit al sneller dan enig mens kan bijhouden. Zelfs als we alle onzin bezigheden uit ons leven zouden bannen en ons vlijtig zouden wijden aan het bestuderen van alles wat de menselijke geest heeft voortgebracht, dan zouden we maar een fractie van dat universum leren kennen.

Ieder moet dus keuzes maken. Maar we zouden een ander, die ook een keuze moet maken, kunnen vertellen wat wij hebben gevonden. Over de betere en de slechtere keuzes die we gemaakt hebben, we kunnen het hebben over slimme sluiproutes en lustvolle omzwervingen. Niet alleen met betrekking tot kennis, maar ook met betrekking tot inzicht oordeel en wijsheid.

En als het goed gaat doet iedereen dat ook die kinderen opvoedt of onderwijst. En af en toe zal een van die nazaten dan wellicht iets bijdragen aan de Wolk.

In die zin is de geest onsterfelijk zo lang wij als mensen ons zelf niet direct of indirect via onze aarde vernietigen en is er kans dat dit trage maar anderszins onstuitbare proces van beschaving leidt tot een vreedzame samenleving.

Vrije wil; voortschrijdend inzicht (c.q. misverstand)

vrijdag 26 oktober, 2012

Er zijn mensen, die denken dat dat bij de oerknal al vaststond dat ik dit stukje ging schrijven, dat ik het vervolgens ook zou publiceren, en sterker nog wat de inhoud van dit stukje zou worden, inclusief een paar tikfouten.

Dat is op z’n minst gezegd bijzonder, want ik  weet als auteur  op dit punt van mijn verhaal gekomen nog niet precies welke woorden ik zal gaan gebruiken en in welke volgorde.
Mensen die denken dat dat toch al allemaal vast ligt heten deterministen en ik wil die mensen niet voor het hoofd stoten, dus zal ik proberen om niet eigenwijs te zijn en zomaar op te gaan schrijven waar ik zin in heb, maar uitsluitend die dingen die voorbestemd zijn, omdat anders die deterministen een beetje voor gek zouden staan.

Uit deze inleiding blijkt al  welke ingewikkelde vormen van hersengymnastiek je moet bedrijven als je je in de deterministische visie probeert te verplaatsen.
Ik ga dat dan ook niet doen. Ik ga gewoon uit van de veronderstelling dat er een vrije wil bestaat of op z’n minst mogelijk is, en probeer er achter te komen wat dat inhoudt.
Waarom ik over die vrije wil begin?
Omdat ik sinds kort als toehoorder een seminar bijwoon aan de RWTH in Aken met “Willensfreiheit” als onderwerp en daar wordt diep ingegaan op de vraag of determinisme bestaat en zo ja, of dat verenigbaar is met het bestaan van een vrije wil.
Blijkbaar is dat iets wat bij filosofie hoort, want in alle benaderingen van dit onderwerp duikt dat determinisme op.
Ik heb er niet uitputtend over nagedacht, maar ik heb een vermoeden, dat ons godsdienstig verleden hier een rol bij speelt.
Een ander verschijnsel wat me bij dit seminar en nog twee andere die ik volg opvalt, is dat filosofen graag met tegenstellingen werken, en er naar streven uit te vinden of iets waar of onwaar is. En ik heb gemerkt dat ze het een beetje eng vinden als ik opper dat er drie mogelijkheden zijn: waar, onwaar en onbepaalbaar.
Blijkbaar ben ik op te late leeftijd met de filosofische manier van denken begonnen en zijn 77 jaar praxis een geduchte handicap voor de zuivere rede.
Hoe dan ook ik blijf geduldig luisteren en proberen mee te denken en hoop dat mettertijd het seminar zich bezig zal gaan houden met de kanten van de vrije wil die mij bezig houden.

Welke dat dan zijn?
Nou, de praktische kanten. Wat is vrije wil. Waar komt hij vandaan. Hoe vrij is hij eigenlijk? Welke omstandigheden maken je wil vrijer of onvrijer? Welke grenzen zijn er? Hoe verhoudt vrijheid zich tot orde, wat is de verhouding tussen vrijheid en verantwoordelijkheid?

Wat is vrije wil? Het is voor alle duidelijkheid misschien goed om onderscheid te maken tussen wilsvrijheid, keuzevrijheid en vrijheid van handelen. Anders gezegd de vrijheid om iets te willen, de vrijheid om uit verschillende mogelijkheden te kiezen, en de vrijheid om die keuze  om te zetten in een daad.
Het meest primaire proces van die drie is het opwellen van de wil tot iets, waarbij ik de wil zou willen omschrijven als een al dan niet duidelijk geformuleerde emotie. Die emotie kan een onberedeneerde intuïtieve -voor mijn part instinctieve – reactie zijn. Zo wel in positieve als negatieve zin. Een ‘hè ja’- of een ‘oh nee, dat niet’ gevoel.

