Vrijheid II: Een wevend tapijt

zaterdag 13 mei, 2006

Geïnspireerd door het paradijsverhaal, de Alevieten en tot op zekere hoogte door de gedachten van Teilhard de Chardin zou je ook het beeld kunnen oproepen van een doorlopende schepping.
Dat idee is ook denkbaar zonder een afzonderlijke persoonlijke of bovenpersoonlijke scheppende kracht te veronderstellen.
De enige onbewijsbare veronderstellingen waarmee je dan genoegen moet nemen is dat er tijd bestaat, en dat er mogelijk een begin en een eind der tijden was of zal zijn, maar dat beide een raadsel zullen blijven.
Waar wel al tamelijk stevige aanwijzingen voor bestaan is dat er in de tijd achtereenvolgens materie en leven zijn ontstaan en dat het leven zich ontwikkeld heeft tot een bewuste vorm van leven: de mens.

Op zich is dat al een indrukwekkende stamboom voor een individu, maar ik vind het idee ronduit opwindend worden als je je voorstelt dat het scheppingsproces zich voortzet in de ontwikkeling van een samenleving.

Waar de ontwikkelingsrichting van de tijd vast ligt, ligt de richting waarin de schepping zich voortzet echter open, omdat wij gezamenlijk meebouwen aan de jongste ontwikkelingsvorm: de samenleving

Van die trits materie, leven, bewustzijn samenleving zijn we dus allemaal onderdeel!
Je zou dus ’s ochtends op kunnen staan en zeggen:

Ik neem deel aan de schepping:

Ik ben opgenomen in de kringloop van de materie.

Ik ben een schakel in de keten van het eeuwige leven.

Ik ben een knooppunt in het web van kennis.

Ik weef een draad in het tapijt van de samenleving.

Als je dit met volle overtuiging kunt zeggen, ben je stevig in het leven geworteld…
Maar kan iedereen dat zeggen?

Iedereen is deel van de materie.
Iedereen leeft. Maar niet iedereen leeft even lang en even plezierig.
Lichamelijk en geestelijk lijden kunnen maken dat iemand zelfs naar het einde van zijn leven verlangt.
Ook de hoeveelheid kennis waarover mensen kunnen beschikken verschilt per persoon. Door verschillen in aanleg en verschillen in ontplooiingsmogelijkheden.
En waarschijnlijk zijn er tallozen die niet ervaren dat ze deel uitmaken van een samenleving.

Het is duidelijk dat de samenleving – de jongste ontwikkeling van het scheppingsproces – nog een onvolkomen product is. Maar het is ook tegelijk het deel waar we iets aan kunnen veranderen. En daarmee kunnen we ook iets doen aan de kwaliteit van het leven en het niveau van de kennis waartoe de mensen toegang hebben.

Wanneer we het over het begrip samenleving hebben, dan doen we dat meestal met het bepaalde lidwoord de ervoor: de samenleving.
Maar de samenleving is een theoretisch begrip. Als je verschillende mensen vraagt om de huidige samenleving te karakteriseren, zullen ze daar onderling zeer verschillend op reageren. En hun antwoord zal zeker beïnvloed worden door hun maatschappelijke positie, hun politieke en levensbeschouwelijke opvattingen, hun levenservaring, hun karakter of misschien zelfs door hun gemoedsgesteldheid van het moment.
Afgezien van al die verschillen in perspectief is er ook nog iets anders dat de samenleving van nature pluriform maakt: Je beleeft het samenleven op meerdere plaatsen:
Een relatie, een gezin, een vriendenkring, een werkkring, een geloofsgemeenschap, een taalgebied, zij hebben alle kenmerken van een samenleving en kunnen de voedingsbodem zijn van even zoveel deelculturen.
Eén persoon kan op die manier deelnemen aan meerdere samenlevingsvormen en zal derhalve (meer of minder strikt) de normen van de bijbehorende (sub)culturen naleven, of op z’n minst respecteren.
Dat dit werkt komt omdat het individu zo’n cultuur niet alleen ondergaat, maar ook deel uitmaakt van al die kringen, er in participeert.
Dit moet een schokkende constatering zijn voor mensen die een multiculturele samenleving niet levensvatbaar achten: Eén enkel persoon is al multicultureel, tenzij hij of zij volstrekt monomaan, autistisch en bovendien nog kluizenaar is. Waarmee ik niet wil zeggen dat zij die de multiculturele samenleving verwerpen monomaan, of autistisch zijn. Maar in cultureel opzicht zijn ze toch wel enigszins gekluisterd.