Hoe vrij deze wilslaag is is iets waar ik later op terug kom.

Bij het zich bewust worden van deze emotie, kan blijken dat die niet altijd eenduidig is. Enerzijds wil je dit, maar anderzijds wil je ook weer niet dat..

Voorbeeld
Je hebt met een paar vrienden een vakantie geboekt naar een volgens de brochure prachtig gebied maar als je daar aankomt blijk je terecht gekomen in een  verschrikkelijk toeristisch oord waar je overal Nederlands om je heen hoort en alom frikadellen worden aangeboden. Om onbegrijpelijke redenen lijken je vrienden daar geen last van te hebben. Als het aan jou lag zou je de eerste de beste vervoersgelegenheid aangrijpen om naar huis te gaan, maar je denkt dat je vrienden dat niet zouden waarderen. En dat zijn nog maar twee overwegingen die met elkaar in conflict dreigen te komen.  Hier komt je keuzevrijheid aan bod en wederom stel ik even uit hoe groot die vrijheid is.
Kiezen in de zin van je voorkeur bepalen is één ding, gevolg geven aan die keuze is een ander ding. Want hier krijg je te maken met Elsschots constatering “want tussen droom en daad staan wetten in de weg en praktische bezwaren”.

Hoe vrij zijn we nu op al die drie niveaus?

Allereerst wil ik opmerken dat ik me niet wil laten belemmeren door absolutistische opvattingen over vrijheid, ook niet als ze in een logisch/filosofische verpakking aangeboden worden. Vrijheid is voor mij niet iets wat er wel of niet is, maar het is een kwantitatief begrip.
In de meeste gevallen kom ik aardig terecht met mijn werkomschrijving: “Vrijheid is de mogelijkheid te kunnen kiezen. Kiezen is alleen mogelijk als er een of meer alternatieven bestaan, en hoe meer alternatieven er zijn des te meer keuzemogelijkheden er zijn, en dus meer vrijheid.”

Kijken, of dit echt werkt.

Is er een vrijheid van emotie? Dit zou je je af moeten vragen als je over de emotionele bron van de wil nadenkt. Kan je je wil de wil opleggen? Wellicht kan je proberen wensen of verlangens te verdringen, maar er kan alleen maar aanleiding zijn om iets te verdringen als het er al is. Met andere woorden verdringen heft niet iets op.
Aha,  zou je kunnen zeggen, de wil in de zin van emotionele impuls is autonoom.  Of die emoties  je op rationeel niveau nu wel of niet welkom zijn, doet er niet toe, laat staan of je die wensen op het keuze- of het handelingsniveau honoreert.

Echt? Of kan het zijn dat je palet van mogelijke emoties zo sterk worden bepaald door je culturele context je eigen basisaanleg en je eigen Werdegang dat bepaalde emoties niet bij je zullen opkomen, of dat confrontatie daarmee een negatieve reactie zullen opwekken?

Voorbeeld
Een man die qua aanleg heteroseksueel is en opgroeit in een homofobe omgeving, zal als hij niet een zeer kritisch en analytisch persoon is zelf ook homofoob zijn. Hij zal dan ook “instinctief” een omhelzing door een andere man afwijzen. Zelfs als de aanleiding is dat Ajax de Europacup heeft veroverd.
Ik zet opzettelijk dat woord instinctief tussen aanhalingstekens omdat de zelfde man opgegroeid in een geëmancipeerde omgeving die reactie waarschijnlijk niet zou hebben.
Wat zegt dit nu over wilsvrijheid?

Dat  datgene wat zich als wil manifesteert weliswaar onbelemmerd is, maar datgene wat zich als wil zou kunnen manifesteren bepaald wordt door zaken waarvoor ik graag de Duitse termen Bildung en Werdegang zou willen gebruiken.

Hier blijkt ook weer dat het goed is om over vrijheid te spreken als een kwantitatief begrip. Wie streeft naar uitbreiding van kennis en inzicht door zich open te stellen voor andere denkbeelden en zich zelf doorlopend ondervraagt over de houdbaarheid van zijn eigen denkbeelden, zal het palet aan rationele en emotionele alternatieven dat hij tot zijn beschikking heeft verruimen, daarmee zijn keuze mogelijkheden verruimen en zijn vrijheid daarmee vergroten.

Alvorens in te gaan op de tweede wilslaag, de bewuste wens, toch nog maar even terug naar die deterministen.
Ik denk dat hun idee voortgekomen is uit het causaliteitsprincipe, en je zult moeten toegeven dat er in de fysieke wereld geen gevolgen zonder oorzaken bestaan.
Weliswaar kennen we niet altijd die verbanden tot in details, laat staan dat we het verloop er van kunnen voorspellen, maar dat doet aan het causaliteitsprincipe niets af.
Wat de deterministen echter doen is het menselijk handelen ook tot die fysieke wereld rekenen zonder enig bewijs te leveren dat dit terecht is.

Wil men het bestaan van een vrije wil rechtvaardigen, dan zal men er van uit moeten gaan dat er domeinen zijn die zich aan de wetmatigheden van die fysieke wereld onttrekken. Maar dit doen we dan meestal ook zonder daarvoor enig bewijs te leveren dat dit terecht is.
Ziedaar het probleem:
Deze hele discussie speelt zich af  in een wereld waar we vertrouwd mee zijn, waarvan we de werking voor een deel kennen, maar waarvan we de precieze aard niet kennen.

Ik schrijf dit in de illusie dat iemand anders dit ook leest.
Een voorwaarde daarvoor is dat die lezer leeft. (Dat ik als schrijver leef is strikt genomen alleen noodzakelijk zolang het stuk niet af is, maar tijdens het schrijven dien ik in elk geval ook te leven, anders komt er geen stuk.)
Verder moeten we allebei Nederlandstalig zijn en dien ik met te bedienen van woorden in de betekenis zoals die er algemeen aan gegeven worden.

Die taal nu, die bestaat bij de gratie van het bestaan van abstracties en symbolen die door een groep gedeeld worden, dankt zijn bestaan eveneens aan mensen, dat wil zeggen levende bewuste denkende mensen. Mensen bovendien die in een groep leven en gemeenschappelijke doelen en bezigheden hebben die communicatie noodzakelijk maakt.
Als een groep taalgebruikers uitsterft, en er blijft wel een corpus aan teksten in die taal over, zonder documenten die als steen van Rosetta kunnen dienen, dan zal de inhoud van die teksten nooit opgehelderd kunnen worden. Noch door denkwerk, noch door taalanalytische computerprogramma’s.
Gebezigde taal kan dus in een fysieke vorm bewaard blijven, maar nieuwe taal kan alleen vanuit een (levend) wezen ontstaan en alleen door het kennis nemen door een (levend) wezen tot begrip leiden.

Dit hele logische bouwwerk van kennis en inzichten, neergeslagen in gezamenlijk gebruikte symbolen, kan dus alleen worden uitgebreid door levende menselijke intelligentie, die weliswaar afhankelijk is van een stoffelijk substraat, maar van een andere aard is dan die materiële basis.

Er is een asymmetrische relatie tussen beiden. De geest – om die bovenlaag maar even zo te noemen – bestaat op basis van een stoffelijk lichaam en bestaat slechts zo lang dit functioneert, maar uit de stof alleen kan geen geest geschapen worden zonder medewerking van ten minste twee levende menselijke wezens.

OK als je alle moderne trucs meerekent kan het ook met één vrouw en gedoneerd materiaal van een of twee mensen die in elk geval geleefd moeten hebben.

Teilhard de Chardin spreekt als hij het over het ontstaan van het leven en de mens op aarde heeft, van een opvolging van de lithosfeer, de biosfeer en de noösfeer.

Die term is door het gebruik van sfeer een aantrekkelijke metafoor om dat het iets is wat om ons allen heen is.  Al die kennis, die inzichten, is in principe voor iedere nieuwe boreling te bereiken. Uiteraard zeg ik in principe, want de politieke, economische en culturele situatie ter plaatse moet het ook toelaten en beter nog stimuleren.

Dit gegeven dat je als nieuw mens niet helemaal van nul af hoeft te beginnen is van een enorme betekenis. Het betekent onder andere dat de evolutie sinds onze aankomst op aarde een totaal ander karakter heeft gekregen, met aan de ene kant grote risico’s (onze soort past zich namelijk niet altijd alleen maar  aan aan de omgeving, maar wil ook nog wel eens de omgeving aanpassen aan de soort en dat is in ecologisch opzicht niet altijd een succes te noemen), maar het heeft ook een schitterend voordeel: het trage maar onstuitbare proces dat wij Beschaving noemen.

Eén aspect van die beschaving is dat er binnen culturen een algemene moraal ontstaat en die algemene moraal zal een rol spelen bij de persoonlijke moraal van de mensen binnen zo’n cultuur.

En hier mee zijn we – oh wonder – zowaar weer terug bij ons onderwerp: de vrije wil.