Natuurlijk zullen er verschillen in betrokkenheid bij al die deelculturen zijn: “Het hemd is nu eenmaal nader dan de rok”, roepen we al eeuwen in dit land. Maar dat wil helemaal niet zeggen dat we niets om de rok geven.
Het hoeft ook helemaal niet zo te zijn dat nader ook liever betekent. Sociale afstand is misschien een begrip dat een in een theoretisch model gemeten of vergeleken kan worden, in individuele gevallen wordt het per persoon op eigen wijze ervaren..
Iemand kan zich eerder een Europeaan voelen dan een Zuid-Hollander. Kan zijn werk belangrijker vinden dan zijn gezin. Zijn politieke engagement belangrijker dan zijn carrièremogelijkheden, zijn overtuiging zelfs belangrijker dan zijn leven.

Het geheel van al die grotere en kleinere betrokkenheden, bindingen en patronen die gezamenlijk de samenleving vormen, zou je je kunnen voorstellen als een weefsel. En elk weefsel bevat minimaal twee garensystemen, de schering en de inslag.
De schering is de dragende structuur. De inslag zorgt voor de kleuren en patronen in het weefsel.
Je zou die inslagdraden kunnen zien als de sporen die de individuele mensenlevens aanbrengen en achterlaten. Sommige daarvan zijn langer dan andere. Sommige vallen meer op dan andere, al hangt dat ook af van wat het oog dat kijkt wil zien. Soms wordt de kleur van één bepaalde draad overgenomen door de opvolgers van die draad, soms hebben nabijgelegen draden ook die kleur overgenomen. Maar interessante patronen ontstaan vooral daar waar verschillende kleuren, materialen, diktes en bindingen elkaar spelend afwisselen.

De sterkte van het weefsel wordt bepaald door de dichtheid en sterkte van de schering (die moet de inslag tenslotte dragen) en de mate waarin schering en inslag met elkaar verweven zijn. In de textiel wordt die interactie ‘de binding’ genoemd en dat is ook voor ons onderwerp geen slecht woord.
Individuele burgers moeten zich met de maatschappelijke structuren verbonden voelen, wil het weefsel stand houden.
Bijdragen gaat gemakkelijker als je het idee hebt dat je zelf ook gedragen wordt.

Dat gevoel van binding lijkt de laatste vijftig jaar voor velen minder vanzelfsprekend te zijn geworden.
Voor we daar verder op ingaan is het misschien goed nog eens na te gaan wat we ons moeten voorstellen bij die structuren die de schering van onze samenleving vormen.
We hebben het dan niet alleen over zaken die van de overheid komen in de vorm van zekerheden en verplichtingen, maar ook over alle structuren en omgangsvormen die in het intermenselijk verkeer zijn ontstaan en die zowel van commerciële, als van maatschappelijke of culturele aard kunnen zijn en tot een min of meer vast patroon gestold zijn.
Het gaat dus niet alleen om grote zaken als de kinderbijslag en de Ramadan, maar ook over de woensdagse markt, het sturen van kerstkaarten en de oranjegekte rond een voetbaltoernooi.
Wanneer die binding in sommige groepen of perioden verzwakt is, kan dat verschillende oorzaken hebben. Het kan zijn dat de structuren het laten afweten zodat bepaalde groepen uit de boot vallen (of er uitgeduwd worden) zoals dat met de ‘illegalen’ of de ‘minima’ gebeurt.[1]
Het kan ook dat een groep mensen z’n sociale contract eenzijdig opzegt: “Jouw rechtsorde is de mijne niet.”[2]