We waren zo ver gekomen dat we drie wilsmomenten onderscheidden, de primaire emotionele opwelling, de overweging van alternatieven en de gevolgen daarvan en de uiteindelijke keuze die je uitvoert of althans tracht uit te voeren.

Waar de primaire wilsopwelling in eerste instantie op het eigenbelang gericht zal zijn gaan op het besluitvormingsniveau alternatieve keuzes en hun eventuele gevolgen een rol spelen. Hoe dit afloopt wordt door een aantal factoren beïnvloedt, waaronder kennis karakter en moraal.

Wie over meer kennis beschikt kan daardoor in een bepaalde situatie over meer alternatieven beschikken en heeft dus meer vrijheid. Het karakter van de kiezende persoon kan echter bepalend zijn of iemand van de hem of haar ter beschikking staande alternatieven. Een impulsief persoon is hier in het nadeel ten opzichte van een meer secundair reagerend iemand met dezelfde kennis.
Van grote betekenis is echter de moraal. Moraal hier in de zin van de persoonlijke moraal.

Vaak staan we voor beslissingen  waarbij er keuzemogelijkheden zijn die het persoonlijk belang het beste zouden dienen, maar die het belang van anderen zouden schaden.
Nog lastiger wordt het als zich de situatie zich voordoet dat je moet kiezen tussen een algemeen belang en het belang van een of meer personen die je zeer na staan.
Hier wordt duidelijk dat een verdergaande morele ontwikkeling weliswaar ook de keuzemogelijkheden vergroot en dus de vrijheid groter maakt, maar dat hiermee tegelijk ook de verantwoordelijkheid toeneemt. Iets wat bij toegenomen kennis ook al het geval is, maar daar niet zo opvalt omdat kennis vaak waardevrij lijkt te zijn, maar in principe is iedere keuze een morele keuze.

Consequenties

De consequenties van dit verhaal zijn niet gering.

  1. De vrije wil is een uniek verschijnsel voorbehouden tot nu toe aan de mens, die zich hierdoor bevrijdt heeft (of hierdoor bevrijd werd) van de dictatuur van de causaliteit.
  2. Deze faculteit van de mens heeft geleid tot een stelsel van abstracties waarmee ervaring en kennis en waarden konden worden overgedragen en na de uitvinding van het schrift kon worden vastgelegd.
  3. Afhankelijk van aanleg en ambitie kan ieder individu hetzij alleen maar putten uit deze noösfeer of ook daaraan bijdragen.

Wie het ontstaan van dit vermogen van de mens ziet als een voortzetting van de evolutie met andere middelen, zal er niet aan kunnen ontkomen in stelling 3 een evolutionaire opdracht te zien.

De veren van Rutte

dinsdag 18 september, 2012

Tijdens de verkiezingscampagne van 2012 waarschuwde de lijsttrekker van de VVD in alle toonaarden voor het rode gevaar.
Ja, met die Samsom, had de PvdA de ideologische veren weer aangetrokken.
Dat was – als je eenvoudig redeneert – nog wel een te begrijpen tactiek, maar als je even doordenkt toch een vrij komische manier van argumenteren.

Natuurlijk de gemiddelde kiezer heeft een IQ van 100 en dat betekent dat er globaal even veel mensen het met minder moeten doen als er kiezers zijn die slimmer dan gemiddeld zijn.
Je zou dus kunnen denken dat je met argumenten die domme mensen aanspreken (zoals er dreigt  een GROOT GEVAAR voor Nederland!) de helft van de stemmen binnen kan halen, maar dan vergeet je dat een kwart van de kiesgerechtigden zó dom is dat ze helemaal niet gaan stemmen.

Maar klopt het van die ideologische veren?

Ja, gelukkig wel, zou ik zeggen en daarom zijn er weer honderdduizenden, waarvan het hart op de juiste plaats zit, en dat is zoals u weet links, weer teruggekeerd naar de PvdA, die naar hun smaak een beetje teveel in het centrum was terechtgekomen.
Hopelijk is er zoiets als een partijgeheugen.

Hoewel, enkele weken voor de verkiezingen werd het tweede deel van de keuze van Jolande Withuis voor Zomergasten uitgezonden.
Dat was een enige uren durende douche voor de geest, waardoor je weer van televisie gaat houden. Maar op één punt zou ik iets anders geformuleerd hebben dan zij: Dat was, waar zij zei dat ideologie leidt tot domheid.

Dat is zeker het geval, maar alleen maar als een ideologie wordt opgevat als een systeem van dogma’s. Als je de ideologie gebruikt als een kookboek, zonder dat je elke praktische beslissing vooraf toets aan je eigen gevoel en verstand.