—-

[1]Alleen de gewoonte om een mens in al zijn volheid aan te duiden met één kenmerk is al een acte van verstoting.
We hebben het hier over mensen, die in de ongelukkige omstandigheid verkeren (nog) niet over een geldige verblijfsvergunning te beschikken. Als we ze illegalen noemen – onwettigen – dan ligt dat wel erg dicht tegen outlaws aan.
Het is misschien ook goed te bedenken dat de nazi’s en hun Nederlandse medewerkers verzetsmensen illegalen noemden.
Minima zijn mensen met een minimum inkomen, die voor het overige wellicht maximaal fuctioneren. Door ze alleen op basis van hun inkomen als minima te karakteriseren, minimaliseer je ze. En minimaliseren is zoveel als maximaal kleineren.
[2] ‘Argument’ van de gewelddadige tak van de Amsterdamse krakersbeweging rond 1980, waaruit blijkt dat extremisme niet alleen een importproduct is.

mailtobutton

Vrijheid I: De Vopo en de Prins der Dichters

zaterdag 13 mei, 2006

Eind jaren zestig vormde zich in Amsterdam een Comité ter Bevordering van de erkenning van de DDR. En daar was ik ‘lid’ van.
Zulke activiteiten waren destijds niet populair. De koude oorlog woedde nog hevig en ook in koude oorlogen is de waarheid altijd het eerste slachtoffer.
Een waarheid die toen niet mocht bestaan, was dat geen van de mensen die ik in dat comité leerde kennen ook maar enige sympathie had voor het regime van de DDR.
Wij hadden echter het idee dat er ontspanning nodig was en dat je die nooit zo kunnen bereiken als je niet begon met te erkennen dat je tegenstander bestond. Maar alleen al deze gedachtegang leverde je het predikaat meeloper op.
We leefden in een klimaat waarin het woord ‘genuanceerd’ met hoorbare aanhalingsteken en op smalende toon werd uitgesproken.
Ongeveer op de toon waarop rechtse scherpslijpers nu ‘politiek correct’ of ‘multicultureel’ uitspreken.

Goed, we bereikten dus niets ten aanzien van de ‘Genossen’, en het werd zelfs onaangenaam als je merkte dat zij je voor hun politieke karretje probeerden te spannen en dan van de weeromstuit de Nederlandse pendant van de Stasi hier in je spullen zat te snuffelen.
Nee, wat dat betreft waren de Nederlandse zakenlieden die de Leipziger Messe in dat niet bestaande land frequenteerden succesvoller.

Hoe dan ook, ik bevond me op een dag in Oost-Berlijn in een eethuis achter een groot bord zuurkool, toen een Vopo (Volkspolizist ) mijn tafeltje naderde en vroeg of hij aan mocht schuiven.
Dat mocht.
Waar ik vandaan kwam, vroeg hij.
Nou, dat ik uit het Westen kwam, was wel duidelijk. Als non-conformist droeg ik natuurlijk het non-conformisten uniform bestaande uit baard, lang haar en spijkerpak.
Wat ik al eerder had gemerkt, was dat de kaders daar bijzonder geïntrigeerd leken door een fenomeen als Provo.
Dat leek namelijk op een revolte, maar dan wel een volgens een recept dat niet in het kookboek van Karl Marx voor kwam.
Hoe zat dat nou ideologisch? Nee, een beweging zonder ideologie, dat ging er niet in.
De nieuwsgierigheid van de Vopo was van de zelfde aard.
Toen ik in mijn pogingen duidelijk te maken wat de Provo’s bezielde een paar keer het woord vrijheid had gebruikt, onderbrak hij me beleefd en vroeg wat volgens mij dan vrijheid was.

Ik moet zeggen dat ik de situatie erg pikant vond.
Daar zat ik oog in oog met een geüniformeerde vertegenwoordiger van een dictatuur , die belangstellend vroeg wat ik onder vrijheid verstond.
En hoe achterlijk dat nu ook klinkt, ik wist daar niet zo gauw antwoord op.
Blijkbaar was vrijheid voor mij zoiets gewoons dat je er niet diep over nadacht, als je in vrijheid leefde. Zoiets als schone lucht en schoon water vroeger ook gewoon waren. Vrijheid was meer een gevoel dan een filosofisch begrip voor me in die tijd. Vrijheid was er gewoon, en hield pas op waar het de vrijheid van anderen dreigde te beperken.

Maar als vertegenwoordiger van het Vrije Westen moest ik natuurlijk wel met iets voor de dag komen, dus begon ik te improviseren over de mogelijkheid je te ontplooien zover je kon en wilde zolang je de vrijheid van anderen maar niet belemmerde.
Entschuldige, viel de Vopo me in de rede, maar je kunt in een definitie niet het te definiëren begrip als limiet gebruiken.
Ja, daar had hij gelijk in. Meneer was blijkbaar beter geschoold dan ik.
Ik kwam er ter plekke niet uit. Dus vroeg ik maar eens wat híj dan wel onder vrijheid verstond.
Daar hoefde hij geen seconde over na te denken: “Die Erkenntniss der Notwendigkeit”.

Notwendigkeit?
Ja, zei hij en er volgden acht minuten Marx.
Ik kon het allemaal niet volgen.

Een dag later liep ik langs een grote boekhandel en zag daar een boekje in de etalage dat Klein politisches Wörterbuch heette. Het kostte – zoals alle boeken daar – een habbekrats.
Ik schafte het aan en zoals u al vermoedt was het eerste wat ik opzocht Freiheit.
En inderdaad Freiheit was Die Erkenntniss der Notwendigkeit*. En dat sterretje betekende dat Notwendigkeit ook in het woordenboekje opgezocht kon worden.
Dat leverde echter niet veel meer inzicht op dan het betoog van mijn tafelgenoot mij verschaft had.
Als ik het me goed herinner verwees Notwendigkeit naar de wetmatige onontkoombaarheid van het Marxistische maatschappijmodel, waar gezien de historische ontwikkeling toch een foutje in gezeten schijnt hebben gezeten. Ik zie tenminste wel een hoop ineenstorten om me heen, maar niet het kapitalisme.

Toch is het een onverdraaglijke gedachte om vrijheid enerzijds zo essentieel als ademhaling te ervaren en tegelijkertijd het wezen er van niet te doorgronden.
Zeker in een periode dat het vrijheidsbegrip ter sprake komt wanneer het recht verdedigd wordt om vanuit een behaaglijke maatschappelijke positie toch al gefrustreerde bevolkingsgroepen te beledigen of te provoceren.

Zonder het te beseffen liep ik echter al jaren rond met de sleutel tot mijn huidige vrijheidsopvatting.
Er zullen niet veel mensen zijn die de tekst van Roland Holst op het Nationaal Monument op de Dam uit hun hoofd kennen.
Ik ook niet op de eerste regels na:

Nimmer van erts tot arend was enig schepsel vrij onder de zon, noch de zon zelve, noch de gesternten. Maar geest brak wet en stelde op de geslagen bres de mens.

Wat wordt hier veel gezegd in twee regels.
Volgens mijn interpretatie van de dichter ontstaat vrijheid op het moment dat de mens ontstaat, omdat geest wet breekt.

Wet betekent dan de natuurwetten waaraan de materie onderworpen is, en waarin geen keuzemomenten aanwezig zijn. Maar wanneer geest wet breekt, dat wil zeggen bewustzijn en kennis en zelfreflectie ontstaan, ontstaat de mogelijkheid te kiezen en de mogelijkheid om te kiezen zou je vrijheid kunnen noemen.
Dat is een heel prikkelende gedachte want onmiddellijk doemen er allerlei vragen en associaties op.

De trits erts arend mens beschrijft de schepping of zo u wil de evolutie hier op aarde tegen de achtergrond van zon en gesternten, het eerder ontstane heelal.
En natuurlijk denk je dan in dit werelddeel onmiddellijk aan de scheppingsweergave in Genesis, waarin de bewustwording wordt bestraft met verdrijving uit het paradijs.
Daarnaast zijn er echter ook andere interpretaties van de schepping. Zoals bij voorbeeld in het Alevitisme, voortgekomen uit de Sufi beweging die weer ontsproten is aan de shi’itische stroming van de Islam. “Volgens de Alevitische filosofie zijn de schepper en het geschapene identiek, met andere woorden exact hetzelfde.” en wordt de schepping geassocieerd met het bewustwordingsproces “Door de mens te scheppen werd God zich bewust van zijn eigen existentie. Want God kon vanuit een onbekendheid alleen door middel van de denkende en deze gedachten uitdrukkende mens zich bewust worden van zijn eigen bestaan. Als god de mens niet had geschapen, was hij zich ook niet bewust worden van zijn eigen existentie.”
Beide citaten zijn ontleend aan de internet site alevieten.nl die echter niet meer bestaat.