Samsom gebruikte in de debatten enkele malen de goedgekozen metafoor van het kompas. Een richtingaanwijzer met behulp waarvan je koers bepaalt. En die koers kan soms afwijken van de hoofdkoers. Wie bij elke kruising linksaf slaat, komt niet veel vooruit.

Maar wat was er nu zo komisch aan Rutte’s waarschuwing voor die ideologische veren?
Wel dat hij blijkbaar denkt dat wij zo dom zijn dat we niet in de gaten hebben dat liberalisme ook een ideologie is en dat de VVD al jaren rondloopt in een verenpak waarvoor Pino zijn vingers af zou likken.
En voor deze ideologie geldt natuurlijk precies hetzelfde als voor alle andere ideologieën: Als je deze coûte que coûte toepast als een Haarlemmer olie, dan leidt niet alleen tot domheid, maar is dat op zich een manifestatie van blinde domheid.

Natuurlijk er is een verlichte liberale denkwijze die ons prachtige concepten als persvrijheid en vrijheid (en zelfs vrij zijn) van godsdienst heeft gebracht. En die geleid heeft tot prachtige initiatieven als het Kinderwetje van Van Houten.
Maar waar wij de de afgelopen jaren op getrakteerd zijn is een doorgeschoten vorm van marktaanbidding en een consequente verkettering van minder kansrijke mensen.
Het blinde toepassen van een principe, zonder toetsing of dit eigenlijk wel het voorspelde resultaat heeft zie je bijvoorbeeld in de wijze waarop de liberale politici met minder succesvolle mensen omgaat.
Enerzijds zegt men dingen als: ‘Wij kijken niet naar wat mensen niet kunnen, maar naar wat ze wel kunnen’, maar gooit men ondertussen de sociale werkplaatsen dicht.
Verder belijdt men vroom de liberale catechismus die stelt dat inspanning zonder meer leidt tot succes en dat iedereen in dit land de zelfde kansen heeft, maar gooit men de grenzen dicht voor kansarme migranten. Hoezo kansarm? Iedereen heeft toch de zelfde kansen?

Er moet een oorzaak zijn dat intelligente mensen toch tot zo’n ideologie verleid kunnen worden.
Het heeft er waarschijnlijk mee te maken dat iedere ideologie zijn platte variant baart. Zoals er een plat links is van ‘geen gezeik, iedereen rijk’ trekken ook partijen die het woord ‘vrijheid’ in hun naam hebben ook mensen die daarmee uitsluitend hún vrijheid op het oog hebben. In die vorm – en ik zeg nadrukkelijk in díe vorm – is liberalisme niet veel meer dan egoïsme in een cadeauverpakking!

Waar werkt het liberalisme nu deze ontsporing in de hand?

Iedereen weet dat mensen van nature bepaalde vaardigheden meekregen. Sommige wat meer en anderen wat minder. Een aantal basisvaardigheden hebben we nodig, om ons, als we eenmaal volwassen zijn staande te houden. En bij de meeste mensen lukt dat dank zij opvoeding en onderwijs ook wel.
Mensen die bij hun geboorte wat minder talenten hebben meegekregen zullen zich meer moeten inspannen om zelfstandig voort te kunnen dan mensen die meer talenten hebben meegekregen, of waarvan de talenten nooit of pas laat ontdekt worden.

Maar hoe dan ook talenten zijn geen bomen waar de prachtigste vruchten aan hangen te wachten om geplukt te worden, maar het zijn kiemen die opgekweekt moeten worden tot vruchtdragende planten. En daarom hebben we een groot gebouw van wetenschappelijk- en beroepsonderwijs opgetrokken waarin we onze talenten tot volle wasdom kunnen brengen.

Maar onderwijs, training en inspanning zullen nooit een alt tot sopraan omscholen, een succesvolle dove dirigent opleveren, of van schrijver dezes een kunstschilder maken. Het enige wat mogelijk is, is het aanwezige talent maximaal te ontwikkelen.
Toen op de middelbare school waar ik zat, onze wiskundeleraar met pensioen ging, gingen de rapportcijfers over de hele klas met gemiddeld twee punten omhoog, en de zelfde leraar sleepte iedereen het jaar daarop door het eindexamen.
Als een kind in een bepaald vak niet goed meekomt, kan bijles vaak helpen. Misschien niet door dat er dan méér les op het kind wordt losgelaten, maar kan ánders les het verschil al maken. Maar zoiets gebeurt alleen maar als de ouders van dat kind bijles kunnen betalen.
En wat die ouders ook moeten beseffen, is dat resultaten niet alleen afhankelijk zijn van inspanning (‘dan moet je gewoon maar wat beter je best doen’) en ook niet alleen van aanleg, maar van een combinatie van talent, inspanning  en kansen.
En dat je alleen maar kansen kan grijpen als er kansen geboden worden.