Wel vond ik de tekst terug op http://turksnl.net/forum/viewtopic.php?f=7&t=12319&st=0&sk=t&sd=a&start=30 in de bijdrage van Ebru op 1 november 2005.

Ook als je niet een bepaalde religie belijdt zijn er uit religieuze opvattingen wel ideeën te halen die als katalysator voor je eigen denkproces kunnen dienen.

Iedereen die wel eens twijfelt, ervaart dat de mogelijkheid om keuzes te maken vergezeld kan gaan van de noodzaak een keuze te maken.
En naarmate je kennis toeneemt begin je ook te ervaren dat sommige keuzes te prefereren zijn boven andere.
Er zijn betere en slechtere keuzes mogelijk.
Dus zodra je kunt kiezen hebben goed en kwaad intrede in je denken gedaan.

Je kunt het christelijke scheppingsverhaal dan ook geen ongelijk geven: Kennis (van goed en kwaad) maakt een eind aan het zorgeloos bestaan.

En bij elk nieuwgeboren kind zien we dat proces zich herhalen.
Elke goed verzorgde baby leeft aanvankelijk in paradijselijke omstandigheden, maar naarmate het kind ouder wordt en meer kan, hebben we de plicht het op te voeden en het te leren die mogelijkheden goed te gebruiken.
Vrijheid blijkt dus een geschenk met een gebruiksaanwijzing.
Een gebruiksaanwijzing die echter niet in de verpakking aanwezig was.
We zullen hem zelf moeten schrijven1)

Vrijheid is niet alleen kunnen kiezen maar vaak ook moeten kiezen.
Kiezen betekent je zelf de vraag stellen wat goed is.
Je kunt dus spreken van een gelijktijdige geboorte van vrijheid en verantwoordelijkheid.

Dus toch zoiets als Erkenntniss der Notwendigkeit?

Om praktisch nut te hebben van zo’n conclusie, zal je toch antwoord moeten geven op de vraag wat die noodzaak of verantwoordelijkheid dan in concreto inhoudt.

Wat is goed. En voor wie?


[1] Overigens vraag ik me af hoe aanhangers van het Intelligent Design dit zien. Wanneer ik een menselijk product beoordeel dan is een belangrijk criterium of de bediening er van zonder meer duidelijk is en zo niet of er dan een gebruikershandleiding bij zit die glashelder is en elk misverstand uitsluit.
Misschien zullen die aanhangers van de Intelligent Design idee dan zeggen dat de Bijbel die Intelligent User Manual is, maar je kunt niet volhouden dat dat boek niet tot misverstanden geleid heeft. Alleen op het punt van het bestaan van de vrije wil zelf al, geeft de Schrift blijkbaar niet iedere gelovige het zelfde uitsluitsel.

mailtobutton

Het zaterdagmiddag gevoel

zondag 7 mei, 2006

Het klinkt misschien gek, maar ik ben wel vaker vrolijk. Maar deze keer viel het me op dat ik op een bepaalde manier vrolijk was. Een soort vrolijkheid die ik van vroeger kende. Veel vroeger.
Aan het eind van de Anthony Lion weg wist ik ineens wat het was, het Zaterdagmiddag gevoel.
En inderdaad met een hoofdletter, omdat het stamde uit een tijd dat de zaterdag nog een hoofdletter had.
Nu was het ook op een zaterdag dat dit gevoel me besprong, maar het verschil met andere zaterdagen was dat ik van mijn werk naar huis fietste.
Doorgaans werk ik niet op zaterdag en op de andere dagen van de week werk ik zelfs niet eens de hele dag. Als zeventigplusser vind ik 12 tot 20 uur per week zat. Maar nu kwam het beter uit er op zaterdag wel te zijn en was het om een uur of twaalf afnokken en naar huis.
Feierabend!
Toen ik op mijn vijfenzestigste zonder werk raakte had ik eerst gedurende een paar maanden de dagen voornamelijk met fietstochten gevuld, maar toen ik alle fietspaden binnen 50 kilometer van Rotterdam twee tot acht keer gehad had, was ik maar weer gaan werken. En ineens bestonden er weer weekenden.
Als je ophoudt met werken lever je behalve een flink stuk inkomen ook nog eens je weekenden in!
Nooit doen dus.