En hier zit nu precies de blinde vlek van het plat-liberalisme.
In het VVD electoraat zijn bemiddelde en anderszins succesvolle mensen oververtegenwoordigd. Die mensen zullen vaak trots zijn op hun succes en hebben daar het volste recht toe als ze dat uitsluitend aan hun eigen harde werken hebben te danken.
Maar het rechtvaardigt niet de conclusie dat minder succesvolle mensen ‘dus’ minder hard gewerkt hebben.

Ik kan niet beoordelen of bij iedereen die zo mensen-schiftend denkt, nu alleen maar sprake is van een zekere blindheid, of dat dit ook een comfortabele manier van denken is om te ontkomen aan verantwoordelijkheid voor de ander.

Want al valt er iets te zeggen voor een zeker recht op de vruchten van eigen inspanning,  er is maar weinig te zeggen voor het recht op vruchten van je voorsprong.

OK. Dit is geen politiek argument, maar een ethisch argument.

Daar zijn socialisten en confessionelen nu eenmaal vaak een stukje verder in.

Bestaat tijd eigenlijk wel?

zaterdag 14 juli, 2012

Wanneer ik het woord Toekomst uitspreek,
vertrekt de eerste lettergreep al naar het verleden.

                                                                Wislawa Szymborska

Als je afgaat op het gemak waarmee we het woord ‘tijd’ in de mond nemen, zou je denken dat tijd een glashelder begrip is.
We zeggen zonder een spier te vertrekken of we wel of geen tijd hebben, of als we iets genuanceerder zijn of we veel of weinig tijd hebben.

Maar als we iemand zouden vragen om eens uit te leggen wat tijd is, hangt het een beetje van het type persoon af wat voor antwoord je krijgt.
Een beetje technisch type zal misschien zeggen: “Tijd is wat je met een klok meet”.
Een literair type zal wellicht een verhaal ophangen over het verleden, het heden en de toekomst.
En een filosofisch type zal zeggen tijd is datgene wat je waarneemt als er een verandering plaats vindt, en zal daar na een tijdje (!!) waarschijnlijk op terugkomen.

Allemaal uitspraken die wel lijken te kloppen, maar het zijn geen definities. Het zijn uitspraken over eigenschappen van tijd, of misschien alleen maar over onze beleving van tijd.

Wat is dat eigenlijk, tijd?

De driedeling verleden, heden, toekomst biedt ons misschien wel een uitgangspunt om er iets over te weten te komen. In onze taal hebben we ook aparte vormen voor de verleden tijd, de tegenwoordige tijd en de toekomende tijd.
Het sluit aan bij ons gevoel dat tijd iets is dat stroomt. Ons voorbij stroomt. We herinneren ons dingen die er niet meer zijn, en wat ons nog meer zegt,  gebeurtenissen die plaats gevonden hebben. In onze jeugd bijvoorbeeld; in een tijd die er niet meer is. De verleden tijd. Le temps perdu, zegt een Franse schrijver, de verloren tijd.

Wat we ons van die voorbije gebeurtenissen meestal ook wel ongeveer herinneren is dat ze een bepaalde volgorde hadden.
Wie iets met wetenschap of techniek van doen heeft weet ook dat sommige volgorden onomkeerbaar zijn: Oorzaken gaan altijd vooraf aan gevolgen.

Maar als we denken aan dat deel van ons bestaan dat bepaald wordt door beslissingen die wij zelf of anderen nemen, zien we dat de volgorde waarin de dingen gebeuren voor een groot deel niet vast liggen. En het kan voorkomen dat de volgorde die wij ons van bepaalde gebeurtenissen, zelfs van die waar je zelf de oorzaak van was, door ons anders wordt herinnerd dan door mensen die die zelfde gebeurtenissen hebben meegemaakt. We komen dan iemand tegen die die zelfde gebeurtenissen heeft meegemaakt en die zegt dan “Ja, dat herinner ik me ook, maar dat was pas nadat je naar Zwolle was geweest, want …”.

Zo’n bevestiging van jouw persoonlijke herinneringen door iemand anders, de gelijkluidendheid van de verhalen van oudere mensen, en het bestaan van het geschiedkundige documentatie overtuigen ons dat er zoiets bestaat als een verleden, een weliswaar niet meer bestaande werkelijkheid, waarvan de details ter discussie kunnen staan, maar aan het hebben bestaan waarvan niet getwijfeld kan worden.

We kunnen dus met tamelijk grote zekerheid zeggen, dat tijd in elk geval bestond.

Van de toekomst kunnen we zeggen dat die hoogstwaarschijnlijk zal gaan bestaan.
Een sluitend logisch of natuurwetenschappelijk bewijs hiervankunnen we weliswaar niet geven, maar de wetenschap dat er na de oerknal al zo’n 13,7 miljard jaar wordt bestaan, geeft ons een redelijk kans dat er volgende week donderdag ook nog wel sprake van bestaan zal zijn.

Maar zelfs als we zeker zouden weten dat er ook op langere termijn of misschien wel altijd een toekomst zal zijn, hij is er daarom nog niet.

Dus mogen we de conclusie trekken dat de enige tijd die wel bestaat de tegenwoordige tijd-, het heden-, het nu is.

Het mag dan wel lijken dat we nu iets meer weten van de tijd, namelijk wáár deze werkt, maar helderder wordt de zaak daarmee niet.

Want wat verstaan we precies onder het heden?
De dichtregel die als motto boven dit artikel staat geeft duidelijk aan waar de pijn zit: In de duur van het nu.

Wanneer ik het woord Toekomst uitspreek,
vertrekt de eerste lettergreep al naar het verleden.

In de wiskunde zijn we vertrouwd geraakt met begrippen als een punt zonder afmetingen, en één zo’n punt is het punt NU op de tijdschaal. Dit nu heeft geen tijdsduur. Het is het tijdloze moment tussen verleden en toekomst. Toch moet de geboorte van al het gebeurde daar in een doorlopend proces plaats gevonden hebben. En wordt daar nog steeds toekomst continu veranderd in verleden. En dat terwijl de afmeting van dat heden nul is!

Als we ons een objectief beeld willen scheppen van de tijd, dan kunnen we ons het heden voorstellen als een venster van een oneindige dunte waar de tijd doorheen stroomt.

In dit dimensieloze venster woont niet alleen ons bewustzijn, maar vindt ook alles wat er gebeurt plaats. Hier echoot niet alleen de oerknal na, maar, dit is ook het gebied waar de gevolgen van ons handelen de toekomst op nanoschaal zullen beïnvloeden.

Hoe kunnen we daar mee leven zonder voortdurend in verwarring te zijn?
Ons geheugen behoedt ons voor deze verwarring die ons eigen bestaan op losse schroeven stelt. Het geheugen stelt ons namelijk in staat een korte periode als tegenwoordige tijd te ervaren. Het is als het ware een tijdlens.

Stel je voor dat  je een gesprek met iemand voert over een plan wat je hebt en waar je de ander bij wilt betrekken.
Je formuleert dan voor je begint te spreken een zin die je in je geheugen opslaat en tijdens het uitspreken van die zin weet je doorlopend – maar zonder dat je je dat bewust bent – welk deel van die zin je al uitgesproken hebt, en welke woorden je nog moet uitspreken.
Het kan echter zijn dat je tijdens het uitspreken van die zin je een betere omschrijving te binnen schiet. Je past je zin dan aan of vlecht er een bijzin in.
Dat kan allemaal, omdat mensen, ja zelfs mannen, meerdere dingen tegelijkertijd kunnen doen met hun brein.
We kunnen tegelijk spreken, ons werkgeheugen uitlezen en volgende stappen plannen.
Maar dit vermogen is beperkt evenals ons geheugen beperkt is. Dat veroorzaakt dat we soms in herhalingen vervallen of,  als het gesprek lang duurt, we zoveel zijpaden inslaan dat we op het laatst moeite hebben om ons te realiseren waar we het nou eigenlijk over wilden hebben.

Niettemin is het verbijsterend waar we toe in staat zijn in een ondeelbaar – ja, eigenlijk tijdloos moment nu. En nog raadselachtiger wordt het als we ons realiseren dat zolang het heelal blijft bestaan, dit bestaat in een langdurig misschien wel eeuwig en tegelijk tijdloos moment NU. En dat alles wat wordt, in dit eeuwig nu wordt.

Dit alles, wat je het heel-al, kunt noemen, of alles onder de hemel zoals de taoïsten zeiden, of de schepping zoals verschillende religies het noemen, kan je niet als een voltooid proces zien, want alles stroomt nog steeds. Het heelal dijt noch steeds uit, ons klimaat verandert (mede door onze activiteiten waarschijnlijk) en de Andromeda nevel koerst op ons af.

Een beter woord dan Schepping lijkt dan ook Wording

Wat zijn de consequenties van het feit dat er ergens in dit wordingsproces de mens ontstaan is? De mens die zich bewust is van zijn bestaan, die keuzes kan maken en een zekere vrijheid van handelen heeft. Keuzes die kunnen leiden tot overleven of tot vernietiging.