Toen de vrije zaterdagmiddag werd ingevoerd was er zaterdagochtends op het werk een heel andere sfeer. Er hing iets lichts, iets vrolijks in de lucht. Vaak was de aard van het werk ook anders. Opruimen, onderhoud van de machines waren typische zaterdagochtend klussen.
De koffiepauze duurde wat langer, en het onderwerp ‘wat ga jij doen?’ stond natuurlijk vaak op de agenda.
Zaterdagochtend stond voor voorpret.

In het gezin stond die dag ook in het teken van in het groot boodschappen doen. Sommige vriendjes hadden het geluk dat hun moeder boodschappen bij de Gruijter deed, maar bij ons waren ze tegen Piet de Dief. Dus ook geen snoepje van de week en geen kleurplaten van koffiepotten. Dat snoepje van de week ging vergezeld van een klein kadootje wat steeds vaker bestond uit voorwerpen van dat wonderbaarlijke nieuwe materiaal: plastic!

Voor mij bestond de zaterdagmiddagdroom uit een bezoek aan de Javastraat. Daar was niet ver van de hoek met de Sumatrastraat een radio- en electrazaak gevestigd. Radio Schoordijk heette de zaak geloof ik, en de uitbater had trots op zijn winkelruit had laten schilderen dat hij voorheen Chef bij Aurora was geweest. En Aurora was het Walhalla van iedereen die geïnteresseerd was in wat toen nog niet electronica heette. Daar stond je dan verlangend te kijken naar de uitgestalde radio onderdelen. En je tekende nog eens in je hoofd het schema van een éénkringer met de Amroh 402N spoel, omdat de dure zelf bouwpaketten van Maxwell voor een ‘driebanden superheterodyne ontvanger’ zelfs voor dromen te ver buiten je bereik lagen.

Als de middag vorderde werd de lucht vervuld van de lucht van gebakken vis. Meestal schol. Omdat de Amsterdammer op zaterdag niet graag kookte, maar het hield op brood met een gebakken vissie.
Kortom de zaterdag hing echt in de lucht.

mailtobutton

Kus

zaterdag 6 mei, 2006

Het is een vreemd en onwelkom idee, dat alle meisjes uit mijn jeugd nu vrouwen van rond de zeventig zijn.
Niet dat er iets mis is met vrouwen van rond de zeventig. Mijn moeder was een schat op die leeftijd, maar mijn herinnering aan de meisjes van toen is toch van een andere aard.
Lang behoorden ze tot een andere wereld, waarvan ik me niet kon voorstellen dat ik er ooit contact mee zou maken. Maar toch moet ik een keer de moed gehad hebben een afspraak te maken.
Anja heette ze. Een stil meisje met donker haar.
De afspraak behelsde om bij zonsopgang vogels te kijken op de Diemerzeedijk.
De Diemerzeedijk – toen nog een natuurgebied – lag op een uurtje lopen van de buurt waar wij allebei woonden, de Indische Buurt in het oosten van Amsterdam.
We kenden elkaar uit de NJN, de Nederlandse Jeugdbond voor Natuurstudie.
Een erg fanatiek lid was ik niet en ik was eerder een plantjesmens dan een vogelaar, maar een dergelijke excursie was in ieder geval een uiterst eerbaar voorstel.

Het tochtje kwam niet zomaar uit de lucht vallen. Ik was al een keertje bij Anja thuis geweest. Wat ik dáár voor aanleiding voor bedacht had weet ik niet meer.
Tegen een meisje zeggen dat je d’r wel lief vond, deed je niet zomaar in die tijd. En als het toen wel gedaan zou worden, zou ik het zeker niet gedurfd hebben.