Is het biologische wordingsproces – de evolutie – hiermee in een andere fase  terechtgekomen? Is het proces van menswording voltooid of begint het pas net? Allemaal vragen die opkomen als je ons bestaan plaatst in een tegen de achtergrond van het gehele wordingsproces.

Hier over gaat een volgend artikel dat voorlopig als werktitel heeft Evolutie 2.0 en het Wordingsproces.
Maar het zal nog wel maanden duren voor dat geschreven wordt.
Eerst Teilhard de Chardin nog maar eens lezen en uitzoeken waar en waarom ik het niet met hem eens ben, maar toch geïnspireerd wordt door hem.

Epiloog

Zijn we nu wat meer te weten gekomen over tijd? Niet veel. In ieder geval niet veel over het ware karakter van de tijd.
Net zoals we waarschijnlijk ook nooit helemaal zullen doorgronden wat die andere hoofdingrediënten van ons bestaan zijn leven, ruimte en materie.

Logici zeggen geloof ik ook dat iets wat deel is van iets anders geen betrouwbare uitspraken over dat andere kan doen, maar ik weet niet zeker of ik dat goed begrepen heb.

In het dagelijkse leven kennen we tijd in elk geval als het stramien waartegen we de volgorde van gebeurtenissen afzetten. We kunnen de tijd alleen maar meten of ervaren met behulp van veranderingsprocessen.

De verleden tijd, tegenwoordige tijd en toekomende tijd in onze taal heeft ook alleen maar uitwerking op werkwoorden, woorden die een activiteit en dus een verandering een wordingsproces betreffen

Tijd is niet hetzelfde als verandering maar de twee zijn sterk gekoppeld. Als er niets meer verandert is ook de tijd bevroren. En wanneer onze stofwisseling  stopt en onze neuronen niet meer vuren is ook onze tijd voorbij.

Maar niet de tijd.

Gelukkig in Holset IV; Onder de hemel

zaterdag 19 november, 2011

Voor het eerst sinds we eind september in ons nieuwe huis in de heuvels trokken om daar als een soort kwartiermakers te gaan kamperen vind ik voldoende rust om iets op te schrijven. Niet dat het huis af is. Nog lang niet, maar er zijn al zeer bewoonbare gedeelten.
Wat wel volmaakt is, is het uitzicht, dat ik elke ochtend geboren zie worden. Naar mate de horizon achter me, die van uit dit huis niet zichtbaar is, zich verder naar de zon toe wentelt, onderscheidt de westelijke hemel zich duidelijker van de heuvelrand.
Elke dag gebeurt dit iets later. En ook voor zonsopgang is er ook al van alles verschoven in de weken dat ik hier wakker word.

De maan blijft steeds meer achter naarmate hij minder vol is en Orion is opgeschoven en hangt nu boven België als het nog net donker is.

Dan voltrekt zich wat beschreven wordt in mijn favoriete lied Nuevo dia van de gelijknamige CD van Lole y Manuel.

El sol joven y fuerte
ha vencido a la luna
que se aleja impotente
del campo de batalla.

La luz vence tinieblas por campiñas lejanas.
El aire huele a pan nuevo.
El pueblo se despereza.
Ha llegado la mañana.

De zon, jong en krachtig
heeft de maan verslagen
die zich machteloos terugtrekt
uit het slagveld.

Het licht verdrijft de nevel in de verre velden.
De lucht ruikt naar vers brood.
Het dorp wordt wakker,
De ochtend is aangebroken.

Terwijl ik dit schrijf  is de zon door de wolken gebroken en worden drie verderop gelegen boerderijen uitgelicht. De huizen dichterbij moeten nog even wachten tot de zon ook de heuvel waarop wij wonen heeft genomen.

De schapen van de overburen hebben zich nog niet laten zien.  Ze zijn met zijn drieën. Twee witte en één donkerbruin.
Toen het een paar dagen geleden rijpte was het bruine schaap aan de bovenkant ook wit. De koeien in de grote boerderij verderop wachten tot het wat warmer wordt voor ze uit de stal komen.

Zo worden er langzamerhand patronen zichtbaar.
Patronen en verschuivingen in die patronen die zich voltrekken in het tempo dat de wetten van het heelal ze oplegt.

Het geeft me een intens gevoel weer thuis te zijn. Thuis in het heelal, de schepping of hoe je het noemen wil, de onpeilbare complexe ruimte gevuld met leegte en materie, waarvan ik dankzij een raadselachtig verschijnsel dat leven heet een tijd getuige mag zijn.

Wow!