Het was een prettig huis waar Anja woonde. Heel anders dan bij ons. Er waren boeken.
Het soort interieur had ik wel eerder gezien, bij andere NJN-ers thuis.
Geen zeil op de vloer, maar gebeitste planken. Gordijnen van Dobby stof, vaak met een aangenaaid lusje in plaats van ringen. Reproducties van Toorop of Jan Veth. Een bakstenen schoorsteen en boeken. Veel boeken. Bij Anja’s ouders stonden zelfs werken van Reich en Bart de Ligt.
Anja’s vader bejegende me op onverwachte wijze. Het leek haast wel of hij het niet erg vond dat ik kwam. Hij praatte met me en vroeg dingen alsof het belangrijk of interessant was wat ik vond en wat ik was.
Het was eigenlijk wel aangenaam om zo behandeld te worden, maar wel vreemd vond ik.
De zondagochtend brak aan en het was behoorlijk koud.
Van vogels kan ik me niet veel herinneren. Zoals ik al zei, ik wist niet zo veel van vogels en Anja ook niet. Maar ik weet wel dat we een stukje hand in hand liepen.
Hoe dat zo gekomen was, weet ik niet. Had ik haar de hand gereikt bij het beklimmen van een talud? Hadden onze handen elkaar per ongeluk geraakt?
Het was wel een heel bijzonder gevoel, die hand van haar in de mijne. Een warme levende hand die in de jouwe lag, dat voelde je ook door onze gebreide handschoenen heen.
Op de terugweg – enigszins verkleumd – kwamen we langs een speeltuintje.
We waren nog genoeg kind om op die verleiding in te gaan en we konden ook wel wat beweging gebruiken om weer warm te worden.
Dat laatste lukte het beste toen we samen op de schommel stonden.
Anja was nu wel heel dicht bij me. En die kus – mijn eerste – was geloof ik het idee van de kus zelf. Ik kan me tenminste niet herinneren dat een van ons het initiatief nam.
Het eerste moment was heel anders dan we verwachtten. Onze neuzen bleken in de weg te zitten. Maar dat leerde snel. De eerste verrukking was dat ze zo lekker rook. Zoet kruidig en in de verte ook een beetje bitter.
Ik wist dat meisjes heel bijzonder waren, maar dat ze zo lekker zouden ruiken…

De kus zelf was niet zo speciaal als ik verwacht had, maar alle omstandigheden er omheen brachten voldoende plezierige verwarring.
Toch bleef het bij die ene kus tussen Anja en mij. Ik kan me ook geen verdere afspraken herinneren.
Het was nog te vroeg voor ons, denk ik.
Niet veel later moest ik voor het eindexamen een aantal romans lezen.
Boeken las ik al lang, en veel, maar romans dacht ik waren romantische verhalen en dat trok me niet aan.
Door de verplichte kennismaking kwam ik echter al snel op andere gedachten: Romans gingen over mensen en over het leven!

Een van de eerste boeken die ik in het Duits las was een novelle “ Ungeduld des Herzens”, van Stefan Zweig geloof ik.
Het ging over een man die zijn verlangen om van iemand te houden verwarde met de liefde zelf, begreep ik er van.

Ik snapte het leven weer een beetje beter na dat boek.
Was ik niet zelf ook in de war geweest over die lichtere vorm, verliefdheid?

_____

Later is er nog een vervolg op dit stukje geschreven: “Nogmaals die kus”

mailtobutton

Hemelvaart

vrijdag 5 mei, 2006

Hemelvaart viel vroeg dit jaar.
Op de vroege ochtend van de twee Paasdag fietste ik naar mijn werkt toen het een grutto te veel werd.
Pijlsnel steeg ze op, schuin over het opkomend tarweveld.
Haar silhouet deed denken aan de duif van het Hugenotenkruisje.
In één rechte lijn vloog ze naar de lichtste plek van het wolkendek, waar ze in het niets (of is het juist al) verdween.
Stikkend van geluk.
Ik voelde met haar mee.

Een paar honderd meter verderop aan de Anthony Lionweg stond een groepje schapen en lammeren doodstil het tafereel gade te slaan.
De gebroeders van Eyck zouden heel tevreden geweest zijn met de opstelling.
Een lammetje rechts keek extra zoet. Ik wist zeker dat het op de momenten dat ik niet keek een ijl baniertje op de linkerschouder zou heffen.

Ik moest even stoppen voor ik naar binnen ging.
Wat brengt het leven me toch veel.
En ik had nog niet eens gewerkt die dag.

mailtobutton